De onthutsende praktijken van Alfa-training en Selfcoaching®

03-10-2013

-

door
53 minuten
Leestijd:
Een aantal bedrijven in België, Nederland en verschillende andere landen biedt een training aan waarvan beweerd wordt dat ze mensen in een weldadige bewustzijnstoestand brengt waarin alfa-golven dominant zijn. Deze toestand zou tal van positieve effecten hebben. Deze bedrijven vragen voor deze dienst (veel) geld en beweren dat ze een baanbrekende ontdekking hebben gedaan die “geheel wetenschappelijk onderbouwd is”. Hoe waar is dat en hoeveel is dat waard?

Korte samenvatting (2013)

De wereld van human resources staat bol van de onzin en ik heb hier reeds meermaals op gewezen. Dit artikel neemt de zogenaamde ‘alfa-trainingen’ onder de loep. Ze raakte het meest bekend via ene Da Silva en wordt in België ondermeer aangeboden door Prana en in Nederland door Linea Verde.

De golven die onze hersenen produceren hangen samen met de activiteiten van hersenen en zijn dus het gevolg van die activiteiten. Een aantal aanbieders van training, coaching en (slaap)therapie beweren dat er ook een omgekeerde richting is. Door bepaalde hersengolven op te wekken, namelijk alfagolven zou je intelligenter kunnen worden, ongewenste gewoontes kunnen loslaten, minder stress beleven en slaapproblemen oplossen waartoe de ‘klassieke’ geneeskunde niet in staat is.

Wetenschappelijk bekeken komen alfagolven voor in rust, en worden deze reeds geproduceerd van zodra je je ogen sluit. Diegenen die commercieel gewin maken met hun alfatrainingen lijken het onderscheid tussen correlaties en causaliteit niet te kunnen maken. Het is de activiteit van de hersenen (causatie) die de alfa- of andere golven produceert (gevolg), en niet omgekeerd.

Het is vooral de misleiding die tegen de borst stuit. Op tal van websites vind je oneerlijke of op zijn minst misleidende beweringen, zoals dat we maar 10% van onze hersenen zouden gebruiken (en dat Albert Einstein dit zou beweerd hebben), wordt verwezen naar echte (bijv. Ledoux) en vermeende (bijv. McLean) autoriteitsfiguren, testimonials of getuigenissen van tevreden mensen die een ‘sociaal bewijs’ vormen waaraan mensen gevoelig zijn, wetenschappelijke onderbouwing (maar er werden geen onderzoeken verricht die werden gepubliceerd), de mythe van de rationele linkerhersenhelft en de creatieve rechterhelft enzovoort.

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de uitleg over de hersenwerking en de oorzaak van tal van psychiatrische problemen niet klopt. Bestaande methodes zoals exposure of extinctietherapie uit de cognitieve gedragstherapie worden gerecupereerd en uitgelegd alsof ze origineel en baanbrekend zijn. Er wordt met geen enkel woord gerept over de bronnen en de ‘uitvinding’ van Prana, bijvoorbeeld, werd zelfs gepatenteerd.

Bij het onderzoeken van deze claims werden tal van experts geraadpleegd: van neuropyschologen tot neuropsychiaters en neurochirurgen. Ze geven allen aan dat het ontbreekt aan wetenschappelijke gegevens en dat de claims verdacht veel op new-age beweringen lijken.

Wie aandachtig en scherp is, raakt echter gealarmeerd bij het raadplegen van websites: ook zaken zoals SelfShiatsu (zelfmassage) en NLP (neurolinguïstisch programmeren) staan er vermeld.

Wat gevaarlijk is, is dat men zich op medisch terrein begeeft: zo wordt er gesuggereerd dat je je gezondheid (bijvoorbeeld je immuniteit verbeteren, je slaapproblemen oplossen) drastisch kan verbeteren.

Alfatrainingen zijn ten slotte niet te verwarren met bio-feedback, waarbij mensen op een computerscherm hun hersenactiviteit kunnen visualiseren en er zo meer controle leren over krijgen.

Wie meer details wil over het voorgaande kan hierna verder lezen. Omwille van de zorgvuldigheid die in zulke zaken moet in acht genomen worden uit juridische en wetenschappelijke overwegingen, is het artikel heel grondig en daardoor uitgebreid, inclusief verwijzing naar tal van bronnen.

Vooraf: hersengolven

Actieve neuronen in de hersenen produceren zwakke elektrische stroompjes, die gemeten kunnen worden via elektroden die op de hoofdhuid worden geplaatst. Het instrument dat de meting verricht is een elektro-encefalograaf. Het resultaat van de meting is het elektro-encefalogram (EEG). Meestal laat het EEG een hoop ruis zien, maar wanneer mensen taken uitvoeren kunnen groepen neuronen tegelijkertijd actief zijn en kan men na analyse van het EEG elektrische stroompjes met een vast ritme herkennen; dit noemen we hersengolven. Deze elektrische signalen zijn uiterst zwak, hooguit 100 µVolt, en de frequentie ligt tussen de tussen 0 en 80 Hz. De hersengolven worden onderverdeeld in de volgende categorieën, waaraan een zeer globale functionaliteit wordt toegekend:

  • 0 tot 4 Hz: delta-golven die vooral voorkomen bij jonge kinderen en bij volwassenen in het stadium van de diepe slaap (in slaapstadium 31 minder dan 50% van de golven, maar in stadium 4 meer dan 50% van de golven). Een delta-ritme is vaak ook een indicatie dat een patiënt comateus is.

  • 4 tot 8 Hz: thèta-golven die vooral voorkomen in slaapstadium 1, doezelen en dagdromen, maar bijvoorbeeld ook waargenomen zijn bij ruimtelijke oriëntatietaken in de hippocampus (Jensen et al. 2007).

  • 8 tot 12 Hz: alfa-golven die duiden op een lichte toestand van ontspanning. Ze komen voor bij ontspanning, tv-kijken, muziek beluisteren, meditatie, ogen sluiten en samen met thèta-golven in slaapstadium 1 (de overgangsfase van lichte slaap). De alfa-ritmes worden beschouwd als top-down cognitieve processen die inhibitie bevorderen (Klimesch et al., 2007). Alfa-golven nemen af bij slaperigheid en wanneer de ogen open zijn. De golven komen veel voor in de occipitale (visuele) cortex. Alfa-golven zijn zeer snel op te wekken door de ogen te sluiten en te ontspannen, bijvoorbeeld door relaxatieoefeningen zoals progressieve spierontspanning of ademhalingsoefeningen.

  • 12 tot 16 Hz: SMR-golven (soms ook tot de bètagolven gerekend) hebben te maken met fysieke rust en sensomotorische bewustzijn.

  • 16 tot 30 HZ: bèta-golven komen meestal overdag voor bij concentratie.

  • 30 tot 80 Hz: gamma-golven duiden op sterke mentale activiteit, zoals angst.

Hoe worden hersengolven gemeten?

Neurologen registreren de hersengolven met een EEG. Bij ernstige storingen bijvoorbeeld bij epilepsie of een hersentumor, kan men iets klinisch relevant zien. Het EEG-patroon kan door de proefpersonen beïnvloed worden, bijvoorbeeld door zich te ontspannen, te gaan staren, terug te denken aan emotionele gebeurtenissen, puzzels oplossen enzovoort (Koppenaal, 2007). Overigens vertonen ook angstige en hyperactieve mensen een toename van alfa-golven (Beyerstein, 1985).

De meting van de elektrische hersenactiviteit gebeurt eigenlijk via een ‘filterprocedé’ gemeten door de dura mater, het schedeldak, de huid en nog wat tussenliggend spierweefsel en geeft geen directe reflectie van de hersenactiviteit weer. De metingen laten een wirwar aan piekjes zien waarin pas na (softwarematige) analyse de bovenstaande hersengolven zijn te herkennen. Neuropsychiater Geert De Bruecker vergelijkt dit met een equalizer van een audioversterker waarbij bepaalde frequenties volledig gedempt worden, en waardoor de muziek die er dan nog uitkomt nog maar weinig op het origineel lijkt. Hij wijst er op dat een EEG in feite achtergrondruis genereert en dat je naast een EEG andere gedetailleerde analysetechnieken dient te gebruiken om een bruikbare diagnose te kunnen stellen. Dirk Koppenaal benadrukt dat hersengolven slechts een bijproduct van hersenactiviteit zijn (en volgens hem ook niet meer dan dat). Wanneer na een meditatie die gericht is op ontspanning relatief meer alfa-golven in het EEG aanwezig zijn, hoort men soms beweren dat het deze alfa-golven zijn, die het rustgevende effect geven; de veroorzakers van hersengolven, de hersencellen, worden helemaal vergeten. Oorzaak en gevolg worden verwisseld.

Leveren hersengolven bruikbare informatie op?

Dat betekent niet dat iedereen denkt dat hersengolven totaal geen bruikbare informatie opleveren. Edwin Verstraeten2 stelt dat spreken over ‘hersengolven’ te globaal is. In de medische literatuur maakt men vaak het onderscheid tussen tonisch en fasisch. Tonisch betekent dat het EEG-signaalpatroon langzaam en plateauvormig is en dat de spieren tijdens de REM-slaap geïnhibiteerd worden. Fasisch betekent vereenvoudigd gezegd dat de hersengolven kort zijn en tijdens de slaap gepaard gaan met snelle oogbewegingen en spierschokjes. Dit onderscheid komt voor in twee fases van de REM-slaap (Rapid Eye Movement waarbij de ogen snel over en weer schieten). In rusttoestand, met de ogen dicht, neemt de tonische alfa toe, en bij het in slaap vallen de fasische thèta. Ook bij een cognitieve taak nemen de fasische golven toe. Bovendien maken wetenschappers dan nog het onderscheid tussen een ritme en een activiteit. De hersengolven die men in het ruwe EEG kan zien zijn de ritme-golven. Een alfa-activiteit bijvoorbeeld kan alleen maar na een analyse van het complexe analyse worden gezien: de magnitudes van de golven worden dan bijvoorbeeld gemeten met zogenaamde Fourier transformaties. Dit onderscheid tussen fasisch en tonisch en ritme en activitieit kan volgens hem de verschillen en ogenschijnlijke tegenstrijdigheden in wetenschappelijke literatuur helpen te begrijpen. Maar belangrijk, het is niet omdat de reguliere wetenschap onderzoek doet naar hersengolven en hun eventueel nut dat alfa-trainingen nu ook plots een wetenschappelijke basis hebben. Edwin Verstraeten doet in persoonlijke correspondentie de alfatrainingen “à la Silva” af als “entertainment, geen leren door feedback”. Er is dus eensgezindheid over de onzin van de claims van alfatrainingen, maar nog niet over het eventuele nut van neurofeedback of biofeedback.3

Claims over alfa-golven

In de jaren ’60 werd alfa-training populair. In 1968 publiceerde Kayiyama voor het eerst een artikel in Psychology Today. De claims over de effecten van alfa-trainingen werden alsmaar bouter. Zelfs toen Jim Hardt en Joe Kamiya in Science in 1978 een correctie publiceerden, namelijk dat alfa-feedback enkel werkte bij erg angstige mensen. Alfa-training werd echter een rage en floreerde onder andere in flower-powermiddens. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er toen ook heel wat mensen (ook minder bonafide) hun kans schoon zagen om geld te verdienen.

In België en Nederland is er de laatste jaren een revival opgetreden. Mogelijks is dit het gevolg van de eerder vermelde vermeende positieve resultaten van neurofeedback. Bedrijven die alfa-training aanbieden claimen dat alfa-golven een gunstig effect hebben op tal van zaken. Als je dit leest lijkt het alsof de alfa-golven de Heilige Graal zijn voor een verbeterd cognitief en emotioneel functioneren. Hierna volgen een aantal van die (hyperbole) claims:

  • “In 'alfa' blijken we gemakkelijker contact te kunnen maken met gebeurtenissen uit de vroegste jeugd of uit de periode van de zwangerschap, wat ons zou kunnen helpen bijvoorbeeld traumatische gebeurtenissen uit die tijd beter en makkelijker te verwerken.” (uit: Alfa-golven en hun praktische toepassing’ door Pieter Langendijk)

  • “Bij het inslapen passeren we de grens van 13,5 en komen we in een andere bewustzijnstoestand terecht, te weten Alfa. Daarin neemt het onderbewuste de controle over, komen we geestelijk en lichamelijk tot rust en wordt er een groot aantal stressfactoren geëlimineerd. Bij het passeren van deze grens krijgen we vaak de meest lumineuze ideeën of vinden we plots de oplossing voor een lang bestaand probleem. Bij Alfa-training wordt deze toestand bewust bereikt om zo met het bewustzijn het onderbewustzijn als het ware te kunnen programmeren. Alfa-training wordt ook Silva Mind Control genoemd, naar de grondlegger José Silva, die er in 1944 mee begon, maar pas in de jaren '60 bij een breed publiek aandacht kreeg voor zijn methode.” http://www.lineaverde.nl/mediapool/72/728409/data/alfa.pdf

  • “Verbeter uw gezondheid. Dat onze geest invloed heeft op ons lichaam zal niemand meer in twijfel trekken. Met de Silva Methode leert u om u volledig fysiek én mentaal te ontspannen. Vanuit dit ontspanningsniveau kunt u zichzelf, met eenvoudige technieken, verlossen van hoofdpijn, migraine, slapeloosheid, stress, angsten, fobieën, allergieën, e.d. De resultaten zijn verbluffend: "Ik kom op advies van mijn arts, die zelf ook de cursus heeft gevolgd", horen wij steeds vaker van cursisten.” http://www.silvamethode.be

  • “Alfa Training: In deze boeiende workshop leer je een onontgonnen rijkdom aan mogelijkheden kennen. Vanuit het volledig wetenschappelijk onderbouwd kader van de Alfa-training tonen we je aan hoe je zelf succes in de hand hebt en krijg je methodes aangeleerd om dit onmiddellijk in de praktijk toe te passen. Selfcoaching®vaardigheden aanleren start vanuit de theoretische onderbouw dat wanneer we in een spanningssituatie komen (bv. tijdsdruk, twijfels, discussies,…), onze hersenactiviteit toeneemt. (= bètaniveau). Op dat moment hebben we geen controle meer over ons denken, onze emoties en dus ook niet over onze handelingen. We zien elk probleem 10 keer groter dan de werkelijkheid. Hoe hoger de hersenactiviteit, des te minder zelfcontrole en hoe negatiever we denken. De kunst bestaat erin om op een lagere hersenactiviteit te functioneren (= alfaniveau). Dit is immers het niveau waarop we controle hebben over ons denken, voelen en handelen, maar ook over ons geheugen, ons probleemoplossend vermogen enz. Zelfmotivatie, zelfsturing, positieve stresshantering, een optimaal functionerend geheugen, bruisende creativiteit, gewoontes veranderen en doelstellingen tot resultaten maken zijn enkele van de vele vaardigheden die Selfcoaching® je kan bieden. Naargelang de doelgroep (van arbeider tot manager) kan het programma andere inhoudelijke accenten krijgen.” http://www.prana.be/ (Prana Training en Coaching)

  • “Volgens Einstein gebruiken we slechts tien procent van onze hersencapaciteit. We hebben immers nooit geleerd dat we zelf ons brein kunnen sturen en ten volle benutten…./… In dit boek zal je de onontgonnen rijkdom ontdekken. Vanuit een volledig wetenschappelijk onderbouwd kader wordt je aangetoond hoe je zelf succes in de hand hebt.’ (Te vinden op de achterkant van het boek: SelfCoaching® Emotioneel intelligente zelfsturing in werk en privé. Iris Willems, oprichtster van Prana Training & Coaching)

  • Door gebruik te maken van het alfa-niveau combineer je bewuste met onbewuste kennis. Door je een ballon voor te stellen die je loslaat, gebruik je symbolische taal (dit is onze moedertaal) die je brein aanspoort de vraag los te laten. Dit loslaten is belangrijk omdat anders stress ontstaat, dus meer bètadenken en dus minder gebruik van je totale kennis en ervaringen. (Iris Willems, boek: SelfCoaching® Emotioneel intelligente zelfsturing in werk en privé. Blz. 148)

  • “In Alfa gebruiken we onze totale hersencapaciteit (100%)+ focus op oplossingen, zelfsturing. Recuperatie + veranderen van gewoontes” en Prana belooft om je onder andere te “Leren communiceren met je brein om gewoontes te veranderen; Doorbreken van gewoontes, angsten of beperkingen; Problemen oplossen d.m.v. je alfa-inzichten” (Iris Willems, presentatie 30’ beurzen, persoonlijk toegezonden)

Hoe werkt alfa-training zogenaamd?

Bij Linea Verde lezen we dat men tijdens de bijeenkomsten luistert naar

de speciaal ontwikkelde muziek waardoor men al in een bepaalde ‘alfastaat’ komt. Hierna krijgt men door de trainer geleide meditatieoefeningen. Na deze oefening beschrijft men zijn ervaring en wordt er kort geëvalueerd. Centraal staan bij de oefeningen ademhalingstechniek, visualisatieoefeningen, kleurenbeleving en speciaal ontwikkelde muziek. (http://www.lineaverde.nl/mediapool/72/728409/data/alfa.pdf )

Bij Prana in België staat op de website te lezen:

Selfcoaching®vaardigheden aanleren start vanuit de theoretische onderbouw dat wanneer we in een spanningssituatie komen (bv. tijdsdruk, twijfels, discussies,…), onze hersenactiviteit toeneemt. (= bètaniveau). Op dat moment hebben we geen controle meer over ons denken, onze emoties en dus ook niet over onze handelingen. We zien elk probleem 10 keer groter dan de werkelijkheid. Hoe hoger de hersenactiviteit, des te minder zelfcontrole en hoe negatiever we denken.
Selfcoaching leert je om op een lagere hersenactiviteit te functioneren (= alfaniveau). Dit is immers het niveau waarop we controle hebben over ons denken, voelen en handelen, maar ook over ons geheugen, ons probleemoplossend vermogen enz.

In persoonlijke correspondentie (3/11/2010) met Iris Willems van Prana stelt zij

Wij maken echter geen gebruik van EEG of biofeedback apparatuur om de methodes aan te leren. De deelnemers leren wel het verschil tussen de frequenties voelen en gebruiken. Hoe dit verschil voelbaar is kan afgeleid worden van de specifieke eigenschappen die met elk niveau gepaard gaan. Door getrainde mensen via een brain-machine een alfa- theta- en delta-programma te laten ondergaan hebben we kunnen vaststellen dat ze de gelijkenissen en verschillen ervaren met de niveaus die ze door de aangeleerde technieken in onze training bereiken.

In de vervolgcorrespondentie (13/11/2010) zegt ze hierover dat ze geen publicaties heeft gedaan over die onderzoeken van getrainde mensen met de brain-machine:

Dit was enkel om aan de deelnemers in een training te kunnen toelichten hoe ze het verschil zelf kunnen voelen. Sindsdien heb ik nog nooit iemand gehad die beweert geen verschil te voelen tussen de verschillende niveaus . De zaken die je ervaart bij het oefenen met de hersenfrequenties zijn ervaringen die je anders normaal niet zelf bewust stuurt of oproept. Ik begrijp dat je sceptisch bent, maar mijn ervaring is dat wanneer iemand bereid is te oefenen met de methodes, hij  duidelijk het verschil leert voelen en de voordelen ervan leert benutten.

Dat gebrek aan gebruik van een toestel dat kan nagaan of er daadwerkelijk – en vooral blijvende – veranderingen in de hersenen optreden, is natuurlijk heel erg problematisch. Op welke manier bewijst mevrouw Willems immers dat mensen meer voelen dan alleen maar een placebo-effect? Hoe kan ze aantonen dat het door de methode komt? Dat mensen achteraf ‘tevreden’ zouden zijn of ‘zich geholpen voelen’ is geen enkel bewijs van de werkzaamheid. Mensen zijn ook tevreden over suikerpillen (placebo). Het placebo-effect is een gemeten of voelbare verbetering (in de gezondheid of gedrag) en kan oplopen tot 75%. Een sterk geloof, motivatie of verwachting van verbetering zijn essentieel voor het bereiken van een placeboeffect (daarom denken heel wat mensen dat het niet meer is dan klassieke conditionering – het leggen van associaties). Heel wat charlatans en pseudowetenschappers maken hier handig gebruik van (Carroll & Boel, 2010 blz. 362). En wat meer is, er is een bij psychologen bekend fenomeen, met name het consistentieprincipe. Wanneer mensen in iets geloven, en in het bijzonder wanneer ze er geld voor hebben betaald, willen ze absoluut niet meer af van hun overtuiging. Daar zijn tal van voorbeelden van zoals mensen die in UFO’s geloven of die de Holocaust ontkennen. Hoe meer mensen kritiek leveren en bewijzen aanleveren, hoe meer ze op hun argumenten terugvallen en emotioneel reageren. Ze willen consistent zijn met zichzelf en met hun eerder gemaakte keuzes. Dus iemand die denkt dat een alfa-training hem of haar voordelen opleverde, die zal niet meer te overtuigen vallen, vaak zelfs niet met bewijzen (b.v. dat er in het hoofd niets blijvend veranderd is).

De èchte wetenschap over alfa-golven

Wetenschappers zijn het er over eens dat hersengolven kunnen worden waargenomen en kunnen worden beïnvloed. Het is echter geen uitgemaakte zaak dat hersengolfpatronen direct gerelateerd kunnen worden aan psychische karakteristieken. Terwijl hierover nog vele hypotheses de ronde doen, zijn wetenschappers het er wel over eens dat populaire stellingen zoals de karikatuur van een eenvoudig gelateraliseerd brein (een linker hersenhelft die logisch redeneert en een rechter hersenhelft die creatief is4) of de exclusieve relatie tussen bepaalde cognitieve functies en een bepaald type hersengolf naar het rijk der fabelenmoeten worden verwezen. Catherine Tallon-Baudry geeft op het gebied van hersengolven een overzicht van de huidige wetenschappelijke bevindingen (bron: The Society for Neuroscience - SfN):

Bij de klassieke indeling worden delta-golven vooral gelinkt aan slapen, theta-activiteit vooral aan geheugentaken, alfa-ritmes vooral aan alertheidsfluctuaties en bèta en gamma aan aandacht en geheugen. Deze typische ‘eenvoudige’ indeling wordt door tal van bevindingen tegengesproken. Zo blijkt dat wanneer mensen details van een situatie in één coherent concept trachten te groeperen, de gamma-activiteit verandert (Jensen et al., 2007; Tallon-Baudry, 2009), maar ook de alfa-activiteit (Mima et al., 2001; Freunberger et al., 2008). De neuronale netwerken die ingeschakeld worden bij aandachtstaken vertonen bovendien verschillende frequenties gaande van thèta tot gamma (Thut et al., 2006; Fan et al., 2007; Siegel et al.,2008). Het episodisch geheugensysteem (waarbij informatie wordt opgeslagen en opgehaald) beïnvloeden zowel thèta en gamma oscillatoire synchroniciteit (Sederberg et al., 2003; Osipova et al.,2006), maar wetenschappers hebben ook wijzigingen in de alfa-ritmes gerapporteerd (Klimesch et al., 1997a, 1999; Sauseng et al., 2002). Visuele korte termijngeheugentaken tonen gamma- en bèta activiteit in verschillende hersengebieden (Tallon-Baudry et al., 1998, 2001, 2004) maar ook in de alfa-ritmes (Jensen et al.,2002; Jokisch and Jensen, 2007; Grimault et al., 2009).

Tallon-Baudry concludeert dat de klassieke historische associaties die men legt tussen een bandbreedte in hersengolven en cognitieve processen moet herbekeken worden. Cognitieve processen kan men niet simpelweg aan bepaalde golffrequenties toewijzen. Het idee dat alfa-golven alleen maar een indicatie zijn dat men zich in een ontspannen toestand bevindt klopt dus niet, want er treden onder meer ook alfa-golven op bij geheugentaken, conceptueel denken en visueel denken. Wetenschappelijk werd volgens haar onderzoeksartikel nergens aangetoond dat alfa-golven een weldadig effect zouden hebben. Ook van de hogere en lagere alfa-frequenties is bekend dat er verschillende functionele variaties voorkomen (Klimesch et al., 1997b; Petsche et al., 1997). In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt in alfa-middens, komen alfa-golven niet alleen in de rechter breinhelft voor. Ze doen zich ritmisch voor aan de twee zijden van de hersenen, maar vertonen een lichtjes grotere amplitude langs de niet-dominante kant (voor de meeste rechtshandigen is dit rechts) tijdens het uitvoeren van taken. Ze komen ook meer voor aan de achterzijde van ons hoofd, een regio die ook bekend staat voor zijn functie het eigen lichaam te kunnen onderscheiden van de omgeving (als men in ontspannen toestand is kan men zich “heel voelen met de omgeving”).

Kortom, alfa-golven komen inderdaad vooral voor in ontspannen toestand en met gesloten ogen, maar doen zich ook in tal van andere situaties voor. Ze komen voor in verschillende delen van ons brein. Zodra we aandacht aan iets schenken of onze ogen openen, vermindert de alfa-frequentie. Sommige mensen vertonen overigens nauwelijks alfa-ritme (Byerstein, 1999)

De dwaling

Omdat (tonische) alfa-golven worden waargenomen tijdens toestanden van relaxatie of meditatie, worden ze ten onrechte als ‘wenselijk’ omschreven. Daarbij wordt tweemaal een klassieke redeneerfout gemaakt: het is ten eerste niet zo dat, omdat relaxatie of meditatie alfa-golven produceren, alfa-golven alleen maar wijzen op relaxatie of meditatie. Ten tweede is het evenmin zo dat als je bij relaxatie alfa-golven produceert, je bij het opwekken van alfa-golven in een toestand van relaxatie zou komen. Dit laatste is een typische post hoc ergo propter hoc (na dit, dus door dit) drogredenering. Gebeurtenis X treedt op na gebeurtenis Y en daarom wordt gedacht dat X een gevolg is van Y. Op Wikipedia vind je volgend voorbeeld tot wat dit soort drogredeneren kan leiden: "De zon komt altijd op nadat de haan gekraaid heeft, dus de zon komt op doordat de haan kraait."

Elke wetenschappelijk opgeleide persoon krijgt tijdens zijn studies te horen dat correlaties op geen enkele wijze causaliteit vaststellen (oorzakelijk verband). Alfa-golven komen ook voor bij onplezierige toestanden en wanneer men niet ontspannen is. Ze geven geen enkele indicatie over relaxatie, sereniteit of een verhoogde staat van alertheid of veranderd bewustzijn. Ze lijken vooral aan te geven dat er geen visuele verwerking aan de gang is (ze treden vaak onmiddellijk en spontaan op na het sluiten van de ogen) of een gebrek aan focus. Wanneer mensen bijvoorbeeld levendige imaginatietechnieken (zoals de REI of Rational Emotive Imagery uit de cognitieve gedragstherapie) gebruiken nemen de alfa-golven af.

Er is dus geen enkel wetenschappelijk bewijs dat het brein bij het opwekken van alfa-golven ‘tot meer inzicht’ komt, er is enkel wat beginnend onderzoek naar prestaties bij creatieve beroepen en een angstverminderend effect bij (zeer angstige) studenten. Daar waar wetenschappers toegeven dat het onderzoek zich in een beginstadium bevindt (Gruzelier, 2009), doen de beoefenaars van meditatie, elektrische reparateurs zoals José Silva en aanbieders van alfa-trainingen zoals Prana al jarenlang tal van onwaarschijnlijke beloften. Sommigen schrokken er zelfs niet voor terug tientallen jaren geleden al te claimen dat alfa-golven mensen tot een speciale bewustzijnstoestand brachten. De alpha training werd voorgesteld als een snelle manier om psychologische en fysiologische voordelen te behalen (Beyerstein, 1985). Die bedrijfjes die goedgelovige mensen geld uit de zakken klopten met de belofte van een beter leven ontstonden dus al in de jaren ’60. Ze zijn nooit echt weggeweest, maar worden dus nu plotseling opnieuw populair.

De start: José Silva

Zowel in België als in Nederland zijn nog steeds tal van organisaties en individuen actief die claimen dat men door het verhogen van alfa-golven diverse zaken kan verbeteren: het IQ verhogen, helderziend worden en tal van gezondheidsproblemen oplossen. Zij leveren hiervoor echter geen enkel empirisch bewijs en doen hun claims enkel op basis van anekdotische vertellingen en getuigenverklaringen (deze zijn populair in de marketing en zijn daar bekend onder de naam ‘testimonials’). Een van de eerste methodes werd gepromoot door José Silva.

José Silva (1914-1999) was een klusjesman die naar eigen zeggen door zelfstudie (hij raadpleegde daarbij duidelijk geen wetenschappelijke bronnen om tot zijn ‘kennis’ te komen) tot het inzicht kwam dat alfa-golven weldadig waren. Hij geloofde ook in paranormale zaken en dacht dat hij het onderzoek van Nobelprijswinnaar en hersenonderzoeker Roger Sperry (waarbij het corpus callosum dat de rechter met de linkerhersenhelft verbindt werd doorgesneden om epilepsie te verminderen) kon interpreteren. Een van zijn voornaamste beweringen bleef (en blijft bij zijn aanhangers) dat mensen die vooral hun linkerbrein gebruiken, getraind kunnen worden ook met hun rechterbrein te denken. Hij claimde (foutief dus) dat enkel het rechterbrein alfa-golven produceerde en dat dit een gunstig en genezend effect had. Hij was er vast van overtuigd dat denken met ons rechterbrein ons kan verbinden met alle informatie op deze planeet (!) en dat we die informatie ook kunnen gebruiken. Net zoals vele andere new-age bewegingen claimt de Silva Methode dat zijn methode werkt, maar doet ze dit niet op een wetenschappelijke manier. Ze beroepen zich uitsluitend op anekdotische testimonials, die helaas tot de meest overtuigende technieken behoren om mensen te doen geloven dat een methode werkt. Mensen geloven namelijk liever hun ‘eigen ogen’ en een nogal geloofwaardig overkomende persoon (autoriteitsargument), dan systematisch wetenschappelijk onderzoek waarbij ook wordt nagegaan of er geen andere verklaring voorhanden is (confirmatie en falsificatie). Persoonlijke getuigenissen zijn onbetrouwbaar om meerdere redenen.

De claims van Prana

Zaakvoerster Iris Willems (licentiate in de klinische en ontwikkelingspsychologie en geregistreerd als psycholoog bij de Belgische psychologencommissie!) heeft zich niet geassocieerd met de Silva Methode maar doet verder wel het soort onwaarschijnlijke claims dat ik eerder aanhaalde. In tegenstelling tot de Silva methode, beweert deze zaakvoerster van Prana niet alleen dat men je snel (binnen de 2 minuten) een verhoging van je alfa-golven bezorgt. (Dat is overigens geen kunst: al na enkele seconden je ogen sluiten treden deze dus op, en na eem korte training kan je dit ook met open ogen bereiken dankzij een bepaalde manier van visuele aandacht te focussen). Ze beweert ook dat ze je snel in een toestand van thèta-golven brengen en dat deze eveneens gunstig zijn. Thèta-golven betekenen echter niets meer of niets minder dan dat je in slaap aan het vallen bent, wat vaak voorkomt na relaxatie. Of dit voor elke deelnemer zo is, valt niet te achterhalen, want, nogmaals, naar eigen zeggen (mail van 3/11/2010) gebruikt ze geen “brain-machines” om de hersengolven te meten.

Hierna neem ik een aantal beweringen en methodes van Iris Willems onder de loep. Ik begin met ze tegen het licht te houden van de beïnvloedingstechnieken die verkopers vaak gebruiken.

Klassieke verkooptruukjes

Robert Cialdini is een experimenteel sociaal psycholoog die een groot deel van zijn leven wijdde aan onderzoek naar volgzaamheid. Hij stelde aan de hand van veldonderzoek en laboratoriumexperimenten vast dat er minstens zes manieren zijn waarop mensen vrij automatisch reageren met volgzaamheid: (1) wederkerigheid (of voor-wat-hoort-wat), (2) consistentie (mensen willen consistent met zichzelf zijn), (3) sociaal bewijs (zie hiervoor), (4) sympathie (we aanvaarden sneller iets van mensen die we sympathiek vinden), (5) autoriteit (we zijn geneigd om zonder slag of stoot dingen aan te nemen van vermeende experts en andere gezagsdragers) en (6) schaarste (wat schaars is wordt meer gewenst). Cialdini's boek “Invloed” is zeker een aanrader om u te wapenen tegen mensen die deze beïnvloedingsprincipes bewust toepassen om u te verleiden of zelfs te misleiden. Een aantal van deze technieken wordt veelvuldig gebruikt in de beweringen van Prana (of dit bewust of onbewust is laat ik in het midden, maar feit is dat Iris Willems psychologie heeft gestudeerd en dus alleszins op de hoogte kan zijn van de onderzoeken van Cialdini).

De volgende beweringen van Iris Willems zijn alvast ofwel grotendeels ofwel volkomen onjuist (vet werd door de auteur zelf toegevoegd):

Autoriteitsargumenten

Vanuit het volledig wetenschappelijk onderbouwd kader van de Alfatraining tonen we je aan hoe je zelf succes in de hand hebt en krijg je methodes aangeleerd om dit onmiddellijk in de praktijk toe te passen.

Dat de resultaten die zij claimt (zie inleiding) via haar alfatrainingen een wetenschappelijk onderbouwd kader hebben, is onjuist, zoals ik hiervoor al uiteenzette. Het refereren naar het woord ‘wetenschappelijk’ is tegenwoordig erg in. De reden ervoor is ongetwijfeld dat men schaamteloos inspeelt op de aangeboren vatbaarheid voor autoriteitsargumenten die ons in staat stelt zonder al te veel moeite kennis over te nemen, helaas dus ook valse…

Volgens Einstein gebruiken we slechts tien procent van onze hersencapaciteit. We hebben immers nooit geleerd dat we zelf ons brein kunnen sturen en ten volle benutten. (achterflap boek “Selfcoaching”).

De meeste mensen gebruiken maar 10% van hun mogelijkheden doordat ze vaak afgeleerd zijn te geloven dat ze meer kunnen en doordat ze meestal in een bèta-activiteit functioneren. (blz. 127)

Deze uitspraak bevat twee onwaarheden. Ten eerste valt in geen enkele degelijke bron te bespeuren dat Einstein ooit deze uitspraak zou hebben gedaan, zelfs na uitgebreid onderzoek in de directe omgeving van Einstein (Beyerstein, 1999). Hoogstens wordt het afgedaan als een “misquote”. Hier wordt leep gebruik gemaakt van het autoriteitsargument, in het bijzonder de bekendheid en het aanzien van een bewonderd wetenschapper zoals Albert Einstein. De mythe is wellicht populair gemaakt door journalist Lowell Thomas in een voorwoord van een van de populairste boeken aller tijden: Dale Carnegie’s ‘How to Win Friends and Influence People’.

Ten tweede is dat van die 10 % een mythe. Weliswaar een aantrekkelijke mythe omdat het voor ons heel wat mogelijkheden belooft als het waar zou zijn. We gebruiken in de realiteit allemaal 100% van ons brein – dat is duidelijk te zien met de moderne brein beeldvorming technieken. Er zijn geen ‘stille gebieden’ in ons brein ontdekt. Het is wel zo dat bepaalde taken (bijvoorbeeld spreken) in een bepaald netwerk in de hersenen worden uitgevoerd, waardoor het lijkt alsof slechts een klein deel van de hersenen worden gebruikt. Ook is het zo dat wanneer mensen een grondige kennis over of ervaring met een bepaalde taak hebben, zij ook minder breincapaciteit nodig hebben. Het verband is dus eerder omgekeerd: hoe minder je van iets kent, hoe actiever grote delen van je brein zullen zijn. Hoe meer kennis, hoe minder breingebied je nodig hebt… Dit is wat je kan lezen op www.hersenenenleren.nl:

Tegenwoordig hebben we echter meer inzicht in deze stille gebieden gekregen: zij maken hogere cognitieve functies mogelijk die niet direct aan sensorische of motorische activiteit gekoppeld zijn (Bransford, Brown, & Cocking, 1999). Ook is uit de klinische neurologie gebleken dat zelfs het verlies van veel minder dan 10% van de hersenen al enorme gevolgen heeft voor iemands functioneren.

De 10%-fabel wordt nog steeds doorverteld in het wereldje van de New-Age. Zij willen ons graag doen geloven dat er in de (onbestaande) paranormale wereld meer aan de hand is, en dat ons brein in staat is tot paranormale krachten.

Psychologieprofessor Albert Mehrabian van de Universiteit van Los Angeles California (UCLA) stelde vast dat onze communicatie uit 7% ‘inhoud’ en 93% ‘vorm’ bestaat. Wat we zeggen bepaalt dus voor slechts 7% wat de ander begrijpt. De manier waarop we iets zeggen bepaalt voor 38% het resultaat en onze lichaamstaal is voor 55% van onze boodschap verantwoordelijk. (blz. 30, boek “Selfcoaching”)

Helaas is dit een bewering die zeer populair is in het wereldje van vaardigheidstrainers en coaches. Ook ik heb deze een tijd voor waar aangenomen dankzij de opleiding van mijn ex-collega’s bij Dexia. Mehrabians werk wordt jammer genoeg vaak fout geciteerd. (Mehrabian, 1972, 1981). Hij trachtte te achterhalen hoeveel invloed de diverse componenten van onze interpersoonlijke interacties in de gesproken taal hebben. De bevindingen die Willems beschreef, betreffen alleen maar de gesproken communicatie waarbij gevoelens (feelings) worden overgedragen, of uitingen van houden van of niet houden van (like or dislike). Verdere claims maakte Mehrabian niet . In experimenten waarbij er bewust inconsistenties werden ingebouwd tussen drie componenten stelde hij vast dat de gebruikte woorden voor 7% van het effect zorgden, de paralinguïstische component (stemgebruik zoals intonatie, volume, snelheid, geluiden...) voor 38% en onze lichaamstaal (houding, gebaren en gelaatsexpressies) voor 55%. Wanneer bepaalde delen van onze emotionele communicatie in tegenspraak zijn met elkaar, dan hebben lichaamstaal en stem een grotere impact dan woorden. Albert Mehrabian meldt hierover zelf op een website (http://www.kaaj.com/psych/smorder.html ): “Please note that this and other equations regarding relative importance of verbal and nonverbal messages were derived from experiments dealing with communications of feelings and attitudes (i.e., like-dislike). Unless a communicator is talking about their feelings or attitudes, these equations are not applicable.”

De Russische Fysioloog Ivan Pavlov ontdekte het leermechanisme van de klassieke conditionering”. …/… “Hierdoor ontstond speekselvorming. Dit is een reflex: de hond kan dit niet onderdrukken. (blz. 42, boek “Selfcoaching”)

Ook dit is opnieuw een autoriteitsargument (de bekende Pavlov) waarvan de inhoudelijke weergave slechts gedeeltelijk klopt. Latere proeven hebben namelijk aangetoond dat wanneer een hond al gegeten heeft en dus verzadigd is, deze speekselreflex helemaal niet optreedt.

Joseph LeDoux, neurowetenschapper aan het Center for Neural Science van de universiteit van New York, ontdekte als eerste de sleutelrol die de amygdala spelen in de emotionele hersenen.’ …/… Het emotionele brein is dus veel sneller dan het rationele en komt in actie zonder ook maar een moment bedenktijd te nemen. (blz. 654 en 65, boek Selfcoaching)

Ook hier wordt gerefereerd aan een befaamde wetenschapper, die meerdere boeken schreef waarin de kennis over het brein wordt gepopulariseerd. Een van zijn boeken droeg de titel “The emotional brain”. Net als bij Mehrabian wordt ook hier het onderzoek van LeDoux bewust of onbewust fout geciteerd en uit de context gelicht. LeDoux maakt bijvoorbeeld niet het onderscheid tussen “emotie” en “ratio”, maar wel tussen “emotie” en “cognitie”, wat niet hetzelfde is. Cognitieve processen zijn processen waarbij iets (bvb een situatie) wordt beoordeeld (appraisal). Emoties en cognities zijn volgens LeDoux allebei interagerende mentale functies die in andere delen van het brein worden “gemedieerd” maar die duidelijk interageren. Het beoordelen van emotionele processen noemt LeDoux cognitieve processen, en tenslotte geeft hij aan dat het fout is te denken dat emoties en gedachten (vaak als ratio voorgesteld) aparte processen zijn: “De conversie van emoties in gedachten heeft ons toegestaan om emoties te bestuderen met tools en conceptuele grondbeginselen van de cognitieve wetenschap.” (blz. 70) Bovendien legt LeDoux enkel uit dat er een “snelle route” is naar het limbische systeem, die ons bijvoorbeeld toelaat zeer snel te reageren op het zien van een slang. De “hoge of trage route” is de meer cognitieve route naar de frontale lobben, en die het trouwens ook vermag een onaangepaste reactie van het limbische systeem te onderdrukken (“The Low and the High Road: blz. 161, The Emotional Brain). LeDoux stelt integendeel dat bijna heel ons brein gericht is op het verwerken van emotionele processen: “Zelfs nu onderzoek heeft aangetoond dat de klassieke limbische gebieden in het geheel geen emotionele functie hebben, blijft deze hypothese leven” (blz. 102) en “Omdat verschillende emoties betrokken zijn bij verschillende overlevingsfuncties …/… kan elke emotie verschillende breinmodules activeren die voor andere redenen evolueerden. Met als gevolg dat er niet één emotioneel systeem in het brein is, maar vele.” (blz. 103). “Het ‘limbische systeem’ als term, zelfs wanneer deze gebruikt wordt als een rudimentaire structurele betekenis, is imprecies en heeft ongewenste functionele implicaties. De term zou moeten geband worden.” (blz. 101)

"De Duitse arts Hans Berger ontdekte in 1924 dat de hersenen golven uitzenden die door middel van een EEG geregistreerd kunnen worden”. (blz. 69, boek “Selfcoaching”). “Het hoog alfa-niveau is een toestand van concentratie op de essentie. Het biedt ons de toegang tot ons geheugen en is het ideaal niveau om oplossingen te bedenken voor problemen. De alfa-activiteit laat ons het gebruik van creativiteit toe, beheersing van onze eigen emoties en reacties, en verhoogt onze stressweerbaarheid. Op laag alfa-niveau komen we in contact met onszelf en kunnen we onze hersenen ‘herprogrammeren’. Dit is de frequentie waarop deconditionering kan plaatsvinden. Dit niveau biedt bovendien een heerlijke innerlijke rust (= emotionele recuperatie”. …/… “Dit is ook de frequentie waarop onze dromen plaatsvinden.” (Blz. 70) …/… “Op het alfa-niveau brengen we een harmonie tot stand tussen onze linker (denk)hersenhelft en onze rechter (creatieve) hersenhelft. Op deze manier nemen onze ‘intellectuele’ capaciteiten toe, onze concentratie verscherpt, creativiteit, intuïtie en originaliteit worden op deze manier ontgonnen.” (blz. 73) “Het alfa-niveau is de software die ons toelaat onze hardware (onze hersenen) te programmeren in functie van onze eigen doelen en subdoelen.” (blz. 134, boek “Selfcoaching”).

“Beide hersenhelften verwerken informatie op een totaal verschillende manier: de linkerhersenhelft denkt analytisch, rationeel, sequentieel en tijdsgeörienteerd. De rechterhersenhelft denkt visueel, integrerend, intuïtief en tijdsloos. Jarenlang werd de rechterhersenhelft als minderwaardig beschouwd en heerste een overwaardering van het rationele denken. Hierdoor is men in de meeste onderwijsinrichtingen vooral de vaardigheden van de linkerhersenhelft gaan stimuleren. In principe werken beide hersenhelften echter nauw en eensgezind samen en bundelen ze hun twee manieren van weten om ons door de wereld te leiden. Meestal bestaat er een coördinatie tussen beide systemen: gevoelens zijn voor het denken van essentieel belang en gedachten voor gevoelens.” (blz. 59 tot 60, boek “Selfcoaching”)

In tegenstelling tot wat vaak door alfa-aanbieders beweerd wordt, is het niet de Oostenrijkse psychiater Hans Berger (1873-1941) die deze hersengolven heeft ontdekt, maar de Engelse arts Richard Caton (1842-1926). Dit is minder relevant, maar door te verwijzen naar de titel “arts” van Berger wordt opnieuw het autoriteitsargument aangehaald. Ook de beweringen over wat laag- of hoogalfa allemaal doet, werden al eerder weerlegd. Deze beweringen zijn dus gratuite beweringen, die ofwel moeilijk te controleren zijn, ofwel waarvan wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat ze niet kloppen. De (medische) experts die ik raadpleegde, stelden dat deze beweringen (bijvoorbeeld over herprogrammeren van de hersenen, deconditioneren en een harmonie tussen de linker- en rechterhersenhelft tot stand brengen) zo onzinnig zijn, dat het hen de lust ontneemt hier een repliek op te schrijven. Het gunstige effect van het hoog alfa valt ook niet te rijmen met de vaststelling dat hoge alfa-golven voorkomen bij kinderen met ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder), waarvan men moeilijk kan beweren dat ze kalm zijn of zelfbeheersing hebben…

De mythe van de twee hersenhelften

Bovendien haalt Mevrouw Willems nog eens een andere populaire mythe boven, namelijk die van de rationele linkerhersenhelft en onze creatieve rechterhersenhelft. Dit is een mooi staaltje van hoe juiste informatie vermengd met loze beweringen leidt tot een misleidende cocktail. De beweringen hoe de linker- en rechterhersenhelft werken, is bijvoorbeeld grotendeels onjuist. De manier waarop Willems in dit citaat de functies van de linkerhersenhelft contrasteert met de rechterhersenhelft, gaat terug op een zeer oude, ondertussen achterhaalde tweedeling. De meeste neurowetenschappers beschouwen deze tweedeling als simplistisch of zelfs complete nonsens. Deze populaire mythe is grotendeels terug te voeren op de ‘split-brain’ ingreep van Roger Sperry en zijn collega’s. Hij deed onderzoek naar ernstige vormen van epilepsie en bij een aantal patiënten had het doorsnijden van het corpus callosum (de hersenbalk die de linker en de rechter cortex met elkaar verbinden) als gevolg dat de patiënten “twee bewustzijnsniveaus” schenen te hebben (woorden van Sperry). Omdat Roger Sperry hiervoor een Nobelprijs kreeg in 1981, wordt vaak naar hem verwezen als autoriteitsargument. De spraak situeerde zich duidelijk in de linkerhersenhelft (bij patiënten die rechtshandig zijn tenminste, zo zou later blijken), terwijl ruimtelijke oriëntatie rechts plaatsvond. Ook kon de rechterhersenhelft voorwerpen alleen maar herkennen door te kijken of te betasten, maar kon de linkerhersenhelft niet op de naam komen. Wanneer de linkerhersenhelft echter werd verteld waarvoor een voorwerp moest dienen, dan kon de patiënt het voorwerp benoemen. Vanuit die experimenten werd dan een hele theorie naar voor geschoven die ondertussen door het hersenonderzoek achterhaald zijn: beide kanten van het brein spelen een actieve rol in zulke processen. Verder onderzoek heeft immers uitgewezen dat er slechts relatieve verschillen zijn tussen de twee hersenhelften met betrekking tot het uitvoeren van bepaalde mentale activiteiten. Ze verschillen niet zozeer in welke informatie ze verwerken, maar wel op de manier waarop. Zo wordt taal niet geproduceerd in de linkerkant zoals zo vaak wordt beweerd, maar is het zo dat de linkerkant beter is in het genereren van woorden en grammatica, terwijl de rechterkant beter is voor intonatie en het toevoegen van klemtonen. De rechterkant is licht beter in algemene oriëntatie in de ruimte, maar de linkerkant is beter in het lokaliseren van objecten op specifieke plaatsen in de ruimte. Het gaat om snelheid van verwerking van bepaalde aspecten. Samengevat vertonen de twee hersenhelften veruit meer overeenkomsten dan verschillen en wat nog belangrijker is, bij gezonde mensen werken die twee hersenhelften perfect ‘samen’. Men heeft hier miljoenen overheidsgeld aan besteed om dit uit te zoeken. De Amerikaanse National Academy of Sciences heeft hiervoor ooit een expertpanel aangesteld dat concludeerde dat “…er geen direct bewijs te vinden was dat verschillend gebruik van hemisferen kan getraind worden” (Druckman & Swets, 1988, blz. 110). Tal van andere wetenschappers bevestigen dat een normaal brein op een geïntegreerde manier werkt (Corballis, 2007, Gazzaniga, 1998, McCrone, 1999). Willems speelt diverse keren in haar boek in op deze simplistische dichotomie die fel contrasteert met de huidige stand van de wetenschappelijke kennis. Van enige empirische onderbouw waar ze naar verwijst is niet veel sprake meer…

Wederkerigheid en sociaal bewijs

Willems lijkt niet alleen gebruik te maken van autoriteitsargumenten en halve of hele onjuistheden, ze bedient zich ogenschijnlijk ook van andere beïnvloedingstechnieken zoals beschreven door Cialdini:

  • Ze maakt gebruik va het wederkerigheidsprincipe waarbij je mensen eerst iets klein aanbiedt waardoor ze zich aan jou verplicht voelen. Door ogenschijnlijk een deel van haar ‘kennis’ aan een bijzonder lage prijs te delen (de prijs van het boek bedraagt 25 euro maar je kan op de website ook een lightversie gratis downloaden), ontstaat goodwill bij de mensen om nadien de – in het boek zorgvuldig geheim gehouden – QRB-methode® te gaan volgen tegen een hogere prijs.

  • Het sociaal bewijs gebruikt Willems alvast gretig in haar presentaties en haar website. Ze haalt de tevredenheidscores en zelfgerapporteerde effecten van haar alfa-training aan en het is duidelijk dat ze hiermee wil bewijzen dat mensen haar aanpak effectief vonden. Zulke testimonials en onwetenschappelijke bewijsvoering hebben echter jammer genoeg een zekere overredingskracht, zeker bij onvoorbereide of minder kritische personen, zoals eerder in dit artikel beschreven.

Hierna volgen nog een aantal beweringen die zo niet halve waarheden dan wel complete nonsens zijn:

Leren mensen alleen door conditionering?

“Tim groeit op in een gezin waar één van de ouders geen inspraak duldt. Telkens wanneer hij zijn ideeën wil uiten, wordt hij tot zwijgen gedwongen of gestraft. Hierdoor leert Tim dat je maar beter je ideeën voor jezelf houdt. Als volwassen man zal Tim, zelfs in andere situaties, nog steeds geneigd zijn om zijn mening niet te uiten. Ook al beseft hij dat er op dit moment geen reden toe is, zijn geconditioneerde reactie (zwijgen) zal sterker zijn dat zijn rationele denken.” (blz. 51, boek “Selfcoaching”).

Dit is een staaltje van het blinde geloof dat Iris Willems heeft in de kracht van conditionering bij mensen. Tijdens een presentatie in november 2009 op de VOV-beurs (een beurs van de VOV-lerend netwerk, een vereniging voor Opleidings- en Vormingsverantwoordelijken) stelde zij voor het aanwezige publiek dat “90% van ons gedrag geconditioneerd is”. Dit is een stelling die al lang achterhaald is, zelfs bij dieren. Dat jonge kinderen en dieren zoals honden of paarden vatbaar zijn voor conditionering (gedrag aanleren door middel van onmiddellijke beloning of straf) is een onomstotelijk bewezen feit. Operante conditionering is het proces waarbij we verbanden leren. Vooral verbanden tussen gedrag en gevolg. Kort samengevat zou gedrag dat (liefst meermaals en onmiddellijk) wordt gevolgd door een positieve stimulus toenemen (dit noemt men een bekrachtiging), terwijl gedrag dat wordt gevolgd door een negatief effect zou afnemen (deze premisse is nog altijd juist indien men dit beschouwt op het niveau van het beloningssysteem in de hersenen). Het behaviorisme gaat uit van het principe dat mens en dier beloning opzoeken en straf of negatieve gevolgen vermijden of eraan proberen te ontsnappen. Het radicaal behaviorisme (met haar uitspraak dat 90% geconditioneerd is, zou je Willems ook in dit kamp moeten plaatsen) ging er ten onrechte van uit dat dit vrijwel de enige vorm van leren is. Vanaf het moment dat een kind echter andere cognitieve vermogens ontwikkelt, treden er ook andere leerprocessen op en is de uitkomst van straf en beloning veel minder duidelijk. Mensen doen immers ook dingen zonder dat er tastbare externe gevolgen zoals beloningen en straffen aan vasthangen, maar omdat ze bijvoorbeeld een interne beloning ervaren (het intrinsieke plezier) of iets persoonlijk waardevol vinden op lange termijn. Onderzoekers naar motivatie (in het bijzonder de ZelfDeterminatieTheorie, Deci & Ryan, 2000) stelden vast dat de externe beloningen en straffen enkel werken binnen de situatie waarop deze van toepassing zijn én onder dwang van controle. Zo zal een kind dat groenten moet eten omdat het dan een dessert krijgt, deze groenten vaak niet meer eten wanneer de ouders er niet zijn of er geen dessert is. Het kind houdt het aangemoedigde gedrag dus niet vol, het persisteert niet. Vaak is er ook geen zogenaamde transfer of positieve generalisatie (een term uit de gedragstherapie) naar andere situaties. Als het kind op vakantiekamp gaat, zal het misschien ook de groenten links laten liggen. Jongeren zullen bijvoorbeeld niet roken in bijzijn van hun ouders uit angst voor straf, maar misschien doen ze dit des te meer op weg naar en van school met vrienden. Om het in de vorm van een schema te zeggen: het kind leert niet het schema ‘als ik groente eet krijg ik een dessert’, maar ‘als ik groente eet in bijzijn van mijn ouders krijg ik een dessert’ en ‘of ik nu op kamp groenten eet of niet, een dessert krijg ik toch’. Zolang het kind niet echt geïnternaliseerd heeft dat groenten eten een wezenlijke bijdrage kan leveren voor zijn fysieke gezondheid en fitheid, is het gedrag niet persistent en zal het kind dit niet autonoom (uit zichzelf ) doen. De bewering van Iris Willems dat “Tim” dus “zelfs in andere situaties” zal geneigd zijn om zijn mening niet te uiten, is volkomen gratuit.

Foute uitleg over hersenwerking

“Zeer vereenvoudigd bestaat het menselijk brein uit drie hersensystemen die elkaar qua ontwikkeling opvolgen. Deze drie ontwikkelingsstadia van het brein werden geïdentificeerd door Paul McLean.” (blz. 61, op blz. 62 wordt een tekening gemaakt waaruit blijkt dat reptielen geen limbisch systeem zouden hebben, en een aap geen neocortex… - boek “Selfcoaching”).

Het is toch wel van een bedenkelijk niveau als Willems eerst verwijst naar LeDoux, een gerenommeerd wetenschapper, en dan met een compleet achterhaalde indeling van het “triune” brein komt aanzetten uit 1970. Als psychologe zou Willems toch mogen weten dat deze indeling niet klopt, en dat bijvoorbeeld alle primaten ook over een neocortex beschikken. Zelfs reptielen beschikken wel degelijk over een ‘limbisch systeem’ en een – weliswaar kleine – structuur die de functionele criteria van een neocortex heeft. Maar als ze het boek van LeDoux goed gelezen zou hebben, dan had ze toch niet over de analyse over de foute theorie van MacLean (juiste spelling!) hebben heengekeken. De theorie wordt namelijk van bladzijde 92 tot bladzijde 103 haarfijn gefileerd en naar de prullenmand verwezen… (Joseph LeDoux, The Emotional Brain)

De mythe van de eerste drie levensjaren

“De wortels van onze chronische stress liggen vaak in onze kindperiode. Ik wil hierbij benadrukken dat het niet altijd over heel zware trauma’s gaat die ons uiteindelijk in een chronische stress brengen. Veelal zijn het gebeurtenissen of uitspraken door ouders, broers, zussen, leerkrachten… die vanuit de beleving van een kind anders worden geïnterpreteerd of aangevoeld. Dit kindgevoel blijft dan hangen en kan door de jaren heen zo belastend worden dat een chronische stresssituatie ontstaat.” (blz. 112, boek “Selfcoaching”).

Ook hier grijpt Willems terug naar achterhaalde hypotheses, namelijk de veronderstelling dat onze persoonlijkheid quasi uitsluitend tijdens onze (vroege) kindperiode wordt gevormd en bovendien dat alle problemen terug te voeren zijn op de vroege jeugd. Het lijkt er zeer sterk op dat Iris Willems de aanhangster is van de hypothese dat alle problemen hun oorzaak vinden in de vroege jeugd, de voornaamste overtuiging van psychoanalytici zoals Freud, Jung en Lacan. Dit terwijl de huidige stand van de wetenschap laat zien dat erfelijkheid de grootste impact heeft op onze vijf grote persoonlijkheidstrekken (emotionele stabiliteit, mate van openheid, mate van vriendelijkheid en altruïsme, mate van extraversie en mate van consciëntieusheid) en op tal van psychiatrische aandoeningen (Bouchard & Loehlin, 2001; Kendler et al., 2009). Psychiatrische aandoeningen zijn aandoeningen van het brein, een orgaan dat net als andere organen in ons lichaam onder invloed staat van de genen en dus erfelijke factoren. Onderzoek naar persoonlijkheidsverschillen en naar bepaalde ziektes van het brein maken vaak gebruik van eeneiïge tweelingen die apart zijn opgegroeid (vooral de overeenkomsten en verschillen tussen eeneiige tweelingen – meestal wezen - die opgroeiden in aparte culturen genieten bijzondere aandacht omdat zij inzicht kunnen geven in de invloed van zogenaamde niet-gedeelde omgevingsfactoren). Zo is er bijvoorbeeld de onderzoeksgroep die onderzoek doet naar gedragsgenetica en die onder leiding stond van Tim Bouchard. Zij stelde vast dat virtueel alle persoonlijkheidskenmerken een belangrijke genetische component hebben. Eeneiige tweelingen hebben bijvoorbeeld dubbel zoveel persoonlijkheidskenmerken gemeen als andere verwante kinderen, zelfs wanneer zij in totaal verschillende omgevingen zijn opgegroeid. Sommige persoonlijkheidskenmerken zijn sterk bepaald door onze genenpool: agressie, autoritair gedrag, vermijdingsgedrag, conservatief denken, sociale verantwoordelijkheidszin, antisociaal gedrag en neiging tot depressie… voor al deze eigenschappen werd een sterke genetische component gevonden. Tot ongeveer 2000 dacht men dat persoonlijkheidsverschillen voor ongeveer 40 tot 60% aan de genen konden worden toegeschreven en de rest aan niet-gedeelde omgevingsfactoren. Sindsdien hebben een aantal ingenieus opgezette studies waarbij ook gebruik werd gemaakt van beoordelingen door meerdere personen aangetoond dat de genetische component groter is voor heel wat trekken: van 66 tot 81%. Gedeelde omgevingsfactoren (grotendeels het gezin waarin men opgroeit) verklaarde 0% van de verschillen (!) en de overige procenten waren niet noodzakelijk te zoeken in niet-gedeelde omgevingsfactoren maar in meetfout marge (voor een overzicht, zie Bouchard & Loehlin, 2001)! Zoals kan worden verwacht, werden ook voor de meeste problemen genetische oorzaken gevonden. De psychiater Kenneth Kendler werkte jarenlang aan onderzoek naar de genetische oorzaken van bepaalde ziektes, ook grotendeels gebaseerd op tweelingonderzoek (Virginia Twin Project). Zo komt hij met zijn onderzoekgroep onder meer tot de conclusies dat in zowat alle psychiatrische ziektebeelden genetische defecten een rol spelen. Op basis van concordantieverschillen berekent men bijvoorbeeld de ‘heritabiliteits’verschillen tussen eeneiige tweelingen en twee-eiige tweelingen. Hoe lager de overeenkomst tussen de concordance rates bij eeneiige (MZ of monozygote) en concordance rates twee-eiige (DZ of dizigote) tweelingen, hoe groter de impact van de genen. Bijvoorbeeld voor mazelen lopen zowel eeneiige als twee-eiige tweelingen een risico van 70% om ook ziek te worden. De concordantiecijfers zijn even hoog, dus is de oorzaak niet genetisch. Voor schizofrenie is de concordantie 50 tot 60% voor MZ en 15 tot 20% bij DZ. Dit leidt voor schizofrenie tot een heritabiliteitscijfer van 80 tot 84% (Cardno et al., 1999, Kendler et al., 2009). De genetische component wordt dus met andere woorden zeer groot. Uit de verschillen in concordantiecijfers tussen MZ en DZ kan men afleiden in welke mate erfelijkheid een rol speelt. Zo weet men ondertussen dat autisme, schizofrenie en bipolaire stoornissen (o.m. de manisch-depressieve stoornissen) een hoge heritabiliteit hebben, net zoals lichaamslengte en gewicht overigens. Maar ook paniekstoornissen en majeure depressie vertoonden hoge heritabiliteit (Kendler, 2001; Kendler et al., 2009). Nogmaals, ook onderzoek naar ‘normale’ verschillen in persoonlijkheidstrekken aan de hand van de zogenaamde Big Five (emotionele stabiliteit, openheid, extraversie, altruïsme en consciëntieusheid) leverde duidelijke bewijzen voor genetische heritabiliteit (Bouchard & Loehlin, 2001; Kendler et al., 2009,).

Dit alles is eigenlijk niet zo verwonderlijk voor wie ook maar de minste notie heeft van de evolutietheorie (ondertussen een theorum, wat wil zeggen dat evolutie een feit is, ook al zijn alle mechanismen van evolutie misschien nog niet bekend), want zelfs Darwin wees op het feit dat de mens er in slaagde bij tal van dieren (met als meest sprekende voorbeeld de hond) puur door kunstmatige selectie andere “mentale kwaliteiten” te kweken. Sinds vele tientallen jaren kweken genetici bepaalde eigenschappen, inclusief mentale, bij dieren in labo’s enkel op basis van kunstmatige selectie. Vermits wij grote verwantschap vertonen met andere zoogdieren, staat de impact van genen op ons gedrag en persoonlijkheid onomstotelijk vast.

Het idee dat alle gedragsproblemen en persoonlijkheidsstoornissen dus te maken hebben met trauma’s in de vroege jeugd moet naar de prullenmand worden verwezen (zie ook: The myth of the First three years, Bruer, 1999 en 50 great myths of popular psychology van Lilienfeld et al.,2010), dus ook het idee van chronische stress tijdens de ‘kindjaren’ dat Willems hier poneert. Dat wil niet zeggen dat sommige trauma’s in een aantal gevallen niet tot latere problemen zouden kunnen leiden. De werkelijkheid demonstreert dat dat jammer genoeg wel degelijk het geval is.

Methode uit de cognitieve gedragstherapie

Ten slotte wordt op de bladzijden 177 tot 179 een methode in 8 stappen uitgelegd die zo uit de cognitieve gedragstherapie is geplukt. Deze methode staat onder verschillende namen bekend, al naargelang de auteur: extinctietherapie, imaginaire exposure, ingebeelde bootstelling, visualisatie, rationeel-emotieve inbeelding. Om haar training te promoten beschrijft Willems in haar eerste stap natuurlijk dat je je eerst op alfa-niveau moet begeven “via de aangeleerde methodes in dit boek of door gebruik te maken van de QRB-methode® uit de Selfcoaching® trainingen.” De prototypische extinctietherapie zoals Wolpe die ontwikkelde, bestond er ook al uit de cliënt of patiënt met relaxatietraining te behandelen. Deze methode wordt op blz. 264 in het eerder geciteerde boek van Joseph Ledoux trouwens ook uiteengezet. De bewezen technieken worden vervormd en dit zonder enige vermelding van haar bronnen aan te geven, om ze in te passen in haar claims over alfa-trainingen. Als klap op de vuurpijl wordt ‘de methode’ onder een andere naam gepatenteerd wat lijkt te moeten suggereren dat het om een bijzondere uitvinding gaat die bescherming verdient...

Waarom geloven veel mensen dit?

Ons brein is onderhevig aan tal van biases of oordeelsvervormingen. We kunnen deze bekijken vanuit twee perspectieven: het perspectief van de getuige en het perspectief van de waarnemer. Vanuit het perspectief van de getuige kunnen we twee (maar er zijn er veel meer!) voorbeelden van oordeelsvervorming bekijken. Ten eerste is er de confirmatieneiging of de neiging om enkel die informatie op te merken die bij onze hypothese of overtuiging past. Deze selectieve aandacht voor details die ons vermoeden bevestigen is heel gekend bij wetenschappers, maar niet bij het grote publiek. Zo hebben we de neiging verbaasd te staan over de zogenaamde juistheid van horoscopen. Indien we 50% juiste informatie lezen in een horoscoop en 50% onjuist, dan onthouden we toch vooral wat juist is (dit valt ook te verklaren vanuit een andere bias: namelijk de bias voor positief gekleurde informatie). Mensen die wanhopig op zoek zijn naar oplossingen voor hun lijden, zijn bovendien extra gevoelig voor de confirmatieneiging. Een tweede voorbeeld is onze neiging om hiaten in ons verhaal aan te vullen. Ons geheugen werkt immers niet perfect en is zeker geen harde schijf waar men alle informatie opslaat, maar een deel van ons brein waarbij herinneringen worden gereconstrueerd of opgeroepen en waarbij informatie wordt weggelaten en toegevoegd. Vandaar dat de bewering dat je volledige toegang kunt krijgen tot je geheugen om je zaken uit je vroege jeugd te herinneren complete nonsens is.

Bij diegene die een getuigenis hoort, leest of ziet is vooral het sociaal bewijs werkzaam. Sociaal bewijs betekent dat we iets geloven omdat (vele) anderen het ook geloven. Evolutionair gezien was het nuttig om mensen uit jouw omgeving snel te geloven, en heeft natuurlijke selectie ervoor gezorgd dat deze eigenschap behouden bleef. Zo kon je als kind maar beter lichtgelovig zijn om te overleven, anders zou je nuttig advies wegwuiven (“let op voor leeuwen”) en bijvoorbeeld een gewisse dood tegemoet gaan. Of je kan als volwassene maar beter meelopen als andere mensen het in de savanne plots op een lopen zetten. Er was immers een grote kans dat er daadwerkelijk gevaar dreigde (bijvoorbeeld een leeuw of een vijandig stam). De bias van het sociaal bewijs zorgt ervoor dat we andere mensen geloven, een effect dat nog sterker wordt naarmate we ervan overtuigd raken dat er veel mensen in geloven, ook bekend als het Bandwagon effect (vandaar het succes van slagzinnen zoals ‘al meer dan tien miljoen gebruikers!’). Dit zijn allemaal gevolgen van de evolutie van ons brein, waarbij het volgen van de groep vaak nuttig bleek (b.v. bij gevaar).

Kortom, wij kunnen veel minder goed omgaan met wetenschappelijke analyses, abstracte feiten en statistieken dan met verhalen van en over concrete mensen (dit wordt meer uitvoerig toegelicht en wetenschappelijk onderbouwd in Irrationaliteit van Stuart Sutherland). We geloven sneller een verhaal over één persoon of succesverhalen dan gedegen onderzoekswerk dat gedurende vele jaren werd verricht in alle delen van de wereld.

Een uiterst negatief verdict

De geraadpleegde experts schreven me onafhankelijk van elkaar telkens ongeveer hetzelfde: er worden een aantal zaken geponeerd die een samenraapsel van ideeën uit de new-age en eventueel uit de neurofeedbackwereld lijken. Deze ideeën worden vervolgens gemengd om ze een aura van wetenschappelijkheid te geven en vervolgens een (alfa)training aan te bieden die zonder EEG controle de hemel op aarde belooft, waarin leken en lichtgelovigen vlot intrappen. Bizar dat Prana bijvoorbeeld geen “brain-machine” zoals ze dit zelf noemt koopt, want voor een paar duizend euro kan je deze kopen. Het zou voor haar cursisten leuk zijn als ze zouden kunnen zien dat ze aan het eind van de opleiding, maar meer nog, na 6 maanden een echter verandering in de alfa-staat zouden zien. Dan is er sprake van een blijvend effect (dan moet wel nog worden uitgezocht waardoor dit komt: door het placebo-effect of door een echte verandering op basis van de training – dat zou pas baanbrekend zijn en zou haar broodje nog meer gebakken zijn…). Echt bewijs zou echter pas geleverd worden wanneer onafhankelijke experts dit effect onderzoeken. Er zijn ongetwijfeld academici die dit willen onderzoeken als ze er de nodige geldmiddelen voor ter beschikking gesteld krijgen. Ik blijf het dus intrigerend vinden dat ze geen EEG-apparatuur gebruikt, maar enkel maar de mensen zichzelf laat overtuigen door hun verwachtingspatroon en wat ze achteraf subjectief voelen.

Er zijn wel wetenschappers, psychologen, neuropsychiaters en neurochirurgen die vinden dat neurofeedback (en geen alfatraining) verder serieus onderzocht moet worden, maar dat men nog geen positieve conclusies kan trekken. De wetenschappers (zoals Gruzelier) die onderzoek naar effecten van alfa-biofeedback doen, geven ook zelf toe dat het onderzoek nog in zijn kinderschoenen staat. Er zijn wel bewijzen dat je kan leren om een computer te sturen met alfa en mu-golven, en zelfs muziek componeren, maar daardoor verandert je eigen gedrag nog niet (Carroll & Boel, 2010). Maar dit alles laat ons dus helemaal niet toe om de alfa-claims te aanvaarden van enkele commerciële bedrijven…Nog afgezien van het feit dat alfa-training tijdelijk een verandering in de alfa-golven zou opleveren, dan is dit nog steeds geen bewijs dat er een blijvende verandering of blijvend voordeel optreedt.

Dat Prana niet alleen onbewezen claims doet over haar Alfa-training, maar ook op andere terreinen de bal wetenschappelijk mis slaat blijkt ook uit tal van andere vermeldingen op de website. Er wordt ook verwezen naar tal van andere bedenkelijke pseudowetenschappelijke benaderingen zoals MBTI®, NLP (Neurolinguïstisch programmeren)5 en SelfShiatsu (een vorm van zelfmassage, meer bepaald Chinese “acupressuur” waarvan onterecht wordt beweerd dat zij gunstige effecten heeft op de gezondheid. Eén van haar vragenlijsten suggereert dat je je immuniteit kan verhogen, kijk maar naar volgende vraag: “hoe kan ik mijn immuniteit verhogen zodat ik weerbaarder word tegen virussen en bacteriën?”.

Dit mag allemaal niet verwonderlijk heten . Wie weet wat Prana betekent, kan raden waar Willems de New-Age mosterd vandaan haalt. Prana is de “allesdoordringende vitale energie van het universum” volgens het hindoeïsme… Het is nog maar de vraag of beweringen in de medische sfeer niet strafrechtelijk vervolgbaar zijn, zoals bijvoorbeeld haar claims dat haar alfa-trainingen mensen van hun slaapproblemen zullen afhelpen en hun immuniteit kunnen versterken. Bovendien, wie in België iets verkoopt moet rekening houden met de wetten inzake eerlijke handelspraktijken en de bescherming van de consument, en moet bewijs kunnen leveren dat hij zijn beloften kan waarmaken (Willem Betz in het voorwoord bij het boek “Het woordenboek van de skepticus, Robert Carroll & Herman Boel).

Het pseudowetenschappelijke bootje met de alfa-claims dobbert voorlopig nog op de (hersen)golven voort.

Patrick Vermeren

Met dank aan:

  • Geert De Bruecker, neuropsychiater
  • Dirk Koppenaal, medisch bioloog
  • Geerdt Magiels, bioloog en wetenschapsfilosoof
  • Patrick Cockx, advocaat
  • Prof. Dirk De Ridder, neurochirurg
  • Edwin Verstraeten, neuropsycholoog
  • François Dumoulin, docent psychologie

Bronnen en verder lezen

  • Arns, M., de Ridder, S., Strehl, U., Breteler, M. & Coenen, A. (2009) Efficacy of Neurofeedback Treatment in ADHD: The effects on Inattention, Impulsivity and Hyperactivity: a Meta-Analysis. Clinical EEG and Neuroscience; 40(3), blz. 180 tot 189.
  • Beyerstein, B.L. (1985). The myth of the alpha consciousness. Skeptical Inquirer 10, blz 42 tot 59.
  • Beyerstein, B. (1999). Pseudoscience and the Brain: Tuners and Tonics for Aspiring Superhumans. In S. Della Sala, “Mind myths: Exploring popular assumptions about the mind and brain (blz 59 tot 82). Wiley & Sons.
  • Bouchard, T.J., & Loehlin, J.C. (2001). Genes, Evolution, and Personality. Behavior Genetics, Vol. 31, No. 3.
  • Bruer, J.T. (2009). The myth of the first three years. The Free Press, New York.
  • Cardno, A. G., Marshall, E. J., Coid, B., Macdonald, A. M., Ribshester,T. R., Davies, N. J., Venturi, P., Jones, L. A., Lewis, S. W.,Sham, P. C., Gottesman, I. I., Farmer, A. E., McGuffin, P.,Reveley, A. M., & Murray, R. M. (1999). Heritability estimates for psychotic disorders. Arch. Gen. Psychiatry 56: blz. 162 tot 168.
  • Carroll, R.T., & Boel, H. (2010). Het woordenboek van de skepticus. Uitgeverij Lannoo. Blz. 67: Alfa-golven.
  • Cialdini, R. (2009, 5de druk). Invloed. De zes geheimen van het overtuigen. Uitgegeven bij Academic Service.
  • Corballis, M. (1999). Mind Myths. Exploring Popular Assumptions About the Mind and Brain in Della Sala (ed.) Wiley, John & Sons.
  • Deci, E. L., & Ryan, R. M. (2000). The ‘what’ and ‘why’ of goal pursuits: Human
  • needs and the self-determination of behavior. Psychological Inquiry, 11,
  • blz. 227 tot 268.
  • Druckman, D & Swets, J.A. (eds.) (1988). Enhancing Human Performance: Issues, Theories, and Techniques, National Academy Press.
  • Gazzaniga, M. S. (1998). The split brain revisited. Scientific American, 279, blz. 50 tot 55.
  • Gevensleben, H., Holl, B., Albrecht, B., Schlamp, D., Kratz, O., Studer, P., et al. (2009). Distinct EEG effects related to neurofeedback training in children with ADHD: A randomized controlled trial. International Journal of Psychophysiology: 74(2), blz. 149 tot 157.
  • Gruzelier, J. (2009). A theory of alpha/theta neurofeedback, creative performance enhancement, long distance functional connectivity and psychological integration. Cognitive Processing, vol. 10(Suppl1), S101 tot S109
  • Hardt, J.V., Kamiya, J. (1978). Anxiety change through electroencephalographic alpha feedback seen only in high anxiety subjects. Science 201 (4350): blz. 79 tot 81.
  • Holtmann, M., Grassmann, D., Cionek-Szpak, E., Hager, V., Panzer, N., Beyer, A., Poustka, F. & Stadler, C. (2009). Spezifische Wirksamkeit von Neurofeedback auf die Impulsivitat bei ADHS - Literaturuberblick und Ergebnisse einer prospective, kontrollierten Studie. Kindheit und Entwicklung.
  • Kayiyama, J. (1968) Conscious control of brain waves, Psychology Today 1 (1968), blz. 57 tot 60.
  • Kendler, K.S., J. Myers, J. Potter & J. Opalesky. (2009). A web-based study of personality, psychopathology and substance use in twin, other relative and relationship pairs. Twin Res. Hum. Genet. 12: blz. 137 tot 141.
  • Kendler, K.S. (2001). Twin Studies of Psychiatric Illness, An Update. Archives of General Psychiatry, vol. 58, blz. 1005 tot 1014.
  • Klimesch, W., Sauseng, P., Hanslmayr, S. (2007) EEG alpha oscillations: The inhibition-timing hypothesis. Brain Res Rev 53: blz. 63 tot 88.
  • Koppenaal, D. ( 2007). Neurofeedback. Skepter, 20,2.
  • Ledoux, J. (1996). The emotional brain. Simon & Schuster, New York.
  • Lilienfeld, S.O., Lynn, s. J, Ruscio, J., Beyerstein, B.L. (2010). 50 Great Myths of popular psychology. Wiley-Blackwell. (over de 10% Mythe: blz. 21 tot 24 – over biofeedback en “alpha consciousness”: blz. 42)
  • McCrone, J. (1999). “Right brain” or “left brain” – Myth or reality? New Scientist, 2193.
  • Mehrabian, A., & Ferris, S. R. (1967). Inference of Attitudes from Nonverbal Communication in Two Channels. Journal of Consulting Psychology, 31(3), blz. 248 tot 252.
  • Mehrabian, A. (1981). Silent messages: Implicit communication of emotions and attitudes. Belmont: Wadsworth.
  • Mehrabian, A. (1972). Nonverbal communication. Oxford: Aldine-Atherton.
  • Petsche H., Kaplan S., von Stein A., Filz, O. (1997). The possible meaning of the upper and lower alpha frequency ranges for cognitive and creative tasks. International Journal of Psychophysiololy, 26: blz. 77 tot 97.
  • Ramsay, J. Russell (2010). Nonmedication treatments for adult ADHD: Evaluating impact on daily functioning and well-being, (blz. 109 tot 129). Washington, DC, US: American Psychological Association, xi, 236 pp. 49. Chapter Neurofeedback and neurocognitive training.
  • Sucholeiki, R., & Louis, S. (2008). Normal EEG Waveforms. eMedicine Updated: Nov 6, 2008. http://emedicine.medscape.com/article /1139332 -overview.
  • Society for neuroscience (www.sfn.org )
  • http://faculty.washington.edu/chudler/tenper.html

1 Er zijn verschillende slaapstadia.

2 Edwin Verstraeten promoveerde op onderzoek naar biofeedback bij slaapproblemen; hij maakt bij zijn behandelingen gebruik van kwantitatieve EEG analyses, neuropsychologisch onderzoek, neurofeedback en neurostimulatie therapie. Hij werkt samen met Prof. Dirk De Ridder, neurochirurg van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen, bijvoorbeeld voor de behandeling van tinnitus (oorsuizen).

3 Er is allesbehalve wetenschappelijke eensgezindheid over de status van biofeedback of neurofeedback. Volgens Dirk Koppenaal is er (nog steeds) geen bewijs geleverd dat het om een andere werking gaat dan b.v. operante conditionering en zijn blijvende veranderingen in hersenactiviteit nooit aangetoond. Ook neuropsychiater Geert De Bruecker geeft aan dat het onderzoek naar neurofeedback in de kinderschoenen staat en dus ook niet als referentiemateriaal kan worden gezien om te vergelijken met de beweerde effecten van alfa-trainingen. Hij vindt dat verder onderzoek gewenst is. Anderzijds zijn er mensen die promoveerden op het onderwerp neurofeedback bij slaapstoornissen (Edwin Verstraeten) en staan er publicaties van wetenschappers zoals Barry Sterman (http://www.skiltopo.com/html/sterman.htm ), Marco Congedo (http://sites.google.com/site/marcocongedo/ )en Juri Kropotov (http://www.neuroscience.spb.ru/?page=cv&id=32&action=show) in toptijdschriften zoals Science. Dit onderzoek staat nog in de kinderschoenen. Ook voor ADHD, zit het onderzoek in de “verkennersfase” en is er nog veel aanvullend onderzoek nodig. In Nederland heeft het College van ZiektekostenVerzekeraars in 2008 besloten dat neurofeedback niet meer vergoed wordt vanwege gebrek aan voldoende wetenschappelijk bewijs. Maar nogmaals, dit onderzoek naar neurofeedback heeft niets te maken met de claims over alfa-trainingen.

 

4 Zie voor een eenvoudig overzicht ‘Right Brain’ or ‘Left Brain’ – Myth or Reality van John McCrone in The New Scientist (2000)

5 Zie voor een uitgebreide bespreking: “De HR-ballon. 10 populaire praktijken doorprikt”. Patrick Vermeren, Uitgegeven bij Academia Press te Gent.

 

Authors
Patrick Vermeren
Publicatiedatum
03-10-2013
Opgenomen in
Psychologie & Coaching