Toen mijn eerste boek over dit onderwerp verscheen in 2016, telde de Nederlandstalige markt voor zover ik weet nog geen boeken die complotdenken, complotdenkers en complottheorieën op een wetenschappelijke, kritische manier behandelen. Enkel De ongelovige Thomas heeft een punt (2011) van Braeckman en Boudry bevatte daarover een lezenswaardig hoofdstuk. Om mij te verdiepen in dit bijzondere fenomeen was ik gedwongen Engelstalige werken te raadplegen. Op die Engelstalige markt is het aantal publicaties over het onderwerp ondertussen geëxplodeerd. Bij ons bleef het voornamelijk beperkt tot Complotdenkers (2016) van Maarten Reijnders (herwerkte versie verscheen in 2021), de eerder filosofische benadering Waarheidszoekers (2021) van Cees Zweistra, het zeer toegankelijke Het had waar kunnen zijn (2022) van Tim Verheyden en het iets taaiere Immuun voor nepnieuws (2023) van Sander van der Linden. Die laatste twee boeken gaan ook iets breder over desinformatie. Immuun voor nepnieuws is een aanrader, maar omwille van de enorme densiteit aan informatie en diepgaande nuance behoorlijk stug en uitdagend om lezen, waardoor een tweede leesbeurt zich opdringt.
Dat is allerminst het geval met het gloednieuwe populair-wetenschappelijke boek ‘Hoax’ van professor gedragswetenschappen Jan-Willem van Prooijen (° 1975). Aan de reeks Nederlandstalige werken voegen we vanaf nu een nieuw boek toe over de psychologische achtergrond van complotdenken. Het boek oogt met zijn 300 bladzijden niet onmiddellijk aan de dunne kant, maar dat mag geenszins intimideren.
Voor een professor psychologie – verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit Maastricht – die wellicht doorgaans gewend is te vertoeven in universitaire kringen en academische papers schrijft, schreef hij een bijzonder toegankelijk boek. Vermoedelijk voornamelijk omdat Van Prooijen zijn uiterste best deed om zoveel mogelijk vakjargon of ingewikkelde termen achterwege te laten. Daarenboven bezit hij het talent de dingen helder en treffend uit te leggen. Wat snel opvalt is hoe respectvol Van Prooijen schrijft over mensen die vallen voor complotdenken. Er valt geen greintje laatdunkendheid te bespeuren in zijn verhaal. Evenzeer geldt dit voor hoe begripvol hij zich betuigt, zonder daarmee hun opvattingen te onderschrijven of te legitimeren. Echte complotten bestaan uiteraard en in sommige situaties is waakzaamheid aangeraden, maar ongefundeerd, onkritisch en fanatiek complotdenken leidt helaas aan tunnelvisie.
Het vermoeden van een complot is niet altijd ongerechtvaardigd. In sommige contexten zijn er terecht redenen om argwanend, voorzichtig en kritisch te zijn. De geschiedenis levert ons moeiteloos tal van authentieke doofpotoperaties, wantoestanden en samenzweringen. Hij vermeldt bijvoorbeeld enerzijds het misschien wat frivolere voorbeeld van de popgroep Milli Vanilli uit de muzieksector eind jaren ‘80, maar anderzijds ook het volstrekt onethische Tuskegee Syfilis experiment uit de jaren ‘30. Groepen mensen zijn onmiskenbaar in staat tot georganiseerd bedrog dat om evidente redenen best geheim blijft.
In die zin is een gezonde achterdocht een nuttig kenmerk, een levensreddende vaardigheid van ons geëvolueerde brein. Een brein dat iets argwanender is ten opzichte van vreemden die een mogelijke bedreiging vormen, is gewoon beter uitgerust om te overleven. Het gevaar, de energie en de kost die kruipt in het verkeerd inschatten van mensen en situaties is immers niet zo heel groot.
Maar een reële bedreiging niet detecteren kan daarentegen je leven kosten. Dodelijk geweld kwam betrekkelijk vaak voor in primitieve samenlevingen. Het zekere voor het onzekere nemen was dus geen slecht idee. Deze asymmetrie vormde mee onze psychologie zoals ze vandaag de dag nog functioneert. Desondanks is ons leven nu veel veiliger dan vroeger, waardoor we opgezadeld zitten met een mismatch. Ons brein evolueert weliswaar niet zo snel als onze cultuur en omgeving. Bijgevolg is complotdenken een inherent, maar vervelend nevenverschijnsel van een essentieel kenmerk van onze bovenbedrading. Dat het van vandaag op morgen zal verdwijnen is dan ook weinig waarschijnlijk.
Toch ontmaskert excessief en ongefundeerd complotdenken zelden echt bestaande complotten. Die komen veeleer aan het licht door onderzoeksjournalisten, klokkenluiders, professioneel onderzoek of kritische politici. Naast het feit dat complotdenken blijkbaar weinig nuttigs voortbrengt, kan het wel gevaarlijk zijn. In die zin spreekt Van Prooijen zichzelf tegen dat de kost van situaties verkeerd inschatten en mensen vals beschuldigen niet zo groot is. Denk maar aan de vroegere ZuidAfrikaanse president Thabo Mbeki die ontkende dat HIV iets te maken had met AIDS. Die uitspraken hadden tijdens de jaren 2000 een significante impact op het gezondheidsbeleid in Zuid-Afrika. Hoeveel mensen zijn er niet gestorven die deze overtuiging deelden? Een andere bezorgdheid van Van Prooijen is dat complotdenken radicalisering kan bevorderen en polarisatie aanwakkert, waardoor bijvoorbeeld een grote groep mensen de bestorming van het Capitool in Washington op 6 januari 2021 verantwoord en noodwendig achtten. Of denk maar aan dodelijk geweld tegen ziekenhuispersoneel, het weigeren van vaccins en vandalisme zoals het vernielen van gsm-zendmasten tijdens de coronapandemie. Complotdenken kan dus zowel anderen als jezelf schaden.
Toch ontmaskert excessief en ongefundeerd complotdenken zelden echt bestaande complotten.
Complotdenken heeft dus onloochenbaar gevolgen. Ons denken stuurt uiteindelijk ons gedrag. Van Prooijen geeft nog twee voorbeelden: “Mensen die denken dat klimaatverandering een leugen is zijn minder bereid duurzaam beleid te steunen of zelf te verduurzamen. Mensen die denken dat corona een verzinsel is waren tijdens de coronacrisis minder geneigd zich aan de beperkende maatregelen te houden.” (blz. 35) Dat klopt. Het is echter slechts een deel van het verhaal. Het verklaart evenmin waarom mensen aangetrokken worden tot en gemotiveerd raken om complotdenken valabel te achten. Ik mis hier het inzicht dat een groot aantal mensen wel degelijk emotioneel last en financiële schade ondervond waardoor ze zwaar geïmpacteerd raakten door de maatregelen: men moest zijn winkel sluiten. Men kon zijn buitenverblijf in de Ardennen niet meer verhuren.
Men werd verhinderd om geliefden te zien die misschien op sterven lagen. Dat kwam hard binnen. Mensen zochten naar manieren om daarmee om te gaan. Eén manier is dan om de wetenschappelijke inzichten waarop de maatregelen gebaseerd zijn in diskrediet te brengen of te loochenen door complotdenken. Zo blijken die maatregelen onverbiddelijk ongerechtvaardigd. En dáárdoor hielden ze zich minder aan de maatregelen.
Van Prooijen haalt doorheen de verschillende hoofdstukken de meeste gekende grote lijnen aan: complotdenken is van alle tijden. Complotdenkers zijn niet per se dom of gestoord. Crisissituaties wakkeren complotdenken aan. Iedereen is in meerdere of mindere mate vatbaar voor complotdenken. Het is voor sommigen een copingsmechanisme om met gevoelens van onzekerheid en een gebrek aan controle om te gaan. Complotdenken komt voort uit het vermogen tot patroonherkenning en intentiedetectie, hier weliswaar illusoir.
Onderzoek wijst erop dat complotdenkers hun kennis overschatten, ook al lijken ze soms overweldigend veel te weten.
Hij geeft aan dat je niet alle complotdenkers over dezelfde kam mag scheren en dat het erg ongenuanceerd is om te denken in termen van complotdenkers en non-believers. Complotdenken komt namelijk in gradaties. En het komt vaker voor dan je denkt. Zo verwijst hij naar een enquête van 2017 uit de VS die aantoonde dat 1% van de bevolking gelooft dat de aarde plat is en 60% dat de moord op president Kennedy tot stand kwam door een samenzwering. Dat is niet weinig en het toont eveneens het spectrum aan.
Voor wie al enkele boeken over complotdenken en complottheorieën las, heeft het boek vermoedelijk weinig nieuws te bieden. Voor wie dat nog niet het geval is, heeft met dit boek een heerlijk toegankelijke en bevattelijke leeservaring voor zich liggen.
Van Prooijen eindigt met een kwestie die wellicht velen plaagt: hoe ga je nu best om met iemand in je omgeving die ten prooi valt aan complotdenken. Heel summier, maar toch uiterst praktisch reikt Van Prooijen enkele bruikbare tips aan. Maar respectvol en geduldig dialogeren is niet eenvoudig en helaas werkt het niet altijd. Een magische methode om mensen te bekeren is spijtig genoeg niet voorhanden.
'Hoax. Waarom mensen in complottheorieën geloven.'
Jan-Willem van Prooijen,
Bruna Uitgevers, Amsterdam (2024)
Brecht Decoene is leraar moraal en voormalig secretaris van SKEPP. Van hem verschenen eerder de boeken 'Achterdocht tussen feit en fictie. Kritisch omgaan met complottheorieën' (ASP , 2016) en '9/11: 20 jaar complotdenken' (ASP, 2021).