De stichting van de Society for Psychical Research in 1882 gaf onderzoek naar ESP (buitenzintuiglijke ervaringen), telekinese, levitatie en spiritisme een wetenschappelijk aura. De ontdekking door wetenschappers van allerlei vormen van onzichtbare straling maakte actie op afstand plausibel. Maar er kwam ook kritiek, van goochelaars en illusionisten, en van wetenschappelijk geschoolde psychologen. Vanaf de 19de eeuw begon ook de strijd tegen kwakzalverij en de ontwikkeling van wetenschappelijk onderbouwde geneeskunde. Zo werd in 1881 de Nederlandse Vereniging tegen de Kwakzalverij opgericht. Maar voor dit artikel laten we medische kwakzalverij buiten beschouwing.
De bekendste criticus van het spiritisme is uiteraard de Hongaars-Amerikaanse goochelaar en boeienkoning Harry Houdini (artiestennaam van Ehrich Weiss, 1974-1926). Hij ontmaskerde heel wat bekende mediums of zogenaamd paranormaal begaafden. Zijn boek A Magician Among the Spirits (1924) beschrijft hoe mediums trucjes gebruikten om mensen te misleiden. Minder bekend is de Britse schrijver, filosoof, atheïst en skepticus Joseph McCabe (1867–1955). Op jonge leeftijd trad hij toe tot de franciscaner orde, waar hij zich intensief verdiepte in theologie, filosofie en wetenschap, wat uiteindelijk leidde tot twijfels over zijn geloof. Na zijn uittreding op 29-jarige leeftijd ontpopte hij zich als een activist tegen religie en bovennatuurlijke overtuigingen.
Hij schreef talloze boeken waarin hij argumenteerde tegen het christendom, in het bijzonder het katholicisme, en spirituele overtuigingen. McCabe was een uitgesproken tegenstander van spiritisme, dat in de late 19e en vroege 20e eeuw populair was. Hij bekritiseerde mediums en paranormale onderzoekers die beweerden contact te hebben met geesten. Hij zag spiritisme als een vorm van fraude en misleiding, vaak uitgevoerd door charlatans die misbruik maakten van het verdriet van nabestaanden. Zijn boek Is Spiritualism Based on Fraud? (1920) was een van de vroegste uitgebreide skeptische analyses van paranormale claims.
Vele onderzoekers naar spiritisme en ander paranormale verschijnselen in die tijd waren “believers”. Ondanks het feit dat ze regelmatig bedrog vaststelden, twijfelden ze niet aan de echtheid van de fenomenen en zochten ze mogelijke wetenschappelijke verklaringen. Een bekend voorbeeld uit de 19de eeuw was Sir William Crookes (1832–1919), een vooraanstaande Britse natuurkundige en chemicus, uitvinder van de Crookes-buis, een voorloper van de kathodestraalbuis (de beeldbuis van oude televisietoestellen). Hij onderzocht mediums zoals Florence Cook en Daniel Dunglas Home maar hield geen strikte controle op de omstandigheden van zijn experimenten, wat het makkelijker maakte voor mediums om trucs uit te voeren.
Een andere wetenschapper die verleid werd door het spiritisme was de Britse fysicus Sir Oliver Lodge (1851–1940), pionier van onderzoek naar elektromagnetische golven. Hij stond bekend om zijn serieuze belangstelling voor spiritisme. Hij was betrokken bij het onderzoeken van spiritistische verschijnselen, vooral na de dood van zijn zoon Raymond in de Eerste Wereldoorlog. Hij geloofde dat communicatie met de doden mogelijk was via psychische verschijnselen zoals telepathie en mediumschap. Hij schreef Raymond: or Life and Death (1916), waarin hij beweerde dat hij in contact was gekomen met zijn overleden zoon. Het lijkt erop dat experts uit de natuurwetenschappen, die normaal niet bedacht moeten zijn op bedrog door de objecten in hun wetenschappelijke experimenten, slecht geplaatst zijn om mensen te testen.
Medici, psychologen en antropologen daarentegen zouden meer vertrouwd moeten zijn met de nood aan effectieve controles bij onderzoek naar menselijk gedrag. Maar ook zij waren niet altijd zo kritisch ingesteld wanneer ze buitengewone beweringen onderzochten. Zo was er de Franse fysioloog en Nobelprijswinnaar Charles Richet (1850–1935), die grote interesse had in parapsychologie en paranormale fenomenen. Hij was een pionier in de wetenschappelijke studie van het bovennatuurlijke en muntte de term "ectoplasma" om de mysterieuze substantie te beschrijven die mediums beweerden op te wekken. Hoewel hij een rationele en experimentele aanpak hanteerde, was hij overtuigd van het bestaan van bepaalde paranormale verschijnselen, zoals telepathie en materialisaties. Richet voerde experimenten uit om te testen of mensen gedachten op afstand konden overbrengen en claimde positieve resultaten te vinden. Hij onderzocht ook mediums zoals Eusapia Palladino (foto bovenaan het artikel) en Marthe Béraud (Eva Carrière), die beweerden geesten en mysterieuze substanties te kunnen materialiseren. Hij geloofde dat sommige verschijnselen die in seances voorkwamen echt waren, maar hij wees de spiritistische verklaring (dat het geesten waren) af. In plaats daarvan dacht hij dat onbekende natuurwetten de oorzaak konden zijn. In 1922 publiceerde Richet het voor de verdere ontwikkeling van de parapsychologie belangrijke Traité de Métapsychique, waarin hij paranormale verschijnselen classificeerde en analyseerde. Hij onderscheidde daarin drie paranormale fenomenen:
- Cryptesthesie (onbekend zintuig, later telepathie genoemd)
- Telekinesis (bewegen van objecten zonder fysieke aanraking)
- Ectoplasma en materialisaties
Hoewel Richet geloofde in paranormale verschijnselen, was hij kritisch tegenover spiritisme en skeptisch over veel mediums. Maar zijn experimenten waren onvoldoende gecontroleerd en hij onderschatte de mogelijkheden van fraude en illusionistische trucs. Zijn werk was invloedrijk in de vroege parapsychologie, maar zijn bevindingen worden nu grotendeels als onbewezen of frauduleus beschouwd.
Een echte skeptische onderzoeker van het paranormale was Eric Dingwall (1890–1986), een Britse antropoloog en parapsychologisch onderzoeker. Hoewel hij in zijn vroege carrière openstond voor het idee dat paranormale verschijnselen echt konden zijn, ontwikkelde hij zich tot een scherpe criticus van spiritisme, mediums en paranormale claims. Door zijn studies in antropologie en psychologie raakte hij geïnteresseerd in het onderzoek naar paranormale verschijnselen, en hij werd lid van de Society for Psychical Research (SPR). Dingwall begon zijn carrière met de intentie om mediumschap, telepathie en spiritisme objectief te bestuderen. Hij onderzocht meerdere beroemde mediums en paranormale fenomenen, maar kwam in veel gevallen tot de conclusie dat er sprake was van fraude, zelfbedrog of misleiding. Hij onderzocht verschillende bekende spiritistische mediums, waaronder Eva Carrière, Mina Crandon (Margery) en Eusapia Palladino. In veel gevallen ontdekte hij trucs en manipulaties die de mediums gebruikten om de illusie van paranormale activiteit te creëren. Hij deed ook onderzoek naar psychokinese, materialisatie van geesten, en ectoplasma. In bijna alle gevallen vond hij geen overtuigend bewijs dat deze verschijnselen echt waren. Op basis van zijn bevindingen concludeerde hij dat de meeste paranormale claims niet wetenschappelijk houdbaar waren.
Dingwall schreef verschillende skeptische boeken:
- How to Go to a Medium (1927) – Een ironische handleiding waarin hij uitlegde hoe men door mediums bedrogen kon worden.
- The Haunting of Borley Rectory (1956) – Hij analyseerde het beroemde "meest spookachtige huis van Engeland" en kwam tot de conclusie dat het waarschijnlijk bedrog en overdrijving betrof.
- Ghosts and Spirits in the Modern World (1959) – Een kritische blik op de mythes en realiteit achter spookverschijnselen.
Zijn boeken en artikelen maakten hem een van de toonaangevende skeptici van zijn tijd en beïnvloedden latere onderzoekers van het paranormale. Hij bekritiseerde collega-onderzoekers die te goedgelovig waren en paranormale fenomenen zonder kritisch bewijs accepteerden, en waarschuwde voor confirmation bias (voorkeur voor bevestiging) in paranormaal onderzoek. Hij was een voorbeeld van “open geest maar niet naïef”, bereid om paranormale claims serieus te onderzoeken, maar hij eiste sterk wetenschappelijk bewijs voordat hij iets als echt beschouwde.
Samen met Harry Price (foto), waarover meer hieronder, verzorgde hij de herdruk van Revelations of a Spirit Medium (1922), een boek dat de frauduleuze technieken van mediums onthulde.
Dit boek was anoniem gepubliceerd in 1891 in de Verenigde Staten. Het legt gedetailleerd uit hoe spiritistische seances in die tijd werden uitgevoerd en hoe mediums bedrog toepasten. Enkele van de besproken technieken zijn:
- Hoe mediums “geesten” lieten verschijnen, via dubbele bodems en geheime deuren. Veel seancekamers waren zo ingericht dat assistenten ongemerkt konden binnenkomen. Voor zogenaamd ectoplasma gebruikten mediums vochtig kaasdoek, papier-maché of rubberen maskers.
- Hoe mediums gedachten lezen met de klassieke technieken van hot en cold reading. Voor hot reading verzamelden mediums stiekem informatie over deelnemers voordat de seance begon. En de psychologische trucs en vage en algemene uitspraken van cold reading gaven de indruk dat het medium iemands verleden en overleden familieleden echt kon kennen.
- Tafels laten bewegen door middel van draden of verborgen magnetische mechanismen, en bovennatuurlijke geluiden maken door met hun tenen of gewrichten te knakken onder de tafel.
- Automatisch schrijven en spirituele boodschappen werden vaak geproduceerd door verborgen assistenten die zich achter gordijnen of in geheime compartimenten bevonden.
Harry Price en Eric Dingwall zorgden ervoor dat het boek in bredere kring bekend werd in de jaren 1920, toen spiritisme opnieuw populair werd na de Eerste Wereldoorlog. Denk bijvoorbeeld aan Sir Arthur Conan Doyle, de geestelijke vader van Sherlock Holmes, die via spiritisme contact zocht met zijn overleden zoon en tal van andere overleden personen.
Harry Price (1881–1948) was een Britse paranormaal onderzoeker, schrijver en skepticus, vooral bekend om zijn onderzoek naar spiritisme en zijn pogingen om mediums te ontmaskeren. Hij stond bekend om zijn wetenschappelijke benadering van paranormale claims en werkte veel samen met de Society for Psychical Research (SPR), hoewel hij later ook botste met enkele leden vanwege zijn methodes. Hij richtte in 1926 het National Laboratory of Psychical Research op, een onafhankelijk instituut om paranormale fenomenen te bestuderen. Zijn bekendste onderzoeken betroffen mediums, poltergeisten en het beruchte Borley Rectory (foto).
Hij gebruikte wetenschappelijke apparatuur zoals camera’s, infraroodstralen en vingerafdrukpoeder om paranormale claims te testen. Harry Price was een skeptische maar open-minded onderzoeker. Hij wilde paranormale claims objectief testen maar was niet a priori tegen het bestaan van het bovennatuurlijke. Zijn belangrijkste wapenfeiten waren:
- Het ontmaskeren van frauduleuze mediums. Price onderzocht vele beroemde mediums en ontdekte vaak bedrog. Eusapia Palladino, een beroemd Italiaans medium, beweerde objecten te kunnen laten zweven. Price ontdekte dat ze verborgen draden en trucage gebruikte. Helen Duncan was een van de laatste mensen in Engeland die werd veroordeeld voor hekserij. Price liet zien dat haar "ectoplasma" gemaakt was van kaasdoek en papier-maché.
- Onderzoek van Borley Rectory, het meest spookachtige huis van Engeland. In 1929 werd hij uitgenodigd om de fenomenen te onderzoeken, zoals geestenverschijningen, zelfbewegende objecten en onverklaarbare geluiden. Hij installeerde camera’s en andere meetapparatuur, maar zijn rapporten waren tegenstrijdig.
- Het bespelen van het publiek en de media. Price was een meester in media-aandacht. Hij schreef veel boeken en artikelen en gaf regelmatig lezingen over zijn onderzoek. Boeken zoals The Most Haunted House in England (1940) en Fifty Years of Psychical Research (1939) maakten hem beroemd. Maar hij werd ook beschuldigd van sensationalisme.
Harry Price was ook lid van The Magic Circle, een exclusieve Britse vereniging voor goochelaars en illusionisten, opgericht in 1905. The Magic Circle heeft een lange geschiedenis van betrokkenheid bij het ontmaskeren van paranormale claims. Veel van zijn leden, waaronder enkele van de beroemdste goochelaars en illusionisten, hebben zich actief beziggehouden met het blootleggen van fraude bij spiritistische mediums, helderzienden en andere paranormale fenomenen. Naast Price speelden ook vader en zoon goochelaars Maskelyne een belangrijke rol in het ontmaskeren van mediums. John Nevil Maskelyne (1839–1917) was vooral actief in de 19de eeuw. Hij reconstrueerde onder meer de trucs van de gebroeders Davenport, Ira en William, beroemde Amerikaanse spiritisten die in Europa optraden. Samen met zijn partner George Cooke gaf hij ook theatervoorstellingen waarin ze trucs van de mediums onthulden. Hij schreef er een boek over: Modern Spiritualism: Its Claims Exposed (1895). Zijn zoon Nevil Maskelyne (1863–1924) zette zijn werk verder. Hij schreef voor wetenschappelijke tijdschriften en werkte samen met de Society for Psychical Research (SPR) om paranormale claims kritisch te onderzoeken. Hij gebruikte camera’s, detectieapparatuur en goocheltechnieken om mediums te testen. En hij hielp bij het ontwikkelen van experimenten om paranormale claims onder laboratoriumomstandigheden te testen.
Spiritistische mediums en helderzienden vormden een belangrijk doelwit voor skeptici in de eerste helft van de twintigste eeuw. Die profiteerden van de hopeloze zoektocht naar verdwenen familieleden in de twee wereldoorlogen om hun winstgevende praktijk te laten floreren. “Grief vampires” of verdrietvampieren worden ze vandaag genoemd door Susan Gerbic van Guerilla Skeptics on Wikipedia. Ons eigen Belgisch Comité Para is ten andere ontstaan uit de strijd tegen deze frauduleuze praktijken.
Maar ook andere onderwerpen kwamen onder de aandacht van skeptici. Thomas Sharper Knowlson (1867-1947) was een Britse filosoof die actief was in de late 19e en vroege 20e eeuw. Hij schreef over zelfontwikkeling, geheugenverbetering en praktische filosofie. Een van zijn bekendste werken is The Art of Thinking (1913), waarin hij technieken bespreekt om effectief en kritisch te denken. In 1930 gaf hij een boekje uit over bijgeloof: The Origin of Popular Superstitions. Hij onderzoekt daarin de oorsprong en betekenis van bijgeloof. In dit werk probeert hij te verklaren hoe en waarom bepaald volksgeloof en bijgelovige praktijken zijn ontstaan, vaak door ze terug te voeren naar oude religies, volksculturen en historische gebeurtenissen. In een eerste sectie gaat het over volksgebruiken en bijgeloof gelinkt aan dagen in het jaar of seizoenen. Dan volgt een deel over huwelijkstradities. In de derde sectie komen een aantal bekende skeptische thema’s aan bod, zoals waarzeggerij, wichelroedes, handlezen en astrologie. De laatste sectie bevat een allegaartje, van vampiers tot bijgeloof in het theater. Uiteraard is veel van de inhoud gedateerd en nogal toegespitst op Groot-Brittannië, en weerspiegelt soms ook de racistische houding van de “superieure” westerling van toen. En het boekje bevat eerder een opsomming van feitjes en beweringen dan een skeptische analyse.
Tot slot wil ik nog een merkwaardig boekje aanhalen dat ik ooit in een antiquariaat oppikte: Wetenschappelijk kiekeboe van Dr. A.C. Wilsmann. De Nederlandse versie is van 1963 maar het Duitse origineel werd uitgegeven in 1943 in volle oorlog. Aloys Christof Wilsmann (1899–1966) was een Duitse journalist, arts en amateurgoochelaar. Hij studeerde filosofie, literatuur, kunstgeschiedenis, economie en geneeskunde aan de universiteiten van Marburg en Münster, waar hij zijn doctoraat in de geneeskunde behaalde. Hij publiceerde talloze artikelen over goochelkunst in vakbladen en stelde een bibliografie samen van Duitse goochelboeken uit de 16e tot de 20e eeuw.
Zijn boek Die zersägte Jungfrau (1938) (‘de doorgezaagde jonge vrouw’) wordt beschouwd als een fundamenteel werk over de geschiedenis van de goochelkunst. Een algemener werk was Wunderwelt unter der Tarnkappe (letterlijk: ‘Wonderwereld onder de onzichtbaarheidsmantel’), waarvan de eerste editie werd gepubliceerd in 1943, een tweede in 1959, in het Nederlands vertaald als Wetenschappelijk kiekeboe. Hij begint met wat filosofische beschouwingen om dan een hele reeks vooral optische illusies te bespreken. Dan volgt een hoofdstuk “capriolen van het gezonde verstand” met klassieke paradoxen en hoofdstukken over bijzondere dingen in de wetenschap en de wiskunde.
Daar beginnen klassieke skeptische thema’s op te duiken, zoals getallenmystiek en piramidenonzin. En in Extravaganties van het Toeval zitten we volop in de skeptische wereld van buitengewone gebeurtenissen die toch niet zo buitengewoon blijken te zijn als je ze statistisch onderzoekt.
Er waren dus al meerdere actieve skeptici in de eerste helft van de twintigste eeuw. De onderwerpen waren wat anders dan vandaag. Geen UFO’s, chemtrails of Elvis-verschijningen. Maar de mechanismen waarop geloof in onbewezen fenomenen steunt waren dezelfde. En hoewel er nog een lange weg was af te leggen naar goed onderbouwde onderzoeksmethodes, werden de eerste stappen gezet.
Paul De Belder, burgerlijk ingenieur en gewezen voorzitter van SKEPP.