Op nagenoeg elke pagina staan vreemde illustraties, zoals van naakte vrouwen, buizenstelsels, planten en astrologische symbolen. Cryptoanalisten, linguïsten, kunst- en andere historici brachten een waaier aan mogelijke verklaringen naar voren, geen daarvan kon tot nog toe overtuigen. Toevallig verscheen ongeveer tezelfdertijd als de tekst in ons lentenummer een wetenschappelijk artikel over het manuscript in het vakblad Social History of Medicine (22 maart 2024): ‘The Voynich Manuscript, Dr. Johannes Hartlieb and the Encipherment of Women’s Secrets’. De hoofdauteur is Keagan Brewer (Macquarie University), co-auteur Michelle L. Lewis. Hun stelling is dat het manuscript betekenisvolle informatie bevat over gynaecologie, en over voortplanting en seksualiteit, meer bepaald die van vrouwen. Ze leiden dit niet af uit de tekst, waarvan de codeersleutel onbekend blijft, maar uit de afbeeldingen.
De belangrijkste invalshoek voor hun hypothese is het werk van een vijftiendeeeuwse arts uit Beieren, Johannes Hartlieb. Die schreef veel over planten, vrouwen, magie en baden, maar ook over zogenaamde “vrouwengeheimen”: seks, coïtus, zwangerschap, bevalling, contraceptie, menstruatie, abortus, et cetera.
Hij beschouwde die onderwerpen niettemin als bijzonder sensitief en wou de informatie erover afschermen van kinderen, gewone mensen, en zelfs van vrouwen. Het was belangrijk dat artsen het erover hadden in hun teksten, maar Hartlieb raadde hen aan om een geheimschrift te gebruiken. Zo bleef de informatie veilig binnen de medische gemeenschap en had niemand anders toegang tot de ‘vrouwengeheimen’. Het bestendigde de controle van (mannelijke) artsen over vrouwen.
Hartlieb moedigde in het bijzonder aan om aan seksualiteit gerelateerde medische recepten en middelen die een abortus konden teweegbrengen in codetaal weer te geven. Mocht dergelijke informatie vrijer circuleren, dan zou dat mensen aanzetten tot overspel en losbandigheid, zo vreesde hij.
Hartlieb was zeker niet de enige in die periode die vrouwengeheimen liefst in codetaal zag besproken worden, aldus Brewer en Lewis. Meerdere auteurs codeerden woorden zoals coïtus, zaad, sperma, (vaginale) opening en menstruatie, of men gebruikte er Latijnse woorden voor terwijl de rest van de tekst in de volkstaal was geschreven. Idem wat betreft passages over masturbatie, seksuele lust (vooral van vrouwen), overspel, pasgeborenen met afwijkingen en homoseksualiteit, maar ook alles wat seksualiteit relateerde aan hekserij en demonische magie.
Dit alles klinkt zeker niet onredelijk en er zijn nog andere studies die het gebruik van geheime codes aantonen in middeleeuwse medische geschriften. Maar heeft het ook iets met het Voynich manuscript te maken?
Hier wordt het artikel van Brewer en Lewis heel wat speculatiever. Ze linken hun hypothese dat de tekst vrouwengeheimen behandelt, aan een analyse van de zogenaamde Rosettes, de grootste en meest complexe illustraties in het manuscript. Om ze volledig te kunnen zien, moet men de pagina’s waarop ze zijn aangebracht uitvouwen. Sommigen zien er een kabbalistische levensboom in, anderen een gefantaseerde utopie, een route om aan een vulkaanuitbarsting te ontsnappen, of een kaart van NoordItalië, of van Centraal-Mexico, enzovoort. Al die onderwerpen waren evenwel geen taboe in de late middeleeuwen, aldus Brewer en Lewis.
De uitleg erover hoefde men niet te coderen. Die over vrouwengeheimen wel. De Rosettes, die uit negen grote cirkels bestaan waarvan er twee een opening hebben, zouden symbool staan voor de toenmalige opvattingen over de vrouwelijke seksuele en reproductieve anatomie. Ze zien er de symbolische representatie in van een ejaculerende penis, van de baarmoeder, de vulva en andere aan seks en voortplanting gerelateerde onderwerpen. De afbeelding van het kasteel waarnaar ik in mijn tekst verwees, zou gerelateerd zijn aan een middeleeuws Duits woord voor vrouwelijke genitaliën.
Volgens Brewer en Lewis zouden de auteurs van het manuscript (ze gaan er van uit dat er meerdere zijn), net zoals Hartlieb, zowel gefascineerd als afgeschrikt zijn door de onderwerpen die ze behandelen. Daarom, in combinatie met de gevoeligheid van de onderwerpen voor jongeren en leken, besprak men vrouwengeheimen aan de hand van symbolen en in codetaal.
Als de auteurs gelijk hebben, leverden ze een belangrijke bijdrage tot de Voynichliteratuur. Stel dat de afbeeldingen betekenisvol zijn, dan geldt dat wellicht ook voor de tekst van het manuscript. Ongetwijfeld zullen andere Voynichexperts bedenkingen hebben bij de hypothese van Brewer en Lewis. Het klinkt wat vergezocht om een bijzonder ingewikkeld geheimschrift te bedenken teneinde kwetsbare zieltjes te beschermen tegen medisch-seksuele informatie, terwijl de overgrote meerderheid van de bevolking toentertijd niet eens kon lezen. Zeer benieuwd hoe mediëvisten en andere experts op hun publicatie zullen reageren.
Johan Braeckman is filosoof en auteur van boeken over wetenschap en filosofie.