Twee systemen om te denken
De Italiaanse cognitieve wetenschapper Massimo Piattelli Palmarini schrijft in zijn boek Onvermijdelijke illusies het volgende:
Zo’n twintig jaar na de ontdekking van de cognitieve illusies en tientallen boeken en honderden artikelen verder verbaast het me nog steeds dat bijna niemand buiten een kring van specialisten hier weet van heeft.” (p. 10)
Die cognitieve illusies waarover hij het heeft, zijn aangetoond door de psycholoog Daniel Kahneman en zijn collega’s, in het bijzonder Amos Tversky. Het boek van Palmarini dateert uit 1996, het jaar waarin Tversky overleed. We zijn alweer bijna dertig jaar verder. Is de situatie ondertussen veranderd? Ten dele wel, ongetwijfeld. Behalve gediplomeerde psychologen en logici is nu ook een deel van het zogenaamde bredere publiek vertrouwd met Kahnemans werk, zeker sinds de publicatie van zijn boek Thinking Fast and Slow (2011).
Steeds meer mensen kennen technische termen en concepten zoals de conjunctie-fallacy, de wet van de kleine getallen, verankering en de beschikbaarheidsheuristiek, en weten min of meer waarop het onderscheid tussen Systeem 1 en Systeem 2 slaat. Het boek werd een internationale bestseller. In het Nederlands kreeg het de titel Ons feilbare denken mee. Ik begrijp die keuze. Het klinkt beter dan Denken, snel en traag. Maar het is ook potentieel misleidend.
overleed op 27 maart 2024. De berichtgeving erover in enkele Vlaamse en Nederlandse kranten wekte de indruk dat zijn onderzoek suggereert of zelfs bewijst dat we irrationele wezens zijn. Dat is niet het geval. We zijn onmiskenbaar in staat tot rationeel denken, dat doen we met ons cognitieve Systeem 2, zoals Kahneman het noemde. Systeem 2 is een verzamelterm voor onze mentale vermogens die bedachtzame reflectie mogelijk maken. Het is een relatief traag systeem, dat energie en inspanning kost en ons doet twijfelen over de juistheid van de patronen en verbanden die we zien, over de afleidingen die we maken en de conclusies die we trekken. Het doet ons wikken en wegen en maakt voortschrijdend inzicht mogelijk. Zonder de cognitieve vermogens die Systeem 2 uitmaken, zouden we geen logica, geen filosofie, geen wetenschap en geen werkzame technologie hebben. Kortom: het maakt ons tot een rationele soort. Primaten weliswaar, maar behept met rede. De Amerikaanse wetenschapper en schrijver Jared Diamond kan best gelijk hebben dat wij de derde chimpanseesoort zijn, naast Pan troglodytes en Pan Paniscus, maar we zijn wel de rationele chimpansee. Onze nauwste evolutionaire verwanten ontwikkelen geen logica of kansrekening, sturen geen raketten naar de maan en maken geen deeltjesversnellers. Ze scheppen ook geen kunst en vertellen geen verhalen aan elkaar.
Intuïtieve vooringenomenheid
Dat betekent niet dat onze rationele vermogens steevast dominant zijn in ons denken en gedrag. Dat zijn ze evident niet: ook in de 21e eeuw halen we nog de grootste stommiteiten uit. Onze soort voert nog steeds oorlog, gaat onbedachtzaam om met natuurlijke grondstoffen en blijft bijzonder kwetsbaar voor bijgeloof, absurde complottheorieën, massahysterie en andere vormen van irrationalisme. De rede kent haar paradoxale kanten: we gebruiken ze om auto’s te creëren, onbetwistbaar een indrukwekkend voorbeeld van ons redelijk vernuft. Maar diezelfde auto zorgt ook voor monsterfiles, uitlaatgassen en maakt jaarlijks nog steeds meer dan een miljoen dodelijke verkeersslachtoffers. Zoals de taalkundige en psycholoog Steven Pinker in zijn boek Rationality (2021) opmerkt: het lijkt er vaak op dat rationaliteit een schaars goed is en we er maar zelden adequaat gebruik van maken.
Systeem 2 is een verzamelterm voor onze mentale vermogens die bedachtzame reflectie mogelijk maken.
Meerdere filosofen wezen erop dat we de redelijkheid van het gebruik van onze rationele vermogens vaak in vraag kunnen stellen. We hadden de knapste wetenschappers ter wereld nodig om een kernwapen te maken, maar was het rationeel om dat te doen? Misschien wel binnen de militaire logica van de Tweede Wereldoorlog – wat als Hitler als eerste de bom ontwikkelt? – maar de wapenwedloop tijdens de koude oorlog zorgde al snel voor een kernwapenarsenaal dat alle leven op aarde kan uitroeien. De rationaliteit daarvan is ver zoek.
Daniel Kahneman is zich van dit alles uiteraard zeer goed bewust. Maar hij hield zich niet bezig met filosofische analyses, maar met empirisch onderzoek naar de werking van onze psychologische vermogens, in het bijzonder diegene die ons misleiden, zeg maar: de bugs in onze mentale infrastructuur. Zelf had hij het over biases, intuïtieve vooringenomenheid, of misleidende heuristieken. We zijn rationele wezens, maar maken relatief makkelijk denkfouten. Een medisch onderzoeker die bestudeert hoe we ziek worden, ziet ons niet als “het zieke dier”. We zijn doorgaans gezond, maar vatbaar voor fysieke slijtage, infecties, hypertensie, overgewicht, enzovoort.
Dat heeft enerzijds te maken met onvolkomenheden in het lichaam. Het proces van evolutie door selectie zorgt niet voor perfectie, maar voor compromissen, in functie van overleving en voortplanting. Maar anderzijds speelt ook de omgeving een rol. De alomtegenwoordigheid van vet- en suikerrijk voedsel, verhoogt evident het risico op obesitas en een hoge bloeddruk. Het is niet anders met ons denkvermogen. Er zijn intrinsieke mentale tekortkomingen, die we vanuit evolutionair oogpunt kunnen begrijpen: gemiddeld genomen was het in de prehistorie voordeliger om over allerlei kwesties snelle, intuïtieve beslissingen te nemen. Het risico op fouten namen onze voorouders erbij. Het alternatief, namelijk lang en bewust nadenken over allerlei kwesties kon fataal aflopen. Geritsel in het struikgewas? Ga er voor de zekerheid maar van uit dat het om een gevaarlijk dier gaat en maak je snel uit de voeten. Als het achteraf een onschuldig konijn blijkt te zijn, is er geen man over boord. Daar staat tegenover dat wie letterlijk en figuurlijk te lang stilstond bij de betekenis van het geritsel, minder kans had onze voorouder te zijn. Beter blode Jan dan dode Jan. In de prehistorie hield dat steek, maar in onze hypermoderne samenleving kan het net noodlottig zijn.
De validiteitsillusie
Daniel Kahneman, die in 1934 werd geboren in Tel Aviv in het mandaatgebied Palestina, begon over cognitieve illusies na te denken toen hij als eenentwintigjarige luitenant werd in het Israëlische leger. De staat Israël was toen pas zeven jaar oud. Kahneman, die een paar jaar psychologie had gestudeerd, kreeg de opdracht om mee te werken aan het rekruteringssysteem van het leger. Dat ging er zo aan toe: men interviewde elke rekruut ongeveer vijftien minuten, waarna beslist werd waar ergens in het militaire apparaat hij of zij thuishoorde. De legertop wou voornamelijk weten in welke mate iemand over leiderskwaliteiten beschikte. Kahneman stelde vast dat de voorspellingen door de interviewers over de prestaties van de rekruten, totaal geen steek hielden.
Gelukkig was hij vertrouwd met het baanbrekende boek van de Amerikaanse klinisch psycholoog Paul Meehl: Clinical vs. Statistical Prediction: A Theoretical Analysis and a Review of the Evidence, dat pas een jaar eerder was gepubliceerd (1954). Meehl betoogde dat diagnoses en prognoses gebaseerd op statistische analyses van de beschikbare data, superieur zijn aan klinische analyses van experten. Vooral binnen de psychiatrische gemeenschap lag dit lange tijd gevoelig.
We hebben de zeer sterke neiging om uit een beperkte hoeveelheid gegevens een verhaal te destilleren, dat we vervolgens verwarren met de waarheid.
De subjectieve aanpak van de individuele expert, die zich baseert op persoonlijke ervaring en intuïtie, was toentertijd nog dominant. Gaandeweg bleek uit steeds meer studies dat Meehl het bij het rechte eind had. Zijn aanpak geeft niet enkel veel betere garanties op correcte diagnoses in de psychiatrie, maar in de hele geneeskunde. Vrijwel altijd wordt een subjectieve inschatting geklopt door een statistische benadering. In de weinige gevallen waar dat niet zo is, zijn de twee benaderingen telkens evenwaardig.
Kahneman begreep dat hij Meehls methode kon gebruiken voor de evaluatie en verbetering van het aanwerven van militairen. Hij stelde een reeks vragen op die toelieten om feitelijke data te verzamelen. Iedere interviewer moest dezelfde vragen stellen, aan elke rekruut. De antwoorden werden omgezet in numerieke scores, wat vervolgens toeliet een kwantitatieve inschatting te maken voor welke taak elke afzonderlijke rekruut het meest geschikt was. Toen men Kahnemans rigoureuze aanpak maanden later vergeleek met de eerdere procedure, was het verschil glashelder: de objectieve, statistische methodologie was véél beter dan de intuïtieve aanpak van de interview-experts. Kahneman trok er nog een andere les uit, namelijk dat ook experts – misschien zelfs zij vooral – gevoelig zijn voor wat hij de validiteitsillusie noemde: het potentieel valse gevoel van zekerheid dat de eigen opvattingen geldig zijn. We hebben de zeer sterke neiging om uit een beperkte hoeveelheid gegevens een verhaal te destilleren, dat we vervolgens verwarren met de waarheid. De validiteitsillusie is krachtig: ze is niet snel onder de indruk van feiten die aantonen dat onze verhalen niet kloppen.
Een samenwerking van veertien jaar
Hoewel Kahneman zich reeds vroeg realiseerde dat we relatief makkelijk denkfouten maken, die vervolgens bijzonder hardnekkig blijken te zijn, kwam zijn onderzoek erover pas in een stroomversnelling terecht toen hij 35 jaar oud werd, in 1969. In dat jaar leerde hij Amos Tversky (1937-1996) kennen, een Israëlisch-Amerikaanse psycholoog, drie jaar jonger dan Kahneman. Hoewel zeer verschillende persoonlijkheden, klikten ze vrijwel van meet af aan. Ze konden dagenlang na elkaar samen zijn in een kleine ruimte, enkel pratend en discussiërend over hun gemeenschappelijke psychologische interesses. Al spoedig voerden ze experimenten uit over de geldigheid van menselijke intuïties, in het bijzonder over de vraag hoe we beslissingen maken. Zijn we goede intuïtieve statistici, of net niet? Kunnen we betrouwbare voorspellingen maken over het beroep dat een kind later zal uitoefenen? Hoe schatten we het aantal gescheiden hoogleraren in? Meer algemeen: hoe komen we in onzekere situaties tot onze opvattingen? Hoe gaan we om met de rol van het toeval? Hoe groot is de invloed van emoties, bij het nemen van beslissingen? Op basis van welke criteria kennen we een waarschijnlijkheid aan iets toe? Hoe evalueren we de geldigheid van een hypothese? Als onze inschattingen fout zijn, waaraan ligt dat dan? Hoe goed zijn we in staat om onze meningen bij te sturen als we over nieuwe of betere informatie beschikken?
De samenwerking tussen Kahneman en Tversky duurde veertien jaar. Ze was voor de psychologie, maar evenzeer voor disciplines zoals de geneeskunde en de economie even belangrijk als die van John Lennon en Paul McCartney voor de muziekgeschiedenis. De Amerikaanse auteur Michael Lewis wijdde er een boek aan: The Undoing Project. A Friendship That Changed Our Minds (2017). Hij beschrijft meeslepend hun jeugdjaren.
Beiden riskeerden ze meerdere keren hun leven als militairen in het Israëlisch leger. Verschillende van hun vrienden sneuvelden. Vaak kwam dat door verkeerde inschattingen, van de soldaten zelf of van hun superieuren. Het maakte Tversky en Kahneman tot psychologen die veel praktischer zijn ingesteld dan de doorsnee academicus. Ze hadden beiden een ongebreidelde nieuwsgierigheid en een uitzonderlijk scherp verstand. Iemand bedacht de volgende intelligentietest:
‘Hoe sneller je begrijpt dat Amos Tversky slimmer is dan je zelf bent, hoe groter je intelligentie’.
Anders dan het merendeel van alle psychologische studies, was hun onderzoek naar denkfouten niet louter theoretisch. Ze hadden het persoonlijke en maatschappelijke leven van mensen voor ogen. Het boek van Lewis heet The undoing project, waarbij “undoing” slaat op “het ongedaan maken” van gangbare cognitieve vergissingen. Nog voor ze elkaar kenden, hadden zowel Kahneman als Tversky de sterke neiging om denkfouten bloot te leggen en aan te tonen. Zo bijvoorbeeld zag Kahneman al snel in dat de instructeurs die gevechtspiloten opleiden, zich vergisten in hun opvatting dat kritiek betere resultaten oplevert dan lof. Hun argument hield in dat een piloot die tijdens een vlucht fouten maakte en daarvoor werd bekritiseerd, het beter deed bij de volgende vlucht. Daar stond tegenover dat een piloot die een goede vlucht uitvoerde en lof ontving, zijn volgende vlucht slechter uitvoerde.
Kahneman begreep dat hun visie op kritiek en lof niet klopte. In werkelijkheid toonden de gegevens het statistische effect aan dat bekend staat als “regressie naar het gemiddelde”. Zijn inzicht in kansrekening leerde hem, terecht, dat de piloten zowel geslaagde als minder geslaagde vluchten uitvoerden, onafhankelijk van de kritiek of de lof die ze na een vlucht ontvingen. Zowel Kahneman als Tversky waren al vroeg vertrouwd met statistische onderzoeksmethodes. Ze zagen in dat kansrekening geen esoterische tak van de wiskunde is, maar ons diepe inzichten kan opleveren over de menselijke natuur. Het leidde al snel tot een grondig wantrouwen tegenover vage en onwetenschappelijke paradigma’s in de toenmalige psychologie, zoals de psychoanalyse.
(wordt vervolgd)
Literatuur
- Kahneman, D.: Ons feilbare denken (Business contact, 2011)
- Lewis, M.: The Undoing Project. A Friendship That Changed Our Minds (W.W. Norton & Company, 2017).
- Meehl, P.: Clinical vs. Statistical Prediction: A Theoretical Analysis and a Review of the Evidence (University of Minnesota Press, 1954).
- Palmarini, M.P.: Onvermijdelijke illusies (Het Spectrum, 1996)
- Pinker, S.: Rationaliteit (Atlas Contact, 2021)
Johan Braeckman is filosoof en auteur van boeken over wetenschap en filosofie.