Bad news travels fast

Afbeelding

Over de fictie van samenzweringsverhalen.

Geplaatst onder
Deel artikel TwitterFacebookLinkedinWhatsapp

Een snelle fact-check van die bekende Engelse bewering vraagt op zijn minst om enige nuance. Blijkbaar wees onderzoek uit dat goed nieuws zich niet minder traag verspreidt dan slecht nieuws. Het verschil tussen beide zit niet in de snelheid van de overdracht, maar in het bereik ervan: slecht nieuws reist niet sneller dan goed nieuws, het verspreidt zich gewoon beter en breder.

Dit nieuwe inzicht haal ik uit een interessante column van de hand van Massimo Polidoro, verschenen in een recent nummer van Skeptical Inquirer. Polidoro is een bekend Italiaans skepticus en goochelaar, medestichter en directeur van het Comitato Italiano per il Controllo delle Affermazioni sul Paranormale (CICAP).

Zes tegen een

De focus van de bewuste column ligt specifiek op samenzweringstheorieën, een onderwerp waar Polidoro al vaker over schreef. Samenzweringstheorieën kunnen in zekere zin gelden als een voorbeeld van het ‘bad news’ uit mijn openingszin. Uit het onderzoek waar Polidoro naar verwijst, blijkt dat dergelijke verhalen (maar in de brede zin van het woord alle vormen van fake news, geruchten en roddels) op het internet zes keer zoveel lezers bereiken als verhalen die wel gegrond zijn in de werkelijkheid. Anders gezegd: de rechtzetting van een leugen bereikt slechts een zesde van het aantal lezers die de leugen oorspronkelijk onder ogen kregen. ‘Als ze worden overgebracht in de vorm van een goed verhaal dat erin slaagt op onze gevoelens in te spelen’, schrijft Polidoro, ‘zullen valse ideeën en dito nieuws het altijd halen, zes tegen een.’

Mijn aandacht werd in het bijzonder getrokken door twee boeken die Polidoro op het onderwerp van zijn column betrekt en die ik als literatuurwetenschapper goed ken: Jonathan Gottschalls The Story Paradox (2021) en Joseph Campbells The Hero with a Thousand Faces (1949). Die tweede titel – op de eerste kom ik straks terug – is een echte klassieker in mijn vakgebied. Campbell, een letterkundige met een grote interesse in vergelijkende mythologie en religiestudies, probeerde in dat boek duidelijk te maken dat talloze heldenverhalen (literaire, mythologische, religieuze, …) in wezen een gedeelde structuur hebben, een zo goed als identieke verhaalopbouw, waarin een held een traject doorloopt dat hem (of haar, al is dat minder vaak het geval) van een reeks obstakels naar een oplossing brengt. De held bewandelt een kronkelig pad dat hem via de omweg van een ander universum opnieuw naar huis brengt. In de loop van dat traject wordt de held als het ware herboren: hij is wijzer en sterker geworden, maar bovenal een beter mens.

Een dergelijke verhaalstructuur, zo vult Polidoro de kort na de Tweede Wereldoorlog schrijvende Campbell aan, vinden we niet alleen in de mythes en romans waarover het in The Hero with a Thousand Faces gaat, maar ook in een reeks bijzonder populaire films uit het laatste kwart van de twintigste eeuw. Denk maar aan Star Wars, The Godfather, Indiana Jones, E.T. De bijzonder succesvolle Harry Potter-verhalen die recenter zijn, kunnen vanzelfsprekend aan het lijstje worden toegevoegd, net als nog vele andere voorbeelden.

‘The Story Paradox’

Het interessante punt dat Polidoro in zijn column ontwikkelt, is dat succesvolle samenzweringstheorieën eigenlijk ook een dergelijke verhaalstructuur vertonen – met dien verstande evenwel dat in dit soort verhalen de held degene is die de theorie ontwikkelt en met veel tegenstand tot een goede verspreiding brengt. Het is op dit punt dat Polidoro in zijn column het werk van de Amerikaanse journalist en onderzoeker Jonathan Gottschall inroept. In zijn boek The Story Paradox (2021) heeft die er vooral op gewezen dat we er goed aan doen de kracht van verhalen niet al te zeer te idealiseren. Zeer zeker, zegt Gottschall, verhalen kunnen ons empathisch vermogen sterker maken en ons in staat stellen de chaos die de werkelijkheid vaak is te overstijgen. Maar diezelfde verhalen kunnen ook minder fraaie effecten hebben. In die dubbelzijdigheid zit voor Gottschall net de paradox van verhalen. Of zoals hij het in de ondertitel van zijn boek aangeeft: Our love of storytelling builds societies and tears them down. Verhalen kunnen goed zijn, het beste in de mens naar boven halen, maar even goed het omgekeerde effect hebben. 

In The Story Paradox heeft Gottschall het uitvoerig over samenzweringstheorieën. Eigenlijk is dat een verkeerde term, schrijft hij: het zijn verhalen, geen theorieën. Om die reden zijn ze ook zo gemakkelijk verfilmbaar. Van een samenzweringsverhaal kun je gemakkelijk een blockbuster movie maken, stelt Gottschall. Van de ontmaskering van een samenzwering hoogstens een goeie documentaire waarin je toont dat het verhaal eigenlijk geen grond in de feiten heeft.

Afbeelding

‘Samenzweringstheorieën’, zo schrijft Polidoro Gottschall na, ‘nemen doorgaans de vorm aan van verhalen van morele verschrikking’. Ze trekken ons binnen in een werkelijkheid die onze verbeelding doet werken op een manier die ons in staat stelt op een geestelijk avontuur te gaan: een avontuur dat de belofte inhoudt dat we na het ontmaskeren van wie ons een rad voor de ogen draait de werkelijkheid zullen zien zoals ze echt is. Het is met die verhalen zoals met de heldin van Alice in Wonderland, schrijft Polidoro: het is maar wat prettig om op avontuur te gaan ‘down the rabbit hole’.

Van twee een: fictie

Die laatste vergelijking roept een vraag op die binnen de literatuurwetenschap van groot belang is: is de fictie in literaire teksten als Alice in Wonderland van dezelfde orde als de fictie die we in de samenzweringsverhalen krijgen die Polidoro in zijn werk op het oog heeft?

Anders geformuleerd: we kunnen de term in beide gevallen zeker gebruiken, maar betekent die term dan twee keer hetzelfde? Is zeggen dat samenzweringsverhalen een vorm van fictie zijn, hetzelfde als zeggen dat een roman van Lewis Carroll een vorm van fictie is? 

Ik begin met de fictie zoals we die in de literatuur kennen en bestuderen: de fictie als een product van de verbeelding, de voorstelling door een auteur van een alternatieve wereld (de theorie van de ‘mogelijke werelden’) die bedoeld is voor een lezer om zich daarin onder te dompelen (de zogenaamde ‘immersie-ervaring’). Op het eerste gezicht lijkt zo’n omschrijving raakvlakken te vertonen met de samenzweringsverhalen waarover het bij Polidoro gaat: ook daarin wordt een alternatief universum voorgesteld en ook die verhalen zijn zo opgesteld dat degenen die erin meegaan zich laten meesleuren in het vertelde. Het is in die verhalen zoals in de vele films die Polidoro opsomt: ‘We moeten onze twijfel achterwege laten en ons op een lange tocht begeven, waarin we het zwaar te verduren zullen krijgen door het hoongelach en de laster die ons te beurt zullen vallen, afkomstig van skeptici en van al diegenen die onze verhalen willen ontkrachten’.

Wat Polidoro in deze passage omschrijft als het achterwege laten van twijfel, doet me sterk denken aan de ‘willing suspension of disbelief’ die vaak wordt ingeroepen door literatuurwetenschappers die het wezen van de literaire fictie willen doorgronden. De term werd oorspronkelijk door de Britse romantische dichter Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) geijkt. Die wou ermee wijzen op het feit dat wie een roman leest, zich voorafgaand aan de lectuur neerlegt bij het feit dat die roman niet hoeft te worden afgemeten aan de wetten die in de ‘echte’ werkelijkheid regeren. In een roman kunnen dingen gebeuren die in het echt niet kunnen, om de eenvoudige reden dat het universum van de roman verzonnen is en dus niet echt. Lezers van een roman schorten hun ‘ongeloof’ met betrekking tot echtheid van de fictie dus tijdelijk op (voor de duur van hun lectuur) en ze doen dat wetens en willens: ze geloven met andere woorden tijdens het lezen dat de fictie echt is, ook al weten ze dat dat niet het geval is. En ze beseffen te allen tijde dat hun geloof in de echtheid van de fictie steunt op hun vermogen om een onderscheid te maken tussen de werkelijkheid van de fictie en de werkelijkheid van de werkelijkheid. Wie literaire fictie leest, zo stelt de Italiaanse semioticus Umberto Eco in Zes wandelingen door fictieve bossen, bevindt zich altijd in twee van elkaar verschillende werkelijkheden: de werkelijkheid waarin gelezen wordt en de werkelijkheid waarover men leest. Wie Alice in Wonderland leest, kan geloven dat in het verhaal een wit konijn kan spreken en weten dat dat buiten het verhaal onmogelijk is. 

Ook wie de logica van een samenzweringsverhaal voor waar aanneemt, gelooft in de echtheid van het verhaal, maar dat geloof is in dit geval niet het gevolg van een tijdelijke opschorting van het tegendeel van dat geloof. Wie een samenzweringsverhaal voor waar aanneemt, zal ervan overtuigd zijn dat dat verhaal samenvalt met de werkelijkheid daarbuiten, de werkelijkheid waarbinnen er gelezen wordt. Meer nog, dat het verhaal in wezen toont hoe de werkelijkheid buiten het verhaal echt in elkaar zit. ‘The willing suspension of disbelief’ zal voor wie in een samenzweringsverhaal gelooft eerder een kenmerk zijn van naïevelingen die niet doorhebben dat de werkelijkheid zoals die door de goegemeente ervaren en aanvaard wordt de eigenlijke fictie is. En dat wat ons door allerlei duistere krachten wordt wijsgemaakt eigenlijk een manipulatie van de hoogste orde is.

Fictie en leugens

De typerende speech act van de fictie, zo schrijft de Amerikaanse taalfilosoof John Searle in een bekend geworden stuk, wordt gekenmerkt door ‘niet-bedrieglijke pseudo-beweringen’. Anders gezegd: in fictie worden uitspraken gedaan (door vertellers en door personages) die we niet echt als beweringen kunnen beschouwen, aangezien de speech act van de bewering veronderstelt dat wat er gezegd wordt ook bewezen kan worden, dat het met andere woorden ‘waar’ is.

Het tegendeel van de bewering is bijgevolg de leugen. Maar een fictie is geen leugen, zegt Searle. Ten eerste omdat degene die de fictie maakt niet de bedoeling heeft om de ontvanger van de fictie gewoonweg iets op de mouw te spelden (vandaar: ‘niet-bedrieglijk’), maar ten tweede ook omdat je van iets wat in een roman gebeurt ook niet kunt zeggen dat het ‘niet waar’ is. ‘Waar’ en ‘niet waar’, ‘echt’ en ‘niet echt’ zijn categorieën die in de ervaring van de fictie moeilijk in te brengen zijn, aangezien die ervaring net steunt op onze beslissing om ons ongeloof rond het onderscheid ertussen tijdelijk op te schorten.

Afbeelding

In samenzweringstheorieën gaan de overwegingen waarop de literaire fictie steunt niet op. Searle zou daar nog een argument aan toevoegen: literaire fictie steunt in haar overtuiging principieel op de beslissing van een auteur om iets als fictie voor te stellen. Het is de schrijver die beslist dat iets fictie is, zegt hij. Bij romans laat die beslissing zich bijvoorbeeld zien in het feit dat een schrijver een fundamenteel onderscheid maakt tussen zichzelf en de verteller van het verhaal. Die vertelstem is een formeel onderdeel van het verhaal: het is niet de stem van de schrijver zelf. Voor wie een samenzweringsverhaal produceert, gaat ook dat niet op – daar is degene die het verhaal vertelt niet alleen de held van het verhaal, zoals ook Polidoro beklemtoont, maar er ook van overtuigd dat er niets verzonnen is aan wat er wordt verteld. Voor de verteller van samenzweringsverhalen zijn die verhalen allesbehalve fictie. Ze zijn er ook niet om lezers een esthetische ervaring te bezorgen, ze te ontspannen of te ontroeren, zoals in de literaire fictie het geval is. Ze zijn er om te tonen hoe de werkelijkheid echt in elkaar zit. Hun boodschap is in het licht van het voorgaande niet alleen eenvoudig maar ook erg ironisch: laat je niet misleiden.  


Bronnen

  • Joseph Campbell, The Hero with a Thousand Faces, New York: Pantheon Books, 1949.
  • Samuel Taylor Coleridge, Biographia Literaria (1817), ed. John T. Shawcross, Oxford: Oxford University Press, 1958.
  • Umberto Eco, Zes wandelingen door fictieve bossen, Amsterdam: Prometheus, 1994. 
  • Jonathan Gottschall, The Story Paradox. How our Love of Storytelling Builds Societies and Tears them Down, New York: Basic Books, 2021.
  • Massimo Polidoro, ‘Conspiracy Theories: A Call to Adventure’, Skeptical Inquirer, 49(1), 2025, 42-43.
  • John Searle, ‘The Logical Status of Fictional Discourse’, New Literary History, 6 (2), 1975, 319-332. 

 

Jürgen Pieters is literatuurwetenschapper aan de UGent.