Skeptische klassiekers: L’astrologie van Paul Couderc

Afbeelding

Mijn eerste echte kennismaking met de astrologie vond plaats toen ik als tiener mijn passie voor astronomie uitleefde als vrijwillige medewerker van de Volkssterrenwacht Mira in Grimbergen. Een oudere amateurastronoom, Marc Fleurent, leidde me begin 1974 in over dit onderwerp, waar ik tot dan toe maar vaag van gehoord had en geen duidelijke mening over had.

Geplaatst onder
Deel artikel TwitterFacebookLinkedinWhatsapp

Marc Fleurent gaf me een exemplaar van een zelfgemaakt blaadje voor een door hem geleide sterrenkundige hobbyclub. Daarin stond een artikel met de merkwaardige titel “Apollo 13 kon niet lukken”. Zoals bekend diende de Apollo 13-missie, die in 1970 de derde bemande maanlanding had moeten uitvoeren, wegens een ongeval ijlings naar de aarde terug te keren. Een ramp werd toen vermeden. Het artikel was een bespreking van de horoscoop van Apollo 13 (op basis van het tijdstip van lancering), die bijzonder ongunstig was: op basis van de planeetstanden had er wel iets moeten mislopen. Het artikel kwam bijzonder overtuigend over. Het werd echter gevolgd door een andere tekst, waarin Fleurent onthulde dat hij die uitleg zelf bedacht had, zonder zelf iets van astrologie te geloven. Hij toonde hiermee aan dat de hele interpretatie van de horoscoop gratuit en post hoc was, dat men er altijd wel iets in kon vinden dat die gebeurtenis (achteraf) “voorspelde”.

Dit alles intrigeerde mij en ik vroeg Fleurent of hij misschien een boek kon aanbevelen dat wat meer uitleg gaf over de astrologie. Het antwoord was dat goede boeken over dat onderwerp uiterst zeldzaam waren. Uiteindelijk kon hij naar een Frans boek verwijzen: L’astrologie van Paul Couderc. Gelukkig was mijn kennis van het Frans toen al voldoende om me dit meteen aan te schaffen.

Het boek verscheen in de bekende reeks “Que sais-je?”1 van de Presses Universitaires de France (PUF). Deze reeks vormt een soort superencyclopedie: eenvoudige en goedkope boekjes van elk 128 pagina’s, over de meest uiteenlopende onderwerpen, geschreven door deskundigen maar voor een ruim publiek. Sinds zijn ontstaan zijn er intussen meer dan vierduizend titels verschenen, met alles tezamen honderden miljoenen exemplaren, ook in vertalingen.

L’astrologie was als nr. 508 van de reeks oorspronkelijk verschenen in 1951. Toevallig kwam er precies in 1974 een vernieuwde vijfde druk in de winkels. Het is die versie die mij de astrologie leerde kennen.

De auteur was niet aan zijn proefstuk toe. Paul Couderc (1899-1981) was astronoom aan de sterrenwacht van Parijs. Hoewel zijn wetenschappelijk onderzoek niet onbelangrijk was, werd hij vooral bekend als popularisator van de sterrenkunde. Hij schreef meer dan een dozijn werken voor het grote publiek, waarvan vijf in de reeks “Que sais-je?”. In 1966 ontving hij de prestigieuze Kalinga-prijs van de UNESCO voor de popularisering van de wetenschap2. Opmerkelijk is dat hij ook actief was in de Union Rationaliste, een voorganger van de skeptische beweging in Frankrijk.

Korte inhoud

Het boek begint met een neutrale inleiding over de noodzakelijke sterrenkundige begrippen, vooral sterrentijd, dierenriem en planeten. Vervolgens legt hij de essentie van de astrologie uit: de horoscoop en waaruit die bestaat (planeten, tekens, huizen en aspecten). Daarbij geeft hij aan welke eigenschappen aan deze elementen verbonden zijn en wat de uitwerking is op karakter en leven van een persoon. Heel beknopt komt ook de medische astrologie (verband tussen tekens en lichaamsdelen) ter sprake.

Tot dan – bijna de helft van het boek – onthoudt Couderc zich van elk oordeel over de astrologie en geeft er zelf een licht fascinerende indruk van, maar meteen daarna verandert de toon. Hij schrijft letterlijk: 

Wat is de waarde van de astrologie? - Niets, hoegenaamd niets. In de volgende hoofdstukken zal uitgelegd worden waarom. Gehoopt mag worden dat deze hoofdstukken ertoe zullen bijdragen diegenen tegen te houden die reeds afglijden naar een oud bijgeloof, alsook degenen die nog geen mening hebben.”3

De rest van het boek geeft dan ook argumenten contra. Couderc begint met de vaststelling dat er niet één enkele astronoom op de hele wereld is die in de astrologie gelooft. Dat kan, geeft hij toe, op een gezagsargument lijken, maar die eensgezindheid van duizenden wetenschappers die voortdurend verbluffende ontdekkingen doen “is toch een feit dat waarde heeft”.

De kern van het probleem is volgens Couderc dat iedereen weet dat de zon en - in mindere mate de maan - wel degelijk invloed hebben op het leven op aarde, waaruit de astrologen menen te mogen afleiden dat ze ook invloed hebben op de mens bij de geboorte, op de menselijke ziel, en dat dit dan ook geldt voor de planeten. Hij noemt dat een “goocheltrucje”.

Couderc geeft een aantal min of meer klassieke bezwaren tegen de astrologie. In de eerste plaats de precessie. Kort gezegd: de twaalf tekens van de dierenriem zijn in de loop van de eeuwen verschoven ten opzichte van de sterrenbeelden waaraan ze hun naam ontlenen, hoewel in de horoscoop wel degelijk de tekens, en niet de sterrenbeelden worden gebruikt. Verder is er het probleem dat veel mensen hun geboortemoment slechts bij benadering kennen (en vroeger vaak helemaal niet), terwijl het verschil van een paar uur een totaal andere horoscoop oplevert. Er is de paradox van de “astrologische tweelingen”: twee mensen die op dezelfde plaats op hetzelfde moment zijn geboren, hebben dezelfde horoscoop maar hoeven niet dezelfde levensloop te hebben. Hij wijst daarbij ook op het absurde determinisme dat de astrologie impliceert: valt uit iemands horoscoop af te leiden dat hij op zijn vijfenzeventigste zal sterven door uit te glijden over een bananenschil? Ook de “poolparadox” komt even ter sprake: op de poolcirkel kan de dierenriem samenvallen met de horizon, zodat het punt van de dierenriem dat opkomt aan de horizon (de ascendant, van groot belang in een horoscoop) niet gedefinieerd is en mensen die er dan geboren worden geen horoscoop hebben! Couderc wijst verder op de verscheidenheid en onenigheid onder astrologen, hun verschillende vormen en interpretatiesystemen, zodat niet duidelijk is welke vorm van astrologie de meest betrouwbare is…

Hij gaat vooral in op de “zogenaamde wetenschappelijke astrologie”. Daaronder verstaat hij empirisch onderzoek naar mogelijke statistische verbanden tussen planetaire posities en (bijvoorbeeld) bepaalde beroepen en vaardigheden. Dit is voor hem de enige vorm van astrologie waar men aandacht aan zou kunnen schenken. Hij bespreekt enkele van die studies en komt tot de conclusie dat de aangetoonde verbanden het gevolg zijn van een gebrekkige kennis van kansrekening en statistiek.

Na een overzicht van de geschiedenis van de astrologie – waarbij Nostradamus er ook even van langs krijgt – komt Couderc tot de conclusie dat de astrologie “een ernstig sociaal probleem en een gevaar” vormt. Als nadelen vermeldt hij het geld dat velen uitgeven aan astrologen, vormen van oplichterij, gevaar op medisch vlak en irrationeel gedrag.  Hij doet een oproep om via de UNESCO leerkrachten en wetenschappers te mobiliseren tegen de astrologie.

Een bijkomend hoofdstuk in de heruitgave van 1974 is vooral gewijd aan nog meer empirisch onderzoek dat intussen werd verricht, in het bijzonder dat van de intussen beroemd geworden Michel Gauquelin4. Hij geeft uitvoerige kritiek op “M.G.” (hij durfde hem blijkbaar niet bij naam te noemen), zonder evenwel diens resultaten te kunnen weerleggen.

Waardering en vertaling

Hoewel Couderc een bijzonder – en voor veel lezers wellicht overdreven – harde houding tegenover de astrologie innam (hij gebruikt zelfs het woord “kruistocht”) was het zijn verdienste zijn nek te hebben uitgestoken over een onderwerp waarvoor de meeste van zijn collega’s alleen maar een minachtend stilzwijgen toonden. Hij was uiteraard niet de eerste die tegen de astrologie schreef, maar een kritisch boek van een astronoom over dit onderwerp, en dan nog met wetenschappelijke uitleg voor een groot publiek, was inderdaad uitzonderlijk. In Heelal, het tijdschrift van de Vereniging Voor Sterrenkunde, juichte Jean Meeus de heruitgave van 1974 toe als “een van de beste boeken tegen de astrologie”. Het was dan ook een tijd waarin de astrologie in de media salonfähig was geworden, een tijd waarin oud-hippies en voormalige soixante-huitards het alternatieve denken propageerden (“alternatief” was toen een modewoord), waar plaats moest zijn voor astrologie en andere “miskende” wetenschappen. Astrologen mochten regelmatig hun zeg doen op televisie – ook op de Vlaamse, toen nog enkel openbare omroep – en zelfs Lode Willems, de zeer progressieve wetenschapsredacteur van het toen nog jonge weekblad Knack, maakte horoscopen!

Afbeelding

Een jaar nadat ik het boek had aangeschaft deed de stichter en directeur van Mira, pater Thomas Pieraerts (foto) een ongewone mededeling aan de medewerkers van de volkssterrenwacht. Hij had schoon genoeg van die rage rond astrologie. Pieraerts had kort daarvoor op televisie met een astroloog gedebatteerd, waarbij hij geschrokken was van de vooringenomen pro-houding van de moderator. Als tegengif wilde hij het boek van Couderc in het Nederlands vertalen. Hij vroeg en kreeg daarvoor hulp. Ikzelf vertaalde twee hoofdstukken5. De vertaalde tekst bleef daarna wel jaren liggen bij gebrek aan een uitgever. Wie wilde nu een boek tegen astrologie uitgeven? Uiteindelijk was Thieme, een Nederlandse uitgeverij van educatieve werken, bereid dit te doen.

Vermoedelijk gebeurde dat door tussenkomst van de bekende Nederlandse astronoom Kees de Jager, die pater Pieraerts goed kende en zelf bij Thieme gepubliceerd had. De Jager6 schreef een voorwoord bij deze uitgave. De vertaling bevatte ook een bijdrage van de Amerikaanse wetenschapsjournalist Lawrence E. Jerome over het onderzoek van Gauquelin, ter vervanging van wat Couderc daarover had geschreven, ook al kon Jerome diens beweringen evenmin overtuigend weerleggen7.

Uiteindelijk verscheen de vertaling in 1980. De uitgave van Thieme was wel een stuk luxueuzer dan die van de PUF: hardcover met herwerkte illustraties en mooie maar overbodige kleurenfoto’s. Men kan niet zeggen dat het boek veel applaus kreeg. Een van de weinige commentaren in de pers kwam van de eerdergenoemde Lode Willems in Knack en was uiterst negatief. Hij benadrukte dat de vertaling het werk was van een katholieke priester, liet niet na de oproep tot een kruistocht te vermelden en citeerde daarbij een veroordeling van de astrologie door een middeleeuws concilie…8

Intussen was de anti-astrologische bal aan het rollen geslagen. Dezelfde Lawrence E. Jerome schreef met de Nederlands-Amerikaanse astronoom Bart J. Bok in 1975 Objections to Astrology, een tekst die werd ondertekend door 192 wetenschappers en die aanleiding zou geven tot de oprichting van CSICOP (nu CSI), waarop ik hier niet verder moet ingaan. Het jaar daarop – er werd nog altijd gewerkt aan de vertaling – richtte de Vereniging Voor Sterrenkunde een werkgroep op die de astrologie en andere pseudowetenschappen kritisch ging onderzoeken. Behalve Marc Fleurent en ikzelf was daar ook Ronny Martens bij, met wie ik later zelf een boek over astrologie schreef.

Afbeelding

Het werkje van Couderc werd na zijn overlijden in 1981 nooit meer heruitgegeven. In 1989 verscheen een geheel nieuw boekje van “Que sais-je?” (nr. 2481), ook met de titel L’astrologie, maar ditmaal was de auteur, Suzel Fuseau-Braesch, een... astrologe. De inhoud en de conclusies waren dan ook radicaal verschillend! De PUF heeft uiteindelijk beseft dat die wijziging een stommiteit was, want in 2005 werd dit boek – met behoud van titel en nummer - vervangen door een werk van twee astronomen, Daniel Kunth en Philippe Zarka, die zich opnieuw zeer kritisch opstelden.

Bronnen

Paul Couderc: L’astrologie, PUF, 1953 (6de editie 1978).
Paul Couderc: Astrologie (vert. Th. Pieraerts), Thieme, 1980

Beide boeken zijn enkel nog tweedehands te vinden. Sinds 2019 is er een e-boekversie te koop van de (laatste) Franse uitgave. Deze editie is ook online te raadplegen in Gallica, de digitale bibliotheek van de Bibliothèque nationale de France. https://gallica.bnf.fr/ark:/12148/bpt6k3354262q/f11.item

Voetnoten

1. “Que sais-je?” was het devies van de sceptische filosoof Michel de Montaigne, die het ontleende aan Sextus Empiricus.

2. Onder de winnaars van de Kalinga-prijs vindt men onder meer Louis de Broglie, Bertrand Russell, George Gamow,  Fred Hoyle, Konrad Lorenz, David Attenborough, Margaret Mead... maar ook de Tsjechische astronoom Jiří Grygar en de Italiaanse wetenschapsjournalist Piero Angela, die beiden aan de basis liggen van de skeptische beweging in hun land. De enige Belgische laureaat (in 2017) is Eric Jacquemyn, de oprichter van Technopolis in Mechelen.

3. Geciteerd uit pag. 45 van de Nederlandse vertaling.

4. Michel Gauquelin (1928-1991) was een Frans psycholoog die grote bezwaren had tegen de astrologie maar toch correlaties zocht – en meende te vinden – van de positie van planeten in bepaalde beroepen en vaardigheden.

5. Dit deed ik in mijn mooiste handschrift op ruitjespapier! Tekstverwerkers bestonden hoegenaamd niet en typemachines waren voor professionelen. Pieraerts is wel als enige vertaler vermeld. 

6. Dezelfde Kees de Jager zou in 1987 de eerste voorzitter van de Nederlandse Stichting Skepsis worden. 

7. Pas in 1995 zou de Nederlandse skepticus Jan Willem Nienhuys duidelijk aantonen waar Gauquelin het mis had. Zie Claude Benski et al.: The Mars Effect – A French Test of Over 1,000 Sports Champions . Buffalo, 1996.

8. Die opmerkingen waren totaal misplaatst. Coudercs kritiek was niet religieus geïnspireerd – zeker niet als lid van de Union Rationaliste - en op de volkssterrenwacht sprak pater Pieraerts enkel over sterrenkunde. 

9. Ronny Martens en Tim Trachet: Astrologie: zin of onzin?, Houtekiet, 1995.

 

Tim Trachet is erevoorzitter van SKEPP en hoofdredacteur van SKEPP Magazine