Het bloedwonder van Napels, een (bijna) opgehelderd raadsel

Afbeelding

Wie in levenden lijve een mirakel wil aanschouwen, hoeft niet zo ver te gaan. Driemaal per jaar vindt in Napels een publiek spektakel plaats, waarbij het bloed van een heilige ter plekke vloeibaar wordt.

Geplaatst onder
Deel artikel TwitterFacebookLinkedinWhatsapp

Dit bloedwonder van Napels is geenszins een marginaal verschijnsel, het maakt deel uit van de rijke culturele traditie van de grote metropool van Zuid-Italië. 

Wie in Napels de kathedraal (duomo) betreedt, merkt aan de zijkant een grote barokke kapel op met een enorm rijkversierd gewelf. Die is gewijd aan de heilige Januarius (San Gennaro).  

Van de tientallen beschermheiligen die de stad Napels heeft, is Januarius de belangrijkste. Hij wordt geacht de stad te beschermen tegen de pest en tegen de uitbarstingen van de nabije vulkaan de Vesuvius. Die reputatie dateert van 1631, toen de Vesuvius zijn meest dodelijke uitbarsting kende sinds die van 79 (die Pompeii verwoestte). De relieken van Januarius werden toen in processie rondgedragen, waarna de lava voor de muren van Napels zou zijn gestopt! 

Volgens de legende is Januarius in de 3de eeuw in Napels geboren uit een oud Romeins geslacht. Hij werd priester en vervolgens bisschop van Benevento. Tijdens de grote christenvervolging van 305, onder keizer Diocletianus, ergerde een arriveerde, begon men met de bouw van de kapel. Romeinse magistraat zich eraan dat Januarius door zijn mirakels duizenden mensen tot het christendom bekeerde. Op diens bevel werd de bisschop op 19 september van dat jaar onthoofd in Pozzuoli, aan de baai van Napels (op die plaats staat nu een kerk1, vlakbij de vulkanische krater die de laatste tijd in het nieuws kwam vanwege de dreiging van een uitbarsting). Nog steeds volgens de legende verzamelde een vrouw die Januarius van een verlamming had verlost, met een spons zijn bloed. Ze ving het op in twee glazen kolven waarmee de bisschop zijn laatste mis had opgedragen. Tegelijk wist een blinde, die door Januarius opnieuw kon zien, zijn hoofd en lichaam te bewaren. 

Of de relieken die nu in de kathedraal van Napels worden bewaard, echt van Januarius zijn, is net als met zoveel relikwieen niet te bewijzen. Feit is dat in 1337 in de kathedraal van Napels een ceremonie voor de bewaarde schedel van Januarius werd ingesteld. Zijn bloed werd toen niet vermeld. Dat gebeurde voor het eerst op 17 augustus 1389, toen een reiziger meldde dat hij het bloed vloeibaar had zien worden. Nadat het lichaam van de heilige na veel omzwervingen in 1497 in Napels.

Het “mirakel” vond sindsdien geregeld plaats, zij het aanvankelijk maar sporadisch. Na een paar eeuwen lijkt het een jaarlijks terugkerend verschijnsel te zijn geworden, eerst jaarlijks, later twee en uiteindelijk drie keer per jaar. Tot in de achttiende eeuw beweerde men dat één nabijheid van de schedel van  Januarius noodzakelijk was voor de liquefactie, maar dat klopt niet. 

Omdat de meeste aanwezigen te ver staan om het fenomeen te zien, zwaait een dignitaris met een wit doek als teken dat het mirakel is geschied.

De drie dagen waarop het “mirakel” in de regel plaatsvindt zijn 19 september (feestdag van de heilige en de verjaardag van zijn martelaarschap), 16 december (de verjaardag van de uitbarsting van 1631) en de dag vóór de eerste zondag van mei (de verjaardag van het samenbrengen van de relieken). Die laatste feestdag krijgt de meeste aandacht, want dan worden de relieken van San Gennaro onder grote belangstelling door de straten gedragen. 

De reliek en de ampul 

Het vermeende bloed bevindt zich in een glazen ampul van circa 60 ml, die voor zowat de helft gevuld is met een donkerbruine substantie. Samen met een tweede, kleinere ampul, die leeg is2, is deze vastgemaakt in een versierde zilveren ring. Deze ring is aan twee kanten met glasplaten bedekt, zodat de ampullen goed zichtbaar zijn, en vormt met een zilveren voetstuk het reliekschrijn, dat uit de 17de eeuw dateert.  

Op de genoemde feestdagen neemt de celebrant, in de regel de aartsbisschop van Napels, het schrijn vast aan het voetstuk, toont het aan het publiek in de kerk en draait het even, zodat men ziet dat de rode substantie nog in vaste toestand is. Daarop begint de aanwezige menigte intens te bidden. Af en toe draait de aartsbisschop het schrijn opnieuw, om te zien of de stof in de ampul vloeibaar is geworden. Dat lukt meestal na een half uur of meer, soms al na enkele minuten. Omdat de meeste aanwezigen te ver staan om het fenomeen te zien, zwaait een dignitaris met een wit doek als teken dat het mirakel is geschied. 

Het schrijn blijft daarna nog acht dagen zichtbaar in de kathedraal, waar de gelovigen het van nabij kunnen bekijken en een priester het af en toe opneemt om te tonen dat de inhoud nog altijd vloeibaar is.  

Buiten deze vertoningen wordt de reliek opgeborgen in een nis achter het altaar van de kapel. De bergplaats wordt afgesloten met vier sleutels, twee   worden bewaard door de aartsbisschop en de twee andere door de Deputatie van de Kapel van Sint-Januarius, een lekeninstelling die in 1512 werd opgericht en uit vertegenwoordigers van de stad bestaat. De Deputatie is formeel eigenaar van de relieken. Ze beheert ook de schat van de kapel, die talrijke zeer kostbare voorwerpen bevat die aan de heilige zijn geschonken, met als topstuk een gouden mijter bezet met 3.326 diamanten, 198 smaragden en 168 robijnen. 

Soms blijft de liquefactie uit, of lukt ze maar gedeeltelijk. Omgekeerd kan de substantie al vloeibaar zijn als het schrijn uit de bergplaats wordt gehaald. Het “wonder” zorgt bij de aanwezigen voor enthousiasme en ook voor opluchting, want als het niet plaatsvindt, wordt dat als een teken van afkeuring door de heilige beschouwd. Dat gebeurde bijvoorbeeld in 1849, in aanwezigheid van paus Pius IX (de paus was in Napels nadat hij het jaar daarvoor door een revolutie Rome had moeten ontvluchten; het uitblijven van het wonder werd dan ook gezien als een reactie op deze treurige toestand). Bij een bezoek van paus Franciscus in 2015 werd het “bloed” maar half vloeibaar. De paus zou toen gegrapt hebben dat “de heilige ons maar voor de helft liefheeft. We moeten ons een beetje bekeren opdat hij ons meer zou liefhebben.”  In december 2020 en mei 2021 bleef het “wonder” uit, in volle COVID-crisis (was het omdat de aartsbisschop een mondmasker droeg, of omdat de vorige demonstraties vanwege de pandemie waren geannuleerd?).

Toen een Frans revolutionair leger begin 1799 Napels bezette, proclameerde het er de “Parthenopeïsche Republiek”, naar Frans model. Om het verzet van de zeer conservatieve Napolitaanse bevolking tegen de Franse “ketters” te breken, zou de bezetter geëist hebben dat het mirakel zou plaatsvinden, om te tonen dat San Gennaro achter het nieuwe bewind stond. Er zijn verscheidene versies van dit verhaal, maar volgens de bekende Franse schrijver Alexandre Dumas (die zelden de historische werkelijkheid weergaf) zou de Franse generaal de geestelijke die de ampul manipuleerde gezegd hebben dat hij gefusilleerd zou worden als het bloed niet binnen de tien minuten vloeibaar werd. Amper vijf minuten later was het zover.  

Wat moeten we hiervan denken? Hoewel iedereen in Napels spreekt van het Miracolo di San Gennaro, gaat het niet om een door de kerk erkend mirakel. De kerkelijke overheid doet over de aard van het verschijnsel geen enkele uitspraak en laat iedereen vrij er zich een mening over te vormen. Een houding die doet denken aan die over de lijkwade van  Turijn. Toch werkt de geestelijkheid en zelfs een heuse aartsbisschop (die meestal ook kardinaal is) actief mee aan dat officieuze mirakel. 

Onderzoek 

Wetenschappelijk onderzoek naar de substantie is beperkt gebleven. De kerkelijke overheid heeft altijd geweigerd de ampullen te laten openen of zelfs maar uit het schrijn te halen. Feit is dat de aanwezige stof al sinds de 14de eeuw vloeibaar wordt om daarna weer te stollen. 

Afbeelding

Wel is in 1902 voor het eerst spectroscopisch onderzoek gedaan naar de inhoud. Het licht van een kaars dat door de substantie passeerde – en ook door de glasplaten die de reliek afdekken – werd met een prisma-spectroscoop geanalyseerd. De onderzoekers rapporteerden dat ze in het spectrum absorptielijnen vonden die karakteristiek zijn voor hemoglobine, de stof die bloed zijn rode kleur geeft en verantwoordelijk is voor de zuurstofopname door bloed.  

De proef werd in 1989 herhaald met dezelfde spectroscoop, maar ditmaal kwam het licht van een elektrische lamp en werd het spectrum gefotografeerd. Opnieuw werd de aanwezigheid van hemoglobine vastgesteld. Dit onderzoek kreeg kritiek van Luigi Garaschelli, hoogleraar organische chemie in Pavia en een van de leidende figuren van de Italiaanse skeptische vereniging CICAP. Hij vroeg zich af waarom geen modernere spectrometer was gebruikt. Hij wees op diverse tekortkomingen in het onderzoek, waarvan de resultaten niet in een wetenschappelijk tijdschrift waren gepubliceerd, maar wel in een door de kerkelijke autoriteiten uitgegeven boekje dat in de kathedraal te koop werd aangeboden. De auteurs erkenden trouwens zelf dat er een andere rode kleurstof voor hemoglobine kon worden aangezien! 

Tussen 1900 en 1904 werd het reliekschrijn meerdere malen gewogen. Er werden gewichtsveranderingen tot 28 g vastgesteld. Voor amper 30 ml “bloed” is dat veel, maar voor het totale gewicht van het reliekschrijn bedroeg die variatie amper 3%. Het moet een meetfout zijn geweest, want tussen 1979 en 1983 werd het geheel opnieuw meermalen gewogen met een elektronische balans en toen bedroegen de verschillen veel minder dan een gram. 

Daarnaast is meermalen beweerd dat het volume van het “bloed” bij de liquefactie verandert en dat ook de kleur zich wijzigt. Dit is echter nooit met enige precisie onderzocht. 

Er is hoe dan ook geen bewijs dat de stof in de ampul bloed is. Het periodiek vloeibaar worden en dan weer stollen van de substantie is daarvoor in elk geval geen argument. Bloed gaat stollen doordat een eiwit – fibrine – lange ketens vormt die zich bundelen tot een klonter. Het is mogelijk met mechanische handelingen die ketens te breken waardoor de klonter opnieuw een vloeibare toestand bereikt, maar eenmaal zover kan de stolling niet herhaald worden. Met andere woorden: het opnieuw vloeibaar maken van bloed dat – voor de eerste keer – gestold is, is zeker geen wonder, het (steeds) opnieuw stollen van eerder gestold vloeibaar gemaakt bloed is in elk geval onverklaarbaar.

Sommige voorgestelde “verklaringen” zijn moeilijk te aanvaarden want ze zijn van paranormale of andere pseudowetenschappelijke aard.

Omstreden verklaringen

In de loop van tijd werden nogal wat  hypothesen geformuleerd om dit fenomeen te verklaren – voor een “echt” mirakel zou een verklaring uiteraard overbodig zijn, maar zodra er een wetenschappelijk verantwoorde verklaring is, hoeven we niet aan een mirakel te denken…  

Sommige voorgestelde “verklaringen” zijn moeilijk te aanvaarden want ze zijn van paranormale of andere pseudowetenschappelijke aard. De Duitse parapsycholoog Hans Bender noemde het “bloedwonder” het best gedocumenteerde paranormaal verschijnsel. Hij vergeleek het met de werking van een klopgeest in een spookhuis. Andere parapsychologen zien eerder psychokinetische invloeden die uitgaan van de aanwezige mensenmassa. 

Een andere bizarre verklaring is dat de invloed van het magnetisch veld van de nabije Vesuvius verantwoordelijk zou zijn voor de liquefactie! 

Skeptici hebben wel eens geopperd dat het om een goocheltruc zou gaan. Welke dan wel, is nooit duidelijk geworden, net zomin hoe het kan dat de Napolitaanse geestelijkheid de truc al eeuwen geheim kon houden. 

De echt wetenschappelijke hypothesen gaan er alle van uit dat de ampul een stof bevat die vanwege zijn chemische, fysische of biologische eigenschappen in sommige omstandigheden vloeibaar wordt. Maar welke dan wel? 

Smelting 

De oudste en meest eenvoudige verklaring is dat het om een smeltproces gaat.  De stijgende temperatuur, veroorzaakt door de aanwezigheid van mensen en brandende kaarsen, zou na een tijd de stof doen smelten. Het is niet zo moeilijk een stof te vinden die daaraan voldoet. 

Al in 1826 formuleerde de Franse linkse en antireligieuze politicus, geleerde en dichter Eusèbe de Salverte een mengsel dat daarvoor in aanmerking kwam: spermaceti (of walschot, de wasachtige substantie in de kop van de potvis die vroeger werd gebruikt voor het maken van luxekaarsen en cosmetica), opgelost in ether, waaraan een kleurstof is toegevoegd3. Nog een handvol andere recepten op basis van vet, was of gelatine zijn sindsdien voorgesteld. Ze geven allemaal hetzelfde resultaat, zij het met een ander smeltpunt. De bekende Amerikaanse skepticus Joe Nickell stelde met medewerking van de forensische expert John Fisher een mengsel van olie (kan gewone olijfolie zijn) en was samen. Vermengd met een kleurstof levert dit een smeltbare substantie op die er als bloed uitziet. 

Toch is er een probleem met deze hypothese. Het “mirakel” vindt immers in mei, september en december plaats. De temperatuur in de kathedraal is dan niet dezelfde, maar het smeltpunt van de substantie moet dat wel zijn. Bovendien worden er de laatste tijd geen kaarsen meer nabij de reliek gehouden en dat lijkt geen verschil te maken.

Thixotropie 

In 1991 zocht Luigi Garaschelli een alternatieve verklaring in de thixotropie.4 Dat is een eigenschap waardoor sommige gels door schudden vloeibaar worden. Na een tijdje stil te staan, gaan ze weer in vaste toestand over. Wie ketchup of advocaat uit een fles wil gieten en daarvoor eerst de fles schudt, kent deze eigenschap.  Thixotropie wordt gebruikt in tandpasta, spuitlak, lijm…  

Samen met de onderzoekers Franco Ramaccini en Sergio Della Sala zocht Garaschelli naar een stof met thixotropische eigenschappen die op het “bloed” in de ampul lijkt. Hij vond die in een oplossing van ijzer(III)chloride (FeCl3) in water, waaraan calciumcarbonaat (CaCO3) is toegevoegd. Dat laatste kan worden vervangen door kaliumcarbonaat (K2CO3), dat de thixotropie nog beter bewaart. Calciumcarbonaat zit in kalksteen en eierschalen, kaliumcarbonaat kende men als potas. IJzerchloride was bekend als molysiet, een mineraal dat alleen nabij werkende vulkanen voorkomt, wat  het geval was in de streek van Napels.  

Garlaschelli kon duidelijk vaststellen dat thixotropie geen rol speelt.

Garlaschelli et al. veronderstelden dat een 14de-eeuws Napolitaans kunstenaar of alchemist in staat moet zijn geweest om een dergelijke stof te maken, hoewel de chemische procedés daarvoor niet expliciet gekend waren. Hun conclusies werden onder meer in Nature gepubliceerd. 

Merkwaardig genoeg kreeg Garlaschelli nogal wat tegenwind. Toen hij in 1992 zijn resultaten voorlegde aan het 4de Europees Skeptisch Congres in Italië, kwam het tot een felle discussie met de bekende Franse skepticus Henri Broch, die in een eigen publicatie het recept van Salverte had overgenomen.5 Nog heviger kritiek kwam er van Giuseppe Geraci. Deze hoogleraar moleculaire biologie aan de universiteit van Napels heeft blijkbaar goede relaties met het aartsbisdom aldaar. Hij was het die tussen 1979 en 1989 het gewicht van het reliekschrijn met grote precisie kon meten. Geraci noemde de hypothese van Garlaschelli, Ramaccini en Della Sala “wetenschappelijk zwak, geschreven door auteurs die onervaren zijn op het gebied van zowel hemoglobine als spectroscopie”. Toen Nature weigerde een reactie van Geraci op hun artikel te publiceren, noemde hij het tijdschrift bevooroordeeld. 

Andere hypothesen 

Er zijn andere verklaringen bedacht. De rode substantie zou vloeibaar worden door het absorberen van vocht uit de lucht. Maar dat kan enkel als de ampul lucht zou doorlaten. Bovendien zou dan opwarming nodig zijn om naar de vaste toestand terug te keren. 

Ook is geopperd dat de substantie lichtgevoelig is, zodat blootstelling aan het licht de liquefactie zou veroorzaken. Welk materiaal dat dan zou zijn, is evenwel niet duidelijk. Hetzelfde geldt voor de hypothese dat een periodieke groei van micro-organismen hiervoor verantwoordelijk is. Maar hoe kunnen micro-organismen overleven in een ampul die al eeuwen verzegeld is? 

De eerdergenoemde Giuseppe Geraci ontwikkelde een eigen theorie. Hij gaat ervan uit dat de ampul wel degelijk bloed bevat. De liquefactie zou te wijten zijn aan de gedeeltelijke ontbinding van hemoglobine en andere plasma-eiwitten die zou optreden in een afgesloten bloedmonster onder niet-steriele omstandigheden. 

De afbraak van eiwitten zou vluchtige ammine produceren die in staat is om zich reversibel aan heem (de kleurstof van hemoglobine) te binden. Geraci heeft zijn theorie willen staven met een ampul die hij met zijn eigen bloed vulde. Na meermalen de ampul te hebben omgedraaid werd het bloed weer vloeibaar. Hij beweerde dat het hem lukte soortgelijke eigenschappen te vinden als die van het “bloed” van Januarius. Omdat soortgelijke proeven niet lukten met kippen- en konijnenbloed, veronderstelt hij dat er wel degelijk menselijk bloed in de wonderbaarlijke ampul moet zitten.6  

Veel details gaf Geraci echter niet en zijn theorie is moeilijk te begrijpen. De ampul met zijn eigen bloed liet hij naar eigen zeggen per ongeluk vallen. Hij vond het de moeite niet om opnieuw te beginnen. Wel meent hij dat zijn experiment aantoont dat het uit den boze is om de ampul van Januarius te openen. Dat zou het delicate evenwicht van het chemische proces op onherstelbare wijze verstoren. 

Afbeelding

Nog meer bloedwonderen 

Garlaschelli van zijn kant heeft – zoals het een skepticus betaamt – zijn eigen hypothese niet fanatiek verdedigd. Integendeel, na meer dan dertig jaar heeft hij er grote twijfels over. Hij moest vaststellen dat het door hem bedachte thixotropisch brouwsel niet erg stabiel is en zijn eigenschappen na enkele jaren verliest. Mogelijk zijn er manieren om die stabiliteit te verbeteren, maar die heeft hij niet kunnen vinden. 

Hij is het Napolitaanse “bloedwonder” gaan vergelijken met soortgelijke gevallen. Er zijn in Italië inderdaad nog andere plaatsen waar men vermeend bloed van een heilige bewaart dat geregeld vloeibaar wordt. We kunnen opmerken dat er nog veel meer relieken met (al dan niet vermeend) bloed van heiligen bestaan (of van Jezus zelf, zoals het Heilig Bloed in Brugge), zonder dat dit tekenen van vloeibaarheid vertoont. In Italië alleen al zijn er bijna tweehonderd! 

Eén geval is te vinden in Amaseno, een dorp in Latium, dat een bloedreliek  bewaart van de heilige Laurentius (San Lorenzo, wat trouwens vroeger ook de naam van het dorp was). Het gaat om een 15 cm lange, smalle flacon, die in een nis van de kerk wordt bewaard. Op 10 augustus – Sint-Laurentius – wordt de reliek uit de nis gehaald en die blijkt dan vloeibaar te zijn. 

Garlaschelli mocht deze flacon van nabij bestuderen, maar niet openen. De inhoud, geschat op 35 ml, vertoont een hard dun laagje van boven, een bodem van wellicht aarde of zand en daartussen een dikke donkerbruine massa. Het is deze stof die vloeibaar wordt en dan een donkerrode kleur aanneemt. Garlaschelli kon duidelijk vaststellen dat  thixotropie geen rol speelt: schudden verandert niets aan de toestand. Daarentegen bleek de vloeibare substantie te stollen als hij de f lacon in koud water stak, terwijl ze bij opwarmen in warm water opnieuw vloeibaar werd. Hij kon zelfs het smeltpunt vaststellen op 29 - 30 °C. 

Afbeelding

Zijn conclusie was dan ook dat het hier gaat om een substantie met een smeltpunt rond 30°C. Het “bloed” wordt vloeibaar door de zomertemperaturen. In de praktijk blijkt de stof al vloeibaar te zijn voor de datum van 10 augustus. 

Een soortgelijke relikwie is te zien in Ravello, aan de Amalfitaanse kust, en dus niet zo ver van Napels. In de kathedraal aldaar wordt het bloed van de heilige Pantaleon (San Pantaleone) in een ampul bewaard. De inhoud wordt vloeibaar rond de feestdag van de heilige (27 juli). De ampul bevindt zich permanent achter tralies en kan niet van nabij worden bestudeerd. Omdat ze nooit beweegt, kan thixotropie geen rol spelen, maar de zomertemperaturen zeker wel. 

Beide bloedrelieken dateren uit de zeventiende eeuw en zijn dus veel recenter dan die van Napels. De liquefactie vindt plaats in de volle zomer, bij duidelijk hoge temperaturen. 

Garlaschelli is daarom opnieuw aandacht gaan besteden aan smeltbare stoffen, zoals vetten. De thixotropische hypothese heeft hij niet volledig laten vallen. Misschien is er sprake van een combinatie van smelting en thixotropie. Hoe dan ook moet het gaan om producten die al in de 14de eeuw beschikbaar waren. 

Het recept van Salverte is daarom niet geschikt: spermaceti was pas echt te verkrijgen toen de walvisvaart in de 17de eeuw een hoge vlucht nam en ether is pas sinds 1540 bekend. Bovendien ligt de smelttemperatuur van dit mengsel te hoog (30° à 40° C). Onder de vele vetten die hij bestudeerde, gaat zijn voorkeur uit naar gestolde kokosolie (kokosboter), dat een smeltpunt rond 25° C heeft, en ook al door Nickell en Fisher werd gesuggereerd. Kokosnoten werden al in de middeleeuwen uit Zuid-Azië naar Europa verhandeld.  De substanties in Amaseno en Ravello kunnen daarentegen wel op basis van walschot zijn gemaakt, maar ook van – veel goedkopere – geklaarde boter, met een smeltpunt van 30° tot 34° C.

Garlaschelli experimenteerde ook met verschillende kleurstoffen. Hij vond dat bitumen opgelost in gesmolten kokosboter een kleur opleverde die sterk doet denken aan het “bloed” van Januarius. Garelaschelli’s onderzoek is nog niet afgerond. Toch benadrukt hij dat dit alles giswerk blijft zolang de reliek zelf niet beter kan worden onderzocht. Het volstaat het voorwerp te plaatsen in een afgesloten ruimte waar de temperatuur kan worden geregeld, om veel meer te weten te komen. De Italiaanse chemicus heeft enkele jaren geleden daartoe een beleefd verzoek ingediend bij de toenmalige aartsbisschop van Napels, waarvan gezegd werd dat hij open stond voor nieuwe tests. Hij kreeg als antwoord dat het verzoek zou worden bestudeerd. Sindsdien heeft hij er niets meer over vernomen. 

 

Dit artikel kwam tot stand door een uitvoerige correspondentie met Luigi Garlaschelli die heel wat (nog) niet gepubliceerde informatie leverde.  

Tim Trachet is journalist en erevoorzitter van SKEPP.

 

Bronnen

  • Luigi Garlaschelli, Franco Ramaccini en Sergio Della Sala: “A ‘miracle’ diagnosis”, in Chemistry in Britain, februari 1994, pp. 123-125. 
  • Joe Nickell en John E. Fisher:  Mysterious Realms. pp. 149-175. Buffalo, 1993. 

Voetnoten

  1. In de kerk in Pozzuoli bevindt zich een marmeren blok waarop – zo wordt gezegd – Januarius werd onthoofd. Dit vertoont een paar rode plekken die sporen van zijn bloed zouden zijn. Er is beweerd dat die vlekken roder worden op het ogenblik dat in Napels het “bloedwonder” plaatsvindt. Er is echter aangetoond dat die steen een oud altaar is dat een paar eeuwen na het martelaarschap werd aangebracht.
  2. De tweede ampul zou ook bloed hebben bevat, maar dat werd in de 17de eeuw verdeeld tussen de koning van Spanje (toen ook koning van Napels) en enkele prominente Napolitanen.
  3. Eusèbe Salverte. Des Sciences Occultes ou Essai Sur la Magie, les Prodiges et les Miracles. Paris: Bailliere. 1826.
  4.  De mogelijkheid dat thixotropie de oorzaak van het “bloedwonder” is, werd volgens Garlaschelli in 1946 voor het eerst geopperd
  5.  Zie Luigi Garlaschelli, Franco Ramaccini en Sergio Della Scala:  “Liquefying 'Blood': Thixotropy or Low Melting Point? A Reply to Broch?”, Skeptical Inquirer, 1994, pp. 209-211.
  6.  Giuseppe Geraci: “Il miracolo di San Gennaro: esperienze e considerazioni di un biologo molecolare”.  Rend. Acc. Sc. fis. mat. Napoli Vol. LXXVII, (2010) pp. 141-152