Afbeelding: Fragment van een karton van Leopold Pluys voor een glasraam in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen met de voorstelling van een duiveluitdrijving (1877).
‘‘Ja, maar is dat écht gebeurd?’’
Elke historicus die de geschiedenis van zogenaamd bovennatuurlijke fenomenen schrijft, is wel ooit eens met deze vraag geconfronteerd. Vaak meermaals.
En telkens slaat de angst hem dan om het hart. Want de vraag beantwoorden met ‘ja’ of ‘nee’ veronderstelt een zekerheid die nu eenmaal niet (altijd) uit historische data kan worden afgeleid. Verscheen de Maagd Maria nu écht in een Zichemse eik? Dorsten aliens écht cirkels in een graanveld? Namen demonen écht bezit van devote nonnenlichamen in de Franse stad Loudun? Een historicus kan er natuurlijk het zijne van denken. Uiteraard barsten deze geschiedenissen ook van fraude en charlatans die misbruik maakten van de kwetsbaarheid van anderen. Maar historische bronnen geven over zulke anomalieën bijna nooit uitsluitsel.
Daarom doen historici doorgaans liever alsof ze een andere vraag hebben gehoord. Ze geven antwoorden als ‘’Mensen waren ervan overtuigd dat ze de Moeder Gods tussen de takken zagen’’ of ‘’Mensen geloofden dat Satan z’n handlangers op een klooster had afgestuurd’’. Volgens sommigen is dat een onverantwoorde terughoudendheid. Quatsch moet benoemd worden, nu en toen! Dat oordeel niet vellen, is in die logica onwetenschappelijk. Volgens anderen is deze houding even goed onbevredigend, maar dan omdat die historici niet expliciet ‘ja’ durven te antwoorden, zelfs niet wanneer hun gegevens unaniem zijn. De katholieke historicus Carlos Eire noemt dat in zijn recentste boek They flew – over het veronderstelde zweef- en vliegwerk van vroegmoderne heiligen – nog net niet lafheid. (Hij noemt het wel ‘’dogmatisch secularisme’’.)
Wie de geschiedenis benadert met hedendaagse concepten is zich er best van bewust dat die concepten ook een geschiedenis hebben.
Wie van de historicus een smalende blik en een neerbuigende vinger naar het ‘bijgelovige’ verleden verwacht, zal dus dikwijls ontevreden zijn. Maar wie een apologetische, misschien zelfs profetische boodschap verwacht al net zo goed. Dat heeft weinig met vergoelijken te maken, wel met wetenschappelijke en methodologische strengheid. Het is eenvoudigweg niet onze job. Geschiedschrijving als zelfstandige academische discipline heeft haar wortels in het positivisme van de late negentiende eeuw.
Dat betekende: geijkte methodes, kritische analyse, een vertrouwen in de empirie van zorgvuldig verzamelde gegevens. Leopold von Ranke, een aartsvader van die positivistisch-wetenschappelijke geschiedschrijving, vatte het kernachtig en sloganesk samen: ‘bloß zeigen, wie es eigentlich gewesen’ – “simpelweg tonen hoe het geweest is”. Dat basisprincipe vereist inderdaad een terughoudendheid ten aanzien van de bronnen. Cruciaal: het vergt ook een gevoeligheid voor anachronisme. Wie de geschiedenis benadert met hedendaagse concepten is zich er best van bewust dat die concepten (‘rationaliteit’, om er maar één te noemen) ook een geschiedenis hebben.
En wie ongebruikelijke, ‘bovennatuurlijke’ fenomenen in het verleden met ahistorische, vaak problematische hypothesen te lijf gaat om toch maar ieder vermoeden van mysterie op te helderen gaat zo vaak net zelf de mist in. Een bekend voorbeeld is de hardnekkige theorie dat de ‘heksenwaan’ van de zeventiende eeuw veroorzaakt werd door ergotisme, een schimmelziekte door het eten van geïnfecteerd graan die onder andere tot psychosen en stuiptrekkingen kan leiden. Die (medisch vrij bedenkelijke) theorie werd in 1976 gelanceerd door de Amerikaanse gedragspsycholoog Linnda Caporael om de beruchte heksenvervolgingen van Salem te verklaren. Maar zelfs als ergotamine aan de grondslag lag van collectieve bovennatuurlijke paranoia, zegt zo’n retrospectieve diagnose an sich niet zo veel over hoe mensen in het verleden hun wereld begrepen.
Bovendien zijn er interessantere vragen te stellen over het bovennatuurlijke in het verleden dan steeds opnieuw een welles-nieteskwestie; vragen die binnen de beperkingen van het bronnenmateriaal bovendien wél te beantwoorden zijn.
Exorcisme als object van historisch onderzoek
Ik bestudeer momenteel de recente geschiedenis van duivelse bezetenheid en exorcisme in Vlaanderen. Exorcisme – het ritueel uitdrijven van demonen – beleeft al enkele jaren een opmerkelijk momentum, onder andere in de katholieke kerk. In 2004 organiseerde het Vaticaan voor het eerst een jaarlijkse cursus voor exorcisten. Die cursus is al twintig jaar erg populair. Hij is bijzonder multidisciplinair: theologische en liturgische aspecten van het ritueel worden er samen met psychiatrische, neurologische en juridische inzichten gedoceerd. Tien jaar later, in 2014, erkende de Congregatie voor de Clerus (een onderdeel van de Romeinse Curie, tegenwoordig de Dicasterie voor de Clerus geheten) de Associazione Internazionale degli Esorcisti. Deze AIE werd in 1990 gesticht door de omstreden Italiaanse celebrity-exorcist Gabriele Amorth. De organisatie moet weerwerk bieden aan wat in Amorths ogen uitgegroeid was tot een existentieel, globaal gevaar: de angstwekkende groei in gevallen van bezetenheid.
Zowel de cursus in Rome als de activiteiten van de AIE wijzen op een wereldwijde trend: de vraag naar exorcisme (en aanverwante vormen van spirituele verlossing) neemt toe. Een zeker religieus reveil over confessionele grenzen heen speelt daarin ongetwijfeld een rol, maar ook Hollywood heeft er een aantoonbaar aandeel in.
De film The Exorcist zwengelde in de jaren 1970 de vraag naar uitdrijvingen aan, en in recenter jaren droegen allerlei afkooksels – zoals het recente The Pope’s Exorcist met Russell Crowe – ertoe bij dat exorcisme de populaire verbeelding op allerlei uiterst sensationele manieren bespeelt. De veronderstelde spektakelwaarde van exorcisme trekt ook steevast de aandacht van de media, niet toevallig in de nasleep van Godvergeten. Ook rond exorcisme hangt immers een zweem van trauma en misbruik.
Een historische benadering van exorcisme debunkt even goed vooronderstellingen over bezetenheid en exorcisme – ook moderne!
Mijn historisch onderzoek gebeurt hoe dan ook in deze bredere, actuele context, een context waarin debunken vaak centraal staat. Naast ‘‘Is dat écht gebeurd?’’ is de vraag die ik het vaakst hoor: "Waarom zou je iets bestuderen dat overduidelijk georkestreerde nonsens van de kerk is, tenzij om de perfide geschiedenis van die kerk aan het licht te brengen?"
Dat debunken, het willen ontmaskeren van gevallen van veronderstelde bezetenheid in het verleden, zowel als paaps bedrog als onder vorm van een psychiatrische aandoening, dient dan twee doelen.
Enerzijds biedt het een extra argument om hedendaagse gevallen van bezetenheid weg te wuiven. Anderzijds plaatst het die hedendaagse gevallen als anomalieën op een tijdlijn van rationaliserende vooruitgang van de beroemde socioloog Max Weber: ‘‘Hoe kan het toch dat in onze eenentwintigste eeuw nog steeds mensen zich laten vangen?’’ ‘‘Hoe kunnen eenentwintigste-eeuwers nog steeds geloof hechten aan zulke baarlijke nonsens?’’
Dat is een gevaarlijke kijk. Enerzijds gaat die ervan uit dat mensen collectief rationeler en sceptischer zijn geworden, anderzijds impliceert ze dat parallel aan die rationalisering typisch ‘middeleeuws aandoende’ fenomenen als bezetenheid zeldzamer worden – quod non. Bekeken vanuit die tijdlijn is de huidige heropleving van bezetenheid en exorcisme dan ook een mysterie. Je zou bijna zeggen: onverklaarbaar.
Weigerachtige houding van de kerk
Productiever is het om ‘bloß’ te ‘zeigen’. Een historische benadering van exorcisme debunkt immers even goed allerlei vooronderstellingen over bezetenheid en exorcisme – ook moderne! Ons onderzoek loopt nog, maar het is alvast duidelijk dat exorcisme in de praktijk geen door de kerk georkestreerde aanval op kwetsbare katholieken was. Integendeel: mensen deden ook in de negentiende en twintigste eeuw vaak beroep op een exorcist ondanks de weigerachtige houding van de kerkelijke autoriteiten. Die houding leidde geregeld tot conflicten.
Bekend zijn de lokale volksopstanden in het Spaanse Tosos in 1812 en in het Franse Morzine in de jaren 1850. In beide gevallen dwong de bevolking de priester met geweld om over te gaan op een door hen noodzakelijk geachte uitdrijving. Ook Vlaamse katholieken trokken al een fors aan de mouw van de clerus om toch maar een uitdrijving te bekomen voor een naaste. Als de priester toch niet wilde – of in zijn poging faalde – waren er steevast tal van volksgenezers, ‘overlezers’ en rondtrekkende tovenaars die zich de basistechnieken van de katholieke rite eigen hadden gemaakt. Priesters en andere leden van de clerus werkten voor een uitdrijving soms samen met dokters. Exorcisme was nooit het monopolie van de kerk, ook niet in het ‘Rijke Roomse Leven’ van Vlaanderen in de negentiende en vroege twintigste eeuw. Pogingen van Rome om exorcisme te codificeren– dat wil zeggen, de praktijk te rationaliseren, te ontdoen van haar spectaculaire uitwassen, liefst zelfs te laten uitdoven – hadden in de praktijk maar weinig effect.
Geloof – of, voor wie volhardt in den boze,bijgeloof – had hier uiteindelijk vaak weinig mee van doen. De frase ‘‘Ik geloof er niet in, maar voor de zekerheid…’’, is een frase die ook vaak opduikt in historisch bronnenmateriaal over bezetenheid in Vlaanderen. Ook de etnoloog Jeanne Favret-Saada hoorde die zin erg vaak tijdens haar onderzoek naar hekserij in Frankrijk in de jaren 1950. De katholieke kerk had ook niet altijd het laatste woord. Vaak gingen priesters over tot een exorcisme omdat hun parochianen dat nu eenmaal van hen verwachtten. Wat ze tijdens de rite precies deden, varieerde naargelang de verwachtingspatronen.
Effectiviteit was dus des te doorslaggevender: exorcisme bleef in zwang omdat men ervan overtuigd was dat het werkte. In haar recente boek Cunning folk maakt Tabitha Stanmore hetzelfde argument over magische dienstverleners in vroegmodern Engeland. Zuivere charlatans hielden het niet lang vol in een competitieve ‘magische markt’. Als tovenaar of gebedsgenezer hing je reputatie af van mond-tot-mondreclame – en dus van je success rate. Net zo voor de exorcist.
Zowel de cursus in Rome als de activiteiten van de AIE wijzen op een wereldwijde trend: de vraag naar exorcisme neemt toe.
Deze cultuurhistorische benadering wil geen ‘ja’ of ‘nee’ zeggen op de vraag of mensen nu écht bezeten waren, maar ze wil exorcismepraktijken ook niet vergoelijken of verdoezelen. Duivelse bezetenheid is ‘echt’, al was het maar door de voortdurende, reële impact van het fenomeen. We nemen het dan ook best ernstig. Net als geloof in hekserij maakt geloof in demonen jaarlijks slachtoffers, waaronder disproportioneel veel kinderen en vrouwen.
Begin 2024 vermoordde een man in Sicilië zijn gezin tijdens een geïmproviseerd exorcisme. In eigen land verschenen de voorbije jaren af en toe krantenartikelen over jonge moslimvrouwen die onder dwang van hun familie via exorcisme werden gedood. Deze problematiek staat al enkele jaren op de agenda van de Verenigde Naties: ‘‘harmful practices related to witchcraft accusations and ritual attacks’’ verdienen een gecoördineerde, globale respons. Zo’n respons is maar mogelijk wanneer we de culturen waarin zulke praktijken bestaan ook in al hun historisch complexiteit begrijpen.
Kristof Smeyers is historicus aan de KU Leuven. Zijn onderzoek spitst zich toe op de moderne geschiedenis van religie, wetenschap en magie. Later dit jaar verschijnt zijn boek Supernatural bodies: stigmata in modern Britain and Ireland (Manchester University Press).