Sciencefiction en pseudowetenschap

Afbeelding

Sciencefiction is fictie, geen wetenschap, fictie waarbij de grenzen van de wetenschap vaak overschreden wordt en waar pseudowetenschap wel degelijk invloed heeft.

Geplaatst onder
Deel artikel TwitterFacebookLinkedinWhatsapp

Er zijn ongetwijfeld veel SF (sciencefiction)-fans bij de lezers van ons magazine. De openheid van geest van skeptici voor dikwijls contra-intuïtieve verklaringen in de wetenschap, en de interesse voor niet alledaagse fenomenen, maken hen een ideale ontvanger voor de buitengewone ideeën in goede, wetenschappelijk onderbouwde sciencefictionliteratuur. Natuurlijk worden in veel SF-verhalen elementen gebruikt die wetenschappelijk gezien onmogelijk of onwaarschijnlijk zijn. Maar wanneer die ingepast zijn in een consistente realiteit, met een in het verhaal aannemelijke extrapolatie van technologie en wetenschap, dan kan een skeptische geest zonder probleem meegaan en gefascineerd worden door het verhaal. Het is nu eenmaal lastig om een verre ruimtereis of galactisch imperium te verzinnen zonder sneller dan het licht te reizen, of gebruik te maken van jump gates, portalen of wormgaten. Vele ideeën zijn ook gewoon extrapolaties van bestaande technieken of wetenschappen, bijvoorbeeld in robotica of cybernetica, genetische manipulatie, of zelfs psychologie en sociologie, zoals in de Foundation trilogie (later tot een zevenluik uitgebreid) van de Russisch-Amerikaanse biochemicus en schrijver Isaac Asimov (1920-1992). Maar zoals bij de Amerikaan Philip K. Dick (1928-1982) kan het ook onwaarschijnlijk bizar worden, desondanks geloofwaardig binnen zijn genre en verhaalstijl. Opvallend is hoeveel van Dicks boeken of kortverhalen zijn verfilmd: Blade Runner, Minority Report, Total Recall (tweemaal zelfs), A Scanner Darkly, The Adjustment Bureau en meer.

Belangrijk is dat die buitengewone, onwetenschappelijke elementen een doel dienen. Het mag geen gemakkelijke hocus pocus of magie zijn; die horen thuis in de fantasy literatuur, die haar eigen regels heeft. Ook verhalen à la Star Wars, die te veel op ridderverhalen lijken, met stoere ruimtehelden die elkaar met laserkanonnen bestoken in close combat-ruimtegevechten met onmogelijke capriolen, worden smalend Space Opera genoemd. Het doel van een goed SF-verhaal is om een consistente wereld en samenleving te creëren, geloofwaardig binnen de context van het verhaal, waarin ideeën kunnen worden uitgewerkt die niet mogelijk zijn in een hedendaagse wereld of samenleving. Een volledig skeptisch, empirisch zuiver verhaal zou saai zijn — omdat het alleen weergeeft wat al mogelijk is. Door speculatieve ideeën (zoals teleportatie, tijdreizen, ESP) te gebruiken als literaire instrumenten, verkennen schrijvers morele, psychologische of sociale scenario’s in contexten die ze onmogelijk in het heden kunnen situeren. 

Het is boeiend om af en toe oude sciencefiction te lezen, omdat die aantoont hoe moeilijk het is om toekomstige ontwikkelingen te voorspellen.

Het is boeiend om af en toe oude sciencefiction te lezen, omdat die aantoont hoe moeilijk het is om toekomstige ontwikkelingen te voorspellen. “Voorspellen is moeilijk, vooral als het om de toekomst gaat” (toegeschreven aan de Deense fysicus en Nobelprijswinnaar Niels Bohr). Zelfs een technologisch en wetenschappelijk onderlegde schrijver zoals de Britse wiskundige en futurist Arthur C. Clarke (1917-2008), de man die geostationaire satellieten bedacht, of een ruimtelift (space elevator), slaagde er niet in om ver genoeg te extrapoleren vanuit de computer- en communicatietechnologie van zijn tijd. In The Sands of Mars uit 1951 heeft een journalist op een ruimtereis naar Mars een schrijfmachine mee, en zijn papieren artikelen worden via een soort fax-systeem naar de aarde gestuurd.

Pseudowetenschap nooit ver weg

Maar hoe zit het met het skeptische denken bij de sciencefictionauteurs?  Wel, dat loopt enorm uiteen. In de tijd van de zogenaamde pulpmagazines, op goedkoop papier gepubliceerd in de VS vanaf de jaren ‘20-’30 van de vorige eeuw, die SF-kortverhalen, novelles en romans (in afleveringen) publiceerden, was pseudowetenschap nooit ver weg. De verhalen mochten dan doorgaans wel hardcore SF zijn, de editors waren dikwijls aanhangers van pseudowetenschap en esoterische theorieën. Ze gaven ruimte aan artikelen, essays en lezersbrieven die regelrechte pseudowetenschap verkondigden. En vele SF-auteurs vonden inspiratie bij Charles Fort (1874-1932), een Amerikaans publicist en verzamelaar van bizarre feiten. Hij inspireerde een hele Forteaanse beweging van zogenaamde “agnostische sceptici”, die niet willen oordelen over het waarheidsgehalte van bizarre feiten. Er is een Fortean Society, een tijdschrift Fortean Times en het adjectief Fortean wordt gebruikt om allerlei bizarre of onverklaarde zaken te benoemen. Fort heeft generaties verkopers van allerlei onzin geïnspireerd, maar gelukkig ook vele goede SF-auteurs.

Afbeelding

Het tijdschrift Amazing Stories werd in 1926 opgericht door de Luxemburgs-Amerikaanse schrijver en uitgever Hugo Gernsback (1884-1967). Hij wordt vaak geroemd als de "vader van sciencefiction", en één van de belangrijkste jaarlijkse prijzen voor SF- en fantasyliteratuur is naar hem genoemd: de Hugo’s. Maar zijn opvatting van "scientifiction" (zoals Gernsback het noemde) was bijzonder breed. Hij mengde technische vooruitgang met speculatie over astrale projectie, telepathie, levensverlenging, vrije energie en andere ideeën uit de occulte en esoterische hoek. Gernsback had weinig problemen met het publiceren van claims over antizwaartekrachtmachines of berichten van bewoners van Mars — mits ze in het kader van 'onderzoek' of 'mogelijke toekomst' gepresenteerd werden. De grens tussen fictie en serieuze speculatie werd zelden duidelijk bewaakt. Ook in de redactionele kolommen moedigde hij speculatie aan, onder andere over Atlantis, vrije energie, geestelijke krachten en reïncarnatie. Gernsback geloofde niet noodzakelijk alles wat hij publiceerde, maar moedigde het denken buiten de gevestigde wetenschap aan — deels uit idealisme, deels uit commerciële motivatie.

Foto: In het allereerste nummer van Amazing Stories (1926) wordt nog teruggegrepen naar de pioniers van de SF: Jules Verne, H.G. Wells en zelfs Edgar Allan Poe. 

Een ander tijdschrift, Astounding Science Fiction (sinds 1960 Analog Science Fact & Fiction), zag het licht in 1930 en heeft onder verschillende namen een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling en promotie van sciencefiction. In 1938 nam de Amerikaanse SF-schrijver John W. Campbell (1910-1971) de rol van hoofdredacteur over in een periode die The Golden Age of Science Fiction wordt genoemd (1938-1946). Denk aan de robotverhalen en de Foundation trilogie van Isaac Asimov, aan Robert A. Heinlein, A. E. van Vogt, Arthur C. Clarke, Ray Bradbury of Walter M. Miller Jr. Maar er was ook een “donker kantje” aan Campbell. Hij had een uitgesproken interesse in parapsychologie, ESP (extrasensory perception), telekinese… Hij geloofde dat menselijke geestelijke vermogens zwaar onderschat waren en moedigde schrijvers aan deze te verkennen in hun verhalen. Hij publiceerde ook pseudowetenschappelijke artikelen als non-fictie in zijn blad, waaronder essays over psychische gaven en controversiële apparaten. Ook naar Campbell is een SF-literatuurprijs genoemd, de John W. Campbell Memorial Award for Best Science Fiction Novel, maar die is in 2019 stopgezet.

In 1950 publiceerde Astounding, na maandenlange promotie, het eerste artikel over dianetica van de Amerikaanse SF- en fantasyschrijver L. Ron Hubbard (foto), wat leidde tot een storm van reacties — zowel bewonderend als kritisch. Hubbard werd kortstondig een ster in de sciencefictiongemeenschap, tot zijn ideeën een eigen leven gingen leiden met de oprichting van de sektaire organisatie Scientology. Veel schrijvers — waaronder Asimov — distantieerden zich al snel van Hubbard, maar Campbell bleef dianetica lang verdedigen. Het deed Campbells reputatie alvast geen goed.

Expliciet skeptische auteurs

Maar er waren ook enkele expliciet skeptisch ingestelde SF-schrijvers, die ook wetenschappelijk onderbouwde non-fictie schreven. Arthur C. Clarke is daarin een beetje een speciaal geval. Hij schreef bijzonder goede, “harde” SF, zoals Rendezvous with Rama (1973), The Fountains of Paradise (1979), waarin hij de bouw van een ruimtelift beschrijft, of A Fall of Moondust (1961), maar ook even geweldige, wat esoterisch getinte verhalen zoals 2001 A Space Odyssey (1968) of Childhood’s End (1953).

Afbeelding

Daarnaast presenteerde en schreef hij ook mee aan tv-series zoals Arthur C. Clarke's Mysterious World (1980) en latere reeksen zoals World of Strange Powers en Mysterious Universe. Deze series verkenden zaken als UFO’s, cryptiden (zoals de Yeti), en andere zogenaamde “onverklaarde fenomenen”. Die collecties “mysteries” verschenen ook in boekvorm, met zijn naam prominent in de titel, en een voorwoord en commentaren van zijn hand. Ze werden geschreven door Simon Welfare en John Fairley. Sommige werden ook in het Nederlands vertaald, bijvoorbeeld De geheimzinnige wereld van Arthur C. Clarke (1981).

Hoewel de toon vaak skeptisch was, werden veel claims op een sensatiebeluste manier gepresenteerd, met weinig kritische weerlegging of wetenschappelijke onderbouwing. Hij hield zich zelden bezig met het actief debunken van deze beweringen in die series. De afleveringen werden vaak gepresenteerd met een soort agnostische mysterieusheid: "We weten het niet zeker... misschien ooit...". Dat gaf de indruk dat hij paranormale fenomenen serieuzer nam dan strikt wetenschappelijk verantwoord was.
Clarkes houding tegenover het onbekende en het paranormale wordt duidelijk wanneer we kijken naar zijn zogenaamde drie wetten:

  1. When a distinguished but elderly scientist states that something is possible, he is almost certainly right. When he states that something is impossible, he is very probably wrong.
    Wanneer een gerespecteerde maar oudere wetenschapper zegt dat iets mogelijk is, heeft hij bijna zeker gelijk. Wanneer hij zegt dat iets onmogelijk is, heeft hij zeer waarschijnlijk ongelijk.
  2. The only way of discovering the limits of the possible is to venture a little way past them into the impossible.
    De enige manier om de grenzen van het mogelijke te ontdekken, is door ze een beetje te overschrijden — het onmogelijke te betreden.
  3. Any sufficiently advanced technology is indistinguishable from magic.
    Elke voldoende geavanceerde technologie is niet te onderscheiden van magie.

De eerste wet wordt soms misbruikt om grondig gekende wetenschap te ondergraven, bijvoorbeeld door te poneren dat je om die reden niet mag zeggen dat sneller dan licht reizen onmogelijk is. Dat is echter geen uitspraak van een oude wetenschapper die misschien wat achterloopt en vastzit in zijn ideeën, maar de consensus van alles wat we weten over hoe de basis natuurwetten in elkaar steken. De derde wet wordt te pas en te onpas gebruikt om skeptici de mond te snoeren. Er wordt dan gesuggereerd dat de reden dat bijvoorbeeld acupunctuur als magie overkomt, misschien is dat we de technologie of achterliggende wetenschap nog niet beheersen. Interessanter voor ons skeptici is dat je hiermee ook omgekeerd kan wijzen op het onvermogen van niet technologisch of wetenschappelijk onderlegde mensen om het verschil te zien tussen wetenschap en pseudowetenschap. Een GSM of internetmodem is even grote, of zelfs grotere magie dan homeopathie of helderziendheid.

Een volledig skeptisch, empirisch zuiver verhaal zou saai zijn — omdat het alleen weergeeft wat al mogelijk is.

Enkele SF-auteurs steken als skeptici uit boven hun collega’s omdat ze expliciet skeptische non-fictie schreven. Sommige komen ook bijzonder kritisch en skeptisch over in hun fictiewerken, zoals de Amerikaan John Sladek (1937-2000), die ook lange tijd in het Verenigd Koninkrijk actief was. Zijn tweeluik Roderick (1980) en Roderick at Random (1983) speelt zich af in zijn eigen tijd (vroege jaren ’80). Het beschrijft het “opgroeien” van Roderick – een bewustzijn in een kunstmatig lichaam, een robot dus. Hij is geen superintelligente machine, geen Terminator, geen alwetende AI. Hij is een bewustzijn dat op kinderlijke wijze probeert te begrijpen wat mensen bedoelen met “zinvol leven”, “normaal gedrag” en “moreel handelen”. In zijn omgeving wemelt het van incompetente wetenschappers, bureaucratische instanties, schijnheilige religieuzen, commerciële charlatans en media die liever een AI-sprookje verkopen dan te luisteren naar wat de robot zelf te zeggen heeft. Sladek maakt korte metten met pseudowetenschap, religieus fanatisme, educatieve dwaasheid, en vooral: de menselijke neiging tot hypocrisie. Zijn satire is nietsontziend, maar zelden cynisch. Roderick blijft een figuur van oprechte nieuwsgierigheid en verwondering – wat de lezer des te ongemakkelijker maakt. Ook Tik-Tok (1983) is een satirische roman, deze keer over een kwaadaardige robot, wiens wreedheid geen losstaand incident is, maar een logisch gevolg van de maatschappij waarin hij opgroeit. Sladek beschrijft een wereld waarin mensen robots als slaven behandelen, waarin technologie moreel leeg is, en waarin hypocrisie de norm is. Tik-Tok won de BSFA Award (British Science Fiction Association) in 1984.

In 1974 schreef Sladek The New Apocrypha – A guide to Strange Sciences & Occult Beliefs. In zijn kenmerkende stijl fileert hij ongenadig een hele reeks rages en pseudowetenschappelijke beweringen van zijn tijd. Een typerend voorbeeld van zijn stijl is de titel van hoofdstuk 2: Will U kindly F O?. Ik neem aan dat ik de afkorting FO niet moet vertalen voor de lezer? Sommige onderwerpen zijn al lang in de prullenmand beland, zoals de bizarre kosmologie en alternatieve geschiedenis van de Russisch-Amerikaanse schrijver en catastrofist Immanuel Velikovsky (1895-1975). Hij probeerde onder meer een reeks wonderen uit de Bijbel en de mythologieën van andere volkeren te verklaren door een ware planetenbiljart tussen Jupiter, Mars, Venus en de aarde. Maar zijn boeken uit de jaren ’50 waren in die tijd – ik heb er ook mee gedweept in mijn studententijd – terug erg populair, echte bestsellers. Het tegenoffensief vanuit de wetenschap, in een tijd vóór het ontstaan van georganiseerd skepticisme, was niet zo effectief. In 1977 bundelden een aantal wetenschappers en wetenschapspopularisators, waaronder Carl Sagan en Isaac Asimov, hun krachten in een boekje Scientists Confront Velikovsky. Maar raad eens welke boeken het beste verkochten…

Terug naar Sladeks New Apocrypha, een boek dat je telkens weer luidop doet lachen bij zijn kernachtige sloop van honderden bizarre beweringen en figuren. Maar een halve eeuw later doet veel van die onzin nog steeds de ronde, niet gehinderd door Sladeks kritiek en weerleggingen. Hij schrijft over Atlantis en over de platte aarde, over von Däniken en Teilhard de Chardin, over ESP, I Ching, astrologie, acupunctuur, nazi-wetenschap, macrobiotiek, Loch Ness, Stonehenge… Elk hoofdstuk behandelt een veelheid aan onderwerpen, elk ervan onderworpen aan zijn messcherpe kritiek en briljant satirische stijl. Het is nog steeds een rijke bron aan skeptische kritiek op de onmetelijke wereld van het occulte, pseudowetenschap en alternatieve “theorieën” allerhande.

Onder het pseudoniem James Vogh schreef hij een parodie op de astrologie: Arachne Rising: The Search for the Thirteenth Sign of the Zodiac (1977). Het boek presenteert het (verzonnen) verhaal van een vergeten dertiende sterrenbeeld genaamd Arachne, dat zogenaamd werd onderdrukt door astrologische autoriteiten. Volgens het boek zou Arachne verband houden met spin-symboliek, vrouwelijke macht, en een verborgen geschiedenis van de sterrenkunde. Hoewel het werd gepresenteerd als non-fictie, is het vrijwel zeker een literaire hoax of satire, bedoeld om de geloofwaardigheid van astrologie en esoterische pseudogeschiedenis op de hak te nemen. De stijl is droog en academisch genoeg om sommigen te misleiden. Onder hetzelfde pseudoniem verscheen een jaar later The Cosmic Factor: Health and astrology (Britse uitgave) of The Cosmic Factor: Bioastrology and You (VS-uitgave), een karikatuur op het New Age denken. 

Afbeelding

De Amerikaanse astronoom, skepticus en wetenschapspopularisator Carl Sagan (1934-1996) kwam al even ter sprake (foto). Hij is zeer bekend bij skeptici, onder meer door zijn boek The Demon-haunted World – Science as a Candle in the Dark, en was een van de stichtende leden van onze Amerikaanse zustervereniging CSICOP (nu CSI). Hij is minder gekend als SF-schrijver, misschien omdat hij maar één roman schreef, Contact, in 1985, over contact met een buitenaardse beschaving. Het boek werd een bestseller en werd in 1977 verfilmd met Jodie Foster in de hoofdrol als dr. Elie Arroway, radioastronome en skeptica.

En dan is er nog de Amerikaanse luchtvaartingenieur en schrijver L. Sprague de Camp (1907-2000). Hij schreef zowel sciencefiction- als fantasy-romans en –kortverhalen, en was de eerste om “E.T.” te gebruiken als term voor buitenaards leven.

Hij werd lid van CSICOP, kort na de oprichting in 1976. Reeds in 1954 (gereviseerd in 1970) publiceerde hij een heel uitgebreid, gedetailleerd en goed gedocumenteerd boek over Atlantis en andere zogenaamd verzonken continenten zoals Mu en Lemurië, Lost Continents – The Atlantis Theme in History, Science, and Literature. Het boek lijdt een beetje onder het feit dat platentektoniek (drijvende continenten) toen nog niet algemeen aanvaard was, hoewel hij Wegeners theorie wel beschrijft als één van de hypotheses. Voor de rest is het een aanrader als je alles wil weten over wat er zoal van bizarre beweringen over dit onderwerp de ronde deed en wat er aan schort. Er is niet veel veranderd in de voorbije zeventig jaar bij de Atlantisgelovigen. 

Pseudoarcheologen en andere fantasten beweren telkens weer dat oude beschavingen onmogelijk de aan hen toegeschreven bouwwerken hadden kunnen realiseren met de technologie van toen. Ingenieur Sprague de Camp toont in zijn in 1963 gepubliceerd boek The Ancient Engineers aan dat de technologie in die tijd ruim voldoende was. De ondertitel Technology and Invention from the Earliest Times to the Renaissance spreekt voor zich. Het eerste hoofdstuk probeert een algemene definitie van “ingenieur” te geven, geldig voor de periode van de prehistorie tot nu. Dan behandelt hij de technologie van het oude Egypte, Mesopotamië, Griekenland, Rome, het Oosten (Arabieren, Indië, China…) en het Europa van de middeleeuwen en de renaissance. Heel “informatiedicht” zoals zijn ander boek, maar vlot geschreven. 

Hij scheef ook heel wat skeptische artikelen over allerlei onderwerpen in verschillende tijdschriften. Die werden in 1983 gebundeld als The Fringe of the Unknown en uitgegeven bij de aan CSICOP gelieerde uitgeverij Prometheus Books. In een eerste hoofdstuk gaat het over extravagante occulte en pseudowetenschappelijke claims over oude culturen, in contrast met hun echte verwezenlijkingen. Het tweede hoofdstuk gaat over biologische onderwerpen, zoals over het uitsterven van de megafauna, of over dinosaurussen die nu nog zouden leven. En het derde bundelt artikels over wetenschap, pseudowetenschap en ontspoorde wetenschappers.

SciFi – een wereld in verandering

Het valt misschien op dat sciencefiction nogal een Angelsaksische mannenwereld is. Dat klopt grotendeels, maar is gelukkig sterk aan het veranderen. Er waren al wel enkele belangrijke anderstalige SF-schrijvers zoals de Pool Stanisław Lem met Solaris (tweemaal verfilmd), de Fransman Pierre Boulle met La Planète des Singes (De Apenplaneet) en de geweldige (Sovjet)Russische broers Arkadi & Boris Strugatski wier boek Roadside Picnic de beroemde Sovjet-Russische regisseur Andrej Tarkovski’s film Stalker inspireerde.  Bij de vrouwen had je de Amerikaanse Ursula K. Le Guin (overigens dochter van antropoloog Alfred L. Kroeber) die met de Aardzee fantasytrilogie en visionaire SF heel wat prijzen won, de Afro-Amerikaanse Octavia E. Butler, pionier van “Afrofuturisme”, de feministe Joanna Russ met The Female Man en Anne McCaffrey die met haar drakenromans – als eerste vrouw en met een vrouwelijk hoofdpersonage – SF-prijzen won (in 1968 en 1969). 

‘De enige manier om de grenzen van het mogelijke te ontdekken, is door ze een beetje te overschrijden — het onmogelijke te betreden.’ (Arthur C. Clarke)

Weinig hedendaagse SF-auteurs zijn expliciet bezig met wetenschappelijk skepticisme, met enkele uitzonderingen. De Amerikaan David Brin, bekend van zijn Uplift War trilogie, heeft bijvoorbeeld toekomstscenario’s onder de skeptische loep gelegd, en zijn landgenoot Kim Stanley Robinson, bekend van zijn Red/Green/Blue Mars-trilogie, schreef over klimaatverandering en ecologie. Veel goede sciencefiction is wel inherent maatschappijkritisch, omdat de utopische of dystopische samenlevingen die ze creëert onze samenleving een spiegel voorhouden. Een opvallende evolutie in SF van de laatste jaren is de opkomst van vrouwelijke SF-auteurs. Zij rijven de top SF-prijzen binnen met heel vernieuwende ideeën en samenlevingen, die – soms alleen impliciet – hedendaagse maatschappelijke hete hangijzers op de korrel nemen.  Connie Willis schrijft over tijdreizigers uit onze tijd in het seksistische Engeland van de Tweede Wereldoorlog, Ann Leckie – die met Ancillary Justice alle drie de belangrijkste SF-prijzen won – beschrijft een samenleving waar de overheersende bevolkingsgroep maar één gender kent. In Arkady Martines wereld zijn de twee geslachten gelijkwaardig en is seks in welke configuratie ook normaal, maar het (dikwijls onbewuste) conflict tussen leden van de overheersende bevolkingsgroep en “barbaren” wordt op indringende wijze beschreven. Mary Robinette Kowals Lady Astronaut-serie, die zich afspeelt in alternatieve jaren ’50 met reizen naar de maan en Mars, neemt het geïnstitutionaliseerd racisme en seksisme van die tijd op de korrel.  Die onderwerpen worden veelal niet expliciet benoemd of bekritiseerd, maar vormen een natuurlijk aspect van de beschreven samenleving. 

De wereld van degelijke sciencefiction is een wereld van ideeën, die de lezer uitdaagt om out of the box te denken. Hij is zoveel boeiender dan de praatjes van de verkopers van pseudowetenschap. Het kan natuurlijk allemaal niet, wetenschappelijk gezien, maar de SF-auteur heeft niet de pretentie van haar of zijn fantasieën als werkelijkheid voor te stellen. Hij of zij is, zoals de meeste mentalisten,  een eerlijke bedrieger.

 

Paul De Belder is burgerlijk ingenieur en reeds jarenlang lid van SKEPP.

 

Foto credits