Wat is er gebeurd? Wie heeft het gedaan?

Waarheidsvinding en rechtspraak
12-07-2011

-

door verscheen in :
15 minuten
Leestijd:
Waarop baseren we onze kennis over de ware toedracht van een misdrijf? Hoe weten we wat er echt gebeurd is? Hoe waarheidsgetrouw is onze rechtspraak? Worden de juiste mensen berecht voor een misdaad? Met de rechtszaak van de parachutemoord nog vers in het geheugen zijn dat geen loze vragen. Een paar recente boeken geven ontluisterende antwoorden.

Foute detectives

Wetenschapsfilosoof Ton Derksen was als hoogleraar wetenschapsfilosofie  verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen en de Universiteit van Tilburg. Hij schreef boeken over mogelijke gerechtelijke dwalingen als gevolg van manco’s bij de werkwijze en de bewijsvoering van het Openbaar Ministerie in Nederland. Zijn boek Lucia de Berk. Reconstructie van een gerechtelijke dwaling zorgde voor een omslag in het denken over de zaak ‘Lucia de B.’, de Haagse verdachte van seriemoord die tot levenslang werd veroordeeld en zes jaar daarvan uitzat. Met zijn nuchtere en kritische wetenschapsfilosofische aanpak zorgde Derksen ervoor dat de zaak herzien werd. De beklaagde werd onschuldig bevonden en kan voortaan opnieuw als mevrouw De Berk door het leven. In zijn nieuwste werk, De ware toedracht. Praktische wetenschapsfilosofie voor waarheidzoekers, demonstreert Derksen opnieuw dat filosofie geen wereldvreemde hobby is voor diepzinnige denkers op eenzame torenkamers. Hij analyseert wat er allemaal fout liep in de rechtsgang van Lucia de B., alsook een aantal parallelle zaken. Het boek leest als een wie-deed-het, maar dan in het echt. Het is spannender en interessanter dan Witse of Morse, dus laat je zeker niet afschrikken door het woord ‘wetenschapsfilosofie’ in de titel. Dat is een filosofische discipline die bestudeert hoe we iets kunnen onderzoeken en wat we als resultaat daarvan kunnen weten. Ze stelt ook de vraag wat betrouwbare kennis is en hoe die zich onderscheidt van niet-wetenschappelijke kennis. De wetenschapsfilosofie kijkt nauwgezet naar de dingen om zo helderheid te scheppen.

De kern van Derksens betoog luidt dat psychologisch onderzoek aangetoond heeft dat wij heel slecht zijn in het waarnemen van de alledaagse werkelijkheid. We laten ons snel verleiden en misleiden, met verkeerde oordelen en foute beslissingen als gevolg. Als het de aanschaf van een potje confituur of een auto betreft, maakt dat weinig uit, maar als het erover gaat of iemand in de gevangenis belandt, ligt dat anders. Derksen trekt dan ook onthutsende conclusies voor speurders, rechters en openbare ministeries. Uitgerekend zij blijken immers zeer slecht getraind in het voorkomen van de denk- en waarnemingsfouten waar ieder mens gevoelig voor is. Wat een empirische zoektocht zou moeten zijn naar de feiten (de ware toedracht), is veelal een toneelstuk met veel retoriek, misleiding en dwaling.

Tot overmaat van ramp bestaat bij justitie geen kwaliteitscontrole. Men wordt nauwelijks of niet geconfronteerd met de gevolgen van de gemaakte fouten. De vergissingen worden opgeborgen in de gevangenis, en wie ten onrechte wordt vrijgesproken, gaat daar uiteraard niet tegen protesteren. Herzieningsprocedures zijn omslachtig. Bijgevolg is er in de praktijk geen sprake van een leereffect. Als er achteraf toch een fout wordt vastgesteld, zoals bij mevrouw De Berk (en in Nederland waren er nog zo’n paar spraakmakende gevallen), dan worden die als uitzondering opzij gezet. Derksen kan alleen maar besluiten dat in complexe strafzaken het recht veel weg heeft van een kansspel.

Op zoek naar betrouwbaarheid

Er is veel ontluisterend onderzoek. Zo denkt vrijwel iedereen te kunnen onderscheiden wanneer iemand liegt. Dat wordt afgeleid uit de afgewende blik, wriemelende handen en nerveus gedrag: de ‘onbetrouwbare indruk’. Wie zwijgt of wegkijkt, bewijst dat hij of zij iets te verbergen heeft. Wetenschappelijk onderzoek toont nochtans aan dat dit de normale menselijke reacties zijn als een onschuldige ononderbroken hard wordt aangepakt. Ervaren professionele leugenvangers, zoals agenten en officieren, blijken op dit vlak nog slechter te scoren dan eerstejaarsagenten. Ze hebben zich een te gunstig beeld gevormd van de eigen prestaties, doordat ze gewoonweg niet weten hoe vaak ze er naast zaten. Hun vertrouwen is ten onrechte gegroeid. Derksen beschrijft hoe moeilijk het wel is om onbevangen te zoeken of onbevooroordeeld waar te nemen. Het is goed mogelijk om de waarheid te missen door een verkeerd gerichte of beïnvloede vraag. Hij citeert een experiment met twee groepen ervaren artsen, van wie één een juiste diagnose ingefluisterd kreeg en de ander een verkeerde. De eerste groep scoorde 80,6 procent goed. De groep die het verkeerde ziektebeeld gesuggereerd kreeg, scoorde 12,4 procent. Een enkel pietluttig feit of verkeerde interpretatie kan professionelen dus op het verkeerde pad zetten en tot fikse beroepsfouten leiden. Dat is geen verrassing, we laten ons ook in het gewone leven graag misleiden. De verleidelijkheid van passend bewijsmateriaal is heel groot en ontlastend bewijs wordt snel afgevoerd. Dat is het gevolg van onze neurologisch ingebakken afkeer van twijfel. We zoeken niet graag naar redenen waarom we wel eens ongelijk zouden kunnen hebben.

De miskleunen in de rechtsgang komen voort uit dat soort menselijke onvolmaaktheden. In Derksens boek leer je dus niet alleen wat er bij justitie verkeerd loopt, maar ook wat er in je eigen hoofd gemakkelijk uit de bocht gaat. Waarheidsvinding is moeilijk, maar daarom niet onmogelijk. De ondertitel ‘praktische wetenschapsfilosofie voor waarheidszoekers’ is een vlag die de lading helemaal dekt.

Gevangen in de Rorschachval

Bij het beoordelen en ontmaskeren van verdachten worden ondertussen alle mogelijke middelen in stelling gebracht, ook pertinent misleidende en onbetrouwbare middelen. Eén daarvan is de Rorschachtest. Op basis van de reactie van de geïnterviewde op inktvlekken doet men uitspraken over de onbewuste psyche van de mogelijke dader. De Rorschachtest is debet aan het freudiaanse gedachtegoed en stoelt op het idee dat de ondervraagde zijn onbewuste projecteert in de betekenisloze vlekken op de Rorschachkaarten. De scores op de Rorschach zouden inzicht verlenen in de mate waarin iemands gedrag bepaald wordt door onbewuste seksuele en agressieve impulsen, die meestal teruggaan tot de vroege kindertijd. Net zoals dromen de gouden toegangsweg vormen tot het onbewuste, geldt dat voor de inktvlekken. Men noemde de test ooit wel eens ‘de x-stralen van de geest’. Na het initiële succes ervan in de jaren 1940-50, in het kielzog van de psychoanalyse, keerden steeds meer psychologen zich er echter van af. Er bleek geen enkel empirisch bewijs te vinden voor de validiteit ervan. Psychiatrische patiënten haalden dezelfde scores als gezonde proefpersonen. Door de Rorschachbril bekeken leek iedereen wel ziek. De pseudowetenschappelijkheid van de test werd ook steeds manifester. Er waren op een bepaald moment wel zes verschillende Rorschachscholen. Dezelfde antwoorden werden dus op zes verschillende manieren geëvalueerd. Iedereen interpreteerde maar raak. In de jaren zeventig deed John Exner een gooi naar een wetenschappelijke revalidatie van de test, met een geüniformiseerd scoresysteem. Dat kon echter niet verhelpen dat het om oncontroleerbare beweringen gaat, waarvan de interpretatie van de projecties van de cliënt op zich een projectie wordt van de interpreterende psycholoog. Er werd verder nooit enig verband hard gemaakt tussen de interpretatie van de inktvlek en enig gedrag in het verleden of  voorspellingen over toekomstig gedrag. Kortom, de inktvlekkenwijsheid is even wetenschappelijk als de interpretatie van dromen.

Dat inzicht is echter nog niet tot alle psychologen doorgedrongen, en zeker nog niet tot alle gerechtspsychologen. Getuige hiervan een interview in Knack, waarbij Renaat Mattheus, die als gerechtspsychiater Clottemans en Van Themsche onderzocht, aan de tand wordt gevoeld door 

journalist maudit Stijn Tormans. Bij Tormans wordt een Rorschachtest afgenomen in de zoektocht naar zijn eigen profiel. Hij oppert dat die test toch geen goede reputatie heeft. Het antwoord van Mattheus: ‘Er bestaan minstens evenveel voor- als tegenstanders van de inktvlekkentest, dat klopt. Maar de meeste gerechtspsychologen gebruiken hem omdat bewezen is dat het een accuraat wetenschappelijk instrument is, op voorwaarde dat de psycholoog de resultaten goed kan interpreteren. Kijk, u kunt iemands persoonlijkheid het best vergelijken met een huis. Er is de buitenkant, en die kan er perfect normaal uitzien. Maar onder dat huis zitten de fundamenten, en die kunnen door en door rot zijn. Daarom is de test zo veelzeggend. Wat u ziet in die vlek valt niet uit de lucht, dat is een afspiegeling van wat er zich in u afspeelt. Dat levert soms verrassende resultaten op. Zo onderzocht ik ooit Hans Van Themsche. Uit de vragenlijst bleek dat hij een normale persoonlijkheid had, maar in de inktvlekkentest viel hij volledig door de mand.’

In een vernietigend artikel in 2003 in Scientific American schreven Lilienfeld, Wood en Garb over de Rorschach- en andere projectieve tests nog dat zelfs getrainde professionals niet immuun zijn voor de verleidelijke kracht van hun intuïtie. Daardoor blijven ze sterk geloven in de betrouwbaarheid van hun instrumenten, terwijl elk bewijs voor de effectiviteit ervan ontbreekt. Als een substantiële hoeveelheid onderzoeksresultaten aantoont dat die intuïties verkeerd zijn, is het tijd om ze te laten varen. Mattheus & co doen het tegenovergestelde. Ze denken dat door te blijven herhalen dat hun instrument accuraat wetenschappelijk is, hun cognitieve illusie dat ook wordt. Ze hanteren de gekende drogreden dat de methode soms misschien wel slecht gebruikt wordt, maar dat iemand die ze goed beheerst er uitstekende resultaten mee kan behalen. Kom bij mij, die ander is een amateur. En ze pronken met een zogenaamde treffer. Iedereen weet dat er met Van Themsche iets aan de hand was. Die was wellicht door elke mand gevallen, daar heb je geen Rorschachtest voor nodig. Erger is dat al die keren dat Rorschachanalyses flopten, de krant niet halen. Zo verdonkeremaan je handig dat je pronkt met achteraf geconstrueerde of toevalstreffers, die op geen enkele manier een bewijs vormen voor de validiteit van je methode.

Zoals gezien op televisie

De psychologie en de psychiatrie in het crimineel onderzoek en de rechtsgang spelen daar dus een mistige rol. Psychiaters zijn ondertussen heel wat terughoudender geworden om op vraag van de media onmiddellijk hun mening te geven over de psyche van vermeende daders, zonder hen van dichtbij gezien te hebben. Dat verhindert niet dat profiling gepresenteerd wordt als een betrouwbare methode. De beeldvorming op het grote en kleine scherm dragen daar ongetwijfeld toe bij. Op tv en in films lijkt profiling altijd te werken, wat de indruk wekt dat het in werkelijkheid ook zo verloopt. Een profiler bekijkt de aanwezige sporen, staart een tijdje mijmerend in de verte (je ziet dromerige, associatieve beelden) en beschrijft dan het profiel van de dader. Nog voor het volgende reclameblok is die geklist.

De werkelijkheid is minder flatterend. ‘Crimineel profilen’ heeft een zeer slechte wetenschappelijke reputatie. De methode wordt de laatste decennia in toenemende mate ingeschakeld in recherchewerk. Overzichtsstudies tonen echter aan dat profilers in het merendeel van de gevallen uitgaan van ‘gezond verstand’. Dat mag mooi klinken in politieke discussies aan de toog, maar bij het zoeken naar de waarheid is dat gezond verstand een onbetrouwbaar instrument. Statistische of empirische methodes worden weinig gebruikt. Profiling wordt door kritische onderzoekers op hun welwillendst beschreven als een kunst gebaseerd op intuïtie en ervaring (en intuïtie is niets anders dan het idee dat je het juist hebt, ook als je helemaal fout bent). Profiling is dus geen empirische onderzoeksmethode die falsifieerbare hypothesen genereert. Professionele of zelfverklaarde profilers blijken het niet beter te doen dan willekeurige proefpersonen. Profiling is irrelevant en overbodig, zo besluit een stevige metastudie. Dat verhinderde Danièle Zucker, zelf profiler, niet om in een interview in Knack te beweren dat profiling een ‘geniale onderzoeksmethode’ is. Men moet er wel heel omzichtig mee omspringen en het moet met veel kennis van zaken uitgevoerd worden, voegt ze eraan toe. Je hoort hetzelfde refrein als met de Rorschach: alle slechte resultaten uit het verleden zijn het gevolg van knoeiers of charlatans. Ga alleen bij een echte professioneel te rade (bij mij dus.) Het is een argumentatie die je bij psychoanalytici, sterrenwichelaars, homeopaten, acupuncturisten en chiropractors regelmatig aantreft als je hen het kritische vuur aan de goedgelovige schenen legt.

Profilers, en in toenemende mate advocaten en psychologen die dezelfde terminologie gebruiken, baseren zich allemaal op veelal verkeerde ideeën en preconcepties over de kenmerken van een misdadiger. Als je leest hoe psychologische profielen gemaakt en gehanteerd worden, slaat de schrik je om het hart. Het komt neer op hedendaagse frenologie, de achttiende-eeuwse dwaalleer die stelt dat een crimineel herkend kan worden aan de anatomische kenmerken van het hoofd. Een typische schurk heeft brede kaken, diepliggende ogen en doorlopende wenkbrauwen. Terwijl ze vroeger naar je misdadige bakkes keken, bekijkt men nu je asociale of antipathieke gedrag. En hoe harder je volhoudt dat je niets hebt gedaan, hoe meer vast staat dat je een ijskoude misdadiger zonder schuldbesef  bent, die weigert te bekennen. Als je zo lang zwijgt, heb je immers zeker wat te verbergen. Wie na de zoveelste herhaalde valse aantijging woedend uithaalt, bewijst daardoor schuld. Daar zijn zelfs labels voor: die persoon is ‘passief-agressief’. Dat is psychologie van de koude grond, niet in het minst gehinderd door wetenschappelijk onderzoek naar de cognitieve en emotionele drijfveren van mensen of empirische inzichten in de basisstructuur van persoonlijkheid. In Nederland wordt in de rechtspraak het psychologisch dossier trouwens pas bovengehaald nadat bewezen is dat de verdachte inderdaad de dader is. In België speelt dat dossier van bij het begin van het onderzoek mee in de besluitvorming.

Psychiatrie in een kwalijke rol

Opvallend is dat psychiatrische diagnoses en psychologische profielen de laatste jaren steeds prominenter lijken mee te spelen in de rechtspraak. Een psychiatrische diagnose is notoir moeilijk. Ze is dikwijls werk-in-uitvoering. Patiënt en psychiater gaan voor lange tijd met elkaar in zee. Heel vaak is er geen eensluidende diagnose, maar wordt die in de loop van maanden of jaren bijgesteld. Diagnoses zijn op zijn best werkinstrumenten om een richting van behandeling en begeleiding te bepalen. In de psychiatrie vecht men al lang tegen het stigma dat van een diagnose uitgaat. Mensen zijn hun ziekte niet, het is iets wat kan overgaan en waar ze in het slechtste geval mee kunnen leren leven. In de gerechtspsychiatrie kantelt deze essentiële voorzichtigheid om in een finaal etiket. Je wordt gelabeld als borderline of psychopaat of passief-agressief. Het wordt niet de basis van een leer- en genezingsproces, maar van een proces-verbaal dat leidt tot veroordeling en opsluiting.

Terminologie uit de geneeskunde, en dan nog uit de psychiatrie, waarin de geneeskunde zich op zijn glibberigste paden begeeft, wordt voor doeleinden gebruikt waarvoor ze niet gemaakt is. De werkelijkheid is dus niet alleen minder flatterend dan de fictie in tv-series, ze is angstaanjagend. Daderonderzoek en waarheidsvinding staat mijlenver af van empirisch onderbouwde rechtspraak. Daardoor kunnen advocaten verleidelijke en overtuigende verhalen afsteken waarin ze pseudowetenschappelijke argumenten en drogredenen uitspelen die een onschuldige jury (de juryleden mogen zelf de dossiers niet inkijken, maar wel de kranten lezen) over de streep moeten trekken. Dit heeft weinig met waarheidsvinding te maken, wel met retoriek. Retoriek die, ongehinderd door empirische bewijzen, moeiteloos alle denkbare vooroordelen en clichés kan bevestigen. Beschuldigden die zwijgen of wegkijken hebben in de perceptie van het gezond verstand iets te verbergen. Een onschuldige die hard wordt aangepakt in de stressvolle omstandigheden van dagenlange verhoren en onder mediabelangstelling kreunende procesvoeringen, en die bij gebrek aan alternatief zwijgt en wegkijkt, bevestigt de algemeen geldende vooroordelen.

Het profiel van verdachten wordt uiteindelijk ingedikt tot het feit of de verdachte sympathiek of onsympathiek is. We weten hoe dat volslagen irrelevant is en volstrekt verwerpelijke gevolgen heeft. In de Verenigde Staten zitten veel meer zwarten in de gevangenis dan blanken, zonder een spatje bewijs dat ze zoveel crimineler zouden zijn. Psychiatrische patiënten, in casu mensen met een psychose, worden al snel verdacht van agressief gedrag, terwijl zij volgens onderzoek eerder slachtoffer dan dader zijn.

Tunnelvisie

Hoe dat soms erg fout kan lopen, beschrijft ook psycholoog Peter van Koppen in zijn nieuwste boek Overtuigend bewijs. Van Koppen is hoogleraar rechtspsychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit van Maastricht. Samen met Hans Crombag en Willem Wagenaar ontwikkelde hij de theorie van ‘verhaal en verankering’ voor bewijsvoering in strafzaken. Zij schreven in 1992 Dubieuze zaken. De psychologie van strafrechtelijk bewijs. Van Koppen was getuige-deskundige bij de parachutemoord. In een interview met NRC Handelsblad zei hij daarover het volgende: ‘Wat rechters niet helpt, is dat ruim 90 procent van de strafzaken sowieso in een veroordeling eindigt. Politie en Openbaar Ministerie zijn immers ook niet gek. Het overgrote deel is schuldig als de neten. Dus je krijgt een gemakzuchtige routine, die soms overdraagt naar de ingewikkelde zaken. De problemen worden dan niet herkend. Klassieke fout is dat de politie niet het misdrijf onderzoekt, maar de verdachte.’ Van Koppen analyseerde de parachutemoord en ook daar liep het op die manier fout, meent hij. Speurders en juristen zijn onvoldoende getraind in observatie, theorievorming en toetsing. De aanstaande criminologen en psychologen die hij helpt opleiden, leren ondertussen systematisch te toetsen en scenario’s af te wegen.

Een volgens Van Koppen klassiek voorbeeld is een bepaalde incestzaak uit 2001. Daarin werd een man veroordeeld op basis van de aangifte van incest, een geboorteakte als bewijs van de minderjarigheid van het slachtoffer en de erkenning van de verdachte dat hij in die periode in hetzelfde huis woonde als zijn stiefdochter. Van Koppen: ‘Helemaal onzin is dat niet. Als de verdachte in Timbuktu had gewoond, kon hij het niet hebben gedaan.’ Maar je kan toch moeilijk het daderschap afleiden uit louter aanwezigheid? Er wordt vaak niet goed gezocht naar feiten die het ‘schuldig scenario’ onderscheiden van een ‘onschuldig scenario’. Men zoekt in tegendeel bewijs voor het scenario dat we in ons hoofd hebben. Uiteindelijk zitten we allemaal in dezelfde tunnel. Een rechter die zegt dat hij aan z’n water voelt dat de verdachte het gedaan heeft, moet onmiddellijk een collega vragen het ‘scenario onschuldig’ te presenteren. Dan kunnen ze samen kijken naar welke bewijsmiddelen beschikbaar zijn en welke gegevens het ene dan wel het andere scenario ondersteunen. 

Evidence-based rechtspraak

Ongevalideerde onderzoeksmethoden zijn te vergelijken met paranormale diagnose-technieken. Je kan net zo goed koffiedikkijkers of wichelroedelopers inschakelen om daders te identificeren of lijken te vinden. De realiteit heeft aangetoond dat pendelaars nog nooit hebben bijgedragen aan het oplossen van een misdaad. Het wordt hoog tijd dat ook pseudowetenschappelijke prietpraat van de profilers, vermomd als psychologisch inzicht in de psyche van de vermeende dader, uit de rechtspraak gebannen wordt. Ook wetenschappelijk inzicht in onderzoeksmethoden zoals DNA-analyse, in kansrekening en in onze cognitieve illusies en al te menselijke vooroordelen, zou tot de standaardbagage van juridische waarheidszoekers moeten behoren. De waarheid in de rechtspraak heeft er recht op. Onschuldig veroordeelden verdienen hun lot niet. Zij zijn momenteel slachtoffer van willekeur en demagogie. Bedenk dat in Nederland een rechtszaak kan heropend worden, maar dat in België die mogelijkheid na uitspraak van een jury niet bestaat. Wat Derksen en Van Koppen aankaarten, is dat je voor zwaarwegende en gevolgrijke uitspraken grondige bewijsvoering moet hebben. Zij pleiten voor een evidence-based, een op empirisch bewijs gebaseerde rechtspraak. Wij willen allemaal weten hoe de vork aan de steel zit en willen dat het recht zegeviert. Blijf ondertussen, zo adviseert Derksen, uit de buurt van een misdaad, en niet alleen als slachtoffer. Voor je het weet, word je onschuldig veroordeeld.

Geerdt Magiels is bioloog, filosoof en stichtend lid van SKEPP.

Literatuur:

  • Ton Derksen
    De ware toedracht. Praktische wetenschapsfilosofie voor waarheidzoekers
    Uitgeverij Veen Magazines, 271 blz, 29,95 EUR
  • Peter van Koppen
    Overtuigend bewijs. Indammen van rechterlijke dwalingen 
    Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 320 blz, 22,50 EUR
  • Laura Spinney
    ‘Is criminal profiling flawed and disorderly?’, in New Scientist, 2 september 2010
  • Scott O. Lilienfeld, James M. Wood en Howard N. Garb 
  • ‘What’s wrong with this picture?’, in Scientific American, 24 maart 2005 
  • Brent Snook, Joseph Eastwood, Paul Gendreau, Claire Goggin en Richard M. Cullen
    ‘Taking stock of criminal profiling: A narrative review and meta-analysis’, in Criminal Justice and Behavior, april 2007, vol. 34(4):437-453

Met dank aan Luc Bonneux en Patrick Vermeren

Authors
Geerdt Magiels
Publicatiedatum
12-07-2011