De katholieke kerk erkent geen bovennatuurlijke verschijnselen meer

Afbeelding

De katholieke kerk aanvaardt en ondersteunt bedevaarten naar plaatsen waar Jezus of Maria op miraculeuze wijze is verschenen, zij het onder strikte voorwaarden. De verschijning moest wel degelijk een bovennatuurlijk karakter hebben. Maar het erkennen van dit karakter lijkt te delicaat te zijn geworden.

Geplaatst onder
Deel artikel TwitterFacebookLinkedinWhatsapp

De autoriteiten van de katholieke Kerk zullen voortaan niet meer officieel vaststellen of een verschijnsel bovennatuurlijk is of niet. Dat is het gevolg van nieuwe Normen voor de procedure bij het beoordelen van bovennatuurlijk geachte verschijnselen voor de Kerk. Die zijn op 17 mei 2024  bekendgemaakt door het Dicasterie voor de Geloofsleer in Rome. Paus Franciscus had er op 4 mei mee ingestemd. 

Afbeelding

Even toelichten: het Dicasterie voor de Geloofsleer (op de foto: Het Palazzo del Sant'Uffizio in Rome, waar het Dicasterie voor de Geloofsleer is gevestigd) is de opvolger van wat ooit de pauselijke inquisitie was: het hoogste kerkelijke orgaan dat zich met geloofskwesties bezighoudt. Het is een van de voornaamste “ministeries” van de Romeinse Curie, het centrale bestuursapparaat van de kerk, en gevestigd vlak naast het  Vaticaan. Het heette – na eerdere naamswijzigingen – Congregatie voor de  Geloofsleer tot de huidige paus in 2022 een hervorming doorvoerde, waarbij het de huidige naam kreeg. Theoretisch is het een groep bisschoppen en kardinalen die af en toe bijeenkomt. Ze worden bijgestaan door consultoren, theologen die het voorbereidende werk doen.1 Aan het hoofd staat een kardinaal-prefect, die een van de meest gezaghebbende figuren van de Curie is. De beslissingen van het Dicasterie zijn, mits goedkeuring door de paus, bindend voor de Kerk. 

Deze nieuwe Normen vervangen de Normen voor de beoordeling van verschijningen en openbaringen die in 1978,  onder paus Paulus VI, door de  toenmalige Congregatie voor de Geloofsleer werden vastgelegd, maar pas in 2011 werden gepubliceerd.  De eerdere voorschriften bleven dus 33 jaar vertrouwelijk! De Congregatie was al sinds 2019 bezig met het opstellen van nieuwe normen. In die vijf jaar werden meerdere voorstellen behandeld en steeds als onvoldoende afgewezen. Dit toont aan hoe voorzichtig de kerkelijke overheid in deze kwestie is. Een instelling die het bestaan van mirakels in principe aanvaardt is tegelijk heel voorzichtig geworden als het om concrete gevallen gaat.  

Voor alle duidelijkheid: de oude of  nieuwe Normen betreffen niet zozeer mirakels in verband met een heilig- of zaligverklaring. Daarvoor is een ander  dicasterie (voor de Heiligenzaken) bevoegd. Voor eventuele  “wonderbaarlijke” genezingen in  Lourdes bestaat dan weer een aparte procedure. Bij de publicatie van de  Normen uit 1978 werd toegelicht dat deze betrekking hadden op “verschijningen,  visioenen en boodschappen toegekend aan een bovennatuurlijke oorsprong”. 

Dus mensen die beweren Jezus, Maria of een heilige te hebben gezien of gehoord. In de praktijk gaat het heel vaak over verschijningen van de Maagd  Maria, waarvan die van Lourdes en Fatima de bekendste zijn. Opmerkelijk is dat die verschijningen vaak gepaard gaan met “boodschappen”: de getuige verneemt iets dat betrekking kan hebben op de actuele toestand of de religie. De nieuwe Normen verwijzen eveneens naar “verschijningen, visioenen en boodschappen” maar gaan verder. Miraculeuze beelden lijken er impliciet ook onder te vallen. In de tekst is eveneens sprake van “eucharistische mirakels”, dat zijn wonderbaarlijk feiten gemeld over gewijde hosties en miswijn, en die volgens de katholieke leer veranderen in het lichaam en bloed van Christus. De meeste eucharistische mirakels dateren uit de middeleeuwen en betreffen vaak bloedende hosties. Bekende voorbeelden daarvan zijn het Heilig Sacrament van Mirakel van Viversel (1317) dat nu in kathedraal van Hasselt wordt bewaard, en dat van Brussel (1370)2.  

Dit zijn gebeurtenissen die vaak spontaan gemeld worden maar waarop de clerus niet meteen staat te wachten. Immers, nog vooraleer duidelijk is waar het om gaat ontstaat een toeloop van mensen die het mirakel willen meemaken, zonder dat een kerkelijke overheid daarvoor toestemming gegeven heeft, of er enige controle over heeft. Wat die controle betreft, die gaat niet alleen over het authentiek karakter van die verschijnselen maar ook over de boodschap. Wat de getuigen daarover vertellen moet volgens de Normen overeenstemmen met het katholieke geloof. Als de boodschap de kerkelijke leer bevestigt of benadrukt, staat men er positief tegenover (dat was bijvoorbeeld in Lourdes het geval).

Nihil obstat 

Traditioneel was het aan de bisschop van de plaats waar de verschijnselen werden gemeld om de zaak te onderzoeken en te evalueren. Dat principe werd ook bevestigd door de Normen van 1978.  De bisschop moest uiteindelijk oordelen, ook al kon hij de hulp van de Congregatie voor de Geloofsleer inroepen. De nieuwe Normen maken dat het Dicasterie het laatste woord heeft. 

Een instelling die het bestaan van mirakels in principe aanvaardt is tegelijk heel voorzichtig geworden als het om concrete gevallen gaat.

Vroeger kon de bisschop drie mogelijke oordelen uitspreken: de bovennatuurlijke oorsprong van de feiten worden erkend (Latijnse term: constat de  supernaturalitate), de bovennatuurlijke oorsprong wordt ontkend (constat de non-supernaturalitate) of de bovennatuurlijke oorsprong wordt niet erkend en evenmin ontkend (non-constat de supernaturalitate). In het laatste geval was er dus geen bewijs voor het bovennatuurlijk karakter, maar kon evenmin een “natuurlijke” verklaring (inclusief bedrog) worden gevonden. De nieuwe normen stappen af van een erkenning van de bovennatuurlijke  oorsprong. Er komen zes verschillende categorieën van evaluatie. De meest  verregaande is het nihil obstat, Latijn voor “geen bezwaar” (letterlijk “niets staat in de weg”). Hetgeen inhoudt dat “het de gelovigen toegelaten wordt er op voorzichtige wijze mee in te stemmen”, zonder dat dit bovennatuurlijk karakter uitdrukkelijk wordt erkend, laat staan opgelegd. Het betekent ook dat de eventuele boodschap niet in strijd is met het geloof of de goede zeden. 

Het onderzoek naar zulke verschijnselen blijft ook onder de nieuwe Normen in de eerste plaats een zaak van de lokale bisschop. Van zodra de bisschop op de hoogte is van “op zijn minst waarschijnlijke berichten van gebeurtenissen van vermoedelijk bovennatuurlijke oorsprong met betrekking tot het katholieke geloof” binnen zijn ambtsgebied, moet hij zich op de hoogte laten stellen van de situatie en zich een eerste oordeel vormen.  Als er bepaalde voorwerpen zijn betrokken (bijvoorbeeld een beeld), kan de bisschop die op een veilige plaats laten bewaren. Gaat het om een (mogelijk) eucharistisch mirakel, moeten de gewijde objecten (hosties) op een “gepaste manier” bewaard worden op een vertrouwelijke plaats. 

Blijkt uit de verzamelde informatie dat de zaak ernstig moet worden genomen, dan kan de bisschop beslissen tot een echt onderzoek. Hij stelt een onderzoekscommissie aan, die bestaat uit minstens één theoloog, minstens één canonist (kerkelijk rechtsgeleerde) en minstens één wetenschappelijk expert gekozen vanwege de aard van het fenomeen (arts, psychiater, chemicus...). Een gedelegeerde van de bisschop leidt de commissie. De leden moeten “van onberispelijke reputatie” en “van zeker geloof” zijn (dus katholiek). Ze mogen niet betrokken zijn met de personen of feiten die ze onderzoeken. Ze moeten ook een eed van geheimhouding afleggen.  De commissie moet zich niet alleen uitspreken over de waarheid van de feiten, maar alle aspecten van de gebeurtenis onderzoeken om de bisschop te helpen bij het maken van zijn oordeel. De werking van de commissie (die onder de oude Normen niet verplicht was) is nu tot in de details geregeld. Ze kan onder meer getuigen onder ede ondervragen. 

Uiteindelijk moet daaruit een evaluatie volgen. Met de hulp van de commissie stelt de bisschop een lijst van criteria op, zowel positieve als negatieve, waarmee rekening moet worden gehouden. Positieve criteria zijn in de eerste plaats de goede reputatie en de geloofwaardigheid van de personen die in de vermeende bovennatuurlijke feiten zijn betrokken en ook van de getuigen. Daarbij wordt ook aandacht geschonken aan hun psychisch evenwicht, hun vroomheid en hun “getrouwheid aan het kerkelijk gezag”.  Daarnaast is er de “doctrinale orthodoxie” van het fenomeen en de eventuele boodschap die erbij gaat. Verder is er de onvoorspelbare aard van het verschijnsel, zodat zeker is dat het niet van de betrokkenen komt. Ten slotte is er de eventuele aanwezigheid van wat bestempeld staat als “spirituele vruchten”: gebeden, bekeringen,  roepingen, liefdadigheid en andere  tekens van devotie, die als gevolg van de gebeurtenis ontstaan. Als die aanleiding geeft tot meer activiteiten die passen in en voor de Kerk, is dat positief. 

Onder de negatieve criteria is er in de  eerste plaats de mogelijkheid van dwalingen over de feiten zelf, of in de leer, inclusief de kans dat de betrokkene – zelfs onbewust – zelf iets heeft toegevoegd aan een privé-openbaring, “niet vanwege slechte bedoelingen, maar als gevolg van de subjectieve perceptie van het fenomeen”. Negatief zijn ook de aanwezigheid van een “sektarische geest” die verdeeldheid in de kerk kan zaaien, van het  streven naar winst, macht, roem of ander persoonlijk belang, van zware morele  feiten tijdens de gebeurtenissen en ook van psychologische omstandigheden die een invloed kunnen hebben, zoals psychose, collectieve hysterie, enzovoort. Ernstige morele bezwaren zijn er bij het gebruik van dergelijke ervaringen “als middel of voorwendsel om controle uit te oefenen op mensen of om misbruiken te plegen”. 

Een belangrijk motief lijkt te zijn dat men in Rome niet meer wil dat bisschoppen hun boekje te buiten gaan door de echtheid van de verschijnselen vrijwel op te leggen aan de gelovigen.

Rekening houdend met alle feiten moet de bisschop dan een verslag opstellen en daar zijn eigen oordeel (votum) voor een evaluatie aan toevoegen. Het hele  dossier gaat dan naar het Dicasterie voor de Geloofsleer, dat alle elementen daaruit bekijkt, bijkomende inlichtingen kan vragen en in extreme gevallen zelfs een nieuw onderzoek kan instellen. Uiteindelijk velt het Dicasterie een eindoordeel, waarbij het votum van de bisschop al dan niet wordt gevolgd. Die eindconclusie wordt aan de bisschop meegedeeld. Die kan het dan bekend maken aan de gelovigen. Dat is de normale procedure, maar het Dicasterie kan altijd motu proprio (“uit eigen beweging”) optreden in alles wat vermeende bovennatuurlijke verschijnselen aangaat, en ook na een eindconclusie tussenkomen als een fenomeen verder evolueert. 

Voor het eindoordeel zijn er zes verschillende formules mogelijk. 

  1. Nihil obstat: dit houdt dus geen zekerheid over het bovennatuurlijk karakter in, maar wel een erkenning van tekens van een daad van de Heilige Geest waarin een “spirituele ervaring” optrad. In dat geval mag de bisschop de devotie ervan waarderen en zelfs aanmoedigen, bijvoorbeeld door pelgrimstochten. 
  2. Prae oculis habeatur (“in het oog te houden”) : positieve aspecten zijn erkend, maar er blijven mogelijke risico’s, waarbij verduidelijking nodig is. 
  3. Curatur (“te verzorgen”): er zijn negatieve elementen maar de verering is al zodanig groot dat een verbod wordt afgeraden. De bisschop wordt wel gevraagd de devotie niet aan te moedigen. 
  4. Sub mandato (“onder mandaat”) : er valt niets op het fenomeen zelf aan te merken, maar er zijn mensen die er op een of andere wijze (geldgewin) misbruik van maken. In dat geval wijst de kerkelijke overheid een gedelegeerde aan die de zaak moet verhelpen. 
  5. Prohibetur et obstruatur (“te verbieden en te belemmeren”) : zelfs als er positieve aanwijzingen zijn, zijn er ernstige bezwaren. De verering moet worden verboden “om verdere verwarring of zelfs schandalen te voorkomen die het geloof van eenvoudige mensen zouden kunnen ondermijnen”. 
  6. Declaratio de non super- naturalitate (“verklaring van niet-bovennatuurlijkheid”): er kan worden aangetoond dat leugens of vervalsingen in het spel zijn. 

Men kan bezwaarlijk van een skeptische houding spreken: er blijft een voordeel van de twijfel, zolang er niet uitdrukkelijk bedrog is aangetoond. Anderzijds mag bij nihil obstat geen kerkelijke autoriteit – ook het Dicasterie niet – een verschijnsel als bovennatuurlijk bestempelen. Alleen de paus zelf kan eventueel daarover een speciale procedure instellen. 

Afbeelding

Motieven 

Waarom moesten die nieuwe Normen er komen? In de presentatie van de nieuwe tekst geeft de prefect van het  Dicasterie, kardinaal Victor Manuel Fernández, daarover enige toelichting. Het is de bedoeling sneller te kunnen  optreden, omdat verhalen over verschijningen e.d. zich steeds sneller verspreiden, om niet te zeggen meteen wereldnieuws zijn. Sinds 1950 zouden er volgens die toelichting welgeteld zes zaken zijn geweest die officieel werden opgelost terwijl er vermoedelijk gevallen zijn die helemaal niet werden behandeld (bijzonderheden daarover worden niet gegeven). In de praktijk geven de nieuwe Normen het Dicasterie het laatste woord en  maken ook een einde aan eerder ambiguë situaties waarbij de bisschop op zijn eentje leek te handelen. 

Zo erkende de bisschop van Gikongoro in Rwanda in 2001 de verschijningen van Maria aan drie jonge vrouwen in het stadje Kibeho tussen 1981 en 1989. Die boodschappen die ze in hun visioenen ontvingen waren angstaanjagend (moordpartijen, onthoofde lichamen,  rivieren van bloed…). Later zag men er een voorspelling in van de Rwandese genocide van 19923. Opmerkelijk is dat de toenmalige Congregatie voor de  Geloofsleer niet mocht worden vermeld in de verklaring van de bisschop. 

Hetzelfde gebeurde toen in 2008 de  bisschop van Gap in het zuidoosten van Frankrijk (departement Hautes-Alpes) het bovennatuurlijk karakter erkende van de Mariaverschijningen die een herderin in het gehucht Le Laus tussen 1664 en 1718 (54 jaar lang, een record!) zou hebben meegemaakt. Hoewel Notre-Damedu-Laus al drie eeuwen een druk bedevaartsoord is – er waren eind vorige eeuw meer dan honderdduizend pelgrims per jaar – begon het onderzoek pas in 2001 en de erkenning was pas in 2008 rond. Het duurde jaren om de liefst 1800 pagina’s verslagen uit die tijd – naar het schijnt een van de meest gedocumenteerde zaken ooit – te bestuderen. 

Een belangrijk motief lijkt te zijn dat men in Rome niet meer wil dat bisschoppen hun boekje te buiten gaan door de echtheid van de verschijnselen vrijwel op te leggen aan de gelovigen. Dat gaat in tegen de regel dat katholieken niet  verplicht kunnen worden om in een specifiek mirakel te geloven, ook als het erkend is. De toelichting van kardinaal Fernández verwijst in dat verband naar twee  ophefmakende zaken in het verleden, waar we even op in gaan. 

Madonna delle Lacrime en Notre-Dame de La Salette 

Het eerste geval is dat van de Madonna delle Lacrime op Sicilië. Antonina  Giusto, een pasgetrouwde jonge vrouw in de  Siciliaanse stad Syracuse, had een moeilijke zwangerschap waardoor ze slecht begon te zien. In de vroege ochtend van 29 augustus 1953 verloor ze volledig het zicht, maar enkele uren later kwam het terug: ze zag hoe er tranen vloeien op een beeltenis boven haar bed. Het ging om een plaasteren reliëfbeeld van het Onbevlekte Hart van Maria, dat het echtpaar als huwelijksgeschenk had gekregen. 

Het nieuws verspreidde zich snel en toen haar man Angelo dezelfde avond van zijn werk terugkeerde, stond een grote menigte voor zijn huis. De volgende drie dagen zagen Antonina en Angelo het beeld meermaals wenen, in totaal 58 keer. De laatste keer gebeurde dat in aanwezigheid van de plaatselijke pastoor en enkele artsen, die op verzoek van het aartsbisdom Syracuse het verschijnsel kwamen onderzoeken. De artsen wisten circa één kubieke centimeter van de vloeistof op te vangen en lieten dat onderzoeken in een laboratorium. Ze vonden dat de vloeistof een samenstelling had vergelijkbaar met menselijke traanafscheiding (lacrimatie).  Na onderzoek van het Mariabeeld concludeerde men dat het fenomeen niet wetenschappelijk verklaarbaar is. 

De toeloop werd zo groot dat de beeltenis een paar weken later werd geplaatst in een speciaal gebouw op een plein. Intussen was niet alleen Antonina Giusto van haar kwalen verlost, een groot aantal mensen beweerden genezen te zijn door het zien van de Madonna of het aanraken met een doekje met (vermeend) traanvocht. Een later ingestelde medische commissie zou in totaal 300 genezingen vaststellen. 

Er kwam snel kritiek op het onderzoek. De omstandigheden waarin het staal met vocht was genomen, waren verward.  De chemische analyse was nogal oppervlakkig: in feite kon het gewoon om zout water gaan. De tranen waren alleen te zien toen het beeld aan de muur in het huis hing. Toen het naar een politiebureau werd gebracht voor onderzoek,  gebeurde er niets meer. 

Afbeelding

Veel later zou de chemicus Luigi Garaschelli, een van de topfiguren binnen de Italiaanse skeptische vereniging CICAP, de zaak bestuderen. Hij wist een repliek van het bewuste beeld in handen te krijgen, gemaakt in dezelfde fabriek, en merkte dat er achter het gezicht een holte was. Mogelijk was daar een reservoir geplaatst en kon er water door scheurtjes in het gelaat zijn gesijpeld. Een tijdschrift had gemeld dat het beeld kort na het fenomeen naar de fabriek was teruggebracht om “enkele krassen” te herstellen. 

Toch kwam al op 12 december 1953 de verklaring: 

“De bisschoppen van Sicilië zijn, na de relevante getuigenissen in de originele documenten zorgvuldig te hebben onderzocht, unaniem tot de conclusie gekomen dat aan de realiteit van de lacrimatie niet kan worden getwijfeld”.

 Het was toen net het begin van het door paus Pius XII aangekondigde Mariajaar.  Dezelfde paus zei in een toespraak op 17 oktober 1954 dat, hoewel de kerk van Rome haar mening  over de tranen van het Mariabeeld nog niet had uitgesproken, zij niettemin de unanieme verklaring van de Siciliaanse bisschoppen “met diepe emotie” verwelkomde. 

Tegenwoordig kan men in Syracuse een heuse basiliek van de Madonna delle Lacrime bezoeken, een betonnen constructie met een 103 meter hoge “traanvormige” koepel, waarin plaats is voor 17.000 mensen. In een grote reliekhouder wordt een flesje met enkele tranen uit 1953 bewaard. De verklaring van de bisschoppen uit 1953 blijft echter ambigu. De prefect van het Dicasterie zegt nu dat de Heilige Stoel – de paus dus – een dergelijke verklaring leek te aanvaarden. Hetzelfde zegt hij over een andere verklaring van een eeuw eerder. 

Op 19 september 1851 erkende de bisschop van Grenoble een Mariaverschijning in de Franse Alpen als authentiek en liet de verering ervan toe: het was de gelovigen “geoorloofd ze als onbetwijfelbaar en zeker te geloven”. Precies vijf jaar daarvoor hadden twee kinderen in een alpenweide nabij het dorpje La Salette (departement Isère) een met licht omringde “Mooie Dame” gezien, die hen een boodschap bracht en daarna opsteeg en verdween.

De bisschop had vrijwel vanaf het begin de authenticiteit ervan verdedigd. Er kwam veel kritiek op zijn houding en niet alleen van vrijdenkers. Enkele katholieke geestelijken voerden – met instemming van minstens één Franse bisschop – een heftige campagne tegen de erkenning, soms met verbaal geweld.4 De beroemde, later heilig verklaarde pastoor van Ars beweerde dat een van de herders tegen hem bekend had te hebben gelogen. Ook de inhoud van de boodschap en de wijze waarop deze was overgemaakt was  omstreden. Een geleerde jezuïet meende later dat het geïnspireerd was door een obscure apocriefe tekst, de Brief van  Jezus Christus op Zondag. Opmerkelijk was dat Rome hierover het stilzwijgen behield. De bisschop liet de kritiek aan zich voorbijgaan. Hij begon kort na de erkenning met de bouw van een kerk in de alpenweide en richtte de bijbehorende congregatie van de Salettijnen op.  Tegenwoordig telt La Salette zo’n 300.000 bedevaarders per jaar (het grootste aantal in Frankrijk na Lourdes) en zijn zowat overal ter wereld kerken gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van La Salette (één daarvan is in een gehucht bij Etikhove in Oost-Vlaanderen)5

In beide gevallen – aldus het Dicasterie – waren de bisschoppelijke uitspraken in tegenspraak met de leer dat de authenticiteit niet kan worden opgelegd en leek de Heilige Stoel een dergelijke verklaring toen wel te aanvaarden. Het minste wat een kritische buitenstaander kan zeggen is dat dit niet duidelijk is.

Amsterdam en Medjurgorje 

Tot voor kort communiceerde het Dicasterie zelf vrijwel nooit zelf over dergelijke erkenningen. Maar vlak voor en vlak na de bekendmaking van de nieuwe Normen is dat wèl gebeurd. Het eerste geval ging over de verschijningen van de “Vrouwe van Alle Volkeren” in Amsterdam. 

In 1945, bij de 600ste verjaardag van het bij Nederlandse katholieken bekende Mirakel van Amsterdam6, beweerde Ida Peerdeman (1905-1996) dat Maria aan haar was verschenen. Er zouden nog 55 verschijningen zijn gevolgd, tot in 1959. Peerdeman ontving onder meer de tekst van een gebed aan Maria als “Vrouwe van Alle Volkeren”. 

De toenmalige bisschop van Haarlem concludeerde zijn onderzoek in 1956 met een non constat de supernaturalitate en verbood de verering. Desondanks bleef de belangstelling voortduren. Na een nieuw onderzoek besliste de – toen nog  –  Congregatie voor de Geloofsleer in 1974 tot een constat de non-supernaturalitate. Maar 22 jaar later, kort voor het overlijden van de zieneres, liet de bisschop de verering van “Onze-Lieve-Vrouw van Alle Volkeren” toe, met instemming van het Vaticaan, zonder dat dit een erkenning van de verschijningen inhield. Zijn opvolger ging in 2002 nog een stap verder en verklaarde de verschijningen voor authentiek. Uiteindelijk, in 2020, herhaalde de huidige bisschop van Haarlem- Amsterdam na overleg met de Congregatie dat ze niet van bovennatuurlijke  oorsprong waren. Op 11 juli 2024 maakte het Dicasterie voor de Geloofsleer de beslissing uit 1974 bekend in een perscommuniqué. Het herinnerde eraan dat het in het algemeen zijn beslissingen over vermeende bovennatuurlijke verschijnselen niet openbaar maakte, maar gezien “de aanhoudende twijfels over de vermeende verschijningen en openbaringen van de jaren 1945-1959 in Amsterdam” deed het dat ditmaal wel. 

Amper twee maanden later, op 19 september, heeft hetzelfde Dicasterie opnieuw een beslissing publiek gemaakt, over de “spirituele ervaring van  Medjugorje”.  In dat bergdorp in  Bosnië-Herzegovina kregen zes kinderen in 1981 voor het eerst visioenen van Maria die hen diverse boodschappen overbracht. Voor drie van deze zieners zijn de visioenen tot vandaag blijven voortduren, wat de geloofwaardigheid ervan, ook bij kerkelijke overheid, niet bevorderd heeft. Intussen trekt Medjudorgje meer dan twee miljoen bedevaarders per jaar. 

Nadat de (toen nog) Joegoslavische bisschoppen in 1997 een constat de non- supernaturalite uitspraken en de vorige paus Benedictus XVI nog weigerde om Medjugorje als bedevaartsoord te erkennen (hij zou erom gelachen hebben), liet de huidige paus in 2019 de bedevaarten – die altijd waren blijven bestaan – dan toch toe. 

De nota die het Dicasterie nu bekendmaakte (met pauselijke goedkeuring) geeft een nihil obstat, maar gaat vooral in op de “vruchten” die Medjugorje oplevert.

“De in deze nota verzamelde elementen maken het mogelijk te onderkennen dat aan de voorwaarden die nodig zijn voor het vaststellen van nihil obstat is voldaan. Zelfs als er verschillende meningen bestaan over de authenticiteit van bepaalde feiten of aspecten van deze spirituele ervaring, worden de kerkelijke autoriteiten van de plaatsen waar deze aanwezig is uitgenodigd om “de pastorale waarde te waarderen en de verspreiding van dit spirituele voorstel te bevorderen’ (citaat uit de Normen) "… In dit geval moeten mensen die naar Medjugorje gaan sterk worden aangemoedigd om te accepteren dat bedevaarten niet worden gemaakt om zogenaamde zieners te ontmoeten, maar om Maria, Koningin van de Vrede, te ontmoeten.” 

Van “bovennatuurlijk” is geen sprake meer...

 

Bronnen

https://press.vatican.va/content/salastampa/it/bollettino/pubblico/2024/05/17/0403/00842.html#fra

https://press.vatican.va/content/salastampa/it/bollettino/pubblico/2024/09/19/0704/01411.html#en

https://www.kn.nl/nieuws/vaticaan-benadrukt-nog-eens-amsterdamse-verschijningen-waren-niet-authentiek/

https://www.vaticannews.va/fr/vatican/news/2024-07/doctrine-foi-notre-dame-de-tous-les-peuples-amsterdam.html

https://www.vaticannews.va/en/vatican-city/news/2024-09/pope-francis-ddf-note-nulla-osta-approval-medjugorje-devotion.html 

 

Voetnoten

1. Paus Franciscus benoemde in 2018 voor het eerst (drie) vrouwen tot consultoren. Een ervan is de Belgische moraaltheologe Jeanne Calmeyn. 

2. In Brussel gingen hosties bloeden toen ze door joden werden ontwijd. De joden werden als gevolg daarvan gemarteld en terechtgesteld… 

3. De massamoorden van 1992 vergden ook in Kibeho duizenden slachtoffers, waaronder één van de vrouwen die de verschijningen had meegemaakt.

4. Een voormalige non uit de streek spande een proces in wegens laster tegen twee priesters die beweerden dat zij de “Mooie Dame” was geweest. Ze verloor. 

5. Even terzijde: La Salette is een  het beste voorbeeld van een bedevaartsoord waarvan een bezoek wel eens negatieve gevolgen kan hebben. De weg die van daaruit naar Grenoble leidt (de bekende Route Napoléon), loopt langs een gevaarlijke helling. Meerdere bussen met pelgrims zijn bij de afdaling op hun terugkeer verongelukt, de laatste keer in 2007, toen er 26 doden vielen. In totaal hebben minstens honderd mensen hun bedevaart op die wijze niet overleefd… 

6. Een eucharistisch mirakel uit 1645: een stervende man braakte voedsel, inclusief een ingeslikte hostie, uit. Toen het braaksel daarop in het vuur werd geworpen, bleef de hostie ongeschonden. Later werden nog andere wonderen aan dezelfde hostie toegeschreven.

 

Tim Trachet is journalist en erevoorzitter van SKEPP.