Dromen zijn (wellicht) bedrog

Afbeelding

Wat weet u over Sigmund Freud? Het was een vraag in de populaire Vlaamse  televisiequiz De slimste mens. Een van de deelneemsters, viceminister-president in de Vlaamse regering, gaf onder meer de volgende trefwoorden: ‘wetenschapper’ en ‘Nobelprijswinnaar’. Het eerste is op zijn zachtst gezegd omstreden, het tweede is onjuist.

Geplaatst onder
Deel artikel TwitterFacebookLinkedinWhatsapp

Het illustreert de status die men nog steeds aan Freud (1856-1939) en zijn theorieën toekent. Dat komt deels door de talloze verwijzingen ernaar in de populaire cultuur, maar evenzeer door de mythe die Freud zelf creëerde over het belang van zijn ideeën. In zijn bekende Vorlesungen zur Einführung in die Psychoanalyse (gepubliceerd in 191617) wijst hij erop dat de zelfliefde van de mens enkele ernstige krenkingen onderging. De eerste verbindt hij aan Copernicus, die ons uit het centrum van het heelal kegelde. Voor de tweede zijn Darwin en  Wallace verantwoordelijk. De evolutietheorie toont immers aan dat we niet apart staan van het andere leven op aarde. We zijn niet afzonderlijk geschapen, maar behoren tot het dierenrijk. 

Ten slotte verwijst Freud naar de “meest bittere klap” die ons is toegediend, met name die van de psychoanalyse, die onthult dat we niet eens bewuste toegang hebben tot ons eigen innerlijke wezen. Men kan Freud niet verwijten dat hij werd gehinderd door bescheidenheid. Het grote publiek liet zich overtuigen dat hij in het rijtje van illustere namen zoals Copernicus en Darwin past, maar de wetenschappelijke gemeenschap denkt daar anders over. Aan enkele universiteiten doceert men nog steeds over zijn opvattingen alsof ze wetenschappelijk betrouwbaar zijn, maar overwegend ziet men Freud als achterhaald. Geen enkele van zijn bekende stellingen houdt stand. Niet die over het Oedipuscomplex, noch die over het Es, het Ich en het Über-ich, evenmin die over de werking van het onbewuste of over de psychoseksuele ontwikkeling. 

En wat te denken van zijn beroemde droomduidingstheorie? Het boek waarin hij die uiteenzet, dateert uit 1900 en wordt nog steeds vlot verkocht, en waarschijnlijk ook gelezen. Zelfs wie nooit iets las van of over Freud, kent in grote lijnen de gedachtegang. In onze dromen zouden onze onderdrukte wensen tot expressie komen. Die wensen zijn doorgaans seksueel, maar van sociaal en moreel ongepaste aard. Daarom worden ze verdrongen, maar niet gewist: ze duiken symbolisch op in onze dromen. Het is de taak van de psychoanalyticus om die symboliek bloot te leggen, mede geholpen door de techniek van vrije associatie. Zo kan men uiteindelijk de wortels blootleggen van de mentale aandoening van de patiënt. Dat is althans toch de bedoeling. Psychoanalytici verwijzen nog vaak naar Die Traumdeutung, alsof het een standaardwerk is in het onderzoek naar de aard en betekenis van dromen. Dankzij Freuds vele anekdotes, droombeschrijvingen en geestige speculaties en uitweidingen, is het nog steeds een boek dat prettig wegleest, maar wetenschappelijk is het niet. 

Aurore Roland, een jonge klinisch psychologe en slaapdeskundige die is verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel, maakt dat kort en krachtig duidelijk in haar boek Wat dromen ons (niet) vertellen (2024). Ze geeft een helder en compact overzicht van de huidige stand van zaken in het droomonderzoek, en bespreekt vragen zoals: wat gaat er om in onze hersenen als we dromen, waarover dromen we, wat is de functie en betekenis van dromen, wat zijn nachtmerries, kunnen we dromen psychotherapeutisch inzetten, wat zijn lucide dromen en kunnen ook dieren dromen? 

Ze wijdt een hoofdstuk aan de droomtheorieën van zowel Freud als zijn bekendste volgeling, de Zwitserse psycholoog en psychiater Carl Gustav Jung (1875-1961). Freud zag de bijna twintig jaar jongere Jung een tijdlang als zijn opvolger, maar Jungs steeds meer afwijkende opvattingen zorgden voor een breuk. Roland vat kernachtig de opvattingen van Freud en Jung samen, legt ze naast de beschikbare wetenschappelijke studies en trekt in korte, droog geformuleerde zinnen haar conclusies: “Er is geen bewijs dat droominhoud symbolisch is”, “We hebben geen bewijs voor het bestaan van een biologisch collectief onbewuste”, “Voorspellende dromen zijn hoogstwaarschijnlijk toeval.” Die laatste zin, die naar Jung verwijst, illustreert de toon van het boek. 

Mogelijke alternatieve formuleringen zijn bijvoorbeeld: “Voorspellende dromen zijn totale onzin”, of “Wie nog steeds gelooft dat dromen een voorspellende waarde hebben, dwaalt”. Ik vermoed dat Aurore Roland er zo wel over denkt, maar het liever niet zo aangeeft. Ze houdt nagenoeg het hele boek door een wetenschappelijke, objectieve toon aan. Dat verklaart ook de vele voetnoten in het boek. Met 156 pagina’s is het eerder kort, en 25 pagina’s daarvan bevatten referenties. Op vrijwel elke pagina verwijst Roland naar studies in diverse vakbladen, zoals International Journal of Dream Research, Behavioral and Brain Sciences, Dreaming,  Consciousness and Cognition, en vele andere. Hier is iemand aan het woord die grondig is geïnformeerd en graag een slag onder de arm houdt, omdat wetenschappelijke inzichten steeds vatbaar zijn voor verfijning en herziening. 

Dat geldt niet in het minst voor dromen, een psychologisch, hersenen- en slaapgerelateerd fenomeen dat nog steeds omgeven is door mysterie en geheimzinnigheid. Herhaaldelijk wijst Roland erop dat iets, vanuit wetenschappelijk oogpunt, nog onduidelijk, onverklaard of ongeweten is. Reeds op pagina 39 schrijft ze: “Eigenlijk weten we dus nog niet waarom we dromen.” Ze komt tot die conclusie na een bespreking van de belangrijkste mogelijke antwoorden op de vraag waarom we dromen. Sommige experts beweren dat dromen simpelweg nutteloos zijn, ze zouden een bijproduct zijn van andere hersenactiviteit, zoals onze navel een bijproduct van de navelstreng is. Anderen betwisten dat, en denken dat dromen onze emoties helpen reguleren, of onze herinneringen helpen vastleggen. Weer andere onderzoekers menen dat dromen potentiële gebeurtenissen simuleren, zodat we in de toekomst beter kunnen omgaan met problemen, misschien in het bijzonder die van sociale aard. Aurore Roland, voorzichtig als ze is, spreekt haar voorkeur niet uit voor een specifieke hypothese. Anderen doen dat wel, bijvoorbeeld in een artikel in The Guardian over dromen van de journaliste Sam Pyrah, overgenomen door De Standaard (27 juni 2024). Pyrah schrijft zonder enige nuance “dat de emotionele regulatie-hypothese nu algemeen aanvaard is en wordt ondersteund door verder onderzoek”. Wie het boek van Roland leest, weet: dat is niet het geval. 

Roland wijst erop dat dromen gelijkenissen vertonen met verhalen. Ze werkt dat niet echt verder uit, maar het sluit aan bij de evolutionaire visie op fictie en storytelling, zoals ontwikkeld door onderzoekers als Jonathan Gottschall in zijn boek The Storytelling Animal (2013). Een flink deel van onze tijd gaat naar het bedenken en consumeren van verhalen, en daarvan maken dromen een onderdeel uit. Als we alles feitelijk moeten leren en ervaren, zouden we geregeld blunderen. Het leven mag dan wel uit vallen en opstaan bestaan, maar een val te veel kan dodelijk zijn. Die wil je liefst vermijden. Het is allicht geen toeval, zoals Roland ook aangeeft, dat vallen een veel voorkomend thema is in dromen. De verhalen die we in mythologie, romans, theater, film en andere kunstvormen naar voren brengen, behoeden ons voor de vele valkuilen van het leven. De held ondergaat het allemaal in onze plaats, zodat wij er in het echte leven aan ontsnappen. Verhalen zijn simulaties, om te oefenen voor het echte leven. Roland wijst erop dat we ons lang niet alle dromen herinneren, maar dat geldt voor andere fictie ook. Ik hoef me niet bewust en expliciet de volledige inhoud van een boek te herinneren om van het verhaal gebruik te maken; daar heb ik mijn impliciete geheugen voor. Als de simulatie-hypothese steek houdt, dan kunnen we droomonderzoek als een onderdeel zien van de studie van het ontstaan, de structuur, inhoud en functies van fictie. Het kan lonend zijn om mensen uit meerdere disciplines hiervoor samen te brengen, zoals psychologen, neuro- en literatuurwetenschappers, antropologen en evolutiebiologen. Misschien gebeurt dat al, maar ik gok erop dat iedereen voorlopig comfortabel maar geïsoleerd in zijn eigen wetenschappelijke niche zit. 

Elk hoofdstuk bevat boeiende informatie, al blijft een nieuwsgierige lezer soms op zijn honger zitten. Zo blijkt dat meer dan de helft van de mensen minstens één keer in hun leven een lucide droom heeft, een droom waarvan je weet, tijdens het dromen zelf, dat je aan het dromen bent. Tot op zekere hoogte kan men zo’n lucide droom ook bijsturen en inhoudelijk beïnvloeden. Merkwaardig genoeg is het onderzoek naar dit fascinerende fenomeen slechts weinig onderzocht. Bovendien, aldus Roland, laat de kwaliteit van het onderzoek ernaar ook vaak te wensen over. Vandaar ook, andermaal, het nuchtere commentaar op de vraag wat de functie is van lucide dromen: “Dat weten we niet”. 

Afbeelding

We weten ook niet of vrouwen meer of net minder lucide dromen hebben dan mannen, en al evenmin hoe het komt dat er geen duidelijk geslachtsverschil te vinden is. Dat laatste is vreemd, omdat we zo’n verschil wel vaststellen wat de onderwerpen betreft die in ‘gewone’ dromen en in nachtmerries opduiken. Zo hebben mannen vaker nachtmerries over insecten en natuurrampen, en vrouwen meer over interpersoonlijke conflicten. 

We weten niet precies hoe lang we dromen, en ook niet hoeveel verschillende dromen ons brein elke nacht creëert. Een deel van de verklaring daarvoor is dat we niet al onze dromen onthouden. Wie denkt dat hij nooit droomt, vergist zich hoogstwaarschijnlijk. Vrijwel iedereen droomt, maar niet iedereen herinnert zich zijn dromen. Hoe dan ook, men schat dat we dagelijks gemiddeld twee uur dromen. Dat zijn heel veel dromen in een mensenleven, wat de kans dat dromen een nutteloze activiteit is, eerder klein maakt. 

Er is niet enkel nog grote onwetendheid over dromen, ook over slaap valt nog heel wat te leren. Ook dat moet ons verbazen, we besteden er immers zo’n derde van ons leven aan. Veel mensen hebben een slaapprobleem, en een flink deel daarvan tracht het op te lossen met medicatie. Slaapmoeilijkheden zijn gecorreleerd aan een hele reeks van andere problemen, van depressies tot zelfdodingen en verkeersongelukken. Aurore Roland werkt aan een doctoraat over slapeloosheid en de behandeling ervan. Zodra die klus geklaard is, kan ze het misschien bewerken tot een tweede boek voor het brede publiek?

Johan Braeckman is filosoof en schrijver van boeken over filosofie en wetenschap.