artikel van skepp
artikel van skepp uit wonder
bericht uit het forum
nieuws van zusterorganisatie
nieuws van skepp
nieuws uit de pers
recent bericht uit het forum
Ik ben lid geworden in 1996 (telt na en schrikt) ... dat is al zestien jaar!
Dankzij Etienne Vermeersch. Toen ik nog moraalwetenschappen studeerde zag ik hem in de Blandijn een oproep doen om lid te worden van SKEPP. De manier waarop hij uitlegde wat het skepticisme* inhoudt en hoe SKEPP te werk gaat, vond ik – bovenop zijn lessen over geloof en bijgeloof – zo inspirerend dat ik lid werd.

Dat ik hierdoor zo geïntrigeerd was, heeft een voorgeschiedenis: mijn broer is Getuige van Jehova. Ik heb me altijd al kritische vragen gesteld bij zijn opvattingen, in het bijzonder bij zijn creationisme. De discussies die daaruit voortvloeiden, hebben zeker een kritische reflex bij mij getriggerd.
De kiem daarvan werd dan weer iets vroeger gelegd, bij mijn overstap van een katholieke school naar het gemeenschapsonderwijs. Die merkbaar andere mentaliteit, en het pedagogische klimaat daar, waren enorm bevrijdend en stimulerend. Dat gold bij uitstek voor de lessen zedenleer.
Mijn skepticisme en engagement voor SKEPP zijn dus ontstaan als reactie op één ding, het creationisme van mijn broer, al heeft dat onze verstandhouding nooit ondermijnd. Dat geldt, denk ik, voor de meeste skeptici: niemand wordt geboren als een totaal-skepticus, die reflex wordt eerder aangewakkerd door iets dat je tegen de borst stuit. Weinigen beslissen ook om uit puur theoretisch-filosofische redenen bij een skeptische organisatie te gaan, men vertrekt meestal vanuit de praxis.
Zelfs mensen als Wim Betz, stichtend lid van SKEPP en een van de belangrijkste figuren in de strijd tegen de erkenning van alternatieve geneeswijzen. Hij heeft zélf nog homeopathie bedreven! Totdat hij vaststelde dat hij aan een van zijn patiënten, een dame die heel tevreden was over de behandeling en ‘genezen’ leek, het verkeerde middel had voorgeschreven. Dat was voor hem de aanleiding om zichzelf kritisch in vraag te stellen.
Sinds 1998 ben ik bestuurslid. Daarnaast zit ik nog altijd in de redactie van ons tijdschrift Wonder en is gheen Wonder, en speel ik een grote rol in alles wat met de website te maken heeft. Verder blijf ik actief debatteren en discussiëren op fora.
Zelf zou ik mijn functie bij SKEPP omschrijven als die van ‘bruggenbouwer’ of verbindingsman: de vinger aan de pols houden, onze coryfeeën alarmeren en hun analyses en argumenten doorcommuniceren naar ‘het brede publiek’.
Hierbij zagen we altijd weer, tot vervelens toe, dezelfde kwesties en ‘argumenten’ terugkomen. Die speelde ik dan door naar mensen als Vermeersch. Op basis van hun output kon ik die terugkerende thema’s als FAQ’s (Frequently Asked Questions) structureren op onze website. Zo moet je niet voortdurend hetzelfde herhalen, volgens dezelfde patroontjes ... daar word je moedeloos van!
Het vechten tegen de bierkaai (zucht). Je mag als skepticus nooit te veel verwachten van het resultaat van al je inspanningen. Het helpt wel om te weten dat mensen heel veel psychische barrières moeten overwinnen voor ze tot een attitude change komen.
Je mag als skepticus nooit te veel verwachten van het resultaat van al je inspanningen.
Affectieve factoren blijven primeren op cognities, met die laatste kun je veel flexibeler omgaan. Als dat gebeurt omdat men niet beter weet, tot daar, maar ik kan er echt niet tegen als dat wordt ingegeven door allerhande verborgen agendapunten. Intellectuele oneerlijkheid, daarvoor ben ik vreselijk allergisch. Geen enkel sterk verdund homeopathisch middeltje zal daar iets aan kunnen verhelpen.
Verder begrijp ik niet dat mensen zo lichtgeraakt reageren als je hun wereldbeeld ter discussie stelt. Mij is dat volkomen vreemd, ik vind het juist een heerlijk gevoel om overtuigingen, waarvan je merkt dat ze niet deugen, opzij te schuiven en te vervangen door beter doordachte opvattingen.
Nog iets waar ik me aan erger zijn de vele vooroordelen en de voortdurende valse beschuldigingen aan het adres van SKEPP, bijvoorbeeld dat we omgekocht zouden zijn door de farmaceutische industrie. Bullshit: onze boekhouding is open, kijk ze gerust na.
De intensiteit van de actie stijgt bij SKEPP altijd naargelang de schadelijkheid van het fenomeen dat we bestrijden.
Veel mensen lijken ook te denken dat we emotieloze freaks zijn. Onzin! Er is een juiste plaats en context voor alles, dat houd ik altijd in m’n achterhoofd.
Mijn moeder is bijvoorbeeld diepgelovig: een volks geloof met een flinke dosis Mariadevotie. Zo laat ze altijd een kaars in huis branden. Geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt daarover te beginnen zaniken! Ik steek die zelfs terug aan als ze dooft, omdat ik weet hoe belangrijk dat voor haar is. Dat heeft niets te maken met verzaken aan je skepticisme.
Skeptici zijn lang niet zo drammerig of agressief als ze worden afgeschilderd. Dat komt volgens mij omdat de pen vaak zoveel scherper is dan het gesproken woord. Op papier durven we al eens woorden te gebruiken als ‘kankerkwak’ (in verband met een arts die dubieuze, onzinnige therapieën sleet aan zijn wanhopige kankerpatiënten en daar bakken geld mee verdiende). Soms is dat nodig om mensen wakker te schudden. De intensiteit van de actie stijgt bij SKEPP altijd naargelang de schadelijkheid van het fenomeen dat we bestrijden.
Deel uitmaken van een organisatie die je ziet groeien en professionaliseren. Ik blijf graag in discussie gaan met creationisten, vooral omdat je daardoor je arsenaal aan argumenten steeds verder uitbreidt en verfijnt. Het blijft een zekere amusementswaarde hebben.
Hoewel de kracht van het woord en het argument zelden volstaan om iemand van mening te doen veranderen, blijft het verspreiden van rationele argumenten belangrijk. Er zal altijd wel iets doorsijpelen in iemands belief system. Daardoor kan die persoon later, eventueel onder invloed van andere factoren, wel bijdraaien.
Op persoonlijk vlak: het moment waarop ik bestuurslid werd. Ook mijn bijdrage tot de groei van SKEPP is iets waarop ik niet zonder trots terugkijk.
In de periode 1990-1997 telde SKEPP vijftig tot zestig leden. Ik heb me daar toen in mijn studentenperiode keihard ingesmeten, de deuren van alle faculteiten platgelopen en eindeloos geflyerd. Mede dankzij die inzet is het ledenbestand toen merkbaar uitgebreid, tot meer dan 160 leden. Jean Paul Van Bendegem heeft daar ooit een statistische analyse van gemaakt en noemde dat het ‘Schoepen-effect’.
Een ander persoonlijk hoogtepunt is het uit de grond stampen van onze website, waarover ik het al eerder heb gehad. SKEPP telt nu bijna duizend leden, maar dat is echt wel het resultaat van teamwork.
Hetzelfde geldt voor ons tijdschrift, dat werd opgestart door Tim Trachet en mezelf. Aanvankelijk was het nauwelijks meer dan een nieuwsbrief. Steunend op mijn opleiding als grafisch vormgever heb ik daar veel energie in gestoken. Onder mijn hoofdredacteurschap is het geëvolueerd tot wat het nu is. De kernredactie werd stelselmatig uitgebreid, onder meer met Johan Braeckman en Griet Vandermassen, die nu als hoofdredacteur de fakkel van mij heeft overgenomen.
Als organisatie vind ik vooral onze impact op bepaalde dossiers mooi. Zonder SKEPP zou alternatieve geneeskunde al lang erkend zijn, daar ben ik zeker van. Die impact deed zich ook internationaal gevoelen. Wim Betz wist via een geheim rapport dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op het punt stond homeopathie te erkennen. Hij heeft er toen voor gezorgd dat er een groots opgezet internationaal artikel werd gepubliceerd, ook in de VS, waar het de aandacht trok van The Lancet. Onder die toenemende druk heeft de WHO uiteindelijk zijn staart ingetrokken. Van resultaat gesproken!
Op menselijk vlak koester ik de warme vriendschappen met onder andere Etienne Vermeersch en Wim Betz, twee mensen die ik als mijn intellectuele vaders beschouw.
Een mooie anekdote in dat verband is een vergadering in 2003 in Schilde, bij Gustaaf Cornelis thuis. Ook Etienne Vermeersch en Gustaafs vader, Jef Cornelis, waren aanwezig. Op een bepaald moment – er was al heel wat alcohol gevloeid – stapt Jef op Vermeersch af, gaat achter hem staan, legt beide handen amicaal op zijn schouders en zegt: ‘Etienne, jong, gij gaat voor ons eens een liedje zingen.’ In tegenstelling tot wat iedereen verwachtte, staat Etienne op, neemt Jefs nep-micro vast, en begint in het Frans te zingen: ‘Quand nous chanterons le temps des cerises / Et gai rossignol et merle moqueur ...’ Strofe na strofe bracht hij daar Le temps des cerises.
In het begin reageerde iedereen nog jolig en lacherig, maar naarmate het lied vorderde zaten we daar allemaal met een krop in de keel. Nog een bewijs dat rationaliteit en emotionaliteit, of zelfs sentimentaliteit, geen onverenigbare eigenschappen zijn!
Mijn vrijzinnig-humanistische overtuiging is onlosmakelijk verweven met mijn skepticisme en engagement binnen SKEPP. Het kritiekloos slikken van opinies is sowieso nooit aan mij besteed geweest: de intellectuele bevrijding van zich niet door dogma’s te laten beperken is gewoonweg heerlijk.
Natuurlijk leef ook ik in pertinente onzekerheid, maar daarin ben ik een echte Albert Camus-adept: ik heb geen bovennatuurlijke zaken nodig om met die existentiële onzekerheid en contingentie om te gaan. Als je weet dat het leven geen intrinsieke zin heeft begint de uitdaging om zelf zin te geven.
Daarnaast geloof ik dat iedereen, ongeacht achtergrond of intellectuele mogelijkheden, in staat is om helder te denken. Ik heb in Bobbejaanland mensen leren kennen die zonder veel scholing of diploma’s helderder en kritischer nadachten dan veel kwieten die op de Blandijn rondlopen.
Iedereen is welkom: hoe meer leden hoe beter. Er waait sinds kort ook een frisse wind: ‘Jong SKEPP’ is van de grond aan het komen. Je mate van engagement bepaal je zelf. Je kan ook passief lid zijn, of lid uit sympathie. Je wordt tot niets verplicht. Je moet ook geen schrik hebben: mensen zijn soms een beetje geïntimideerd door zo’n mondige omgeving, maar dat is helemaal niet nodig. Niet stagneren, dat is de opdracht!
Wij zouden heel blij zijn mocht de terugbetaling van alternatieve geneeswijzen kunnen worden teruggedraaid. Terugbetaling is een gevaarlijk signaal, want mensen leiden daar namelijk de werkzaamheid uit af. Ook een terugkeer naar de situatie van voor de wet-Colla* zou ons tevreden stemmen.
Maar als we echt mogen dromen, zou ik wensen dat we SKEPP zouden kunnen opdoeken, omdat we overbodig geworden zijn.
Noten:
* Skeptici schrijven skepticisme met een k om het te onderscheiden van het wijsgerige scepticisme, dat in de vijfde eeuw v.C. in Griekenland ontstond. Dit filosofi- sche scepticisme stelt dat het streven naar betrouwbare kennis inherent problematisch, of zelfs onmogelijk is. Skepticisme aanvaardt wél hypothesen over de werke- lijkheid, als ze maar de toets van het onderzoek door- staan hebben.
* In april 1999 werd de wet-Colla aangenomen, een ka- derwet die de zogenaamde niet-conventionele behan- delwijzen de mogelijkheid biedt om te ijveren voor een erkenning als beroepsgroep. Zo’n erkenning is echter na meer dan tien jaar nog geen feit. Van de wet-Colla zijn immers verschillende essentiële artikels en uitvoerings- besluiten nog niet in werking getreden.
De figuur van de apostel Thomas, die niet wilde geloven dat Jezus verrezen was tot hij hem had gezien en diens wonden gevoeld, dient hier in dit overigens weinig Bijbelse kader als voorbeeld. Jezus berispte Thomas met de woorden: ‘Zalig zijn zij die niet zien en toch geloven’, maar Braeckman en Boudry laten zien dat Thomas gelijk had om ongewone beweringen niet zomaar aan te nemen. Of waarom een skeptische houding een gezonde houding is. De auteurs gebruiken voor dit boek de term scepticisme (met een c), waarbij ze een duidelijk onderscheid maken met het radicale scepticisme – of pyrrhonisme, de filosofische houding. Braeckman en Boudry tonen juist aan dat, net als bij Thomas, vertrouwen in de empirische wetenschap wel loont, mits gecombineerd met kritisch denken.
Het boek gaat niet zozeer over de skeptische houding zelf, maar over die menselijke activiteiten waar een skeptische houding jammerlijk ontbreekt; over misleidingen, (zelf)bedrog, lichtgelovigheid, ... enfin, over datgene wat leidt tot pseudowetenschap, bijgeloof en andere flauwekul. Het is daarbij niet de bedoeling het zoveelste overzicht van al deze flauwekul te geven. De auteurs leggen in de eerste plaats de redenen bloot die de flauwekul mogelijk maken. Ze proberen een overzicht te geven van de diverse mechanismen die ons van het kritische denken doen afwijken. Daarbij baseren ze zich op recent wetenschappelijk (vooral psychologisch) onderzoek.
De gemiddelde lezer van Wonder is met een aantal van die mechanismen zeker al vertrouwd, in de eerste plaats met de visuele en andere illusies, die door goochelaars gebruikt worden. Maar dat is nog maar het begin. Zo zijn er de vele fouten in het menselijk geheugen, wat ondermeer de treurige oplichterij van de ‘verdrongen herinneringen’ mogelijk maakt.
Een andere belangrijke bron van misleiding is zelfbedrog, met als nevenverschijnsel de cognitieve dissonantie, het verschijnsel dat de meeste mensen liever de waarheid geweld aandoen dan zichzelf ongelijk te geven, omdat ze zichzelf nu eenmaal niet al een idioot beschouwen. Cognitieve dissonantie is vaak verantwoordelijk voor het krampachtig vasthouden aan weerlegde opvattingen.
Samenzweringstheorieën krijgen een hoofdstuk apart. Terecht, want ook hier werken bijzondere psychologische mechanismen die ons zulke opvattingen graag doen geloven. Zo krijgen ook hoaxen en vervalsingen veel aandacht. Dat gaat dan over cryptozoölogie (verhalen over zeemonsters, de Yeti, Nessie enzovoort), maar ook over de befaamde kunstvervalser Han van Meegeren, die met zijn valse Vermeers talloze experts kon misleiden.
Die verschillende psychologische mechanismen worden toegelicht aan de hand van concrete voorbeelden van misleiding en pseudowetenschap. De auteurs willen en kunnen daarbij zeker niet volledig zijn. Wel beschrijven ze enkele zeer uitgebreide gevallen – soms echte case studies – waarvan sommige geïnspireerd zijn door eigen onderzoek en ervaring. Bij de cryptozoölogie gaat de meeste aandacht naar Bigfoot, de Noord-Amerikaanse variant van de Yeti, wellicht omdat Johan Braeckman de streken waar dit aapachtig wezen geacht wordt te vertoeven, zelf verkend heeft. Bij de complottheorieën staat het complotdenken rond 9/11 centraal (concreet: de opvatting dat de Amerikaanse overheid zelf de aanslagen van 11 september organiseerde of ze minstens toeliet zonder in te grijpen). Misschien is het gedoe rond 9/11 niet zo representatief voor complotdenken in het algemeen. Veel samenzweringstheorieën zijn plausibeler en minder grotesk, maar dit geval is met de recente tiende verjaardag weer razend actueel geworden, en zoals bekend trad Johan Braeckman in discussie met de complotdenkers van de Belfort-group (zie elders in dit nummer).
Als filosofen gaan de auteurs ook in op het filosofische aspect van het verschijnsel pseudowetenschap. Eens te meer stellen ze vast dat er een verschil is tussen al wat volgens bepaalde demarcatiecriteria geen echte wetenschap is aan de ene kant en eigenlijke pseudowetenschap aan de andere kant. Pseudowetenschap heeft zo zijn specifieke eigenschappen. Aanhangers van een pseudowetenschap hanteren immunisatiestrategieën om hun opvatting te beschermen tegen alles wat daarmee in strijd kan zijn.
De aanpak van Braeckman en Boudry is leerrijk en inspirerend. Bepaalde beweringen roepen wel vragen op. Zo schenken de auteurs veel aandacht aan de theorie van de Amerikaanse evolutiebioloog Trivers dat zelfbedrog het gevolg is van een evolutionaire aanpassing. Anders gezegd: zichzelf iets wijsmaken kan ons, mensen, een evolutionair voordeel geven. Zelf zeggen ze dat er bedenkingen tegen die theorie mogelijk zijn, maar waarom besteden ze er dan zoveel aandacht aan? Een andere opmerking: in het hoofdstuk over religie wordt bijzonder veel aandacht besteed aan experimenten rond de meetbare effecten van bidden (met name voor de genezing van zieken). Dat die (in wezen onnozele) experimenten geen positieve resultaten opleverden, is duidelijk. Maar stel dat ze toch iets hadden opgeleverd, wat zou daarmee zijn aangetoond? Hoogstens dat bidden op een of andere manier helpt, maar niet eens dat een god (welke god overigens?) daarvoor verantwoordelijk is.
De ongelovige Thomas heeft een punt is dus niet het zoveelste overzicht van de pseudowetenschappen. Het is vooral een boek over kritisch denken – of het gebrek daaraan. Het wil in de eerste plaats de lezer aanzetten tot kritisch denken, met het besef dat wat we denken en waarnemen niet altijd even betrouwbaar is. Dat is op zich een moeilijke opdracht.
Johan Braeckman en Maarten Boudry: De ongelovige Thomas heeft een punt. Een handleiding voor kritisch denken. Met een voorwoord door Jean Paul Van Bendegem. Antwerpen/Utrecht: Houtekiet 2011
ISBN 978 90 8924 188 7
344 pp, 22,50 euro.
Tim Trachet is journalist en stichtend lid/erevoorzitter van SKEPP.
Op 8 september 2011, bijna exact tien jaar na de aanslagen van 9/11, wijdde het televisieprogramma Koppen een item aan complottheorieën over 9/11. Een link naar de uitzending is te vinden op www.ongelovigethomas.be.
De televisieploeg die het item maakte, vroeg me om commentaar bij de beweringen van enkele Vlaamse verdedigers van complottheorieën. Op 5 september 2011 was ik op vraag van het programma aanwezig op een bijeenkomst van de zogenaamde Belfort-group in Ertvelde, waar meerdere sprekers hun visie uiteenzetten over de gebeurtenissen van 9/11. De Belfort-group (niet te verwarren met de Belfortgroep, die aan het Vlaams Belang gerelateerd is) verenigt een groot deel van de Vlaamse aanhangers van complottheorieën, niet enkel wat betreft 9/11, maar ook omtrent bijvoorbeeld vaccinatie en zogenaamde chemtrails. Wonder en is gheen Wonder informeerde u reeds uitvoerig over de bizarre opvattingen van de Belfort-group, die naar eigen zeggen ongeveer 1700 leden telt. Cliff Beeckman: Gevaarlijke luchtkastelen. Complotdenken met de Belfort-group (Wonder en is gheen Wonder, nr. 3, jrg. 10, 2010).› Voor de makers van Koppen me contacteerden, kende ik niemand van de groep persoonlijk. Mijn kritische informatie haalde ik vooral uit het artikel van Cliff Beeckman en van de website van een blogger die zich (ap) noemt. (http://poppenkast.wordpress.com/ap/). De website van de Belfort-group vindt men op http://www.belfort-group.eu/ De drijvende kracht achter de Belfort-group is Peter Vereecke, oud-burgemeester van Evergem (1995-2000). Vóór de bijeenkomst in Ertvelde hadden Vereecke en ik contact per e-mail. Hij informeerde me over het verloop van de avond, legde me uit wie de sprekers waren en nodigde me uit om tussen te komen wanneer ik dat wilde. Onze correspondentie was beleefd en correct. Peter Vereecke is een klassiek filoloog. Hij schrijft helder en intelligent, met gevoel voor humor en, in mijn ervaring, met respect voor mensen waarvan hij weet dat ze het volkomen oneens zijn met hem. Het maakt de hele situatie alleen maar extra bevreemdend.
Bush en zijn elite
Toen ik in Ertvelde arriveerde, zat de zaal reeds afgeladen vol. Ik schat dat er zo’n tweehonderd aanwezigen waren, waarvan de overgrote meerderheid ongetwijfeld leden of sympathisanten van de Belfort-group. Peter Vereecke gaf een inleiding van ongeveer een kwartier. Hij slaagde erin om tientallen disparate feiten, halve waarheden en uit de context gerukte gegevens aan elkaar te smeden tot een betoog dat uitliep op één conclusie: George Bush, geholpen door andere leden van zijn regering, is zelf verantwoordelijk voor de aanslagen van 9/11. Vereecke had het over de F16-vliegtuigen die, veelzeggend, niet op tijd waren om de aanslagen te verijdelen; over het goud dat vooraf in veiligheid zou zijn gebracht; over andere torens die, ondanks vliegtuigcrashes, niet instortten; over de duizenden mensen die na de aanslagen kanker zouden hebben ontwikkeld; over de snuffelhonden die ondertussen allemaal dood zijn; over Bush die de ochtend van 9/11 maar bleef zitten in een schooltje in Florida, enzovoort. Het werd allemaal met elkaar versmolten tot een verhaal dat, aan de reacties te merken, de meerderheid van het publiek volkomen overtuigde van de waarheid van Vereeckes samenzweringstheorie. Aan het eind van zijn inleiding ging hij nog een stap verder: het is niet enkel de regering-Bush die een complot heeft gesmeed tegen de eigen bevolking. Bush en zijn medestanders hebben slechts de fakkel overgenomen van een kleine elite die al sinds het begin van onze beschaving alle macht in handen heeft. Elke oorlog die er ooit is geweest, is aangestoken door de elite van dat moment, omdat ze er belang bij had, net zoals de elite met Bush aan het roer belang had bij de aanslagen van 9/11 en alles wat daaruit voortvloeide.
Vallende torens in Spiegelland
De rest van de avond illustreert de metafoor die de Amerikaanse skepticus Joe Nickell gebruikt voor complotdenkers. Het is alsof ze zich aan de andere kant van de spiegel bevinden, de wereld waarin Alice terechtkomt in Lewis Carrolls verhaal Alice in Spiegelland (Through the Looking-Glass and What Alice Found There). Voor Alice is alles bevreemdend en onlogisch aan de andere kant van de spiegel, maar niet voor de bewoners van Spiegelland. Zij vinden alles betekenisvol en begrijpen niet waarom Alice er niet hetzelfde over denkt. Nagenoeg iedereen in de zaal in Ertvelde vertoefde al een poosje in Spiegelland, kon ik vaststellen. Wico Valk, een Nederlands architect, gaf een lezing over de wijze waarop de torens zijn ingestort. Valk behoort tot de groep van architecten en ingenieurs die zich, vooral in de Verenigde Staten, hebben aangesloten bij de zogenaamde ‘waarheidszoekers’, die een heropening van het onderzoek willen. Het kan volgens hen niet dat de torens instortten door de impact van de vliegtuigen. De meesten onder hen menen dat er vooraf explosieven moeten zijn aangebracht. De instortingen waren niet het gevolg van de vliegtuigcrashes, maar van ‘controlled demolition’; gecontroleerde afbraak. Wico Valk betwijfelde ook dat het staal van de WTC-torens kon smelten door de branden tengevolge van de crashes. Hij dacht, zoals meerdere ‘waarheidszoekers’, dat de samenzweerders thermiet gebruikten, een stof die bij verbranding voor extreme hitte zorgt. Tot slot toonde hij nog een filmpje waarin enkele tientallen mensen zijn opvattingen lijken te bevestigen. In wezen gaat het echter om een aaneenschakeling van uit de context gerukte uitspraken, die vaak iets totaal anders betekenen dat wat ze door de misleidende montage lijken te suggereren.
Dat de groep van waarheidszoekende architecten en ingenieurs wordt tegengesproken door een veel groter aantal experts, deerde Valk niet. Zijn conclusies waren vooraf getrokken, waarna hij overal bewijzen vond. Dat de feiten hierbij voortdurend geweld werden aangedaan, vormde evenmin een probleem. Zo was er in werkelijkheid geen sprake van gesmolten staal, enkel van door de hitte vervormd metaal. Van thermiet is nooit een spoor gevonden, net zomin als er bewijzen zijn voor gecontroleerde afbraak. Wico Valk beseft misschien wel dat zijn beweringen extreem zijn, maar niet dat ze bijgevolg bijzonder sterke bewijzen nodig hebben. Suggereren dat ‘het zou kunnen’ dat men vooraf explosieven aanbracht, is uiteraard geen bewijs dat zoiets daadwerkelijk gebeurde. Het zou ook kunnen dat buitenaardse wezens graancirkels maken, maar daarom is het nog geen realiteit. Evenmin hanteert Valk het scheermes van Ockham, dat aangeeft dat men geen nodeloos ingewikkelde hypothesen moet bedenken als er een eenvoudiger verklaring voorhanden is die de feiten afdoende verklaart. De hypothese dat de torens zijn ingestort tengevolge van gecontroleerde afbraak, roept een resem andere vragen op, zoals: wanneer bracht men de explosieven aan? Wie plaatste ze in de torens? Hoe komt het dat er geen getuigen zijn van het aanbrengen ervan? Hoe kan het dat niemand, zelfs niet na tien jaar, hierover uit de biecht heeft geklapt? Explosieven aanbrengen is een lastig en gevaarlijk werk, dat enkel zeer gespecialiseerde mensen kunnen. Het kan ook niet door twee of drie mensen worden gedaan, er is een hele ploeg voor nodig. Om al deze vragen te beantwoorden, zijn veronderstellingen nodig die de samenzweringstheorie nog onwaarschijnlijker maken, zoals: de getuigen van het aanbrengen van de explosieven zijn ontvoerd of omgebracht, evenals de mensen die ze plaatsten; mogelijke klokkenluiders worden afgedreigd door de samenzweerders, enzovoort. Tegenover dit alles staat de verklaring die door ijzersterk bewijsmateriaal van zeer uiteenlopende aard wordt ondersteund: de torens zijn ingestort tengevolge van de inslag van de vliegtuigen, met nagenoeg volle kerosinetanks. De branden die daarop ontstonden, verzwakten de structuur van het gebouw. Het instorten van de verdiepingen boven de branden zorgde vervolgens voor een cascade-effect dat de torens volledig neerhaalde. Valk verwees uiteraard ook naar WTC 7, die is ingestort zonder dat er een vliegtuig op crashte. Maar ook dit is afdoende verklaard door meerdere experts. WTC 7 liep grote schade op door het instorten van de andere torens en stortte in na uren in brand te hebben gestaan. Op Youtube staat een educatief filmpje dat helder uitlegt hoe WTC7 aan zijn einde kwam, zie de links over de 9/11-complottheorieën op www.ongelovigethomas.be. De vreemde gedachtegang van Valk en andere waarheidszoekers komt er in essentie op neer dat zij niet begrijpen hoe de torens konden instorten, bijgevolg klopt de officiële verklaring niet. De tactiek om het publiek te bespelen, bestaat uit het stellen van verontrustende vragen enerzijds en het vermelden van ‘feiten’ die zogenaamd onverklaard zijn.
Van onwaarschijnlijk naar absurd
Het scheen me toe dat de inleiding van Peter Vereecke en de lezing van Wico Valk zich reeds diep in het binnenland van Spiegelland bevonden. Maar ik vergiste me. De andere lezingen die avond waren stuk voor stuk extremer. Zo beweerde een spreker dat de torens neergehaald zijn door een ‘torsieveldwapen’, een theorie ontwikkeld door Judy Wood, een Amerikaanse waarheidszoekster (http://drjudywood.com) De volgende spreker hield vol dat het vliegtuig dat zich in het Pentagon boorde helemaal geen vliegtuig was, maar een Tomahawk-raket. Daaromheen weefde hij een warrig verhaal waarin Osama bin Laden, de CIA, olie, de heroïnehandel en de Taliban allemaal een rol spelen. Naar alle waarschijnlijkheid, aldus de spreker, zijn er op 9/11 ook micro-atoombommen gebruikt. Hij ondersteunde zijn verhaal met talloze PowerPointslides, propvol tekst waar geen mens iets kon van lezen, laat staan begrijpen. Op een bepaald moment insinueerde de spreker ook de betrokkenheid van de paus, waarop Peter Vereecke tussenkwam en opmerkte ‘dat dit niet de officiële opvatting van de Belfort-group weergeeft’. Het was ongetwijfeld het humoristische hoogtepunt van de avond.
Tussen de lezingen door was er ook muziek. Een tiener bracht een rapnummer getiteld ‘Zoek de terrorist’. Het liedje ging over Osama bin Laden, maar de boodschap luidde dat de ware terrorist zich in Het Witte Huis bevindt. De jonge entertainer besloot met de opmerking dat ‘de geschiedenis door de winnaars wordt geschreven’, wat op enthousiast applaus van de zaal werd onthaald.
Nog een andere spreker liet een filmpje zien over de ‘illuminati’, een verzamelterm voor geheime genootschappen en de ‘elite’ waarover Vereecke het had, die reeds duizenden jaren de hand zouden hebben in alle belangrijke gebeurtenissen. Het filmpje was een aaneenschakeling van fragmenten uit films en documentaires, met symbolen die naar de illuminati zouden verwijzen, bijvoorbeeld piramiden, priemende ogen, hiëroglyfen en vrijmetselaarsymbolen. Wat dat allemaal moest bewijzen, was onduidelijk, maar op sommige gezichten las ik afgrijzen. Je zag mensen denken dat ‘het allemaal nog veel dieper zit en verder gaat dan we voor mogelijk hielden’. Vervolgens kwam een Brusselse huisarts aan het woord, die beweerde dat de huidige media ons verbieden zelfstandig te denken. ‘Als arts’, stelde hij, ‘weet ik dat we psychotisch worden als we niet zelf kunnen denken. De media trachten ons voortdurend te manipuleren. Daarom moeten we zelf aan onderzoekjournalistiek doen.’
De laatste lezingen gingen zo mogelijk nog enkele stappen verder. Iemand bracht een verhaal over ‘virtual reality projection mapping’, waaruit moest blijken dat er in werkelijkheid helemaal geen vliegtuigen waren. Wat we zagen, waren holografische projecties. Het hele verhaal hierover werd doorspekt met uitspraken over de codex alimentarius‹ Zie hierover Lukas Roels: Codex alimentarius onder vuur, in Wonder en is gheen Wonder, nr. 4, jrg. 9, 2009.›, met insinuaties over hoe de overheid ons doelbewust vergiftigt via vaccinaties, met beschuldigingen over de manier waarop Al Gore zich verrijkte met zijn ‘fabels’ over CO² en de opwarming van de aarde, en met verhalen over onder meer geo-engineering, chemtrails en area 51. De laatste spreker toonde fragmenten uit het onvermijdelijke Loose Change, een uiterst misleidende samenzweringsdocumentaire die op elk punt is weerlegd. Zie Screw Loose change: http://screwloosechange.blogspot.com. Nadat ik drie uur naar excentrieke beweringen van steeds kleurrijker figuren had geluisterd, klonk zijn slotvraag verrassend redelijk: waarom gebeurde 9/11? Helaas was zijn antwoord geheel in lijn met de rest van de avond: Bush en diens regering bekokstoofden en pleegden de aanslagen, zodat ze de wapenindustrie nieuw leven konden inblazen. De aloude post hoc, ergo propter hoc drogreden: aangezien B zich voordeed na A, is B door A veroorzaakt. Maar het is niet omdat iemand baat heeft bij een erfenis dat hij zijn erflater vermoordde.
Meerdere sprekers spraken elkaar flagrant tegen. Volgens de ene zijn de torens met explosieven neergehaald, volgens een andere met een torsieveldwapen, voor nog een andere met mini-atoomwapens. Zij gingen daarover onderling niet in debat. Het publiek vindt blijkbaar alles even geloofwaardig, zolang de essentie van de boodschap inhoudt dat we met zijn allen op een enorme schaal bedrogen worden door de overheid, de machthebbers en geheime genootschappen. Een recente studie stelt vast dat believers in een samenzweringstheorie gemakkelijker ook andere samenzweringstheorieën aanvaarden, zelfs over hetzelfde thema en ook al zijn ze onderling tegenstrijdig. Het probleem van de onderlinge tegenstrijdigheid is psychologisch ondergeschikt aan de strijd tegen de gemeenschappelijke vijand: degenen die achter de schermen aan de touwtjes trekken en alles in de doofpot stoppen. Michael J. Wood et. al.: Dead and Alive. Beliefs in Contradictory Conspiracy Theories. In Social Psychological and Personality Science (online gepubliceerd op 25 januari 2012).› Dit verklaart hoe believers net als de Witte Koningin in Spiegelland al voor aanvang van het ontbijt in zes onmogelijke dingen kunnen geloven. Zelf heb ik, zoals de Koningin verwijt aan Alice, ‘vast te weinig geoefend’. Lewis Carroll, Achter de Spiegel en wat Alice daar aantrof (Athenaeum, 2009, p. 179).
Een religieuze viering
Na afloop praat ik na met Peter Vereecke. Hij is een vriendelijke man, die luistert naar wat ik te zeggen heb maar geen millimeter afwijkt van zijn stellingen. Dat is ook niet verwonderlijk. In de terminologie van de cognitieve dissonantietheorie: zijn commitment voor zijn opvattingen is zo groot dat niets hem ervan kan overtuigen dat hij fout zit. Zijn belezenheid en intelligentie laten hem bovendien toe om op alle kritiek een voor hemzelf bevredigend antwoord te vinden. Bovendien bevatten samenzweringstheorieën intrinsieke verdedigingsmechanismen, die ze beschermen tegen elke mogelijke tegenwerping. Zo toont het totale gebrek aan bewijs net aan hoe machtig de samenzweerders of de illuminati wel zijn: hun tentakels reiken zo ver dat ze alle sporen kunnen uitwissen. Voor de believers is er niets waardoor ze hun ongelijk zouden kunnen inzien. Het omgekeerde is daarentegen wel het geval. Mochten George Bush, Condoleezza Rice en Dick Cheney op een persconferentie bekennen dat ze zelf de aanslagen van 9/11 beraamden en lieten uitvoeren, dan moet iedereen die de officiële versie accepteert zijn mening herzien. Zie voor de officiële opvatting: The 9/11 Commission: Final Report of the National Commission on Terrorist Attacks upon the United States (W.W. Norton & Company, 2004). Het rapport is bekritiseerd, niet omdat er aanwijzingen waren voor een samenzwering, maar omdat het falen van sommige overheidsinstanties om te anticiperen op de aanslagen door Al Qaeda niet genoeg werd beklemtoond.› Als meerdere geloofwaardige klokkenluiders zouden aangeven dat ze in opdracht van de overheid explosieven plaatsten in de torens of dat de Arabische kapers ingehuurd waren door de CIA, dan zijn dat ernstige redenen om aan de officiële interpretatie te twijfelen.
In Among the Truthers, zijn boek over de Amerikaanse complotdenkers, geeft Jonathan Kay aan dat bijeenkomsten van waarheidszoekers niet veel te maken hebben met het zoeken naar waarheid. Ze hebben andere functies, meer vergelijkbaar met religieuze vieringen. Er is muziek, er zijn sprekers die inspelen op emoties en die applaus en instemmende geluiden uitlokken, men citeert uit teksten en verwijst naar documentaires die men als evangelie beschouwt, zoals de boeken van David Ray Griffin en een ‘documentaire’ zoals Loose Change. Waarheidszoekers hebben ongetwijfeld vaak het gevoel dat de rest van de wereld op hen neerkijkt. Ze trachten zieltjes te winnen, in hun familie, op het werk, in hun vriendenkring, en wellicht levert dat soms een extra volgeling op, maar de meesten laten zich niet bekeren. Een bijeenkomst van tweehonderd gelijkgezinden, die allen instemmen met wat elke spreker vertelt, biedt dan ook belangrijke psychologische en emotionele ondersteuning. De batterijen laden weer op, men geraakt er opnieuw van overtuigd dat de rest van de wereld ziende blind is, maar dat men zelf tot de kring van ingewijden behoort. Het is uitermate belangrijk om de verantwoordelijkheid op te nemen die daarbij hoort: beleidsmakers en politici met e-mails bestoken, websites maken, filmpjes op YouTube posten, lezingen geven en organiseren. Als de believers niet proberen om de wereldwijde manipulaties te stoppen, de oogkleppen van de media te verwijderen en de in slaap gewiegde massa wakker te schudden, wie zal het dan doen?
Kortom, wie gelooft in complottheorieën, ziet zichzelf belast met een bijzonder zware, maar uitermate belangrijke taak. Veranderen van opinie is verzaken aan een opdracht met een planetaire dimensie. Er is dan ook geen weg terug. Naarmate de kritiek op de complottheorieën toeneemt, moet men steeds dieper in Spiegelland binnendringen. Geen van de sprekers die avond in Ertvelde vermeldde expliciet de opvattingen van David Icke, die stelt dat de huidige illuminati, waaronder Barack Obama, Tony Blair, Kris Kristofferson en leden van de Britse koninklijke familie, in werkelijkheid buitenaardse, reptielachtige wezens zijn die op aarde een menselijke gedaante aannemen. Uit mijn gesprekken met aanwezigen bleek evenwel dat verschillende leden van de Belfort-group geloof hechten aan die theorie van het ‘shape-shifting’. Zoals veel paranormale overtuigingen heeft ook het hedendaagse geloof in ‘shape-shifting’ wortels in de mythologie, de folklore en de actuele cultuur. Zie voor het laatste bijvoorbeeld de HBO-serie True Blood, ook te zien op de Vlaamse tv.› Wie de psychologie hiervan wil doorgronden, kan zich als Alice in het kwadraat voelen toen ze het gedicht Jabberwocky las. ‘Het lijkt erg aardig,’ zei ze toen ze het uit had, ‘maar ’t is behoorlijk moeilijk te begrijpen!’. Lewis Carroll, Achter de Spiegel en wat Alice daar aantrof, p. 137.
Meer lezen over complottheorieën:
Aaronovitch, David: Voodoo Histories: The Role of the Conspiracy Theory in Shaping Modern History (Riverhead Books, 2010).
Braeckman, Johan & Maarten Boudry: De ongelovige Thomas heeft een punt (Houtekiet, 2011), in het bijzonder hoofdstuk 3.
Kay, Jonathan: Among the Truthers: A Journey Through America’s Growing Conspiracist Underground (HarperCollins, 2011).
Shermer, Michael: The Believing Brain: From Ghosts and Gods to Politics and Conspiracies: How we Construct Beliefs and Reinforce Them as Truths (Times Books, 2011).
Kritische besprekingen van de belangrijkste complottheorieën omtrent 9/11 vindt men in David Dunbar & Brad Reagan, red.: Debunking 9/11 Myths: Why Conspiracy Theories Can’t Stand Up to the Facts (Hearst Books, 2006).
Johan Braeckman is filosoof en redactielid van Wonder en is gheen Wonder.
In 1969 ontstond binnen het Amerikaanse universiteitsleven het gerucht dat Paul McCartney van The Beatles drie jaar voorheen omgekomen was in een auto-ongeluk. Zoals bij elke ‘urban legend’ bestaan er uiteenlopende versies van het verhaal. Volgens één versie werd McCartney tijdens het rijden afgeleid door een bevallige dame. Daarop reed hij door een rood licht, met fatale afloop. Een andere versie luidt dat hij dronken achter het stuur in slaap is gevallen. De meeste versies zijn het er wel over eens dat hij in het ongeval onthoofd moet zijn.› Een dubbelganger zou daarna zijn plaats hebben ingenomen, onder druk van de Britse overheid. Die wilde de belastinginkomsten van de Beatles-platenverkoop niet mislopen. Volgens het verhaal werd de hele operatie in de doofpot gestopt. The Beatles kregen zwijgplicht opgelegd en de vervanger, de Amerikaanse acteur William Campbell, winnaar van een McCartney lookalike-wedstrijd, onderging plastische chirurgie om de gelijkenis compleet te maken. De ‘Paul is dead’-hypothese verspreidde zich snel binnen het circuit van de Amerikaanse college radios en waaide ook over naar Europa, waar de Britse pers er heel wat aandacht aan besteedde. Ook vandaag leeft het verhaal nog binnen de populaire cultuur.
Wat zijn de argumenten voor deze toch wel buitengewone bewering? Harde bewijzen zoals een overlijdensakte, het wrak van de auto, een foto van het lijk of getuigenissen van ooggetuigen ontbreken. Believers wijzen erop dat het om een doofpotoperatie ging en dat bijgevolg alle bewijsmateriaal vernietigd is. Het is een veelgebruikte immunisatiestrategie: het ontbreken van goede bewijzen wordt als een argument voor de samenzwering gezien. Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat van alle betrokkenen in het complot (de Britse overheid, politieagenten, ambtenaren, ooggetuigen, plastische chirurgen, ...) niemand zijn mond zou hebben voorbijgepraat. Dit argument contra geldt ook voor andere samen-zweringstheorieën, zoals de 9/11-complottheorie en de Apollo-maanlandingscomplottheorie. De samenzwering en bijhorende doofpotoperatie fungeert in de argumentatie van de believers als joker om de gebrekkige bewijslast te verklaren.
Een ander aangedragen ‘bewijs’ berust op een fysieke vergelijking tussen de McCartney van voor het ongeluk en die erna. Daarbij wordt voornamelijk McCartneys litteken op de bovenlip aangehaald. Dit verscheen voor het eerst op een foto van de hoes van ‘The White Album’. Het zou volgens de believers een overblijfsel zijn van de plastische chirurgie die Campbell aan het gezicht moest ondergaan. Veel waarschijnlijker is natuurlijk dat het betreffende kleine litteken het resultaat is van zijn motoraccident. Op 22 november 1966 had McCartney een licht motoraccident, waaraan hij een afgebroken tand zou hebben overgehouden. Volgens sommige believers is dit de ‘aangepaste versie’ van het werkelijke ongeluk, of misschien van een ongeluk met een mes bij het koken of van een onstuimige kat met iets te scherpe klauwen. Het litteken is ook zo klein dat het onmogelijk het enige artefact kan zijn van zo’n ernstige chirurgische ingreep. Bovendien waren de technieken van plastische chirurgie in de sixties helemaal niet te vergelijken met de mogelijkheden van vandaag.
Een andere manier om de twee Pauls te vergelijken is op basis van de stem. Je kan songs met McCartneys stem van voor het ongeluk naast songs van na het ongeluk leggen. De belangrijkste aanwijzing die de believers in dit verband aanhalen, is het ‘onderzoek’ uit 1969 van Henry Truby, professor pediatrie en linguïstiek aan de universiteit van Miami. Truby bestudeerde voornamelijk ‘Yesterday’ (1965) en ‘Hey Jude’ (1968) en kwam tot de conclusie dat beide stemmen verschillend zijn. De doorslaggevende waarde van dit ene onderzoek voor de ‘Paul is dead’-hypothese valt echter ernstig te betwijfelen. Zelfs met de huidige technologie is het moeilijk om doorslaggevende resultaten van stemidentificatie te verkrijgen binnen een rechtszaak. De beschuldigde moet bijvoorbeeld, wil de stemidentificatie aan bewijslast winnen, met gelijke intonatie dezelfde zinnen inspreken als op het voorbeeldfragment. Zie het artikel van Steve Cain, Lonnie Smrkovski en Mindy Wilson over de betrouwbaarheid en methodologie van stemidentificatie, met nadruk op de toepassing ervan binnen het juridische systeem.› Het onderzoek van Truby dateert uit een periode waarin stemidentificatie nog in de kinderschoenen stond. Hij baseert zich bovendien louter op twee verschillende songs die geen gelijke tekst of intonatie en veel achtergrondmuziek bevatten. Voeg daarbij dat de conclusie door geen enkel ander onderzoek werd bevestigd en dat Truby zich niet bereid verklaarde om zijn conclusie op de radio te verdedigen, en we kunnen het stemidentificatie-argument voor het ‘Paul is dead’-verhaal terecht van tafel vegen.
Ook op basis van persoonlijkheidsbeschrijvingen zijn er pogingen ondernomen om een verschil aan te tonen. De maanden na McCartneys vermeende dood ondergaat zijn leven inderdaad een aantal veranderingen: The Beatles maken een transformatie door van een brave naar een meer experimentele muziekgroep, Pauls vijfjarige relatie met de Britse Jane Asher loopt op de klippen en wat later leert hij de Amerikaanse Linda Eastman – zijn toekomstige echtgenote Linda McCartney – kennen. Het verhaal luidt dat de Amerikaan William Campbell een nieuwe, Amerikaanse vriendin zou hebben gekozen om zijn accent te verbergen en niet ontmaskerd te worden door Jane Asher, die na een vijfjarige relatie een dubbelganger snel zou herkennen. Iemands persoonlijkheid is echter een dynamisch gegeven. We kunnen deze veranderingen probleemloos situeren binnen de psychologische ontwikkeling van een 24-jarige man. Daarnaast is een buitenstaander slecht gepositioneerd om uitspraken te doen over iemands karakterveranderingen. Alleen zij die hem persoonlijk kennen, hebben recht van spreken. Dat de valse McCartney blijkbaar nooit door de mand is gevallen op familiefeesten of tijdens gesprekken met jeugdvrienden, pleit niet echt voor de ‘Paul is dead’-hypothese.
De believers kampen dus met een groot probleem: elke aanwijzing voor twee verschillende McCartneys, omwille van een verschil in uiterlijke verschijning, stemgeluid of persoonlijkheid, ontbreekt. De aanhangers kunnen alleen nog beweren dat de vervanger in die mate identiek is dat geen enkele test het verschil ontwaart. Zij overschatten duidelijk de mogelijkheid om een quasi-exacte Engelstalige dubbelganger te vinden, met dezelfde stem, die linkshandig basgitaar speelt en die bovendien over minstens evenveel muzikaal talent beschikt als de oorspronkelijke McCartney.
Het merendeel van de argumenten voor het ‘Paul is dead’-verhaal komt echter uit een geheel andere hoek. Ze gaan uit van de veronderstelling dat de overige Beatles het moeilijk kregen om te zwijgen en als reactie geheime boodschappen in hun werk gingen stoppen. Het leidt ertoe dat believers achter elk schijnbaar onbelangrijk detail op platenhoezen en in songteksten (zowel normaal als achterwaarts afgespeeld) belangrijke mededelingen zoeken. Alleen al met betrekking tot de hoes van het album ‘Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band’ (1967) zijn de voorbeelden van overinterpretatie quasi eindeloos. Zo zouden de bloemen onderaan wijzen op een graf. De pop helemaal rechts heeft op haar schoot – veelbetekenend! – een speelgoed-Aston Martin liggen, de auto waarmee ook Paul reed, en links ervan ligt een ‘bebloede rijhandschoen’. De badge op McCartneys linkerschouder zou het opschrift ‘OPD’ dragen, ofte ‘officially pronounced dead’. Een plausibeler verklaring is echter dat er ‘OPP’ staat, een afkorting voor ‘Ontario Provincial Police’. Zo’n badge bestaat én McCartney heeft verklaard er één ontvangen te hebben na een optreden in Ontario. Ook de hoes van ‘Abbey Road’ is voorwerp geweest van Hineininterpretierung. McCartney loopt er op blote voeten (een verwijzing naar zijn dood), John Lennon is gekleed in het wit (de priester), Ringo Starr in het zwart (de begrafenisondernemer) en George Harrison draagt jeans (de grafdelver). De nummerplaat van de geparkeerde auto leest ‘28 IF’, Pauls leeftijd indien hij niet gestorven was.
Believers zoeken ook obsessief naar geheime boodschappen in achterwaarts afgespeelde songfragmenten, het zogenaamde ‘backmasking’. De voorbeelden van ‘backmasking’ zijn eindeloos. Geïnteresseerden verwijs ik graag naar Youtube, waar heel wat illustrerende video’s te vinden zijn.› Het refrein van ‘All Together Now’ zou, indien omgekeerd afgespeeld, de woorden ‘I buried Paul’ bevatten. Wie het betreffende fragment beluistert zonder de ‘I buried Paul’-invulling vooraf te kennen, zal echter allerminst geneigd zijn tot die interpretatie. Men hoort alleen een reeks onsamenhangende klanken. Je kan het vergelijken met het tijdverdrijf om herkenbare vormen te zoeken in wolken: de één ontwaart een draak en de ander een olifant. In dat geval ziet men echter de complete contingentie van de eigen interpretatie in; de believers doen dat niet. Ze lijken ook niet te beseffen hoe aartsmoeilijk het is om tekstfragmenten te creëren waarbij het resultaat in beide afspeelmogelijkheden betekenisvol klinkt.
De ontstaansgeschiedenis van het ‘Paul is dead’-verhaal illustreert hoe gemakkelijk een klein verzinsel kan uitgroeien tot een samenzweringstheorie. Alles begon immers met een anoniem telefoontje aan een radiostation, waarna er een zekere hysterie ontstond en kritische vragen tijdelijk verstomden. Het hele verhaal straalt een zekere charme uit en draagt ongetwijfeld bij tot de magie die nog steeds rond The Beatles hangt. Dat mag echter nooit een argument zijn voor de geloofwaardigheid van een hypothese.
Bronnen
» http://en.wikipedia.org/wiki/Paul_is_dead
» http://www.trutv.com/conspiracy/celebs/paul-is-dead/gallery.all.html
» ‘Paul McCartney 1942-1966?’, http://members.multiweb.nl/boslibos/mcc%201.htm
» ‘Paul McCartney Death Clues’, http://h2g2.com/dna/h2g2/A277328
» Steve Cain, Lonnie Smrkovski, Mindy Wilson. ‘Voiceprint Identification’, http://expertpages.com/news/voiceprint_identification.htm
Joost Lambert is student wijsbegeerte aan de Universiteit Gent.
Leugens van bij het begin van het freudisme
Freuds leugens werden voor het eerst aan het licht gebracht door zijn leerling Ernest Jones. In zijn beroemde biografie wijst Jones erop dat de behandeling van Anna O., de allereerste casestudy van de psychoanalyse, helemaal niet eindigde zoals beschreven in Studien über Hysterie. Daarin stond te lezen dat Anna O. volledig verlost was van haar symptomen, maar Jones beschrijft hoe de zieke vrouw na anderhalf jaar ‘praatkuur’ met hoogdringendheid in een psychiatrisch instituut opgenomen werd. Hij voegt eraan toe: ‘Een jaar na stopzetting van haar behandeling vertrouwde Breuer Freud toe dat ze volledig gestoord was en dat hij haar toewenste te mogen sterven, om uit haar lijden verlost te worden.’ ‹ La Vie et l’œuvre de Sigmund Freud, vert., PUF, t. 1, 1958, p. 248. Or. 1953, Sigmund Freud: Life and Work. Vol 1: The Young Freud 1856-1900. London: Hogarth Press.›
Ook andere onthullingen kwamen aan het licht dankzij leerlingen van Freud. Oskar Pfister, een priester die freudiaans analist werd, vertelde bijvoorbeeld aan Henri Ellenberger, die onder zijn begeleiding een leeranalyse onderging, dat het werk van Jones ‘mythes’ bevat, zoals de mythe dat Freud voortdurend op oneerlijke wijze aangevallen werd.‹ A. Yanacopoulo (2009). Henri F. Ellenberger. Une vie. Montréal: Liber, p. 167.›
Zonder twijfel is het echter Ellenberger, de beroemdste geschiedschrijver van de psychiatrie, die de mythes over de wetenschappelijke integriteit van Freud de genadeslag toediende. Hij kon de hand leggen op het medisch dossier van Anna O. in de Zwitserse instelling waar ze belandde na haar mislukte behandeling. Het dossier vermeldde dat deze patiënte – waarvan Freud bij herhaling had geschreven dat ze verlost was van alle symptomen – meer klachten had na de therapie dan ervoor en dat ze zelfs morfineverslaafd was geraakt tijdens de behandeling. Ellenberger publiceerde die feiten in 1972‹ ‘The story of ‘Anna O.’: A critical review with new data’, Journal of the History of the Behavioral Sciences, 1972, 8: 267-279.› en wijdde er in de Franse editie van zijn monumentale geschiedenis van de psychotherapie verschillende pagina’s aan.‹ H. Ellenberger (1970), The discovery of the unconscious: The history and evolution of dynamic psychiatry. N.Y.: Basic Books, 976 pp.› Hij toonde ook aan dat Freud vaak plagieerde en veel minder origineel was dan het grote publiek denkt.
Niet lang daarna publiceerde Frank Cioffi het artikel ‘Was Freud een leugenaar?’.‹ F. Cioffi (1974), ‘Was Freud a liar?’, The Listener, 7 feb., pp. 172-174. Heruitgegeven in F. Cioffi, Freud and the question of pseudoscience. Chicago: Open Court, 1998, pp. 199-204.› Door teksten uit 1896 en 1924 met elkaar te vergelijken, toonde hij aan dat Freud loog over een cruciaal punt van zijn doctrine. In 1896 schreef Freud nog dat de hysterie van al zijn patiëntes zich zonder uitzondering liet verklaren door ‘erotische verleidingen tijdens de vroegste kindertijd’. Hij voegde daaraan toe: ‘De patiëntes vertellen hun verhalen nooit spontaan. Men kan het mentale spoor van het vroegtijdige seksuele voorval pas blootleggen onder stevig volgehouden druk van het analytische procédé en in weerwil van een enorme weerstand. Bovendien moet de herinnering hen stukje bij beetje ontfutseld worden. (…) In het merendeel van de gevallen kwamen de herinneringen pas naar boven na honderden uren werk.’‹ Œuvres complètes. PUF, III, pp. 117, 180.› Vanaf de jaren 1910 beweert Freud echter dat hij oorspronkelijk misleid werd door zijn patiëntes, die hem spontaan incestverhalen opdisten die hij toendertijd naïef aanvaardde als het relaas van reële gebeurtenissen. Hij stelt pas later begrepen te hebben dat het slechts om waanvoorstellingen ging, ontsproten aan oedipale verlangens. Hij heeft nooit erkend dat hij zijn patiëntes conditioneerde om datgene te verzinnen wat zijn theorie bevestigde.
Naarmate de archieven opengesteld werden, botsten de geschiedschrijvers van het freudisme op steeds meer leugens en mythes. Het werk van Crews, Bénesteau en Borch-Jacobsen en Shamdasani illustreert, naast dat van vele anderen, de ware omvang van de mystificaties.‹ F. Crews (1998). Unauthorized Freud: Doubters confront a legend. N.Y.: Viking, 301 pp. – J. Bénesteau (2002). Mensonges freudiens. Histoire d’une désinformation séculaire. Mardaga, 400 pp. – M. Borch-Jacobsen & S. Shamdasani (2006). Le dossier Freud. Enquête sur l’histoire de la psychanalyse. Paris: Les Empêcheurs de penser en rond, 510 pp.› Aan Freuds onwaarheden voegden er zich zoveel andere van beroemde discipelen toe dat Frank Cioffi dertig jaar na zijn beroemde artikel besloot: ‘De psychoanalytische beweging is in haar geheel een van de meest verdorven intellectuele bewegingen ooit.’ ‹ F. Cioffi & A. Esterson (2005). ‘Freud était-il un menteur?’. Heruitg. in C. Meyer et al., Le livre noir de la psychanalyse. Paris: Les Arènes, p. 45.› Neem het intellectuele bedrog van Bruno Bettelheim‹ Zie R. Pollak (1997). The Creation of Dr. B: A Biography of Bruno Bettelheim. London: Simon & Schuster, 478 pp. — R. Pollak, ‘Bettelheim l’imposteur’. In C. Meyer et al. (2005). Le livre noir de la psychanalyse. Paris: Les Arènes, pp. 533-548.› of Dagboek van een puberteit, dat Hermina Hug-Hellmut, de eerste kinderanaliste, als het authentieke relaas van een puber voorstelde, terwijl ze het van begin tot eind verzonnen had.‹ Han Israëls (2001). ‘Le Journal d’une adolescente du Dr Hug-Hellmuth’. Science et pseudo-sciences, 2001, nr 246, pp. 34-38. Heruitg. in C. Meyer et al., Le livre noir de la psychanalyse. Les Arènes, 2005, pp. 121-125.› Ik beperk mij hier echter tot Jacques Lacan en zijn schoonzoon Jacques-Alain Miller, Lacans erfgenaam in letterlijke en figuurlijke zin.
Waarom werd de Ecole freudienne de Paris opgericht?
Toen ik in 1962 een universitaire studie moest kiezen, besloot ik voor psychologie te gaan, op basis van mijn lectuur over de wonderbaarlijke successen van de psychoanalyse.‹ Les prodigieuses victoires de la psychologie moderne, van psychoanalyticus Pierre Daco, en Die Heilung durch den Geist, van schrijver Stefan Zweig, een vriend van Freud.› Al in het tweede jaar richtte ik me tot de Belgische Vereniging voor Psychoanalyse, gelieerd aan de International Psychoanalytical Association (IPA), met de vraag of ik een freudiaanse leeranalyse kon aanvatten. De voorzitster antwoordde dat zoiets een diploma van arts of psycholoog vereiste. Het jaar nadien vernam ik van Jacques Schotte, professor aan mijn universiteit, dat hij samen met vier andere psychoanalytici de Ecole belge de psychanalyse (EBP) zou oprichten, een officiële vertakking van de net door Lacan opgerichte Ecole freudienne de Paris (EFP). Hij verklaarde dat in lacaniaanse kringen procedures minder obsessief gevolgd worden dan in ‘annafreudiaanse’ kringen. En inderdaad, de deuren bleken wijd open te staan voor onder meer studenten psychologie, filosofen, theologen en afvallige priesters. Zo kon ik vanaf mijn derde jaar psychologie in leeranalyse gaan bij Winfried Huber, die in Parijs in analyse was gegaan bij Juliette Favez-Boutonnier. Zij was geanalyseerd door René Laforge, die door Eugénie Sokolnika was geanalyseerd, die op haar beurt door Freud was geanalyseerd. Ik vermeld deze ‘afstamming’ omdat in de freudiaanse doctrine het gezag van een analist wordt doorgegeven zoals het gezag van een katholiek priester: het sacrament dat toelating geeft tot de sacrale praktijk, moet doorgegeven worden door iemand die deze genade zelf ontvangen heeft, in een lange lijn die rechtstreeks teruggaat tot Christus.
Gedurende mijn veertien jaar lidmaatschap van de EBP hoorde ik nooit ook maar één woord over de werkelijke reden waarom Lacan in 1964 de EFP oprichtte. Pas in 1985 vernam ik de ware toedracht, in het boek Voyages extraordinaires en Translacanie van François Perrier.‹ Paris: Editions Lieu commun, 1985.› Ziehier de feiten.
Begin de jaren 1950 stelden de autoriteiten van de Société Française de Psychanalyse (SFP) vast dat Lacan een aanzienlijk aantal leeranalyses uitvoerde. Zijn zittingen bleken ook korter dan de voorgeschreven 45 minuten. Erger: de lengte ervan bleek jaar na jaar afgenomen, tot ze nog maar enkele minuten bedroegen. De internationale psychoanalytische autoriteiten stelden bijgevolg verschillende onderzoeken in naar de duur van Lacans zittingen. Vanaf 1953 riepen de voorzitters van het IPA Lacan herhaaldelijk tot de orde. Telkens kwamen er loze beloftes van zijn kant, gevolgd door driftbuien, gefleem en verwijten. In juli 1963 ontnam het IPA Lacan definitief zijn titel van opleidingsanalist. Hij mocht geen nieuwe kandidaat-analisten meer opleiden. Zijn titel van psychoanalyticus mocht hij wel behouden, dus hij mocht patiënten blijven analyseren en kon zelfs zijn colleges en seminaries verderzetten. Toch fulmineerde hij tegen de beslissing en bereidde zijn antwoord voor: de oprichting van zijn eigen Psychoanalytische School.
‘Majeure excommunicatie’
Op 20 november 1963, tijdens een seminarie voor een stampvol auditorium in het Sint-Anna-Ziekenhuis, schilderde Lacan zichzelf af als slachtoffer van een banvloek vergelijkbaar met de excommunicatie van Spinoza door rabbijnse autoriteiten:
‘Mijn onderwijs ondergaat, onder druk van een orgaan dat zich het uitvoerend comité noemt van een internationale organisatie die zich de International Psychoanalytical Association noemt, een censuur die niets minder betreft dan het verbannen ervan (…) en het aanvaarden van deze ban wordt verheven tot voorwaarde voor erkenning door de internationale psychoanalytische vereniging waartoe ik behoor. En dat is nog niet alles. Men stipuleert ook dat erkenning alleen kan als de te erkennen vereniging garandeert dat mijn onderricht nooit opnieuw in dienst zal worden gesteld voor de opleiding van analytici. Dit is vergelijkbaar met wat men elders majeure excommunicatie zou noemen. Maar zelfs in kringen waar excommunicatie gebruikelijk is, wordt ze zelden toegepast zonder terugkeermogelijkheid. Onder deze vorm bestaat ze slechts in een religieuze gemeenschap die wordt aangeduid met de symbolische term van de synagoge, en het is deze vorm waar Spinoza het slachtoffer van was. Op 27 juli 1656 – opvallend genoeg precies tweehonderd jaar voor de geboortedag van Freud – werd Spinoza onderworpen aan de kherem, een excommunicatie vergelijkbaar met de totale verbanning. Daarna had hij even respijt alvorens onderworpen te worden aan de chammata, die de onmogelijkheid van terugkeer aan de banvloek toevoegt. Hiermee bedoel ik niet – al zou het niet onmogelijk zijn – dat de psychoanalytische gemeenschap een kerk is. Toch rijst onontkoombaar de vraag welke van haar aspecten de echo van een religieuze praktijk oproepen.’‹ Heruitgegeven in Le Séminaire XI. Ed. du Seuil, 1973, p. 9.›
Zeven maanden later, op 21 juni 1964, proclameert Lacan tijdens een seminarie de oprichting van zijn eigen psychoanalytische vereniging, de Ecole Française de Psychanalyse. Niet veel later geeft hij toch de voorkeur aan de naam ‘Ecole Freudienne de Paris’. Hij zal haar voorzitten tot aan haar ontbinding, door hemzelf, in 1980, niet lang voor zijn dood. Hij ontvangt er tot tachtig analysanten per dag, in ultrakorte zittingen die soms gewoon bestaan uit een handdruk, de betaling en een ‘tot morgen’.‹ Zie ‘Comment Lacan psychanalysait’, Science et pseudo-sciences, 293: 96-106. Online: http://www.pseudo-sciences.org/spip.php?article1553.› Zijn klanten zijn bewust medeplichtig. François Roustang, voormalig jezuïet en een tijdlang lacaniaans analist, merkt op: ‘Erkenning door Lacan was een adelbrief die de poort naar een eigen klantenbestand wijd open zette.’‹ F. Roustang (1986). Lacan. De l’équivoque à l’impasse. Paris: Minuit, p. 20.› Jean-Guy Godin, die de goeroe altijd trouw zou blijven, zegt hetzelfde: ‘Lacan was een soort vennootschap waarin we allemaal aandelen hadden; in het begin van de jaren zeventig steeg zijn marktwaarde hemelhoog.’‹ J. Godin (1990). Jacques Lacan, 5 rue de Lille. Paris: Seuil, p. 109.› Perrier, rechterhand van Lacan, schrijft: ‘Hij was zich volledig bewust van de kracht van zijn naam, van wat het betekende voor mensen om te kunnen zeggen: ‘Ik zit bij Lacan op de sofa’.’‹ Op. cit., p. 63.›
Tijdens mijn opleiding aan de EBP vernam ik slechts één keer iets over korte sessies, tijdens een seminarie van Alphonse de Waelhens over de tekst ‘Functie en plaats van het woord en de taal in de psychoanalyse’. Lacan rechtvaardigt er zijn innovatie door te zeggen dat ze aansluit bij de techniek van zen en dat ze de weerstand van de patiënt tegengaat.‹ Tekst heruitgegeven in Ecrits (Seuil, 1966), p. 315s.› In Ecrits, waar deze tekst uit 1953 is heruitgegeven, heeft Lacan een voetnoot toegevoegd: ‘Hoeksteen of steen des aanstoots, het is onze sterkte geweest om op dit punt nooit toegegeven te hebben (1966).’ De Waelhens beperkte zich tot de opmerking dat de techniek niet in België werd toegepast. Op de voetnoot ging hij niet in.
Een ‘open’ Ecole freudienne
Door zijn eigen school te stichten kon Lacan zijn extreem lucratieve praktijk voortzetten en daarnaast alles wat psychoanalyse was in Frankrijk in zijn netten vangen. Waar andere freudiaanse genootschappen een diploma als psycholoog of arts eisten als voorwaarde voor een analytische vorming, verwelkomde Lacan iedereen. Vooral filosofen, wiskundigen en juristen bleken ontvankelijk. Het onderscheid tussen leeranalyse en therapeutische analyse viel volledig weg. Onder het voorwendsel komaf te maken met autoritaire hiërarchie en rigide regels, verklaarde Lacan dat het niet langer nodig was psychoanalyticus te zijn of zelfs maar in analyse te zijn om lid van zijn School te worden. Hij onderscheidde gewoon drie soorten leden: de analytici of ‘analistes de l’Ecole’ (AE), erkend door een gekwalificeerde jury, de leden-analytici of ‘analistes membres de l’Ecole’ (AME), erkend door de School, en de praktiserende analytici of ‘analistes practiciens’ (AP), die hun autoriteit aan zichzelf ontleenden.
Jean Clavreul, trouw strijdmakker van Lacan, heeft beschreven hoe dit het aantal lacanianen explosief deed toenemen: ‘Het prestige van de Ecole freudienne was zo groot dat meer en meer leden zich aandienden, tot op het punt dat het aantal aanvragen voor lidmaatschap het aantal effectieve leden oversteeg, meer dan zeshonderd op dat moment. Dit was volledig te danken aan het feit dat Lacan nooit een veto stelde.’‹ J. Clavreul (2007). L’homme qui marche sous la pluie. Un psychanalyste avec Lacan. Paris: Odile Jacob, 263 pp.› Zo werd psychoanalyse in Frankrijk een synoniem voor lacanisme, veeleer dan voor (orthodox) freudisme. Lacans ‘opening’ naar filosofen en geletterden allerhande bezorgde hem bovendien een stevige voet aan wal in de media en de hogere regionen van de macht.‹ E. Freixa i Baqué (2010). ‘Le pouvoir (pas le moins du monde occulte) des psychanalistes’. Science et pseudo-sciences, 239: 120-132. Online: http://www.pseudo-sciences.org/spip.php?article1540.› Zijn schoonzoon geniet daar nog steeds volop van.
Huichelarij zonder eind
Naar mijn weten vermeldt geen enkele publicatie van Lacan de werkelijke reden voor de weigering van het IPA om zijn didactische praktijk na 1963 nog te erkennen. De meeste van zijn volgelingen hebben naar zijn voorbeeld de achterliggende motivatie en dus ook de daadwerkelijke bestaansreden van de EFP altijd verzwegen. Zo schrijft Jacques-Alain Miller in Vie de Lacan (2011):
‘[Lacan] voelde zich allerminst versaagd door de tegenkantingen van de Ander. Jazeker, een internationale Associatie die momenteel in Chicago gevestigd is, heeft hem vervolgd en opgejaagd – of heeft veeleer getracht hem te castreren als analyticus door hem te verbieden mensen op te leiden. Laten we er niet teveel woorden aan vuilmaken. Uiteindelijk kon ze weinig bereiken, misschien enkel wat bijdragen aan de aanzwellende lasterpraat. Lacan liet zich niet intimideren en bepaalde zelf de marsrichting. Precies op dat moment leerde ik hem kennen, in januari 1964, en ik was rechtstreeks getuige, en een van de instrumenten, van zijn briljante tegenzet. Hij overwon in Frankrijk, al was het in een kooi, want het internationale milieu had hem verstoten.’‹ Vie de Lacan écrite à l’intention de l’opinion éclairée. Paris: Navarin, p. 21.›
Elisabeth Roudinesco vermeldt het motief wel, maar minimaliseert de betekenis ervan. In Waarom psychoanalyse? schrijft ze dat het schisma van 1963 optrad
‘omdat Lacan in de rangen van het IPA niet aanvaard werd als didactisch analist omwille van zijn weigering zich te onderwerpen aan de geldende regels over de duur van zittingen en de opleiding van analisten. Lacan weigerde inderdaad om zich te plooien naar de imperatief van een zitting van 55 minuten [eigenlijk was het 45 minuten; JVR] en stelde voor deze te onderbreken met betekenisgevende interpuncties die aan het discours van de patiënt zin gaven. (…) Bovendien – en dit is zonder twijfel de dieperliggende reden van dit schisma – herstelde Lacan door zijn onderricht en zijn stijl de freudiaanse figuur van de Socratische leraar, in een tijdperk waarin deze door het IPA als nefast was bestempeld.’‹ Ed. Fayard, 1999, p. 184.› (mijn nadruk)
Dit laatste is onjuist. De erg lacaniaanse Clavreul schrijft bijvoorbeeld dat het enige wat voor de commissie telde, de duur van de zittingen was.‹ Op. cit., p. 51.›
De therapeutische waarde van freudiaanse en lacaniaanse behandelingen
De ondermaatse behandelingsresultaten van Freud zijn al lang gekend en grondig gedocumenteerd.‹ Freud bespreekt de ondermaatse effecten van zijn therapie in zijn brieven aan vrienden en collega’s, waaronder Fliess, Jung en Ferenczi. Voor Freuds behandeling van al zijn geïdentificeerde patiënten, zie M. Borch-Jacobsen: Les patients de Freud. Ed. Sciences Humaines, 2011, 224 pp.› Hierdoor allerminst van hun stuk gebracht, houden de gebroeders Miller vol dat Freud op bijna miraculeuze wijze genezing bracht. Hun verklaring daarvan verschilt echter sterk.
Jacques-Alain biedt een klassiek freudiaanse verklaring: ‘In het begin boekten de analytische therapieën snel en spectaculair resultaat. Het volstond een patiënt de sleutel van Oedipus te geven om een metamorfose op gang te brengen. Na een tijd was het nieuwe eraf en werden de behandelingen langer en complexer.’‹ J.-A. Miller, Debat met M. Onfray: ‘En finir avec Freud?’, Philosophie Magazine, 2010, nr 36, p. 13.› Met andere woorden: als de behandelingen zo lang geworden zijn, eindeloos zelfs, komt dat doordat iedereen het inmiddels over het Oedipuscomplex heeft.
Gérard schuift daarentegen een typisch lacaniaanse verklaring naar voren: ‘De vervreemding van het subject ten overstaan van de betekenisgevende ketting, dat is wat de ontluikende psychoanalyse terug op de agenda heeft gezet. De gouden tijd van de freudiaanse ontdekking is niets anders dan de gezegende periode waarin geanalyseerde symptomen als bij toverslag leken te verdwijnen. (…) De psychoanalyse onthulde de link tussen het subject en de taal, getuigde van de grip die betekenaars hebben op het lichaam, slaagde erin om het lijden op te heffen door middel van praten.’‹ D. & G. Miller (1991). Psychanalyse 6 heures ¼. Paris: Seuil, Coll. Champ freudien, p. 56.› Anders gezegd: als de behandelingen zo lang zijn geworden, komt dat doordat iedereen onderhand weet dat taal het symptoom is en dat het opheffen ervan vasthangt aan een analyse van de betekenaars.
Lacan was tenminste terughoudend over de effecten van zijn behandeling. Zo verklaart hij in zijn beroemde televisie-interview: ‘De psychotherapie, van welke aard ook, gaat altijd te kort door de bocht, niet dat ze niets goeds voortbrengt, maar ze brengt het ook terug tot het slechtste.’‹ Télévision. Seuil, 1974. Heruitg. in: Autres écrits. Seuil, 2001, p. 514.› De getuigenissen van oud-lacanianen zijn echter enorm bezwarend. Perrier schrijft bijvoorbeeld:
‘Ik had graag gezien dat Lacan zijn cijfers had publiceerd; het aantal zelfmoorden bij hem was waanzinnig! Zelf had hij een vreselijke angst voor de dood. Eén anekdote is beroemd: hij gooide Diatkine de deur uit omdat deze waanvoorstellingen had over de dood. Ook dat is natuurlijk uitermate ernstig. Als Lacan de dood veroorzaakte van zijn patiënten, is dat omdat alleen de ontwikkeling van het denken hem interesseerde. Hij trok zich geen bal aan van de mensen zelf. En zijn verleidingskracht beroofde zijn cliënten van veel van hun vermogen tot zelfverweer.’‹ J. Perrier (1985). Voyages extraordinaires en Translacanie. Paris: Editions Lieu Commun, p. 120.›
Freud verklaarde psychoanalyse ongeschikt voor de behandeling van psychoses, die hij ‘narcistische neuroses’ noemde. In de jaren 1920 probeerde hij een psychotische puber te behandelen. Hij beschrijft dit geval in zijn briefwisseling met Ferenczi, maar heeft er nooit over gepubliceerd, om begrijpelijke redenen: hij bereikte geen enkel positief resultaat. Vandaag pretenderen de lacanianen het beter te doen dan Freud: ze beweren dat autisme een psychose is, dat ze gekwalificeerd zijn om dit te behandelen en dat het hierbij hun plicht is weerstand te bieden tegen cognitieve gedragstherapieën.‹ Zie bv. Feuillets du Courtil, januari 2008 (http://www.courtil.be/feuillets/F29.html).› We wachten nog steeds op de publicatie van empirisch gevalideerde studies.
Enkele andere leugens
Lacan onderscheidt zich ook door andere vormen van bedrog, vooral plagiaat. Zo ontleende hij zijn beschrijving van de spiegelfase aan Henri Wallon, zonder hem te citeren. René Zazzo is niet de enige die dit aan de kaak heeft gesteld‹ Zie Psychologie de la connaissance de soi (gepubliceerd door l’Association de psychologie scientifique de la langue française), PUF, 1975, p. 174s.›, maar dat weerhoudt vele lacanianen er niet van om dit voor te stellen als een ‘ontdekking’ van Lacan.
J.-A. Miller mag zich ondertussen specialist noemen in het misleidend citeren met als doel de cognitieve gedragstherapieën en vooral Skinner in een kwaad daglicht te stellen. Zo valt in zijn recente ‘Lacan quotidien’ (25/01/2012) een aan Skinner toegeschreven citaat te lezen (‘ik heb in mijn leven slechts één idee nagestreefd – één enkele obsessie. Het woord ‘controle’ omschrijft dit het best’) dat in werkelijkheid de tekst is van een personage uit Skinners roman Walden Two. Het is alsof men Camus de woorden van zijn personage Caligula in de mond zou leggen.
De mogelijk meest schadelijke leugen van Lacan zit in de suggestie dat zijn woordenkraam een diepere betekenis herbergt, die zich pas laat vatten na langdurige initiatie. Dit ‘intellectueel bedrog’ – om de titel van het beroemde boek van Sokal en Bricmont te lenen – bracht duizenden mensen op het dwaalspoor van eindeloze exegeses en leidde hen af van werkelijk therapeutische activiteiten. De traditie van de leugen, in gang gezet door Freud, is in het lacanisme nog steeds springlevend.
Dit artikel is een ingekorte versie van ‘Mensonges Lacaniens’, online verschenen in Science et Pseudo-Sciences (28 februari 2012). Voor het originele artikel zie http://www.pseudo-sciences.org/spip.php?article1825.
Jacques Van Rillaer is psycholoog en emeritus-hoogleraar aan de universiteit van Louvain-la-Neuve. Hij doctoreerde over agressie bij Freud, maar staat sindsdien bekend als spijtoptant en scherpe criticus van de psychoanalyse.
Vertaling en bewerking : Pieter Peyskens
De ethiek van Lacan volgens Jacques-Alain Miller
Uittreksels uit: Vie de Lacan écrite à l’intention de l’opinion éclairée.
Ed. Navarin, 2001, 24 p.
‘Op vele vlakken en zelfs op een essentieel vlak was Lacan – en dat besefte hij – geen goed mens. ‘Ik voer niets goeds in mijn schild,’ zei hij eens tijdens een seminarie, lachend met mensen die het goed voorhebben.’ (p.12)
‘Het is duidelijk dat Lacan een uitzondering wou zijn, en hij gedroeg zich dan ook uitzonderlijk. (…) Hij beschreef zijn leven, en u hoort het goed, als ‘een leven gericht op Anders zijn in weerwil van de wet’’ (p.15)
‘Wat wil dit ‘in weerwil van de wet’ nu zeggen? Lacan ging er prat op een overtreder te zijn, hij hing de delinquent uit, de deugniet en de schooier (…) Lacan is inderdaad iemand die de regels naast zich neerlegde, tot in de kleinste details.’ (p.16)
‘Sommigen scheppen er plezier in hun eigen lagere drijfveren op hem te projecteren: rijkdom, bekendheid, macht. Maar dat zijn allemaal vanzelfsprekendheden voor de man van het verlangen, het zijn de middelen van zijn verlangen, het is niet zijn verlangen zelf. Lacan belichaamde in tegendeel datgene wat enigmatisch, verontrustend, onmenselijk is in het verlangen.’ (p.19)
‘‘Er steeds naar streven mijn eigen wensen aan te passen en niet zozeer de orde van de wereld’, dit mooie cartesiaanse beginsel dat kan gelden als ultieme samenvatting van antieke en moderne wijsheden, was niet aan Lacan besteed. Hij was van de omgekeerde strekking. Hij streefde ernaar de gang van zaken en routines zelf aan te passen op maat van zijn wensen, en dat met een hardnekkigheid, een volharding, die mijn bewondering wegdraagt.’ (p.20)
‘Alle lacaniaanse anekdotes zijn waar, zelf als ze vals zijn, want de waarheid onderscheidt zich van de exactheid, en die heeft de structuur van fictie. Al wat de ronde doet over het personage van Lacan, van zien, van horen zeggen, vervormd, uitgevonden of simpelweg slecht begrepen, beledigend of lovend, het komt allemaal samen en schetst het beeld van de man van het verlangen, en zelfs van de drift, die hij was.’ (p.21)
De standaardbehandeling voor autisme wereldwijd is niet langer psychoanalytisch, maar bestaat uit verschillende varianten van cognitieve gedragstherapie (CGT), een behandelvorm die de wetenschappelijke toetsing heeft doorstaan en die de communicatieve en sociale vaardigheden van autistische kinderen gevoelig kan verbeteren. In de documentaire zien we hoe psychoanalytici, voornamelijk volgelingen van de charismatische Jacques Lacan (1901-1981), zich niets gelegen laten aan die wetenschappelijke bevindingen en autisme verklaren in termen van oedipale drama’s en intersubjectieve conflicten. Documentairemaakster Sophie Robert werd door drie geïnterviewden voor de rechtbank gedaagd, die hen nu deels gelijk geeft en de film verbiedt. In De Standaard (31/01) grepen psychoanalytica Nathalie Laceur en haar medestanders het Franse vonnis aan om de polemiek tegen de psychoanalyse en de zogenaamd bedenkelijke methodes van haar critici aan de kaak te stellen (zie mijn opiniestuk van 13/10/2011 in De Standaard, beschikbaar op www.ongelovigethomas.be). Robert zou zich schuldig hebben gemaakt aan sluwe beeldmanipulatie en propagandatechnieken, met het oogmerk om de psychoanalyse re ridiculiseren en haar beoefenaars in diskrediet te brengen.
Laat ons duidelijk zijn: moedwillige beeldmanipulatie om geïnterviewden zaken in de mond te leggen, is een praktijk die niet door de beugel kan, ongeacht het onderwerp van de documentaire. Dat Laceur echter op de vlakte blijft over de vermeende delicten van de documentairemaakster, mag geen wonder heten. De motivatie van de rechter weegt zo licht dat zijn verdict als een aanslag op het vrije woord kan gelden. Eén voorbeeld volstaat: de Belgische psychoanalyticus Alexandre Stevens, bij wie Laceur werkzaam is, beweert in de documentaire dat autisme soms veroorzaakt wordt door een depressieve moeder bij de bevalling of in utero. Gewiekst en selectief montagewerk? Jawel, oordeelt de rechter, want op de ruwe beelden zegt Stevens eveneens dat het kind ‘zelf kiest voor autisme’ en daarvoor verantwoordelijkheid draagt. Dat is natuurlijk van de regen in de drup. Moeten we Sophie Robert verwijten dat ze niet nog meer bizarre speculaties van Stevens wereldkundig maakte? Ook van de regietafel viel de passage waarin Stevens verklaart dat ouders, hoewel ze de vlucht van hun kind in autisme beïnvloeden, daarbij geen schuld treft. De rechter vindt dat deze ‘erg genuanceerde positie’ onvoldoende aan bod kwam.
De rest van het vonnis leest als een oefening in haarkloverij, met één of twee voorbeelden van montagewerk die een verkeerde indruk kunnen wekken. Montagewerk is steeds precair, en filmmakers moeten een deontologische code respecteren, maar in dit geval is het verweer een schijnmanoeuvre. Echte manipulatieve propaganda, zoals de 9/11-complotfilm Loose Change, bestaat typisch uit een verknipte collage van korte fragmenten, op misleidende wijze aan elkaar geregen. Le Mur daarentegen bevat omstandige gesprekken met diverse psychoanalytici, met ononderbroken fragmenten van soms een minuut lang . Natuurlijk is de documentaire ‘polemisch’, wat onvermijdelijk is in acht genomen de uitspraken van de psychoanalytici. Een documentairemaakster heeft het recht om stelling in te nemen als ze dat haar morele plicht acht.
Tegenstanders hebben volgens Laceur en co standpunten ‘verzonnen’ en valselijk aan de psychoanalyse toegeschreven. Mogen we ook weten welke precies? Concreet: geloven Laceur en co, zoals Alexandre Stevens in Le Mur, dat de vader tussenbeide moet komen in de relatie moeder-kind om de seksuele fusie van beide te ‘verbieden’? Dat alle moeders een periode van ‘maternale gekte’ doormaken? Dat elke relatie tussen moeder en kind intrinsiek incestueus is, zoals verschillende analisten in Le Mur beweren? Dat autisme een ‘weigering’ inhoudt van het kind om tot de wereld van de taal toe te treden (dixit Stevens)?
Sommige psychoanalytici in Le Mur maken het nog bonter: de psychologische effecten van vader-dochter incest zouden niets zijn om je veel zorgen om te maken; een van de functies van de placenta tijdens de zwangerschap zou erin bestaan om te bemiddelen tussen de moordlustige verlangens van moeder en kind. En dan is er nog een absurde scène met een pluchen krokodil en schildpad, waarmee autistische kinderen Lacans theorie over de kinderverslindende moeder en het incestverbod van de vader veruitwendigen.
Niet alle psychoanalytici die de revue passeren in Le Mur volgen al deze bizarre kronkels (dat mogen we althans hopen). In een theoretisch kluwen als de psychoanalyse, in het bijzonder de warrige versie van Jacques Lacan, is het moeilijk om wijs te raken uit de eeuwige disputen en tegenstrijdige interpretaties. De criticus krijgt steevast het verwijt dat hij de theorie toch niet goed begrepen heeft, of zaken uit de context rukt, of geen klinische ervaring en daarom geen recht van spreken heeft. De geïnterviewden in Le Mur hebben wel gemeen dat ze vertrouwen stellen in dezelfde kwestieuze psychoanalytische methodes (vrije associatie en symbolische duiding), en dat ze hun eigen klinische ervaring en theoretisch nattevingerwerk hoger inschatten dan wetenschappelijke inzichten ter zake over geestesziekten.
Nog meer verbazingwekkend in Le Mur, voor wie niet vertrouwd is met de spinsels van Lacan, is het defaitisme dat veel analytici uitspreken over de resultaten die de psychoanalyse als behandelvorm kan voorleggen. Wat mag een autistisch kind redelijkerwijs verwachten van een psychoanalytische therapie? ‘Het plezier om zich te interesseren in een zeepbel’, zo luidt het laconieke antwoord van een lacaniaan, na een tergend lange stilte. Die gelatenheid vloeit voort uit de opvatting van Lacan dat de mens niet kan genezen van zijn condition humaine, en dat geestesziekten gewoon manieren zijn waarop onze geest met de wereld en de taal verknoopt is. Die knoop ontwarren heeft dus geen zin, want allemaal zijn we op onze eigen wijze ziek aan ons mens-zijn. De bizarre opvattingen dat kinderen ‘kiezen’ voor hun autisme en dat ze in het beste geval weer plezier aan een zeepbel kunnen beleven, komen dus niet uit de lucht gevallen. Aan het verlangen om te genezen en van onze symptomen bevrijd te zijn, moeten we volgens lacanianen blijvend weerstand bieden. Dit therapeutisch cynisme is bijzonder schadelijk in het licht van de wetenschappelijk onderbouwde psychotherapievormen die voor autisme voorhanden zijn, maar waartegen lacanianen zich heftig blijven verzetten.
Graag hadden we geloofd dat Sophie Robert al deze pseudowetenschappelijke onzin zelf had ‘verzonnen’, maar helaas. Los van de montage-ingrepen blijft Le Mur een onversneden staaltje van onwillekeurige zelfincriminatie (nog steeds op YouTube te bekijken, spijts het verbod). Robert gaat dan ook in beroep tegen het vonnis. Wie dergelijke onthullingen in de rechtbank bestrijdt in plaats van in geschrifte, rekent trouwens buiten het Streisand-effect: elke poging om informatie van het internet te wissen, zorgt ironisch genoeg voor een aanzuigeffect en een nog ruimere verspreiding. Daar zijn we in dit geval niet rouwig om.
Maarten Boudry is filosoof en verbonden aan de Universiteit Gent, waar hij onderzoek doet naar pseudowetenschappen.
Statutair heeft de vzw SKEPP in de eerste plaats als doel het verrichten van onderzoek naar beweringen die volgens de huidige stand van de wetenschap uiterst onwaarschijnlijk of onmogelijk zijn. Eventuele nadelen rapporteren komt pas op de tweede plaats. We hebben nooit a priori gezegd dat hetgeen we bestuderen per se nadelig of gevaarlijk moet zijn. Dat neemt niet weg dat zogenaamd onschuldige vormen van volksvermaak zoals astrologie en kaartleggen meer schadelijke gevolgen kennen dan de meeste mensen vermoeden. Dan hebben we het natuurlijk niet over astrologie-als-tijdverdrijf, zoals de horoscoop in de Flair, en zelfs niet over astrologie als troost en zingeving. Hoeveel mensen voelen zich niet gesterkt door een bezoek aan een astroloog (of kaartlegster)? Ook al is zo’n raadpleging niet gratis, ook al kan een astroloog niet echt de toekomst voorspellen, zo’n consultatie kan hen verlossen van angst of schuldgevoelens, omdat de astroloog erop wijst dat de problemen van hun dochter op school nu eenmaal te wijten zijn aan de nefaste positie van Jupiter in haar horoscoop…
Maar wat te denken van mensen die geen bal van astrologie geloven, maar er toch mee te maken krijgen omdat ze afhankelijk zijn van iemand die er wel in gelooft? Je zal maar de pech hebben dat jouw baas, jouw HR-manager, jouw klant, jouw trainer, jouw schoolmeester of jouw burgemeester er geloof aan hecht en er zijn of haar beslissingen op baseert.Van de vroegere Amerikaanse president Ronald Reagan is bekend dat hij onder invloed van astrologen stond. En onder Reagans regering stond de wereld op sommige momenten niet ver van een kernoorlog. Maar zelfs in meer onschuldige, populaire vorm ontaardt astrologie snel in geldaftroggelarij. In 2009 schrapte de commerciële omroep de uitzending AstroContact, toen duidelijk werd dat naïeve mensen veel geld afhandig werd gemaakt. Dat soort misbruiken is allesbehalve nieuw. Niet voor niets werden er al in de zeventiende eeuw wetten tegen de astrologie en andere vormen van waarzeggerij uitgevaardigd.
Misschien is astrologie onderhand een bestoft thema, maar het is wellicht goed dat er iets of iemand is die op tijd en stond eens zegt dat astrologie maar een hoop loze verhaaltjes is, zeker als er af en toe iemand opstaat die expliciet het tegendeel beweert. Maar wiens taak is dat? Die van Test-Aankoop? Het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding? De Flair? De astronomen van een sterrenwacht of universiteit? Of misschien die van een vzw die zich dit specifiek tot doel stelt? Dat laatste is de beste oplossing gebleken. Dat de Flair zijn eigen goed verkopende onzin zou ontmaskeren, is een illusie. Een organisatie als Test-Aankoop mist blijkbaar de kennis en de feeling voor het onderwerp en astronomen hebben wel betere dingen te doen dan hun tijd te steken in dat charlataneske bijproduct van de sterrenkunde.
SKEPP ageert daarbij niet tegen astrologie op zich. We wijzen er alleen op dat al lang is aangetoond dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat er van de sterrenwichelarij ook maar iets waar zou zijn. Sterker, we begrijpen ten volle waarom mensen desondanks toch ervaren dat astrologie werkt. Die inzichten zijn het resultaat van uitgebreid wetenschappelijk onderzoek. Toch wordt deze informatie nog vaak verzwegen of ontkend. #
Dodelijke ideeën
Een verstandige en gedreven cardiologe leerde me in de jaren 1970 dat ik bij infarctpatiënten een druppelinfuus moest geven met een middel dat ritmestoornissen voorkwam. Dat was logisch: kort na een infarct sterven mensen meestal door deze ritmestoornissen. Maar de natuur zit ingewikkeld in elkaar. Placebogecontroleerde gerandomiseerde experimenten (RCT) toonden aan dat deze behandeling de sterfte na een infarct deed toenemen. In de jaren 1970 bleef je echt beter thuis met een infarct: in het ziekenhuis deden cardiologen meer mensen dood dan dat ze hen hielpen in leven te blijven. Een ander berucht voorbeeld is de hormoonvervangende therapie na de menopauze, waarbij vrouwen estrogenen slikten ‘ter preventie’ van hart- en vaatziekten. Je moet zowat 200 vrouwen preventief behandelen om één infarct, beroerte of sterfgeval te veroorzaken, niet te voorkomen. Vermenigvuldigd met vele miljoenen gebruikers in de wereld krijg je een cijfer waar je van duizelt. Maar EBM toont niet alleen wat niet werkt: het toont ook wat wel werkt. Er hing een schema aan de muur, voor de behandeling met streptokinase (een ‘thrombolytisch’ middel: een middel dat de stolsels die het infarct veroorzaken doet oplossen). Daar stonden zoveel waarschuwingen bij dat geen mens het durfde gebruiken. Streptokinase werd gebruikt sinds 1958, maar het zou tot 1986 duren vooraleer RCT’s overtuigend en verpletterend de baten aantoonden van spoedige thrombolyse na een hartinfarct. Net in de jaren 1960 en 1970 werd het Westen getroffen door een zware epidemie van infarcten, die in meerderheid fataal verliepen. Het aantal sterfgevallen dat we in het Westen hadden kunnen voorkomen door eerder systematisch RCT’s uit te voeren met streptokinase, loopt in de zeven cijfers.
Nog een voorbeeld, omdat het zo’n uitzonderlijk ellendig verhaal is dat alle problemen van geneeskunde gebaseerd op theorie en autoriteit samenvat. In de jaren 1950 ontstaat de wens om kinderen wat zachtaardiger op te voeden. Dr Spock, een befaamd pediater, speelt daarop in en publiceert een boek voor jonge ouders dat begint met de beroemde openingszin ‘Vertrouw op jezelf. Je weet meer dan je denkt’, om vervolgens driehonderd bladzijden lang adviezen te geven gebaseerd op gezond verstand, wenselijkheid, vooroordelen en schadelijke misvattingen. Een van deze misvattingen is dodelijk: het op de buik leggen van baby’s. Ze worden er rustiger van, het verbetert hun motoriek en ze kunnen niet stikken door geaspireerde oprispingen, klinkt het. Gezonde baby’s stikken echter niet in hun oprispingen (daar heeft natuurlijke selectie voor gezorgd), bij het op de buik leggen verbetert hun motoriek omdat ze strijden om niet te stikken en ze zijn rustig omdat ze ondanks dit gevecht toch half worden versmoord. Het is nog meer bar en boos: in de jaren 1960 tonen twee proefondervindelijke studies dat het op de buik leggen van kinderen de kans op wiegendood met een factor vier verhoogt. Spock kent dat onderzoek niet. Zijn succes is enorm, zijn reputatie onaantastbaar. Overal ter wereld leggen ouders hun kinderen op de buik. Alleen al in Nederland sterven zo 2500 baby’s door wiegendood: je moet ongeveer 1000 kinderen op de buik leggen om er één te doden. Als jonge ouders deden wij dat ook met onze oudste drie kinderen. Het is een van de redenen van de grote scepsis van deze auteur voor ‘preventieve geneeskunde’, gebaseerd op goede ideeën maar zonder hard bewijs.
De beperkingen van gerandomiseerd experimenteel onderzoek
In zijn artikel over het leven van Archie Cochrane in dit nummer schrijft Jan Gerris terecht dat geneeskunde steeds een kunst zal blijven. Bewijs is immers steeds verzameld in het verleden, steeds bij andere mensen dan de patiënt voor je. Iedere praktiserende arts beseft dat. Maar de staat en haar ambtenaren willen graag het medisch handelen onder controle krijgen, wat riskeert aanleiding te geven tot simplistische kookboekgeneeskunde. De academische vertaling hiervan is het gelijk stellen van ‘evidence’ aan gerandomiseerde gecontroleerde trials (RCT). Dit leidde tot een veel geciteerd artikel in de British Medical Journal van Kerstmis 2003 – een fabuleus nummer vol Britse humor ‘om te doen nadenken, te doen lachen, en opnieuw te doen nadenken’ – waar de auteurs voorstelden om de aanhangers van evidence based medicine te laten testen of parachutes wel echt nodig waren bij het uit vliegtuigen springen, met zichzelf als onderzoekspopulatie. Er was immers geen bewijs uit gerandomiseerde trials.
Gerandomiseerde trials zijn duur. EBM is ook een acroniem voor ‘evidence based marketing’. De geregistreerde, op het centrale zenuwstelsel werkende medicijnen die rokers helpen stoppen met roken zijn duur. Er bestaat voldoende bewijs dat deze nieuwe, dure medicijnen net hetzelfde doen als de veiliger oude medicijnen, die veel goedkoper zijn. De industrie gaat uiteraard geen onderzoek verrichten naar deze goedkope medicijnen, terwijl de staat weinig dergelijk onderzoek financiert. Er zijn veel voorbeelden waar er geen evidence voorhanden is omdat het te onderzoeken middel te goedkoop is.
Onderzoek moet zuinig omspringen met schaarse middelen. Onderzoek naar kolder is geldverspilling – zie hierboven, er is nog veel goed onderzoek nodig naar bestaande praktijken. De kans dat homeopathie effect uitoefent door de afwezigheid van enige molecule is gelijk aan de kans op een mirakel gedeeld door de omzet van de homeopathische farmaceutische industrie. De skepticus die het aandurft de rekken over gezondheid in een gemiddelde boekhandel te benaderen, ontdekt een sterrenhemel aan alternatieve therapieën, de ene al onzinniger dan de andere. Alle tijd en geld zou onvoldoende zijn om al die absurde claims te onderzoeken en te verwerpen.
De RCT’s naar homeopathie waren toch leerzaam, omdat je placebo met placebo vergelijkt. Ieder positief signaal wordt veroorzaakt door fouten of toeval. Je kan dus onderzoeken hoe de context van het onderzoek de resultaten bepaalt. Daaruit volgden twee grote conclusies. De eerste luidde dat hoe slechter het onderzoek is, hoe groter het effect. Iedere onderzoeker doet onderzoek omdat hij in iets gelooft. Strenge methodologische rigueur moet ons tegen de eigen vooroordelen beschermen. Deze vertekening door vooroordeel maakt meta-analyses bepaald riskant: bij meta-analyses wordt alle onderzoek bij elkaar opgeteld, waardoor het slechte onderzoek een vaag, beperkt maar reëel positief signaal veroorzaakt. Gezien de ideale studie nog niet is uitgevonden, laat staan uitgevoerd, is selectie op basis van kwaliteit ook niet van vooroordeel ontbloot. Een voorbeeld zijn de eindeloze discussies over de grote borstkankerscreeningstrials. Hoe beter de trial was, hoe geringer het effect. Maar als de slechtere trials met grotere effecten werden weggeselecteerd, schreeuwde al wie belangen had bij screening moord en brand. En dat zijn er ontzaglijk veel meer dan onafhankelijke onderzoekers. Een tweede conclusie luidde dat slimme jongens vals durven spelen. Terwijl het betere onderzoek geen effect van homeopathische behandeling aantoonde, bleek zeer goed onderzoek van de hoogste kwaliteit weer wel effect aan te tonen. De suggestie is dat slimme jongens in dienst van de industrie vals spelen. Dat is ook welbekend in de reguliere industrie: er barsten geregeld schandalen uit in Big Farma. Vandaar de noodzaak om auteurs te verplichten aan te geven welke belangen ze hebben bij bepaald onderzoek, en wie dat onderzoek heeft gefinancierd.
Een ander probleem ontstaat door de verschillende context van onderzoek en de dagelijkse praktijk. Onderzoek wordt uitgevoerd door gedreven artsen in uitstekende ziekenhuizen op ‘goede’ patiënten. De gemiddelde patiënt in de dagelijkse praktijk is ouder, zieker en neemt meer medicijnen. Weer een voorbeeld. Na een infarct kan men kiezen tussen twee behandelwijzen: het oplossen van de klonter met medicijnen (thrombolyse) of het verstopte bloedvat openen met een kleine ballon, meestal gevolgd door een stutje (stenting) om het bloedvat open te houden. Thrombolyse is veel eenvoudiger en sneller dan stenting. In ideale omstandigheden is stenting wel beter, maar het is duurder. In gerandomiseerde trials is stenting dus steeds beter, in observationele studies in de dagelijkse praktijk is thrombolyse echter meestal even goed en altijd goedkoper. Maar bij bepaalde groepen patiënten die tijdig in het juiste ziekenhuis belanden, is stenting weer superieur. Dit is een puzzel, onoplosbaar met louter gerandomiseerd onderzoek. De beleidsmaker moet balanceren tussen wat beter is en wat goed genoeg is, gegeven de context.
Tot slot, onderzoek is altijd historisch: het speelt zich af in het verleden. Bij snel evoluerende technologieën kan de langduriger RCT niet volgen. Het voorbeeld bij uitstek zijn de gesofisticeerde medische ‘devices’ (implantaten). Als het onderzoek wordt gepubliceerd, is de betreffende technologie alweer verouderd. Anderszins verandert de behandeling. De behandeling van klinische borstkanker is recent sterk verbeterd. Als borstkankerscreening in het verleden al werkzaam was, is dat mogelijk niet langer het geval door de verbeterde behandeling. Vaatheelkundige ingrepen werden ingehaald door het massale gebruik van statines, medicijnen die de sterfte door hart- en vaatziekte zo sterk hebben doen dalen dat de nadelen van de ingreep de voordelen tegenwoordig overvleugelen.
EBM 2.0
De aanhangers van EBM willen daarom stiekem van de slagzin ‘evidence based medicine’ af. Er is meer in de geneeskunde dan proefondervindelijk bewijs verzameld door gerandomiseerde trials. Betrouwbare kennis omvat meer dan dat. Bij wat Jan Gerris ‘de andere poten van de tafel’ noemt, worden de voorkeuren van de goed geïnformeerde patiënt steeds belangrijker, zeker als het moeilijke keuzen betreft. En in de moderne geneeskunde zijn behandelkeuzen zelden gemakkelijk. Daarom zie je hier en daar begrippen als ‘science based’ en, beter, ‘science informed medicine’ ontstaan. Het begrip ‘science’ omvat betrouwbare kennis. Gerandomiseerde experimenten vormen daar het hart van, maar zijn niet de enige toetssteen. Bijwerkingen worden bijvoorbeeld beter gemeten bij gewoon gebruik in de dagelijkse praktijk – trials zijn zelden groot genoeg om zeldzame bijwerkingen betrouwbaar op te pikken. Van veel vormen van alternatieve geneeskunde zijn er helemaal geen RCT’s gewenst, omdat wat kolder is kolder zal blijven. Onderzoek naar kolder is verspilling van geld, geld dat beter kan worden gebruikt om oude en goedkope behandelwijzen te onderzoeken, die nu van de tafel vallen. Het begrip ‘informed’ dekt een nieuwe loot aan de rijke EBM-beweging: ‘shared decision making’. In shared decision making wordt de behandelbeslissing een ‘ménage à trois’, waar specialist en huisarts de patiënt bijstaan om tot de voor hem beste keuze te komen. De specialist weet meer van zijn specialiteit, maar heeft direct of indirect financieel belang bij de ingreep. De huisarts heeft geen direct belang, en weet meer van zijn patiënt. Uiteraard zal de patiënt het maken van deze lastige keuzen vaak heel graag delegeren aan zijn behandelende arts(en), zeker als die het met elkaar eens zijn, maar dat doet niets af aan het principe dat de patiënt de eigenaar van de behandelbeslissing moet zijn.
De definitie van EBM als ‘het expliciet, oordeelkundig en gewetensvol gebruikmaken van het beste beschikbare bewijs bij het maken van een keuze voor de behandeling van een patiënt’ is bepaald paternalistisch. De moderne definitie van goede geneeskunde wordt dan ‘het expliciet, oordeelkundig en gewetensvol presenteren van de beste beschikbare kennis bij het voorstellen van behandelkeuzen aan de patiënt’. In de Cochrane-bibliotheek zie je dan ook meer en meer korte samenvattingen opduiken, die de medisch-technische resultaten in een begrijpelijke taal vertalen voor leken. Het ‘expliciet, oordeelkundig en gewetensvol presenteren van de beste beschikbare kennis’ is een nieuwe kerntaak van ‘EBM 2.0’.
Luc Bonneux is arts-epidemioloog, geïnteresseerd in algemeen gezondheidsbeleid. Hij is auteur van En ze leefden nog lang en gezond. Hoe gezondheid een industrie werd (2011).
Harun Yahya is het pseudoniem van Adnan Oktar, een Turks creationist met een religieuze missie en het geld om die waar te maken. Zijn naam prijkt op honderden boeken, websites en dvd’s die de evolutietheorie bestrijden en de Koran als ultieme bron van alle waarheid beschrijven. Oktar zou zichzelf als de nieuwe mahdi of verlosser zien. Maar achter de enorme productie onder de merknaam Harun Yahya gaat wellicht een collectief van verschillende auteurs schuil, allen verbonden aan het door Oktar opgerichte BAV of Bilim Araştırma Vakfı (de zogenaamde Science Research Foundation, een creationistische propagandamachine geschoeid op dezelfde leest als het Institute of Creation Research van christelijke creationisten in de Verenigde Staten). Hoewel lang niet alle moslims opgezet zijn met de bekeringspraktijken van Harun Yahya (velen zien hem als een verspreider van desinformatie en onwaarheden, die vooral uit persoonlijke ambitie een moslimversie van het fundamentalistisch christelijke creationisme promoot)‹ Linda Bogaert: Hoe denken moslims over evolutie-theorie en creationisme? http://www.evolutietheorie.ugent.be/node/240
‘[Hieruit is] gebleken dat de muslimwereld een zeer diverse houding aanneemt ten aanzien van de evolutietheorie, wat weinig verwonderlijk is, gezien de Koran zelf, anders dan de Bijbel, zich slechts in vage bewoordingen uitdrukt over de zaak. De betreffende verzen worden door de enen geïnterpreteerd als een proces van evolutie, door de anderen als een scheppingsdaad. Er zijn bijgevolg uitgesproken evolutionisten – niet enkel bij seculiere muslims maar ook bij religieuze muslims.’›, groeit de cultus rond zijn persoon en de boodschap die hij verspreidt onder Turkse moslims en moslims wereldwijd.
Internationaal werd Harun Yahya vooral bekend toen hij in 2007 ongevraagd duizenden gratis exemplaren van zijn Atlas of Creation verspreidde onder wetenschappers, leerkrachten en beleidsmakers in Europa en de Verenigde Staten. Deze atlas van het creationisme wekte dubbele verbazing, enerzijds omdat het enorme formaat opvallend luxueus was uitgegeven: een hardcover met meer dan 800 pagina’s vol hoogglans kleurenfoto’s, anderzijds omdat dit uiterlijke prestige schril afstak tegen de armtierige inhoud en het schaamteloze gebrek aan enige kennis van zaken.‹ PZ Myers beschreef het op zijn blog als volgt: ‘Het algemene patroon van het boek is monotone herhaling en voorspelbaarheid: het boek plaatst een foto van een fossiel naast een foto van een levend dier, poneert dat er geen greintje verschil is en concludeert daaruit dat evolutie een leugen is. Telkens opnieuw dezelfde riedel. De verveling slaat gauw toe, meestal is het nog fout ook (er zijn wel degelijk verschillen!) en die mooie foto’s zijn gewoon van het internet gehaald’ (mijn vertaling, PP). In zijn artikel ‘Venomous Snakes, Slippery Eels and Harun Yahya’ toonde Richard Dawkins aan dat de Atlas of Creation inderdaad talloze feitelijke fouten bevat, zoals de foutieve identificatie van een zeeslang (een reptiel) met een aal (een vis). In het boek komt zelfs een foto voor van artificieel lokaas (in kunststof dus, met de vishaak duidelijk zichtbaar), door Yahya als foto van een levende soort verkocht. http://richarddawkins.net/articles/2833. Zie ook het artikel van Walter Decleir in Wonder en is gheen Wonder 01/2008.› Het ondermaatse niveau van Yahya’s publicaties maakt duidelijk dat zijn anti-evolutionaire discours niet echt op inhoudelijke draagkracht mikt. Hij trekt liever de kaart van het ressentiment en voedt zijn publiek vooral met ongenoegen over het westerse materialisme en het morele verval dat er inherent mee gepaard zou gaan. Zo schrikt hij er niet voor terug om de Holocaust en de aanslagen van 11 september 2001 in verband te brengen met ‘darwinisten’. Naast zijn talloze publicaties en websites beschikt Oktar sinds maart 2011 ook over een eigen televisiezender, het satellietkanaal A9, dat interviews en beschouwingen van dezelfde strekking uitzendt.
Mede door zijn charismatische voorkomen, met zwarte zonnebril, verzorgd getrimde baard en designerkledij, is Adnan Oktar erin geslaagd een gevolg van hoogopgeleide maar misnoegde jongeren uit de welstellende en invloedrijke kringen van Turkije aan zich te binden. Heel wat zoekende, jonge moslims hebben wel oren naar zijn versie van de islam als superieure bron van wetenschappelijk inzicht en als religieus-moreel bastion tegen de decadentie van het Westen. Vragen over zijn schimmige verleden gaat hij liever uit de weg. En ook op de herkomst van zijn rijkdom en van de aanzienlijke invloed die hij in Turkije wist te verwerven, gaat hij liever niet in. Oktar en het BAV beschikken over een indrukwekkende batterij duur betaalde advocaten. Hij ziet er dan ook geen graten in om elke controverse omtrent zijn persoon of de minste kritiek op zijn publicaties in de kiem te smoren via juridische weg. Hij is betrokken in honderden gerechtelijke procedures, als aanklager zowel als beklaagde. Zo moest hij zich de voorbije jaren herhaaldelijk verdedigen tegen beschuldigingen van sektarische praktijken zoals manipulatie, omkoping, bedreiging en chantage met verborgen camerabeelden.‹ Halil Arda: ‘Sex, flies, and videotape: The secret lives of Harun Yahya’. http://newhumanist.org.uk/2131› Ondanks verschillende veroordelingen slaagde hij er toch in om talloze kritische websites in Turkije aan banden te laten leggen wegens smaad. De meest bekende is de site van Richard Dawkins, die het waagde de gênante fouten in de Atlas of Creation aan de kaak te stellen.
Harun Yahya Conferences
Sinds 2001 vinden over de hele wereld zogenaamde Harun Yahya Conferences plaats. Op Oktars website worden lokale moslimverenigingen wereldwijd opgeroepen om dergelijke evenementen te organiseren.‹ http://www.harunyahya.com/m_supportus2.php› De lokale vereniging zorgt voor een zaal – liefst in een plaatselijke universiteit, om een schijn van wetenschappelijke legitimiteit te suggereren – en de vertegenwoordigers van Oktar komen langs om geïnteresseerde moslims voor te lichten over thema’s als de schepping van het universum, de weerlegging van het ‘darwinisme’‹ Bart Klink: Waarom gebruikt men beter niet de term darwinisme om evolutietheorie aan te duiden? http://www.evolutietheorie.ugent.be/node/667
‘Door de termen darwinisme of evolutionisme te gebruiken, wordt impliciet het idee gewekt dat het hier gaat om een ideologie in plaats van een wetenschappelijk feit en een wetenschappelijke theorie. Hiermee wordt tevens de indruk gewekt dat het op gelijke voet staat met creationisme, wat immers wel een (religieuze) ideologie is.’› en de mirakels van de Koran. Volgens zijn website vonden er al meer dan 1500 dergelijke conferenties plaats in meer dan twintig landen, gaande van de Verenigde Staten tot Japan, van Noorwegen tot Zuid-Afrika.
De recente passage van de vertegenwoordigers van Harun Yahya in België is alvast niet onopgemerkt gebleven.‹ ‘Darwinist voerde de Holocaust uit. Volgelingen van Turkse creationist Harun Yahya houden lezing aan KU Leuven’ (De Morgen, 14/10/ 2011).› Vooral het feit dat enkele van de lezingen doorgingen in lokalen van de Katholieke Universiteit Leuven wekte beroering. De avond in Leuven was georganiseerd door een Pakistaanse studentenvereniging in samenwerking met de International Muslim Student Association of Leuven en trok vooral islamitische studenten aan. Geheel in lijn met de verwachtingen kregen ze te horen dat alle leven in één keer geschapen werd door Allah, dat de evolutietheorie (gemakshalve vereenvoudigd tot ‘louter toeval’) een wetenschappelijke geloofsovertuiging is zonder enig bewijs, en dat islam en de Koran de enig relevante maatstaven zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Professor biologie Tom Wenseleers was ook aanwezig. Hij vond het zorgwekkend dat een dergelijke conferentie georganiseerd werd door studenten van de KU Leuven, en kon slechts vaststellen dat de pertinente kritiek die hij vanuit zijn vakkennis opwierp, niet de minste indruk maakte op het publiek of de vertegenwoordigers van Harun Yahya. ‘Een vergissing doet niets af aan het idee’, kreeg hij te horen, en ‘als ze niet in overeenstemming zijn met wat in de Koran staat, zijn de feiten die je aandraagt geen waarheden maar wishful thinking.’ ‹ De lezing ‘Darwinism, fact or fiction?’ (Leuven - 13/10/2011) staat online: http://www.youtube.com/watch?v=xm8oFzp94X0›
Met hun doortocht in Brussel en Charleroi bereikten de vertegenwoordigers van Harun Yahya een breder publiek dan enkel studenten. De conferentie in de Arrahma-moskee te Charleroi werd georganiseerd door Le Service Islamique de la Jeunesse de Belgique en ging specifiek in op vragen van en tips voor jonge moslims. Een bijeenkomst in Brussel werd georganiseerd door het Islamitisch en Cultureel Centrum van België. Ook hier waren talloze kinderen aanwezig.‹ Voor foto’s van de conferenties in Charleroi en Brussel:
http://harunyahyaconferences.com/index.php/joomla-overview/conferences/d...
› Te jong om al kennis genomen te hebben van de kansen die vrij denken en een kritisch-wetenschappelijke ingesteldheid hen in de toekomst zouden kunnen bieden, worden deze kinderen door hun ouders blootgesteld aan een doctrine die preekt dat wetenschap waardeloos is wanneer ze zich niet laat leiden door religie, en dat het enige doel van wetenschap erin mag bestaan de tekens van goddelijke schepping in het universum te onderzoeken.
Ook in het schooltje aan de Bargiekaai, waar de conferentie in Gent plaatsvond, waren een aantal kinderen aanwezig, maar de algemene opkomst was eerder beperkt. De lezing was georganiseerd door Al Minara, een steunpuntorganisatie voor de emancipatie van tot de islam bekeerde vrouwen. Vriendelijk werden we verwezen naar een klein auditorium. Vooraan was plaats gereserveerd voor de mannen, achteraan voor de vrouwen (in het midden van de zaal ontstond al gauw een grijze zone voor mannen en vrouwen die zich geëmancipeerd genoeg voelden om gezamenlijk naar de lezing te luisteren). Hoewel de vertegenwoordigers van Harun Yahya, strak in het pak, tijdig aanwezig waren en de eerste slide van de PowerPointpresentatie al geprojecteerd werd, begon de voorziene lezing over ‘The Scientific Miracles of the Quran’ met ruim een uur vertraging. Voertaal was een soms moeilijk te verstaan Engels. Gezien het prestigieuze imago dat Yahya rond zijn conferenties hoog tracht te houden, werkte de algemene indruk van improvisatie en amateurisme eerder ontluisterend. Tijdens de lezing en bij de boekenstand namen medewerkers van Yahya uitgebreid foto’s van het aanwezige publiek. Toch was het vooral de inhoud van de lezing die onze wat oncomfortabele verbazing wekte.
Wetenschappelijke mirakels van de Koran
De lezing van Harun Yahya over de wetenschappelijke mirakels van de Koran was bedoeld om onweerlegbaar te bewijzen dat de woorden uit de Koran wel degelijk aan Mohammed geopenbaard zijn door de alwetende schepper van het universum.
Zoals bekend ligt de Koran bij het merendeel van de moslims nogal gevoelig. De gemiddelde gelovige is ervan overtuigd dat de onvertaalde Arabische tekst het letterlijke woord van God betreft. Elk exemplaar van de Koran is sacraal en dient met heilig respect behandeld te worden. De meeste traditionele islamscholen schrijven bijvoorbeeld het ritueel handenwassen voor alvorens de Koran aan te raken. De Koran mag ook niet op de grond of onder andere boeken liggen. Wanneer eruit voorgelezen wordt, mag niemand roken of drinken. Het is verboden versleten exemplaren te recycleren. Ze dienen ritueel verbrand of respectvol begraven te worden. Het boek geldt ook als een talisman tegen ziekte en onheil. Onrespectvol omgaan met een exemplaar van de Koran wordt gezien als één van de zwaarste vormen van blasfemie en wordt in bepaalde streng islamitische landen zoals Pakistan en Afghanistan gesanctioneerd met levenslange gevangenisstraf of zelfs de dood. In de voorbije jaren gaven Korangerelateerde incidenten ook buiten de islamitische wereld meermaals aanleiding tot grote verontwaardiging onder moslims wereldwijd, vaak uitmondend in grootschalige protesten waarbij doden en gewonden vielen. Zo leidde het sterk gemediatiseerde voornemen van de Amerikaanse dominee Terry Jones om in 2010 de aanslagen van 11 september te herdenken met het verbranden van een Koran, tot minstens 20 doden bij protesten in het Midden-Oosten en Azië.
De typisch defensieve overreactie op elke twijfel aan het bovennatuurlijke statuut van de Koran wijst er al op dat het niet vanzelfsprekend is om een tekst zomaar als het letterlijke woord van Allah verkocht te krijgen. Met hun lezing over de mirakels van de Koran sluiten de vertegenwoordigers van Harun Yahya zich aan bij een hele reeks islamitische apologeten die argumenten trachten aan te dragen die de sterke claim van de niet-menselijke oorsprong van deze tekst aannemelijk moeten maken. Het epistemologische niveau van dit soort argumenten wordt meteen duidelijk als blijkt dat het belangrijkste aangedragen bewijs de Koran zelf is. Grote delen van de Koran zijn inderdaad terug te brengen tot eindeloze aanmaningen (niet altijd met zachte hand) om te geloven dat hier wel degelijk Allah zelve aan het woord is.‹ Enkele Korangeleerden hebben erop gewezen dat de aanname dat God zelve aan het woord is in de Koran, in talloze passages tot problemen leidt. De commentator Suyuti stelde al dat verschillende passages overduidelijk door Mohammed of door de engel Gabriël worden uitgesproken. Ali Dashti merkt op dat al in de eerste regels Allah niet zelf aan het woord kan zijn: het openende sura Al Fatiha is een lofprijzing en gebed tot God (Koran: 1). Men kan Allah die woorden natuurlijk in de mond leggen, door een gebiedende wijs toe te voegen zoals ‘zeg’ of ‘gij moet als volgt spreken’. Die imperatieve vorm komt honderden keren voor in de Koran en is duidelijk door latere samenstellers toegevoegd om passages die niet van Allah kunnen zijn, toch aan hem toe te schrijven.
Ali Dashti wijst er ook op dat bepaalde sura’s niet van God kunnen komen, omdat ze hem onwaardig zijn. Bijvoorbeeld sura Al-Masad (De Touwvezels): ‘Verloren mogen gaan de handen van Abu Lahab en moge hij zelf verloren gaan. Zijn bezit en wat hij vergaarde baten hem niet. Hij zal branden in een vuur van vlammen en ook zijn vrouw aandraagster van brandhout. Aan haar nek een koord van vezels’ (Koran: 111). Dit sura verwijst naar Abu Lahab, de oom van Mohammed en één van zijn bitterste tegenstanders. Het is moeilijk om in dit korte sura een nobele en heilige tekst te zien die ongeschapen en eeuwig op een tafel in de hemel wordt bewaard. Het is lang niet de enige passage in de Koran die een meer nederige en aardse oorsprong van de tekst aangeeft, waarin de profeet God misbruikt om af te rekenen met zijn persoonlijke vijanden. Rationele en liberale stromingen binnen de islam, zoals de Mu’tazilieten, kaarten dit probleem al langer aan. Ibn Warraq (1995: p. 107) schrijft dat, als we deze redenering op de hele Koran zouden toepassen, er niet veel overblijft van het woord Gods, want slechts heel weinig erin is een barmhartige, alwetende god waardig.› Volgens de Koran bevindt de originele – eeuwige en ongecreëerde – tekst van de Koran zich in de hemel ‘op een welbewaarde tafel’ (Koran: 85.22). Zoals ook in sura Al-Zukhruf (De Versiering) wordt bevestigd: ‘Wij hebben haar [de Koran] gemaakt tot een Arabische Oplezing opdat gij verstandig moogt worden. Zij is waarlijk in de Moeder der Schrift bij Ons verheven en wijs’ (Koran: 43.3).
Omdat cirkelredeneringen zoals deze niet echt overtuigend zijn, haalt men daarnaast ook andere argumenten aan om het bovennatuurlijke karakter van de tekst te staven. Zo zou de literaire kwaliteit van het Arabische origineel van een grootsheid zijn die elke menselijke poëzie overstijgt. Wellicht gaat van de literaire kwaliteit van de Koran heel wat verloren bij de vertalingen.‹ De inschatting van Thomas Carlyle (1795-1881): ‘Eerlijk gezegd, het is één van de meest vermoeiende teksten die ik ooit heb doorploegd. Een saai en warrig boeltje, ongesofistikeerd, ondoordacht, eindeloze herhalingen, langdradig, ingewikkeld… kortom: onverdraaglijk stompzinnig! Enkel plichtsbesef kan een Europeaan door de Koran heen helpen!’ (mijn vertaling, PP)› Daarnaast – en dit is minder relatief dan smaken en literaire voorkeuren – beweert men dat het boek kennis bevat over verleden en toekomst die onmogelijk gekend kon zijn ten tijde van Mohammed. Harun Yahya is één van de meest populaire verspreiders van dit onder moslims gangbare idee, namelijk dat de Koran honderden historische, wiskundige en wetenschappelijke inzichten bevat die pas in de twintigste eeuw bevestigd zijn. Twee voorbeelden die we ook tijdens de lezing in Gent voorgeschoteld kregen, maken duidelijk wat we ons daarbij moeten voorstellen.
IJzer uit de hemel
Eén van de tekenen die Harun Yahya aanhaalt om de goddelijke oorsprong van de Koran te bewijzen, steunt op sura Al-Hadid (Het IJzer). Hierin poneert Allah onder andere: ‘En Wij hebben neergezonden het ijzer waarin hevige kracht is en nut voor de mensen’ (Koran: 57.25). Dit vers is volgens Yahya en zijn vertegenwoordigers niet minder dan een goddelijk mirakel. Immers, wanneer we het gebruikte werkwoord anzalna (neerzenden) letterlijk interpreteren als ‘uit de ruimte naar beneden zenden’, dan blijkt hieruit dat de Koran reeds kennis had van het wetenschappelijke inzicht dat al het ijzer op onze planeet ultiem terug te voeren is tot de ruimte. Inderdaad ontstond het element ijzer door kernfusie in sterren en verspreidde het zich in de ruimte via supernovae – iets wat geldt voor alle elementen zwaarder dan waterstof en helium, die de basiselementen vormden voor de eerste generatie sterren na de Big Bang.‹ Voor een toegankelijke inleiding, zie John Gribbin (2000): Stardust. Supernovae and life, the cosmic connection: ‘We zijn gemaakt van sterrenstof. Met uitzondering van waterstof ontstond elk atoom van elk element in uw lichaam in het binnenste van een ster, waarna het door enorme stellaire explosies het universum werd ingeslingerd, om uiteindelijk gerecycleerd te worden tot een deel van u’ (mijn vertaling, PP).› Er vallen echter verschillende kanttekeningen te plaatsen bij Yahya’s interpretatie van dit vers als een onmiskenbaar bewijs van goddelijke inspiratie.
In de eerste plaats is er Yahya’s geforceerd letterlijke interpretatie van het werkwoord neerzenden. Het woord anzalna / anzala komt immers tientallen keren voor in de Koran, steeds in figuurlijke zin, gewoon om te verwijzen naar een goddelijke gift, zoals ‘dieren in paren acht’ (Koran 39:06; bedoeld zijn kamelen, runderen, schapen en geiten) of ‘kleding die uw slechtheden bedekt’ (Koran 7:26). In geen van die gevallen zal Yahya beweren dat we het neerzenden door God letterlijk moeten nemen (kamelen uit de ruimte gaan wellicht zelfs hem te ver). Niets in de tekst biedt enige rechtvaardiging voor een speciale uitzondering voor het vers waarin ijzer aan de mensheid gezonden wordt. Met zijn selectieve letterlijke interpretatie van dat ene vers doet Yahya aan cherry picking of ‘kersen plukken’, een drogreden gebaseerd op selectieve blindheid. Net zoals men bij het plukken enkel oog heeft voor de rijpe kersen, kan men bij het verdedigen van een bepaalde stelling enkel voorbeelden aanhalen die de stelling of interpretatie lijken te bevestigen, terwijl men informatie of voorbeelden die niet in het interpretatieve kraam passen, negeert of achterhoudt. Hiermee lokt Yahya zijn publiek in de val van de hinein-interpretierung: zonder enige objectieve, stilistische of inhoudelijke basis schrijft hij een heel specifieke betekenis toe aan een eerder vage en poëtisch bedoelde tekst.
Maar ook al mocht die benadering gerechtvaardigd zijn, dan nog is er geen enkele reden om dit vers een onloochenbaar goddelijke oorsprong toe te dichten. De notie van ijzer als een geschenk uit de hemel is op het moment van de openbaring immers helemaal niet nieuw. In het oude Egypte stond ijzer al bekend als een mythisch metaal uit de hemel (ba-en-pet). In Egyptische tomben zijn ijzeren objecten aangetroffen van meer dan 5000 jaar oud. Deze waren afkomstig van meteorieten (want ze bevatten 7,5% nikkel, de typische compositie van ijzermeteorieten).‹ John Emsley (2001): Nature’s Building Blocks. An A-Z guide to the elements. Oxford University Press: p.207.› In Mesopotamië kende men dit meteorisch ijzer eveneens en ook andere beschavingen waren reeds lang voor de tijd van Mohammed vertrouwd met het concept van ijzer uit de hemel. Ook het vrij triviale inzicht dat ijzer nuttig is voor de mens kunnen we bezwaarlijk een wonderlijke verdienste van de Koran noemen. Plinius de Oudere (23-79 AD) beschrijft al de enorme voordelen ervan voor de mensheid.
Alsof Yahya beseft dat zijn geladen interpretatie niet volstaat om het miraculeuze karakter van sura Al-Hadid ook maar enigszins aannemelijk te maken, bezondigt hij zich nog aan numerologische drogredenen om zijn punt kracht bij te zetten. De numerologische waarde van het woord hadid zou 26 zijn, net als het atoomnummer van ijzer. Bovendien is sura Al-Hadid het 57ste hoofdstuk in de Koran, en volgens Yahya is de atoommassa van ijzer eveneens 57 (in werkelijkheid is het 55,845). Yahya rekent erop dat zijn publiek niet intelligent genoeg is om te beseffen dat je met toevallige overeenkomsten in zogenaamd numerologische waarden zowat alles (en dus eigenlijk niets) kunt bewijzen. Deze waarden kunnen op zodanig veel manieren berekend worden, dat men zijn best moet doen om ‘mirakels’ te vermijden. Bovendien is de Koran duidelijk niet consequent in het geven van numerologische tekenen: zo is er helemaal geen overeenkomst tussen de atoomnummers van bijvoorbeeld koper of lood met de sura’s waarin naar deze elementen verwezen wordt.
De Big Bang en het uitdijende heelal
Een ander wetenschappelijk mirakel dat Yahya en zijn volgelingen verdedigen, houdt in dat de kosmologie van de Koran reeds zou uitgaan van een oerknal en expanderend universum.‹ http://www.harunyahya.com/miracles_of_the_quran_p1_02.php#2a› Uitgangspunt zijn enkele verzen uit sura’s Al-Anbiya (De Profeten) en Al-Dhariyat (De Wegvagenden). In de Nederlandse vertaling van Kramers klinken deze verzen als volgt: ‘Zien zij die ongelovig zijn dan niet dat de hemelen en de aarde een ineengedrongen massa waren waarop Wij beiden ontplooiden’ (Koran: 21.31) en ‘De hemel Wij hebben hem met handen gebouwd en Wij gaven hem ruime uitbreiding’ (Koran: 51.47). Goddelijk geïnspireerd inzicht in twintigste-eeuwse kosmologie, of eerder een anachronistische hineininterpretierung waartoe Yahya zijn publiek via een aantal manipulaties tracht te verleiden?
Wat betreft het vers uit sura 21, dat volgens Yahya duidelijk verwijst naar de Big Bang, beperken we ons tot dit commentaar: de vage notie dat hemelen en aarde ooit één waren en nadien ontplooid werden, vertoont meer concrete verschillen dan vage gelijkenissen met de moderne beschrijving van een singulariteit en de complexe processen die plaatsvonden in de eerste seconden na de Big Bang. Bovendien is het vers ook als poëtisch beeld allerminst uniek: lang voor Mohammed gingen verschillende mythologieën in het Midden-Oosten uit van een kosmogonie waarbij hemel en aarde aanvankelijk één geheel vormden dat door goddelijk toedoen gescheiden werd.‹ De Egyptenaren hadden het bijvoorbeeld over de onvrijwillige scheiding van Geb (god van de aarde) en zijn vrouw en zuster Nut (godin van de hemel). Ook het Sumerische Gilgamesj-epos beschrijft het moment waarop de hemelen zich van de aarde scheiden, wanneer An (god van de lucht) gescheiden wordt van Ki (godin van de aarde).›
De forcing die Yahya moet uitvoeren om het oorspronkelijke Arabische vers van sura 51 naar zijn hand te zetten is nog groter. Wanneer geladen interpretaties niet volstaan om een bepaald vers als wetenschappelijk mirakel verkocht te krijgen, deinst hij er niet voor terug zijn publiek met bewust misleidende vertalingen om de tuin te leiden. Wanneer we de vertaling die Yahya geeft – ‘It is We Who have built the universe with (Our creative) power, and, verily, it is We Who are steadily expanding it’ (Koran: 51.47) – vergelijken met een aantal courante Engelse vertalingen‹ Yusuf Ali: ‘With power and skill did We construct the Firmament: for it is We Who create the vastness of space’ (Koran: 51.47) / Pickthal: ‘We have built the heaven with might, and We it is Who make the vast extent (thereof)’ (Koran: 51.47) / Shakir: ‘And the heaven, We raised it high with power, and most surely We are the makers of things ample’ (Koran: 51.47).› en de Nederlandse vertaling (supra), dan vallen verschillende manipulaties op. In de eerste plaats vertaalt hij het Arabische woord voor ‘hemel’ als ‘universum’, wat meteen al een complexere kosmologie suggereert dan de tekst eigenlijk toelaat. Dit is nodig om zijn volgende manipulatie geloofwaardig te maken: hij vertaalt het Arabische substantief voor ‘wijdte’ als een werkwoord (‘verwijden’, ‘ruimer maken’) en voegt er een bijwoord (‘gestaag’) aan toe. Door deze verregaande vrijheid in vertaling vervormt hij een poëtisch vers over de schepping van een ‘wijde hemel’ tot een schijnbaar wetenschappelijk statement over ‘een gestaag verwijdend universum.’ De vervorming wordt nog duidelijker wanneer we het vers in zijn context lezen. Direct daarop gebruikt de Koran immers net dezelfde bewoordingen om de aarde te beschrijven: ‘De aarde Wij hebben haar uitgespreid en hoe voortreffelijk hebben Wij haar uitgestrekt’ (Koran: 51.48). Wij mogen aannemen dat Yahya hieruit concludeert dat de Koran verwijst naar het wetenschappelijke feit van een gestaag expanderende aarde?
Opnieuw geldt: zelfs al mocht de duidelijk gemanipuleerde vertaling van sura 51.47 aansluiten bij de oorspronkelijke intentie van de tekst, dan nog rest Yahya niets dan een vage en poëtische beschrijving die allerminst nood heeft aan een verklaring vanuit bovennatuurlijke voorkennis. In tegenstelling tot wat Yahya en andere apologeten graag laten uitschijnen, is de kosmologische achtergrond van de Koran helemaal niet in ‘perfecte harmonie’ met onze huidige wetenschappelijke kennis. Het wereldbeeld van de Koran is immers beperkt en extreem simplistisch: het bestaat enkel uit de aarde en de omliggende hemelen; er is geen derde plaats daarnaast.‹ http://www.wikiislam.net/wiki/A_Qur%E2%80%99anic_Understanding_of_the_Universe› Uit niets blijkt enige kennis van zaken die voor ons vanzelfsprekend zijn, zoals dat de aarde een planeet is, vergelijkbaar met de andere planeten die we kunnen waarnemen, of dat de sterren even groot zijn als de zon, maar dan enorm ver weg. Nergens in de Koran wijst de zogenaamd Alwetende ons op het bestaan van andere zonnestelsels, melkwegen, sterrenstelsels, clusters, donkere materie, en zo verder. Het universum van de Koran blijft beperkt tot een beschrijving van wat zichtbaar en gangbaar was in de Arabische wereld van de zevende eeuw. De Koran is natuurlijk nooit bedoeld als wetenschappelijk traktaat. Niets in de achterliggende kosmologie ervan wijst erop dat deze tekst, net als elke andere tekst op deze planeet, niet door feilbare mensenhanden is opgesteld.
Inlegkunde voor gelovigen
Bij de eindeloze opsomming van de wetenschappelijke mirakels van de Koran overvalt een kritisch buitenstaander al gauw het unheimliche gevoel getuige te zijn van een tegelijk komisch en tragisch spektakel. Indien zoveel mensen de argumenten van Yahya en andere apologeten niet overtuigend vonden, zouden ze te banaal zijn om op in te gaan. De zogenaamd wetenschappelijke kennis die hier wordt tentoongespreid, heeft niets gemeen met de harde schoonheid en broze accuraatheid van de inzichten die het wetenschappelijk proces tot dusver heeft opgeleverd.
We gingen slechts in op twee representatieve voorbeelden, maar geen enkel van de door Yahya en zijn vertegenwoordigers naar voren geschoven mirakels is gebaseerd op een overtuigende uitleg. Veeleer overstelpen deze lieden hun vaak goedgelovig publiek met een reeks makkelijk te doorprikken mirakels van ‘inlegkunde’: met het voordeel van kennis achteraf projecteert Yahya heel specifieke wetenschappelijke informatie anachronistisch terug in een aantal uit de context gehaalde, vage verzen van een oude tekst. Dit is een triviale oefening die men niet enkel op de Koran, maar op elke willekeurige klassieke tekst met succes kan toepassen. Op het internet is bijvoorbeeld een met wetenschappelijke mirakels geannoteerde versie van Vergilius’ Georgica terug te vinden.‹ http://wikiislam.net/wiki/Georgics›
Het is voor moslims blijkbaar heel moeilijk om los te komen van een exclusief theologische visie op de Koran en een meer kritisch-historische attitude aan te nemen ten opzichte van dit geschrift. Het dogma dat hen verplicht de Koran als het letterlijke woord van God te zien, maakt het extra moeilijk om aan te sluiten bij de verworvenheid van meer tekstkritische en liberale lezingen in de christelijke en joodse gemeenschap.‹ Terwijl de Bijbel voor een groot deel uit min of meer lange verhalen bestaat (plus ook andere, meer poëtische teksten), is de Koran een verzameling ‘verzen’, losse uitspraken die noch chronologisch, noch systematisch gegroepeerd zijn, en die vaak bijzonder moeilijk te begrijpen zijn. Vandaar dat veel moslims, zelfs als ze Arabisch kennen, de Koran nauwelijks begrijpen en dat schriftgeleerden zulke grote invloed hebben in de islam.› De teksten die na Mohammed werden verzameld en samengesteld, delen echter vele verhalen met de Pentateuch en het Nieuwe Testament. Het is dan ook naïef om te denken dat de Koran immuun kan blijven voor een aantal fundamentele inzichten voortgevloeid uit de historische Bijbelkritiek. Net zoals dit voor het merendeel van joden en christenen geen probleem vormt, moet het ook voor moslims mogelijk zijn hun geloof te beleven zonder dogmatisch gebonden te zijn aan een letterlijke interpretatie van verhalen over Adam en Eva of de Ark van Noah.
De Koran verraadt op duizend verschillende manieren de specifieke sociohistorische context waarin hij ontstond. Hij is een product van mensenhanden. Iedereen heeft het volste recht om op basis van de meest triviale argumenten het tegendeel te geloven, maar de pedagogische verantwoordelijkheid is groot. Ouders die hun kinderen leren dergelijke argumenten ernstig te nemen, mogen niet verwachten dat zij later als volwassenen makkelijk ernstig genomen zullen worden.
Pieter Peyskens is master in de wijsbegeerte (Ugent).
Referenties
Hitchens, Christopher (Ed.) (2007), The Portable Atheist. Essential Readings for the Nonbeliever. Philadelphia: Da Capo Press.
Kramers, J.H. (Ed.) (1992/1997), De Koran [Uit het Arabisch vertaald door J.H. Kramers. Bewerkt door Asad Jaber en Johannes J.G. Jansen.] Amsterdam: De Arbeiderspers. (zesde druk, september 2011)
Warraq, Ibn (1995), Why I Am Not A Muslim. Amherst: Prometheus Books.
Warraq, Ibn (Ed.) (1998), The Origins of the Koran. Classic Essays on Islam’s Holy Book. Amherst: Prometheus Books.
Begin juli verscheen in De Morgen een opiniestuk van de Amerikaanse feministe Naomi Wolf, onder de subtiele titel ‘Pornografie maakt mannen gek’. Seksueel expliciet materiaal, zo betoogde Wolf, tast het mannenbrein aan. Het maakt mannen seksueel ongevoeliger, waardoor ze steeds extremere stimulansen nodig hebben om dezelfde mate van opwinding te ervaren. Die verslavende kracht van porno leidt dan weer tot een gebrek aan impulscontrole – vandaar de recente seksschandalen met machtige mannen.
Neurologische bevindingen staven haar bewering, volgens Wolf. De herprogrammering van het mannelijk brein door porno zou alles te maken hebben met het beloningssysteem van de hersenen, dat werkt via de afgifte van de opwekkende stof dopamine. ‘We weten nu dat porno de mannelijke hersenen beloont in de vorm van een kortstondige dopamineopstoot, die een uur of twee een goed gevoel geeft. Het neurale schakelschema is identiek als dat voor andere verslavende stimulansen, zoals gokken en cocaïne. De kans op verslaving is ook even groot (…). En zoals bij de andere beloningsopwekkers voelt de consument als de dopamine uitgewerkt is een terugslag: hij wordt prikkelbaar, angstig, en verlangt naar een volgende dosis.’
Als radicale feministen met wetenschap komen aanzetten, is het altijd uitkijken geblazen. Hun beweringen zijn vaak zoals zoekplaatjes: zoek de 37 verschillen met de daadwerkelijke wetenschappelijke gegevens, en vervolgens de 97 dingen die u niet te weten kwam omdat ze niet in het feministische kraam pasten. Met Wolf is het niet anders. In haar bestseller De zoete leugen of de mythe van de schoonheid negeerde zij op spectaculaire wijze de hopen bewijsmateriaal voor universele en biologisch gewortelde standaarden van vrouwelijke schoonheid. Die selectieve aanpak liet haar toe om schoonheid voor te stellen als een recente uitvinding, bedacht door mannen om vrouwen onzeker en zwak te houden. Wolf houdt niet van de aandacht die vrouwen besteden aan hun uiterlijk, en ze houdt evenmin van porno. Er zijn echter geen wetenschappelijke aanwijzingen dat gematigd pornogebruik enig negatief effect heeft. Of is Wolf op het lang gezochte bewijs van schadelijkheid gestuit? Het ziet er niet naar uit. De neurologie van genot en verslaving steekt niet zo simpel in elkaar als zij het voorstelt. We hebben inderdaad een genotscircuit in de hersenen, dat werkt via het vrijmaken van dopamine. Maar, zoals ook klinisch psycholoog Vaughan Bell schrijft in een vernietigend blogcommentaar, dat betekent niet dat de biochemie van pornogenot identiek is aan die van cocaïnegenot. Als elke beloning door een dopamine-opstoot het effect zou hebben dat Wolf beschrijft, zouden we allen al lang verslaafd zijn aan eten, sporten, dansen en goeie gesprekken, want ook die activiteiten maken dopamine vrij. En we zouden te kampen hebben met een stevige seksverslaving. Als er één prikkel is waarvan de biochemische effecten gelijkaardig zijn aan die van porno, is het namelijk seks zelf.
Herprogrammeert porno het mannelijk brein? Zeker, net zoals fietsen en de krant lezen dat doen. Aangezien alles het brein herprogrammeert, is dat een nietszeggende uitspraak. Maar, denkt u misschien, het is toch best mogelijk dat al die seksuele beelden voor gewenning zorgen? Dat klopt zolang het gaat om identiek dezelfde beelden, legt Bell uit. Steeds maar hetzelfde zien of doen leidt tot habituatie, maar dat geldt – opnieuw – voor alles. Altijd maar de missionarishouding gaat ook vervelen. Kleine variaties zorgen voor nieuwe prikkeling. Als seksuele ervaring werkelijk tot gewenning leidt, zouden we trouwens met een probleem zitten: we zouden seks als vroege twintiger al beu zijn.
Sommigen worden verslaafd aan porno, de meesten niet. Laat u maar niet gek maken door alarmistische berichten à la Wolf.
Meer over dit onderwerp
Diamond, Milton (2009). Pornography, Public Acceptance and Sex Related Crime: A Review. International Journal of Law and Psychiatry 32(5): 304-314.
Twohig, Michael, Jesse Crosby & Jared Cox (2009). Viewing Internet Pornography: For Whom Is It Problematic, How, and Why? Sexual Addiction & Compulsivity 16(4): 253-266.
Tijdens de Spaanse burgeroorlog treedt Cochrane als internationale vrijwilliger in dienst bij het Spanish Medical Aid Committee, aan de kant van de republikeinen tegen Franco. In 1940 breekt de oorlog uit en treedt hij weer in dienst als kapitein van het Royal Army Medical Corps. Hij wordt krijgsgevangen genomen in Kreta. In het krijgsgevangenenkamp van Saloniki wordt hij als Duitssprekend arts belast met medische verantwoordelijkheid voor de gevangenen.
In de zomer van 1941 stelt hij daar een toenemende sterfte vast van gevangenen met hongeroedemen. Oedeem betekent dat vocht zich opstapelt, hongeroedeem ontstaat door eiwittekort. Zijn vraag aan de Duitse kampoverheid om meer en beter eten vindt geen gehoor. Dan herinnert hij zich het bestaan van oedeem door vitamine B1-gebrek, de zogenaamde natte beriberi. Hij kiest twintig gevangenen met oedemen tot boven de knie uit als proefpersonen en verdeelt hen in een groep met biergist (rijk aan vitamine B) en een placebogroep met vitamine C. Hij houdt het experiment geheim en koopt de biergist zelf op de zwarte markt.
‘Ik koos 20 mannen uit, allemaal vroege twintigers, allemaal uitgemergeld en met oedemen boven de knie. Ik zette er telkens 10 in een kleine zaal. Ze ontvingen allemaal het standaardrantsoen, maar degenen in de ene zaal kregen drie keer per dag een gistsupplement (ik moest mijn eigen reserve aan Grieks geld aanspreken om het op de zwarte markt te kopen). In de andere zaal kregen ze elke dag één vitamine C-tablet ... Het was mijn bedoeling om het urinevolume te meten, maar dat bleek onmogelijk. Ik kon niet aan emmers geraken, dus moest ik voortgaan op frequentiemetingen. Elke man hield bij hoeveel keer hij moest urineren per 24 uur. Ik hield de hele zaak geheim. Ik verwachtte, en vreesde, een mislukking. Elke ochtend noteerde ik de cijfers. De eerste twee dagen was er geen verschil tussen de zalen; op de derde dag bleek er een klein verschil; en op de vierde dag was het duidelijk. Daarenboven voelden acht van de tien mannen in de ‘gistzaal’ zich beter, terwijl niemand van de ‘vitaminezaal’ zich beter voelde. Ik schreef het neer en stapte ermee naar de Duitsers om 1.30u (…) Een jonge Duitse arts vroeg me beleefd wat ik wilde en ik antwoordde: ‘Onmiddellijk veel gist, zo snel mogelijk een beter dieet, en de snelle evacuatie van het kamp.’
Zijn hypothese is dat, door het opheffen van het vitamine B-gebrek, de mannen in de onderzoeksgroep het opgestapelde vocht weer zullen uitwateren. Het aantal gevangenen met hongeroedemen daalt spectaculair als de Duitsers gist ter beschikking stellen en de calorie-inname verhogen tot 800 cal/dag (zie figuur).
Na de oorlog ontvangt Cochrane de onderscheiding van ‘Member of the Most Excellent Order of the British Empire (MBE)’ voor zijn ‘dapper en opmerkelijk’ gedrag in de kampen. Zijn belangstelling voor tuberculose en longziekten groeit. In de VS onderzoekt hij de radiologische beeldvorming van longtuberculose. Hij bestudeert de verschillen tussen lezingen van radiografieën door verschillende radiologen (interobserver variability): een belangrijk onderwerp aangezien de behandeling van longtuberculose berust op de radiologische categorie. Zijn levenswerk omvat in die jaren het opstarten van het vernieuwende Rhondda Fach Scheme, een survey van longziekten in de bevolking van de twee koolmijngebieden in South-Wales, waarbij onder andere de longaandoeningen van alle mijnwerkers correct worden getypeerd. Het is een waar titanenwerk. Erkenning blijft niet uit, en Cochrane wordt benoemd tot hoogleraar in de tuberculose en longziekten.
In 1961 wordt hij uitgenodigd voor de Cutter Lecture on Preventive Medicine in Harvard, een prestigieuze lezing over preventieve geneeskunde. In 1971 wordt de tekst gepubliceerd van zijn Rock Carling Lecture, ‘Effectiveness and Efficiency: Random Reflections on Health Services’, waarin hij zijn medisch-epidemiologisch denken en ook zijn kritiek op de werking van de toenmalige National Health Services ventileert. Hij betreurt er, aan de hand van voorbeelden, dat vele medische behandelingen berusten op het autoriteitsprincipe en niet op het principe van gevalideerd proefondervindelijk onderzoek, met als koninginnenstuk de prospectief gerandomiseerde trial. Zijn voorbeelden voor het gebrek aan bewijs voor werkzaamheid vindt hij bij longtuberculose, hoge bloeddruk, ischemische hartziekte, type 2 diabetes, psychiatrie en verloskunde.
Het boekje, dat nog steeds vlot leest en een boeiende ontmoeting is met een hoogstaand arts en diens grote en kleine kanten, maakt meer indruk dan hij zelf verwacht. Dat komt mede doordat het de geneeskunde wil optillen van een kunst tot een wetenschappelijk onderbouwde kunde. Die boodschap is niet altijd goed begrepen door artsen, enerzijds omdat geneeskunde niet minder een kunst is omdat het ook een kunde is, anderzijds omdat het op proefondervindelijk bewijs gebaseerde deel van het artsenvak slechts één poot is van de medische tafel: ethiek, aanvaardbaarheid voor de patiënt en kosten zijn de drie andere. Archie Cochrane was overigens zowel sociaal geëngageerd als kostenbewust. Omdat financiële middelen steeds beperkt zijn, moet geld volgens hem zo goed mogelijk worden aangewend voor geneeskunde met bewezen werking, en niet voor allerhande goede of minder goede ideeën zonder bewijs.
In 1974 wordt de dan 65-jarige Archibald Cochrane uitgenodigd voor de Dunham Lectures in Harvard, de hoogste eer voor een niet-Amerikaan. Hij sterft in 1988 op 79-jarige leeftijd, kort voor de publicatie van zijn autobiografie.
Archibald Cochrane was geen dokter met een monsterpraktijk en hij ontving evenmin de Nobelprijs, al was hij een grondlegger van de belangrijkste medisch-wetenschappelijke stroming van de late twintigste eeuw: de evidence based medicine. Hij was een arts met een visie en een groot hart. Financiële middelen die de maatschappij ter beschikking stelt voor het verbeteren van de gezondheid, moeten naar zijn mening worden besteed op grond van proefondervindelijk bewezen werkzaamheid en niet op grond van autoriteit, emotie, politiek, mode of fantasie. Als arts vond hij dat alle werkzame behandelingen gratis moeten zijn, tenzij ze werkelijk onbetaalbaar zijn voor het nationale gezondheidsbudget. Wat niet bewezen werkzaam is, is geen geneeskunde maar luxe.
Authority based medicine is geneeskunde waarbij we nadoen wat ons werd voorgehouden als ‘het beste voor de patiënt’, in navolging van hen die ons hebben opgeleid, waarvoor nog steeds dank. Geneeskunde is ook een ambacht. Evidence based medicine is echter meer dan een klakkeloos overnemen van voorgekauwde besluiten. Dat zou tegen de kritische geest van Archie Cochrane ingaan. De praktijk van EBM bestaat uit de integratie van individuele klinische expertise met de best beschikbare externe klinische bewijsvoering afkomstig van systematisch onderzoek én met de waarden en verwachtingen van de patiënt.
Archies grote droom bestond erin dat wetenschappelijk onderbouwde inzichten aan de basis zouden liggen van de dagelijkse praktijkvoering van alle artsen, overal ter wereld. Die droom heeft praktisch vorm gekregen in de zogenaamde Cochrane Collaboration, een internationale samenwerking van medici, epidemiologen en statistici, die een groeiend aantal systematische overzichten ter beschikking stellen van de medische gemeenschap, daarbij geholpen door het internet. De Cochrane Collaboration omvat een Cochrane Library, een Cochrane Database of Systematic Reviews, een Cochrane Central Register of Controlled Trials, Cochrane Guidelines, een Cochrane Handbook, een Cochrane Journal Club en nog meer. Op het ogenblik van de redactie van deze tekst bevat de Cochrane Database of Systematic Reviews een totaal van 5335 overzichten. Zoals Archie Cochrane stelt de Cochrane Collaboration de hoogste kwaliteitseisen vooraleer een systematisch overzicht mag worden opgenomen in deze database. Onderzoek heeft immers aangetoond dat artikels met welwillende resultaten soms honderd maal vaker worden geciteerd dan die met tegenvallende resultaten. Zo lijkt het alsof een behandeling goed werkt, terwijl als je alle studies samen bekijkt, het tegendeel waar blijkt. Een goed systematisch overzicht moet dus uitputtend bewijzen dat het al het mogelijke heeft gedaan om alle beschikbare gegevens boven water te krijgen en deze eerlijk te vergelijken. De Cochrane-bibliotheek en -database is zo uitgegroeid tot een onmisbaar huis van vertrouwen: een Cochrane review vormt de gouden standaard van de evidence based medicine. Het lijdt geen twijfel dat Archie Cochrane hierop onvoorstelbaar trots zou zijn geweest, trotser dan op enige Nobelprijs, want zijn hart lag bij betere geneeskunde in dienst van de mens. #
Literatuur
» Cochrane A. Effectiveness and Efficiency: Random Reflections on Health Services (Cambridge University Press, 1971).
» Cochrane A. & Blythe M. One Man’s Medicine: An Autobiography of Professor Archie Cochrane (The British Medical Journal, Cambridge University Press, 1989).
Dit artikel is een bewerking van Jan Gerris, ‘The Legacy of Archibald Cochrane: From Authority Based Towards Evidence Based Medicine’, Facts, Views and Visions 2011, 3 (4): 233-237.
Jan Gerris is als gynaecoloog verbonden aan de Afdeling Reproductieve Geneeskunde van het Universitair Ziekenhuis Gent.
Waar ging het om? Gorter stapte enkele jaren geleden naar de rechter omdat SKEPP een artikel van Wim Betz en Luc Bonneux op zijn website had gezet waarin Gorters onbewezen kankertherapie als onzinnig en gevaarlijk werd bestempeld. Volgens Gorter tastte de tekst zijn eer en goede naam aan. Hij eiste dat het artikel van de website zou worden gehaald en vorderde een fikse schadevergoeding.
In eerste aanleg stelde de rechtbank SKEPP en de auteurs van het artikel over de hele lijn in het gelijk, omwille van de vrijheid van meningsuiting. Gorter ging echter in beroep. In 2010 velde het Antwerpse Hof van Beroep een arrest waarbij de meeste eisen van Gorter werden verworpen, maar hij toch enigszins gelijk kreeg. Het artikel bestempelde Gorter als ‘kwakzalver’ en ‘hooggeschoolde kwak’ en volgens het Hof was dit onnodig kwetsend. Dit woordgebruik roept volgens het Hof een ‘onmiskenbare connotatie met oplichterij en bedriegerij op’. Dat mocht niet, omdat volgens het Hof niet was aangetoond dat Gorter zijn patiënten bedroog. Nog steeds volgens het Hof van Beroep wordt de benaming ‘kwakzalver’ ook gebruikt voor het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunde, terwijl Gorter wel een bevoegd arts is. Bovendien oordeelde het dat Gorter toch een zekere respectabiliteit geniet omdat hij erkend is als dokter in de ‘natuurgeneeskunde’ en doceerde aan ‘diverse universiteiten’ (ook al had SKEPP aangetoond dat het om niet erkende diploma’s ging).
Het Antwerpse Hof van Beroep veroordeelde daarom SKEPP en de beide auteurs tot één euro morele schadevergoeding en de kosten van het geding. Het artikel zelf mocht op de website blijven staan, maar de als kwetsend beschouwde passages (waar dus woorden als ‘kwak’ en ‘kwakzalver’ in voorkwamen) moesten eruit verdwijnen.
Hoewel het arrest mild was vergeleken met de eisen van Gorter, besloot SKEPP toch in cassatie te gaan. Het arrest betekende immers dat men beoefenaars van geneeswijzen die op een of andere wijze een respectabele indruk maken, geen kwakzalver meer mag noemen als ze een diploma van arts hebben, terwijl het artikel precies tot doel had om aan te tonen dat er zoiets als ‘kwakzalvers met een wetenschappelijk aureool’ bestaat. De auteurs hadden in hun artikel uitdrukkelijk een strikte definitie van het begrip kwakzalverij gehanteerd: ‘het regelmatig verkopen of aanbevelen van producten waarvan de werking niet bewezen is’. Het Hof van Beroep beriep zich echter op de ruimere, figuurlijke betekenis van het woord als onder meer ‘oplichter’ en onbevoegd beoefenaar van de geneeskunst.
Het Hof van Cassatie wijst nu op de verplichting van de rechter om bij zijn beoordeling rekening te houden met de context waarin de mening is geuit. Als bewoordingen meerdere betekenissen kunnen hebben, moet de rechter die betekenis in aanmerking nemen ‘die volgt uit de inhoud en de context van de publicatie en waaromtrent diegene die aan de hand van deze publicatie een maatschappelijk debat wil aangaan, geen onduidelijkheid laat bestaan’.
Een kwakzalver mag dus een kwakzalver worden genoemd, als je duidelijk uitlegt wat je ermee bedoelt. Bovendien, zo zegt het hoogste gerechtshof, tonen de auteurs ondubbelzinnig aan dat Gorter ‘gedreven door geldgewin het niet nauw neemt met het al dan niet voorhanden zijn van een wetenschappelijk bewijs voor de werking van de aangeboden therapieën’. Het Hof van Beroep had er bezwaar tegen dat het artikel niet aantoonde dat Gorter ervan overtuigd was dat zijn geneeswijzen waardeloos zijn (in dat geval zou hij dus een bedrieger zijn). Maar dat is volgens Cassatie niet nodig.
Daarom vindt het Hof van Cassatie de veroordeling onvoldoende gemotiveerd. Aan de vrijheid van meningsuiting mag immers maar in zeer beperkte omstandigheden worden geraakt. De bekende mediajurist Dirk Voorhoof had eerder al kritiek geuit op de veroordeling in beroep. Hij vond het hoogst onwenselijk dat sommige rechtscolleges te soepel bereid zijn om online publicaties te ‘censureren’.
Gorter zal nu moeten uitmaken of hij het geding tegen SKEPP wil verderzetten. In dat geval wordt de zaak opnieuw ten gronde behandeld door het Brusselse Hof van Beroep. Maar hoe dan ook zal deze uitspraak in cassatie blijven doorwegen. Het hoogste rechtscollege van dit land heeft duidelijk laten weten dat gefundeerde kritiek op het internet ook door de vrijheid van meningsuiting wordt beschermd. Een uitspraak die verder reikt dan louter dit ene geschil. #
Tim Trachet is journalist en stichtend lid/erevoorzitter van SKEPP.
Dit jaar gaat de prijs naar de wetenschapsredactie van een Vlaams dagblad. Deze redactie, hoewel ze slechts twee krachten telt, weet een volwaardige wetenschapsverslaggeving te brengen. Met niet alleen nieuws en nieuwtjes, maar ook toelichting, interviews, duiding en commentaar, en zelfs een heuse vraag- en antwoordrubriek. Opvallend volledig, in de breedte en in de diepte. En met de nodige kritische zin, gekoppeld aan een goede dossierkennis, wat in deze discipline allesbehalve evident is.
In deze wetenschapsrubriek lezen we zeer regelmatig kritische stukken over pseudowetenschap, teksten die evengoed in het tijdschrift van SKEPP hadden kunnen en mogen staan. Niet meer dan normaal, want uiteindelijk werken we allebei vanuit een wetenschappelijke benadering. Om niet aan zelfverheerlijking te doen, wordt de Zesde Vijs niet aan leden van SKEPP toegekend en voor zover we weten zijn deze journalisten dat ook nooit geweest.
Toch heeft één van deze journalisten van De Standaard, Steven Stroeykens, een gemeenschappelijk verleden met SKEPP, zelfs een gemeenschappelijke vorming. Ooit was hij een actief lid van de Vereniging Voor Sterrenkunde. In deze vereniging was men zeer op zijn hoede voor pseudowetenschappen als de astrologie, die door de buitenwereld wel eens met astronomie werd verward. Er ontstond een werkgroep pseudowetenschappen die de rechtstreekse voorloper van SKEPP werd. Dat Steven Stroeykens toen van de sfeer heeft geproefd, merken we duidelijk wanneer hij over pseudowetenschappelijke onderwerpen schrijft.
Ook zijn collega Hilde Van den Eynde heeft zich niet onbetuigd gelaten in een dergelijke aanpak. We herinneren ons nog goed hoe verscheidene Vlaamse journalisten zich in 2004 lieten ringeloren op een congres van homeopaten in Brussel, waar “het definitieve bewijs voor homeopathie door tien Europese wetenschappers” werd bekend gemaakt. Groot nieuws, wereldnieuws bijna, maar voor wie het onderzoek naar de werkzaamheid van homeopathie op de voet volgt, bleek deze zogenaamde grote doorbraak al snel opgewarmde kost. Homeopaten hebben er een handje van weg om op voortvarende wijze met grote doorbraken te zwaaien, zowel in de richting van de politiek als in de richting van de media. Hilde Van den Eynde toonde echter de juiste skeptische reflex en verwees in een nuchter artikel naar de ware feiten, en naar de prijs van één miljoen dollar van James Randi,, die ook toen nog steeds niet was opgeëist.
Ook de columns van Steven Stroeykens hebben niet zelden een skeptische insteek en bevatten telkens rake opmerkingen. Eén column van het afgelopen jaar viel ons bijzonder op. Een stuk met als titel “GEZOCHT: TAROTLEZER (M/V)“1. Daarin stelt hij zich voor hoe de wereld eruit zou zien als astrologen, kaartleggers en/of andere waarzeggers inderdaad de toekomst zouden kunnen voorspellen. Dan zouden ze zonder twijfel zeer veel geld verdienen met het adviseren van bedrijven voor de toekomstige evoluties van de beurs, de olieprijzen, het mogelijk succes van smartphones en nog veel meer. Zoals hij het uitdrukt:
“Een goede tarotkaartenlezer of astroloog kan voor een bedrijf een miljardenverschil maken. Hij hoeft het niet eens altijd bij het rechte eind te hebben. Een paar procentjes vaker bij het rechte eind dan de concurrentie volstaat ruimschoots. Bedrijven vechten om de beste astrologen. Op Wall Street strijken ze miljoenenbonussen op. Ambitieuze studenten kiezen een mba-opleiding met een stevige cursus tarot. Bedrijven die te weinig investeren in hun astrologie-afdeling, zijn kansloos in de bikkelharde concurrentiestrijd. Academici vergelijken de effectiviteit van de Chinese en de westerse astrologie. Nieuwe internationale normen en regels voor de financiële sector zijn gebaseerd op de principes van de kwantitatieve astrologie.”
Als het kon... Quod non. Dit alles gebeurt dus niet en dat is meteen het beste bewijs dat deze vormen van voorspellen waardeloos zijn. Met een knipoogje wellicht voor meer rationeel ogende vormen van voorspellingen, die ook al niet veel succes boeken, zoals bij ratingagentschappen en andere modieuze consulenten.
Dit originele stuk zou op zich een goede aanleiding kunnen vormen voor het toekennen van de Zesde Vijs. Maar daar bleef het niet bij. Eind vorig jaar verscheen een interview door Hilde Van den Eynde over Reliable Cancer Therapies2, een initiatief dat tot doel heeft de betrouwbaarheid te onderzoeken van kankertherapieën, zodat wetenschappelijk verantwoorde behandelingskeuzes kunnen worden gemaakt. Hopelijk kan dit kritische artikel van Hilde Van den Eynde patiënten écht helpen. In tegenstelling tot – helaas – het oppervlakkig en goedgelovig geschrijf in sommige bladen over de zoveelste vorm van onbewezen geneesmethodes.
Kortom, beide wetenschapsredacteurs van De Standaard verdienen voor dat jaar de Zesde Vijs. Daarom reiken we de prijs aan hen gezamenlijk uit.
Denk daarmee niet dat we hiermee slaafse volgelingen van SKEPP huldigen. Deze laureaten zijn lieden die af en toe een kritische noot over ons laten weerklinken. In zijn column waarschuwde Steven Stroeykens er ons bijvoorbeeld voor om geen beweringen te verwerpen met als argument dat ze fysisch onmogelijk zouden zijn.3 Daarmee maant hij skeptici aan tot voorzichtigheid. Het is boeiend om kritiek van dat niveau te lezen. We zijn in SKEPP wel wat erger gewend. Met de Zesde Vijs huldigen we geen volgelingen, maar wel mensen die de skeptische aanpak en methode delen.
Een 70-tal mensen, bijna uitsluitend sympathisanten, verzamelen in een zaaltje in het Europahotel aan de Gentse Gordunakaai. De leeftijd varieert sterk, maar het is verrassend hoeveel jongeren en jongvolwassenen er aanwezig zijn. Jos Philippaerts, samen met Rudi Meekers de drijvende kracht achter Creabel, leidt de gastspreker in: Peter Borger. Borger (°1965) is doctor in de medische wetenschappen, een graad die hij behaalde aan de universiteit van Groningen. In 2009 publiceerde hij het boek Terug naar de oorsprong, waarvan hij ons deze avond een samenvatting zal geven. Hij steekt meteen van wal met de boude stelling dat de nieuwe biologie, de biologie van de 21ste eeuw, aantoont dat E=CD+M niet langer houdbaar is. ‘E’ staat daarbij voor evolutie, ‘CD’ voor common descent, gemeenschappelijke afstamming, en ‘M’ betekent modificatie. Met andere woorden, recente bevindingen in de biologie, waaronder die van Borger zelf, zouden het einde inluiden van de theorie van descent with modification, zoals Darwin zelf aanvankelijk zijn evolutietheorie noemde. Waarop baseert Borger deze sterke claim?
De onwaarschijnlijke complexiteit van het DNA
Eerst stelt Borger – terecht – dat de genetica de idee dat alle leven op aarde van eenzelfde voorouder afstamt, sterk onderbouwt. Immers, elk leven op aarde draagt hetzelfde erfelijk materiaal in zich, deoxyribonucleïnezuur ofte DNA. Dit kan enkel afdoende worden verklaard door het feit dat alle leven op aarde afstamt van een organisme dat zelf ook dat DNA in zich droeg. Borger vraagt zich echter af of die universele aanwezigheid van DNA werkelijk een bewijs is voor gemeenschappelijke afstamming. Natuurlijk meent hij van niet, en hij verwijst daarbij naar een paper die in 2000 verscheen in Molecular Biology and Evolution. Daarin beweerden de auteurs dat de genetische code een globaal optimum benadert of heeft bereikt inzake het vermijden van de impact van kopieerfouten op het fenotype, de waarneembare eigenschappen van een organisme (Freeland, et al., 2000, p. 517). Hieruit concludeert Borger dat er nauwelijks een betere code te verzinnen is en dat de bestaande code getuigt van intelligent ontwerp. Hij gaat daarbij wel heel kort door de bocht. Ten eerste wilden de auteurs helemaal niet aantonen dat de genetische code het werk is van een intelligent ontwerper, integendeel. Freeland en zijn collega’s beschouwen het adaptieve karakter van de genetische code net als een bewijs dat ze het resultaat is van natuurlijke selectie. Hun bevindingen ondersteunen daarmee één scenario dat de oorsprong van de genetische code kan verklaren. Andere onderzoekers daarentegen beschouwen het DNA als een resultaat van co-evolutie of als een uitkomst gedetermineerd door chemische wetmatigheden, maar het is vandaag nog steeds onduidelijk welk scenario de voorkeur verdient (Koonin & Novozhilov, 2009).
Volgens Borger echter is de waarschijnlijkheid dat net die optimale code tot stand komt zo ontzettend klein dat enkel intelligent design een plausibele verklaring biedt. Kortom, zijn argument tegen de gemeenschappelijke afstamming van het leven op aarde is een ontwerpargument: de code van het DNA vertoont ‘ontwerp’, ergo er is een ontwerper. Maar natuurlijke selectie is best in staat om een dergelijke complexiteit tot stand te brengen. Dit brengt me tot mijn tweede punt: het ontwerpargument wordt vaak door creationisten naar voren geschoven als een argument tegen natuurlijke selectie, maar het is in ieder geval geen argument tegen de gemeenschappelijke afstamming van soorten. Zelfs als we zouden aanvaarden dat het DNA het werk is van een ontwerper, dan nog kan dit ontwerp reeds aanwezig zijn in de gemeenschappelijke voorvader van alle leven op aarde. Een eventueel intelligent ontwerp van DNA zou daarom perfect compatibel kunnen zijn met de theorie van common descent. Wil Borger aantonen dat alle leven op aarde niet afkomstig is van een gemeenschappelijke voorouder, dan zal hij uit een ander vaatje moeten tappen.
Geen verwantschap
Misschien is dat andere vaatje een artikel dat in 2004 verscheen in Nature. Daarin bespreekt wetenschapsjournalist John Whitfield de discussies omtrent het bestaan en de identiteit van LUCA, de Last Universal Common Ancestor (laatste universeel gemeenschappelijke voorouder) (Whitfield, 2004). Volgens Borger toont dit artikel aan dat het leven waarschijnlijk van verschillende voorouders afstamt en dat de idee van LUCA dood en begraven is. In één adem begraaft hij ook de theorie van gemeenschappelijke afstamming. Dit kan natuurlijk alleen als inderdaad zou blijken dat het leven op aarde verschillende oorsprongen kent. Daarvan is in het Nature-artikel echter niks terug te vinden. Wat nog het meest in de buurt komt van Borgers interpretatie, is de hypothese dat we LUCA meer moeten begrijpen als een gemeenschap van verschillende organismen die genen met elkaar deelden, dan als één organisme. Maar mocht deze hypothese worden bevestigd, dan is onduidelijk hoe ze de gemeenschappelijke afstamming van alle leven in twijfel zou trekken. Alle leven is afkomstig van een populatie genendelende organismen of van één soort organisme, maar in beide scenario’s heeft het leven één en dezelfde oorsprong.
Een laatste argument tegen de theorie van gemeenschappelijke afstamming vindt Peter Borger in de genetische verschillen tussen mensen en chimpansees. Ooit op 1 procent geschat, beweert Borger, variëren schattingen vandaag tussen 6 en 15 procent. Ook wijst hij erop dat mensen 23 chromosomen hebben en chimpansees 24, omdat bij die laatste het DNA is ‘gehusseld’ (wat dat ook moge betekenen). Maar ook hier is onduidelijk hoe dit een argument kan zijn tegen de gemeenschappelijke afstamming van mens en mensaap, laat staan van alle leven op aarde. Vijftien procent verschil betekent nog steeds 85 procent gelijkenis, en aangezien een mens geen chimpansee is kan je redelijkerwijs wel wat genetische verschillen verwachten. Of die nu 15 of 1 procent bedragen, maakt voor de gemeenschappelijke afstamming van mens en mensaap weinig verschil – tenzij Borger verwacht dat de door hem geschetste tendens zich doorzet en we binnen afzienbare tijd zullen vaststellen dat er nauwelijks of geen genetische verwantschap bestaat tussen beide soorten‹ De ‘toenemende’ genetische divergentie tussen mens en mensaap is precies wat genetici verwachten, omdat steeds meer van het niet-coderend DNA in kaart is gebracht. Omdat dit niet-coderend DNA niet onderhevig is aan selectiedruk, laat het de meeste ruimte voor variatie. Het verschil in coderend DNA blijft echter tussen de 1 à 2 procent liggen. (persoonlijke communicatie met Geert De Jaegher, geneticus aan de Universiteit Gent).›. En wat de 23 versus 24 chromosomen betreft: het DNA van chimpansees is helemaal niet ‘gehusseld’. Chromosoom 2 bij de mens vertoont duidelijke gelijkenissen met chromosomen 2A en 2B bij de chimpansee. Het feit dat er overblijfselen van telomeren (stukjes genetisch materiaal die zich doorgaans op het einde van een chromosoom bevinden om het DNA te beschermen tegen desintegratie) te vinden zijn middenin chromosoom 2 van het menselijk DNA, toont duidelijk aan dat dit chromosoom het resultaat is van een fusie van chromosomen 2A en 2B. Die fusie vond vanzelfsprekend plaats nadat de evolutionaire lijnen richting mens en chimpansee uiteenliepen. Kortom, in plaats van een bewijs te vormen tegen de gemeenschappelijke afstamming van mens en mensaap, onderbouwt het verschil in aantal chromosomen net het feit dat beide soorten een gemeenschappelijke voorouder delen (Fairbanks, 2007).
Geïnduceerde variatie
Borgers ‘kritische’ bespreking van modificatie (u weet wel, E= CD+M) brengt geen beterschap. Eerst verwijst hij naar het grote aantal soorten cichliden (kleine vissen die je ook in Belgische aquaria aantreft) in het Victoriameer: 450, dit terwijl het meer in geologische termen nog behoorlijk jong is. Volgens Dawkins (2009, p. 267) toont die rijke diversiteit aan dat evolutie soms zo snel verloopt dat we ze als het ware zelf kunnen waarnemen. Voor Borger betekent dit echter dat er een mechanisme in het genoom bestaat dat mutaties genereert om niches te vullen. Dit mechanisme meent hij te hebben gevonden in de Variatie-Inducerende Genetische Elementen (VIGE’s), die hij lokaliseert in wat vaak als junk DNA wordt omschreven. Junk of niet-coderend DNA is DNA dat niet codeert voor eiwitten en dus niet rechtstreeks bijdraagt tot de embryonale ontwikkeling van een organisme. Naar schatting bestaat ongeveer 95 procent van ons genoom uit dergelijk niet-coderend DNA. Borger meent dat junk DNA een functie moet hebben, omdat anders natuurlijke selectie er reeds lang komaf mee zou hebben gemaakt. Aan de ene kant heeft hij enigszins gelijk, omdat niet-coderend DNA inderdaad vaak een functie heeft, alleen niet de functie die Borger voor ogen heeft. Zo kan het ondermeer een rol spelen bij de regulatie van de omzetting van genen in eiwitten (Häsler, et al., 2007). Aan de andere kant hoeft DNA dat werkelijk geen enkele functie heeft geen probleem te vormen voor natuurlijke selectie. Als het geen effect heeft op het reproductief succes van een organisme, dan ontsnapt dit DNA aan selectiedruk. Om zijn betoog voor zijn VIGE’s overtuigend te maken, moet Borger meer doen dan verwijzen naar de diversiteit van cichliden in het Victoriameer (of naar de genetische variatie bij mensen).
Aan het einde van de lezing stelt Borger zich de vraag of E=CD+M wel falsifieerbaar en dus wetenschappelijk is. Volgens hem is dat niet het geval: met common descent verklaar je immers alle overeenkomsten tussen organismen en met modificatie alle verschillen. Kortom, elk fenomeen past binnen het plaatje van de evolutietheorie, waardoor de theorie niet weerlegd kan worden. Maar wat heeft Borger dan een heel uur lang geprobeerd? Tijdens de vragenronde vallen er nog opmerkelijke uitspraken te noteren. Zo poneerde Borger tijdens de lezing de bizarre stelling dat retrovirussen zoals het hiv-virus afkomstig zijn van de VIGE’s uit het niet-coderende DNA. Bij de vraag of dit betekent dat het hiv-virus uit de mens kan zijn ontstaan, blijkt de aap voor Borger toch weer voldoende op ons te lijken om het dier de schuld in de schoenen te schuiven. Op de vraag wat te denken van de fossielen van hominiden die de menselijke evolutie illustreren, antwoordt hij zonder verpinken dat de Neanderthaler gewoon een Homo sapiens blijkt (waarmee hij de moderne mens, Homo sapiens sapiens bedoelt, wat niet klopt. Mocht hij werkelijk Homo sapiens bedoelen, dan zou het wel kloppen, maar allerminst in zijn betoog passen) en dat de schedelinhoud van Homo erectus, zo’n 7 à 800 cc, niet veel verschilt van die van de moderne mens. Dit cijfer klopt voor Homo erectus, maar de gemiddelde schedelinhoud van de moderne mens bedraagt ongeveer 1400 cc (Dunbar, 2004). Kortom, ofwel heeft Borger geen kennis genomen van de paleontologische bewijzen voor de evolutie van de mens, ofwel staat hij boudweg te liegen. In beide gevallen leidt hij zijn publiek om de tuin, wat niet erg netjes is, maar het is maar de vraag of het publiek dit ook erg vindt. De Nederlander Borger kwam duidelijk vertellen wat de Vlaamse creationisten wilden horen.
Stefaan Blancke werkt als filosoof aan de Universiteit Gent, waar hij onderzoek doet naar het creationisme in Europa.
Met dank aan Geert De Jaegher.
Referenties
Dawkins, R. (2009). The greatest show on Earth. The evidence for evolution. London: Bantam.
Dunbar, R. (2004). The human story. A new history of mankind’s evolution. London: Faber and Faber.
Fairbanks, D. J. (2007). Relics of Eden. The powerful evidence of evolution in human DNA. New York: Prometheus.
Freeland, S. J., Knight, R. D., Landweber, L. F., & Hurst, L. D. (2000). Early fixation of an optimal genetic code. Molecular Biology and Evolution, 17(4), 511-518.
Häsler, J., Samuelsson, T., & Strub, K. (2007). Useful ‘junk’: Alu RNAs in the human transcriptome. Cellular and Molecular Life Sciences, 64(14), 1793-1800.
Koonin, E. V., & Novozhilov, A. S. (2009). Origin and Evolution of the Genetic Code: The Universal Enigma. Iubmb Life, 61(2), 99-111.
Whitfield, J. (2004). Origins of life: Born in a watery commune. Nature, 427(6976), 674-676.
John McLachlan, professor geneeskunde aan de universiteit van Durham in Engeland, ontving op een dag een email met de uitnodiging om een bijdrage in te dienen voor de ‘Jerusalem Conference on Integrative Medicine’. De uitnodiging klonk als volgt: ‘In oktober 2010 vindt in Jeruzalem een internationale conferentie over integrale geneeskunde plaats. Geneeskundige experts uit de hele wereld zullen aanwezig zijn. Zij zullen zich toeleggen op manieren om de wetenschappelijke principes van de moderne geneeskunde te verenigen met de holistische beginselen van de alternatieve geneeskunde. Het wetenschappelijk comité van de conferentie aanvaardt nog steeds aanvullende onderwerpen voor het conferentieprogramma.’
McLachlan voelde zich lichtjes geërgerd door dergelijke onzin, en vooral door de insinuatie van de term integrale geneeskunde dat de reguliere geneeskunde geen rekening houdt met de patiënt in zijn geheel. Hij wou eens testen hoe ontvankelijk de organisatoren waren voor integrale nonsens. Hij stuurde een mail waarin hij zichzelf waarheidsgetrouw voorstelde als een expert in de embryologie, met een groot aantal publicaties in gerenommeerde tijdschriften zoals Nature en The Proceedings of the Royal Society, en als auteur van een bekroond handboek over medische embryologie. Dan vervolgde hij: ‘Door mijn onderzoek naar ontwikkelingsstoornissen bij menselijke embryo’s ontdekte ik onlangs een nieuwe variant van de reflexologie. Die is gebaseerd op een homunculus (Latijn voor ‘klein mannetje’, jv) die in het menselijk lichaam gerepresenteerd is op de billen. De homunculus hangt omgekeerd, zodat het hoofd zich onderaan bevindt. De linkerbil komt overeen met de rechterkant van het lichaam.’
In een mix van medisch jargon en pseudowetenschappelijke concepten beweerde hij voorts dat die ‘kaart’ van het lichaam op de billen reageert op het prikken met naalden, zoals bij acupunctuur, en op milde zuiging, zoals bij cupping‹ Bij cupping wordt een kopje (cup) van glas of plastic op het lichaam geplaatst en vervolgens vacuüm getrokken.› (zeg dus nooit ‘kiss my ass’ tegen een reflexoloog, want die zou dat als een verzoek om medische hulp kunnen interpreteren). Bovendien zou het homunculusfiguurtje ook voor diagnostische doeleinden kunnen dienen.
McLachlan was blij verrast toen hij diezelfde dag nog een positief antwoord kreeg: ‘Geachte professor McLachlan, ik dank u voor uw interessante en verrijkende mail. Met het oog op de presentatie van uw voorstel voor het wetenschappelijk comité zou ik het waarderen als u me een abstract van uw lezing bezorgt.‘ In dat abstract deed de professor er nog een schepje bovenop. Hij stelde de homunculus voor als ‘een gebied van klonale expansie (Blaschko-lijnen‹ Het groeipatroon van de huidcellen tijdens de ontwikkeling van het embryo.›), waarbij delen van het lichaam duidelijke ontologische verbanden vertonen met overeenkomstige delen op de achterkant’. De Blaschko-lijnen zouden ook energiestromen naar die bewuste lichaamsdelen voeren. Om helemaal in de traditie van de alternatieve geneeskunde te blijven, voegde hij eraan toe: ‘De methodologie leent zich niet tot gerandomiseerde dubbelblind gecontroleerde studies, om voor de hand liggende redenen’ (de reden is waarschijnlijk dat zorgvuldig gecontroleerde studies doorgaans tot negatieve resultaten leiden). Het bewijs van zijn bevindingen zou McLachlan leveren aan de hand van (anonieme) getuigenissen. Hij voegde eraan toe te vrezen dat dit nieuwe paradigma op mensen met een gesloten geest zou botsen, die het prompt zouden afwijzen.
En weer ontving hij een positieve reactie. Zijn lezing was geaccepteerd, of hij gewoon nog even zijn deelname wou bevestigen. Hoewel McLachlan graag Jeruzalem had bezocht, hield hij het toch maar voor bekeken en onthulde dat de hele theorie niet meer dan een hoax was, een neptheorie. De verdediging van de organisatoren was voorspelbaar: niet zij waren bedriegers, maar wel McLachlan, omdat die zijn titel misbruikte en zich beriep op onbestaande wetenschappelijke studies. En zij hadden zijn bijdrage aanvaard op basis van zijn kwalificaties. Dat was echter net McLachlans punt: dat de normen voor aanvaarding van lezingen voor sommige conferenties bedroevend laag waren.
De teruggekaatste beschuldiging van bedrog roept herinneringen op aan een stunt van de vier kerels van Neveneffecten in het recente VRT-programma Basta. Als voorbereiding op de eerste uitzending hadden ze allerlei verzonnen, idiote persberichten de wereld in gestuurd, die vervolgens kritiekloos werden overgenomen door de Vlaamse kranten. De krantenredacties konden er niet om lachen: de makers van Basta ondermijnden de geloofwaardigheid en de reputatie van de media. De vier grappenmakers merkten terecht op dat niet zij, maar wel de kranten hun lezers bedriegen, omdat ze hun bronnen niet checken. Er is trouwens een duidelijke lijn tussen een nepbericht als grap en echt bedrog: bij een grap is het op voorhand de bedoeling om het nepbericht later als dusdanig te onthullen, bij bedrog niet.
De computer doet ook mee
Iedereen die met e-mail werkt, is vertrouwd met spam: berichten van anonieme afzenders die ons penisverlengende middelen, Viagra of (namaak-)Rolexhorloges proberen aansmeren. Veel van die spamberichten trachten onder de radar van junkfilters onze mailbox binnen te geraken, door zich te vermommen als onschuldige berichten. Het bericht begint bijvoorbeeld met: ‘Hi Peter, ….’, en dan volgen enkele – meestal Engelstalige – zinnen die weliswaar grammaticaal in orde zijn, maar verder helemaal niets betekenen. Er bestaan computerprogramma’s om dergelijke tekst te genereren: op het eerste gezicht perfect Engels, maar als je de tekst zorgvuldig leest, merk je dat de woorden in elke zin geen enkel verband vertonen.
Jeremy Stribling, Max Krohn en Dan Aguayo, drie informaticastudenten aan het prestigieuze MIT (Massachusetts Institute of Technology), hebben er hun hobby van gemaakt om met zo’n computerprogramma nepartikelen te genereren en die op te sturen naar informaticaconferenties waarvan ze vermoeden dat die lage acceptatienormen hanteren. Eén van hun nonsensartikelen, getiteld ‘Rooter: A Methodology for the Typical Unification of Access Points and Redundancy’, stuurden ze naar het 9th World Multiconference on Systemics, Cybernetics and Informatics (WMSCI 2005). Het artikel ziet er indrukwekkend uit,‹ http://pdos.csail.mit.edu/scigen/rooter.pdf› compleet met grafieken, schema’s, citaten en interne tekstverwijzingen, allemaal gegenereerd door een computerprogramma. Ook verraderlijk is de sectie ‘Verwante resultaten’, waarin verwezen wordt naar – weliswaar fictief – verwant onderzoek. Er zitten ook een aantal eigen zinnen in, zoals het grappige ‘Wij hebben de methode als eerste ontdekt, maar hebben ze niet eerder kunnen publiceren omwille van bureaucratische procedures’. Natuurlijk is het artikel in zijn geheel volslagen onbegrijpelijk. Voor iemand die geen expert is in de informatica, is het echter verleidelijk om te veronderstellen dat de tekst gewoon te technisch is en daarom moeilijk te begrijpen. Technisch jargon is immers overvloedig aanwezig, gratuit verspreid doorheen de tekst.
Ook deze drie studenten hadden succes: hun artikel werd aanvaard voor de conferentie als ‘non-reviewed paper’, niet gecontroleerd dus. Achteraf bleek dat het bericht van acceptatie – o ironie – automatisch verstuurd was door een computer. Men kan zich terecht vragen stellen bij een conferentie die inzendingen automatisch aanvaardt, zonder enige controle van de inhoud. De drie konden hun pret moeilijk stilhouden, en al snel maakten talrijke blogs melding van hun hoax. Het geintje kreeg de genadeslag toen Anthony Liekens, een Belgische doctoraalstudent aan de Technische Universiteit Eindhoven, een verontwaardigde mail stuurde naar de conferentieorganisatoren. Hij schreef dat ze zich moesten schamen en dat hij geen enkel artikel meer zou vertrouwen dat eventueel na de conferentie door hen gepubliceerd werd. Hij kreeg een antwoord terug van één van de organisatoren, die hem liet weten dat hij allerminst beschaamd was, maar ‘uitermate verdrietig’, met daarbij een brief van vier pagina’s. Net zoals in het geval van McLachlan werd de beschuldiging teruggekaatst naar de auteurs van het nepartikel. Het waren zij die zich schuldig maakten aan bedrog. Het excuus van de man was dat hij het niet ethisch vond om een artikel te weigeren zonder een grondige peer review, vandaar dat men voor de conferentie ook artikels zonder review accepteerde.
Het is begrijpelijk dat de tijdsbeperkingen van een conferentie geen grondige peer review van alle inzendingen toelaat. Maar als er zelfs geen vlugge sanity check is, wat is dan eigenlijk de wetenschappelijke waarde van zo’n conferentie, als auteurs de grootste onzin kunnen opsturen? In zijn brief haalde de organisator een groot aantal citaten aan over de flexibiliteit van de normen van peer review, en hoe die lager liggen voor conferenties dan voor academische tijdschriften. Dat mag dan wel waar zijn, maar in het geval van een automatische aanvaarding kun je zelfs niet meer van een norm spreken.
Sprookjesachtige kristallen
The Crystal Chamber (http://www.the-crystal-chamber.net/) is een website die de deugden van homeopathische kristallen aanprijst. Op de hoofdpagina wordt kristalhomeopathie vergeleken met gewone homeopathie. Wat gewone, of chemische, homeopathie doet voor het lichaam ‘als een fysisch systeem’, doet kristalhomeopathie voor het lichaam ‘als een energetisch systeem’. Het gaat natuurlijk niet zomaar om kristallen, maar om heel zeldzame exemplaren die ‘gedurende hun eeuwenlange vorming in grotten homeopathische hoeveelheden hebben opgepikt van substanties met een positieve invloed op je aura’. Men heeft ze per toeval ontdekt in het Penninisch Gebergte in het noorden van Engeland. Op de website kan (of liever, kon) je die heel speciale kristallen ook kopen: ‘Laat onze kristallen balans en zachte heling in uw leven brengen’.
Elders op een internetforum voor adepten van heidense religies en hekserij vroeg een criticus met het pseudoniem disturber zich luidop af, verwijzend naar de Crystal Chamber website, hoe iemand zo naïef kon zijn om in die kristallen te geloven. Voor hem ging het om pure oplichterij, en hij weerlegde één voor één de beweringen erover. Een hevige discussie ontspon zich, waarbij disturber overspoeld werd door een golf aan woedende reacties. Zijn tegenstanders hielden voet bij stuk: homeopathische kristallen bezitten wel degelijk positieve eigenschappen. Sommigen zetten zelfs hun beweringen kracht bij met theoretische argumenten uit de fysica. Wat niemand wist was dat disturber, echte naam Gareth Thomas, zélf de persoon was achter Crystal Chamber. Thomas was zich ondertussen goed aan het amuseren en registreerde zich een tweede maal op het forum, dit keer als Jennifer Crane, eigenares van Crystal Chamber. Hij (of zij) werd overladen door enthousiaste reacties. Eén ‘kristallenexpert’ bood zelfs zijn hulp aan met de verkoop van de kristallen!
Er moest natuurlijk een einde aan komen. Thomas had ondertussen al bestellingen voor zijn kristallen ontvangen, inclusief betaling. Hij wierp zijn vermomming af en onthulde dat zowel Crystal Chamber als disturber en Jennifer Crane opgezet spel waren. De arme stakkers die hem al geld hadden gestort, werden netjes terugbetaald en kregen de aanmaning om niet zo lichtgelovig te zijn. Als je de website nu bezoekt, zie je de vermelding ‘HOAX’ en na enkele keren klikken tref je een uitvoerig relaas aan van Thomas’ fratsen. Zijn verhaal werd onder meer opgepikt door kwakjager James Randi en door het tijdschrift New Scientist (maart 2003). Thomas had waarschijnlijk niet verwacht welk effect zijn stunt zou hebben. Tot zijn opperste verbazing nam het aantal bestellingen nog toe na de onthullingen, en veel mensen waren ontgoocheld dat ze geen kristallen meer konden kopen via de website. Thomas betreurt nu dat hij zijn kristallen niet heeft aangeprezen met de bewering ‘door elfen met de hand opgegraven’, zoals hij even overwogen had.
De moeder van alle hoaxen
In minstens twee van de drie beschreven hoaxen lieten de auteurs zich inspireren door de intussen wereldberoemde hoax van Alan Sokal, fysicus aan de Universiteit van New York. Ik kwam in mijn research voor dit artikel zelfs het werkwoord ‘sokaliseren’ (to sokalize) tegen, om u maar een idee te geven van Sokals impact. Zijn ergernis ging vooral uit naar een modieuze intellectuele stroming genaamd postmodernisme. Postmoderne denkers verwerpen de rationalistische traditie van de verlichting; waarheid is niet langer iets wat je kunt bereiken via wetenschappelijk onderzoek, maar is een socioculturele constructie.
Naast dit extreem relativisme kenmerken sommige postmoderne auteurs zich door een uiterst obscure en pedante schrijfstijl. Hun teksten verdrinken in een ondoordringbaar jargon, waarbij ze een heel eigenzinnige betekenis geven aan de technische termen die ze ontlenen aan bijvoorbeeld de fysica en de wiskunde. Die termen worden bovendien gebruikt in een context die helemaal niets met die wetenschappelijke disciplines te maken heeft. Zo ontwaart de filosofe Luce Irigaray een seksuele lading in de beroemde vergelijking van Einstein, E=mc2. De Franse psychoanalyticus Jacques Lacan ziet verbanden tussen de psychoanalyse en de topologie (een heel abstracte vorm van meetkunde) en is zelfs van mening dat ‘de verscheidenheid van [bepaalde topologische objecten] veel verklaart van de structuur van geestesziekten’. Een mooi voorbeeld van duistere vaagheid, gebrek aan samenhang en absurde analogieën is de passage van Lacan over de psychologie van het genot:
In die ruimte van het genot is iets begrensd en gesloten nemen, een plaats, en erover praten is een topologie. In een artikel dat u vooraan in mijn teksten van vorig jaar zult vinden heb ik, denk ik, de strikte equivalentie tussen topologie en structuur bewezen. Als we ons daardoor laten leiden dan zien we dat wat ‘genot’ van anonimiteit onderscheidt, namelijk wat het recht voorschrijft, een meetkunde is. Een meetkunde is de heterogeniteit van plaats, te weten dat er een plaats is van het Andere. Wat die plaats van het Andere betreft, van een sekse als Andere, als absolute Andere, tot welke conclusies kan de recentste ontwikkeling in de topologie ons leiden? Ik zou hier de term compactheid willen aanhalen. Niets is compacter dan een breuklijn, als het duidelijk is dat de doorsnede van alles wat erin besloten ligt bestaat in een oneindig aantal verzamelingen, dan volgt daaruit dat de doorsnede dat oneindige aantal omvat. Dat is precies de definitie van compactheid.
--- Lacan 1975 (in Sokal&Bricmont 1999, pp 27-29)
Of hoe het origineel straffer is dan elke parodie.
In hun drang om hun eruditie te etaleren, geven deze schrijvers eerder blijk van het tegendeel: ze hebben geen kaas gegeten van de wetenschappelijke begrippen die ze zo kwistig in het rond strooien. Maar laat dat vooral geen domper zetten op hun pretentie. Zo vraagt wetenschapssocioloog Bruno Latour zich in alle bescheidenheid af of hij met zijn ‘semiotische analyse’ van de relativiteitstheorie iets bijgeleerd heeft aan Einstein.‹ Sokal & Bricmont 1999, pp 117-118.› Zijn ‘semiotische analyse’ is eigenlijk niet meer dan een opeenstapeling van verkeerde interpretaties van de relativiteitstheorie, maar toch beantwoordt hij zijn retorische vraag met een volmondig ja: zonder zijn analyse zou de technische argumentatie van Einstein onbegrijpelijk zijn! Misschien moeten we dat maar beschouwen als een stilzwijgende toegeving dat Latour niets snapt van fysica. Wat geen schande is, maar het is beter om te zwijgen over onderwerpen waar je niets van afweet.
Dat was wat Sokal dacht toen hij zijn parodie schreef. Die droeg de indrukwekkende titel: ‘Transgressing the boundaries: Toward a transformative hermeneutics of quantum gravity’ (1996). Vertaald naar het Nederlands: ‘Transgressie van de grenzen. Naar een transformatieve hermeneutiek van de kwantumgravitatie’. Als u geen flauw benul heeft van wat dat betekent, is dat een teken van goede geestelijke gezondheid: het is immers volslagen nonsens. Net zoals het hele artikel trouwens, dat een aaneenrijging is van citaten van bovenvermelde schrijvers en andere postmodernisten. De citaten werden aan elkaar geweven via kromme logica en absurde interpretaties van technisch-wetenschappelijke termen, een handelsmerk van het postmodernisme. Sokal had nog geprobeerd zijn imitatie te perfectioneren door er onverstaanbare en betekenisloze zinnen tussen te gooien, maar als wetenschapper in wiens job helderheid en precisie essentieel zijn, ontbrak het hem aan inspiratie. Als hij dat vandaag zou willen herhalen, kan hij beroep doen op een computerprogramma dat heuse postmoderne teksten genereert (‘the postmodernism generator’). Je kunt dat programma uittesten op http://www.elsewhere.org/pomo. Bij het openen van de pagina krijg je onmiddellijk een willekeurig postmodern artikel, met een waanzinnig geleerd klinkend taalgebruik, maar zonder enige betekenis. Telkens als je de pagina vernieuwt, genereert de computer een ander artikel. Onderaan vind je de disclaimer, inclusief een verwijzing naar Sokal.
Sokal stuurde zijn artikel naar Social Text, een Amerikaans cultureel tijdschrift, zonder erbij te vertellen dat het om een parodie ging. Het artikel werd aanvaard en gepubliceerd. Sterker nog: het werd gepubliceerd in een speciale editie die net bedoeld was om de kritiek van wetenschappers op het postmodernisme te weerleggen. Onmiddellijk daarna onthulde Sokal zijn parodie in Lingua Franca, een Amerikaans literair magazine. In hetzelfde magazine verscheen vervolgens een riposte van twee redacteurs van Social Text. Heel kenmerkend voor slachtoffers van een hoax lieten ze weten dat ze het bedrog van Sokal niet apprecieerden. Ze vreesden dat zijn gebrek aan ethiek gevaarlijke gevolgen kon hebben voor wetenschappelijke publicaties. Hij moest ook niet denken dat hij de redactie van Social Text in hun slaap verrast had. Hun tijdschrift was namelijk geen wetenschappelijke publicatie, waarbij artikels systematisch onderworpen worden aan peer review, zo argumenteerden ze, maar veeleer een forum waarin een grote verscheidenheid van opinies aan bod komt (daar hebben ze een punt). Verder waren ze van mening dat Sokal een karikatuur had gemaakt van het sociaal constructivisme, de stelling dat wetenschappelijke kennis onlosmakelijk verbonden is met het cultureel kader waarbinnen de wetenschap opereert. Aan het eind van hun betoog benadrukten ze echter wel hun interesse in wetenschap ‘als een burgerlijke religie, als een sociale en politieke autoriteit’ – dit terwijl Sokal net zijn best had gedaan om uit te leggen dat de waarheid van wetenschappelijke kennis los staat van enige politieke of sociale macht.
De hoax had het effect van een bom aan Amerikaanse campussen. Kort nadien dropte Sokal een tweede bom, ditmaal op Parijs: samen met de Belgische natuurkundige Jean Bricmont (U.C.L.) publiceerde hij in 1997 het boek Impostures intellectuelles.‹ Nederlandse vertaling: Intellectueel Bedrog. Postmodernisme, wetenschap en antiwetenschap. EPO/De Geus, 1999.› Daarin stellen de twee het charlatanisme van postmoderne – voornamelijk Franse of Franstalige – auteurs aan de kaak. Het boek bevat ook de integrale tekst van Sokals artikel in Social Text, samen met ettelijke pagina’s aan verduidelijkingen. Een storm aan reacties volgde in de media, overal ter wereld verschenen er opinieartikels over het boek. Tot grote verbazing van Sokal en Bricmont ging het voor sommigen niet langer meer om een aanval op pseudowetenschap, maar kreeg de controverse een nieuwe dimensie. Het was nu de klassieke strijd van rechts tegen links, van de exacte wetenschappen tegen de humane wetenschappen. Op een bepaald moment werd er zelfs gesuggereerd dat, met de Koude Oorlog voorbij, het imperialistische Amerika op zoek was naar nieuwe vijanden en haar doel gevonden had in Frankrijk!
Vruchteloos herhaalden Sokal en Bricmont dat hun kritiek heel specifiek gericht was op een beperkte groep schrijvers, dat zij zichzelf tot de linkerzijde van het politiek spectrum rekenden, dat hun acties net ingegeven waren door hun bekommernis om de humane wetenschappen (de exacte wetenschappen ondervinden namelijk geen hinder van postmoderne onzin), dat de hoax die alles in gang zette in een Amerikaans tijdschrift was gepubliceerd als een aanklacht tegen een academische stroming die populair was aan Amerikaanse universiteiten. Het mocht niet baten. De kennisrelativisten slaagden er niet in te relativeren.
Voor doe-het-zelvers
Voelt u zich na het lezen van dit artikel gemotiveerd om zelf een hoax de wereld in te sturen, dan kan u voor inspiratie terecht bij ‘de officiële inspiratie generator voor alternatieve geneeswijzen’,‹ http://www.denayer.com/inspiratie› een website van de Vlaamse germanist en IT-architect Wouter Denayer. Een druk op de knop en u krijgt een willekeurige nieuwe alternatieve geneeswijze voorgeschoteld, met een korte voorstelling van de therapie. Niet tevreden? Druk nog eens op de knop en u krijgt er een andere. Er zijn meer dan 50.000 mogelijkheden, dus iedereen vindt er wel één die hem of haar bevalt.
Zowel de naam van de therapie als de beschrijving ervan volgen een vast patroon. De naam is uit drie delen samengesteld: een prefix (zoals ‘kosmo’ of ‘bio’), een adjectief (‘dynamiserende’, ‘energetische’, …) en ten slotte een substantief (‘polariteiten’, ‘chakra’s’, …). Voor elk van de drie delen bestaat er een grote woordenlijst waaruit de computer een willekeurige keuze maakt en die keuzes vervolgens aan elkaar plakt. Met de voorbeelden hierboven krijg je bijvoorbeeld ‘kosmo-dynamiserende polariteiten’ of ‘bio-dynamiserende polariteiten’, enzovoort. In fysicahandboeken vind je daar niets van terug, maar geef toe, het klinkt erg chique. Ook de beschrijving van de behandeling bestaat uit een willekeurige greep uit een grote lijst van zinnen. Eén zin vermeldt de herkomst van de therapie (bij voorkeur oosters), een andere zin beschrijft de aandoeningen die erdoor behandeld worden (hoe meer hoe beter), weer een andere zegt iets over de duur van de behandeling (zo vaag mogelijk), … Denayer wil hiermee aantonen dat alternatieve geneeswijzen allemaal putten uit een grabbeldoos met holle slogans en vage claims die perfect inwisselbaar zijn, zodat je één en dezelfde claim bij verschillende therapieën tegelijk kan aantreffen.
Hebt u een goedgelovig iemand in uw kennissenkring die bijvoorbeeld last heeft van tandpijn, stel hem of haar dan eens ‘elektro-resonerende voice dialogue’ voor, een ‘emotieve therapie’ waarbij de oren ‘met een veronderstelde vorm van levensenergie worden behandeld’. Wees daar wel voorzichtig mee. Mensen die erin trappen, zullen daar waarschijnlijk niet om kunnen lachen.
John Vos is lid van SKEPP en werkt als risk manager bij ING België.
Met dank aan Rik Delaet voor de vertaling van het artikel over McLachlan in British Medical Journal.
Kamelenmelk zou volgens sommigen goed zijn voor van alles en nog wat. Het zou diabetes, tuberculose, maagzweren, gastro-enteritis, kanker, allergieën, infecties, autisme en zelfs aids genezen of verlichten. Dat is niet zo dwaas als het misschien klinkt. PubMed vermeldt inderdaad diverse studies over positieve gezondheidseffecten door kemelmelk. Een handvol studies suggeert een verlaagd bloedsuiker bij diabetes, maar dit betreft slechts voorstudies. Een paar kleinschalige studies van geringe kwaliteit suggereren een mogelijk positief effect bij maagzweren, bij infecties zoals hepatitis en bij schistosomiasis (bilharzia). Al met al stellen die onderzoeken niet veel voor. Kamelenmelk kan uitsluitend gelden als een experimentele behandeling. De bestaande studies rechtvaardigen meer en beter onderzoek, maar niet het voorschrijven ervan als medicijn.
Kemelmelk is rijk aan vitamine C, arm aan vitamine A, vetarm in vergelijking met koemelk en wordt verdragen door mensen met lactose-intolerantie. Ze verschilt op veel andere vlakken van koemelk, maar de klinische betekenis van die verschillen is onduidelijk. Een paar studies suggereren reden tot behoedzaamheid. Een onderzoek in Saoedi-Arabië, waar brucellose (Maltakoorts) een plaag is, toonde aan dat ongepasteuriseerde kemelmelk de belangrijkste bron van brucellosebesmetting is. Er bestaat ook een melding van een anafylactische shock bij een kind met atopie.
Millie Hinkle, oprichter van de American Camel Coalition, beweert het volgende: ‘Het hoge insulinegehalte in kemelmelk en de antilichamen, veel simpeler van structuur dan antilichamen in menselijke melk, zorgen ervoor dat kemelmelk dieper doordringt in het menselijk weefsel en cellen [wááát?], wat betekent dat de melk potentieel een belangrijk wapen is tegen veel menselijke ziektes.’
Hinkle bestempelt de studies verricht in andere landen naar autisme, diabetes, kanker, hartziekten, de ziekte van Parkinson, voedselallergieën en diverse andere ziektes als ‘indrukwekkend’. De studies die zij vermeldt voor sommige van die claims kon ik niet terugvinden en ik beschouw degene die ik wel vond niet als ‘indrukwekkend’. Het rapport over autisme dat zij citeert, is geen origineel onderzoek, maar een speculatieve overpeinzing op basis van observaties van drie patiënten, die controversiële en onbewezen hypothesen voorstelt als vaststaande feiten. Eén van de studies verwijst naar de belofte van de Profeet dat kamelenmelk zeer goed zou zijn om te drinken. Is het niet ongepast om religieus commentaar te leveren in een wetenschappelijk artikel? Is religieuze staving relevant? De Sahih Bukhari, één van de zes voornaamste Hadith-verzamelingen van de soennitische islam, bevat inderdaad verzen met pleidooien van de profeet Mohammed voor het drinken van kemelmelk en -urine als medicijn. Bijvoorbeeld:
Het klimaat van Medina was niet geschikt voor een aantal mensen, daarom beval de profeet hun om zijn herder te volgen, om de melk en de urine van zijn kamelen te drinken als medicijn. Zodoende volgden ze de herder en dronken ze de melk en urine tot hun lichaam gezond was. Daarna doodden zij de herder en voerden de kamelen weg.
Het medisch advies van de Sahih Bukhari is niet betrouwbaar of zelfs maar consistent. Het stelt ook: ‘Genezing bestaat uit drie dingen: een slok honing, cupping en branden met vuur (cauterisatie). Maar ik verbied mijn volgelingen het gebruik van afbranden met vuur.’ Betekent dit dat moslims zich op medisch vlak moeten beperken tot honing en cupping?
Ik richt mijn pijlen niet alleen op moslims. Teksten van andere religies verschaffen evengoed twijfelachtig medisch advies. In het Esseense Vredesevangelie geeft Jezus gedetailleerde aanwijzingen voor darmspoelingen met gebruik van rivierwater en een langgerekte kalebas:
Zoek daarom een grote langgerekte kalebas met een steel van een mans lengte; haal de inhoud eruit en vul hem met water uit de rivier dat de zon verwarmd heeft. Hang de kalebas aan de tak van een boom en kniel op de grond voor de engel van water, en leidt het uiteinde van de steel van de kalebas naar je achterste delen opdat het water door je darmen kan vloeien.
Geef mij dan maar kamelenmelk.
Er bestaat een boek getiteld Heb uw klysma’s lief en genees jezelf. Eén van de klantbeoordelingen op Amazon.com luidt: ‘Dit boek helpt mensen om Gods liefde te begrijpen, in een zeer intiem gebied.’ Je vindt de gekste dingen op het internet! Maar ik dwaal af…
Er bestaat ook een website, Camel Milk for Health, die het verhaal brengt (slechts één?!) van een jongeman met een niet-gediagnosticeerde kwaal, die hem ‘allergisch maakte voor alle voeding’, waardoor hij ‘vegeteerde op een eetlepel rijst en een eetlepel rijstmelk per dag.’ Gelooft u dat? Zijn ouders beweren dat hij genas door het drinken van kemelmelk. Ze beschrijven hun strijd met de autoriteiten om speciale toestemming te krijgen voor het importeren van de melk in Canada. De website kondigt ook een symposium aan in Vancouver, met als thema ‘Kamelenmelk, een nieuwe alternatieve behandeling’. Belangrijkste spreker is een gepensioneerde professor diergeneeskunde uit Israël, die een deel van het onderzoek verrichtte. Het symposium wordt gesponsord door een orthodoxe joodse congregatie, de oudste en grootste synagoge in Vancouver. Vreemd, want kamelen en kemelmelk zijn trayf (niet kosher) en verboden voor orthodoxe Joden.
In mijn zoektocht naar mogelijke gezondheidsvoordelen botste ik op Wikipedia nog op een paar intrigerende kameelweetjes:
Altijd leuk om zulke dingen te weten. Excuus voor de uitweiding.
In de VS is de verkoop van kemelmelk vooralsnog verboden. Een samenzwering van Big Dairy om concurrentie tegen te gaan? Op de website van Camel Milk for Health kan je doorklikken naar die van de Oasis Camel Dairy, een bedrijf dat kemelmelk produceert. Aangezien ze geen wettelijke toestemming hebben om die te verkopen, maken ze er kemelmelkzeep van, aan vijf dollar, in variëteiten als ‘wierook, mirre en goud’ en ‘rozemarijn-munt’. Ze verkopen ook kemelmelkchocolade.
Alle onderzoek lijkt zich te richten op eenbultige kamelen (dromedarissen). Het is onduidelijk of de melk van de camelus bacterianus – de tweebultige kameel – even effectief is. Die één-bult-of-twee-kwestie moet nog worden uitgezocht.
Noot van de redactie: Nederland telt de enige kamelenmelkerij van Europa. De melk wordt verkocht in Nederland, België, Duitsland, Oostenrijk, Zweden en Groot-Brittannië.
Harriet Hall is gepensioneerd arts. Zij is een van de mede-oprichters van www.sciencebasedmedicine.org en bezielster van de skeptische website The Skepdoc (www.skepdoc.info).
Dit artikel verscheen oorspronkelijk in een uitgebreidere versie als ‘One Hump or Two? Camel’s Milk as a New Alternative Medicine’, www.sciencebasedmedicine.org.
Voor deze laatste is het vooral de Turkse creationist Harun Yahya (pseudoniem voor Adnan Oktar, de charismatische leider van een schrijverscollectief) die de laatste jaren geregeld van zich laat horen. Zo werden er van 13 tot 16 oktober 2011 nog Harun Yahya conferenties gegeven in Charleroi, Brussel, Gent en Leuven. Tijdens die conferenties kon het publiek gratis creationistische boeken meenemen en een fossielententoonstelling bekijken. Fossielen zijn inderdaad het stokpaardje van Harun Yahya, want daarin ziet hij namelijk het grote bewijs van zijn stelling dat evolutie niet bestaat, maar dat alle leven werd geschapen door god en sinds die schepping onveranderlijk is gebleven. De fossielententoonstelling moet dit dan bewijzen door telkens fossiele en recente organismen naast elkaar te tonen, om dan te beweren dat beiden identiek zijn... en er dus geen evolutie is opgetreden.
Met dit soort van “bewijsvoering” haalde Harun Yahya de wereldpers toen hij in 2007 op grote schaal en ongevraagd duizenden exemplaren van zijn bekendste boek, de “Atlas of Creation”, gratis opstuurde naar scholen en universiteiten in Europa (en daarna ook in de VS). Hoewel dit voor nogal wat beroering zorgde in het onderwijs en aanleiding gaf tot politieke interpellaties in verschillende landen (o.a. in het Vlaamse parlement) en zelfs tot een resolutie van de Raad van Europa, werd er relatief weing ondernomen in de geschreven pers om de onbenulligheid van de fossiele “bewijzen” van Harun Yahya effectief aan te tonen. Inderdaad, persberichten, blogs en webstekken genoeg, maar slechts heel zelden gaan die verder dan te wijzen op de nonsensicale aard van twee tot drie van de honderden fossiele voorbeelden die Harun Yahya ten tonele voert.
In België publiceerde enkel Walter Decleir eerder al een kritische analyse van de “Atlas of Creation”, maar daarbij werd niet echt ingegaan op concrete voorbeelden. Daarom publiceerde Thierry Backeljau (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en Universiteit Antwerpen) en enkele collega's onlangs een artikel waarin de fossiele “bewijsvoering” van Harun Yahya wordt ontkracht op grond van uitgewerkte detail voorbeelden en dit vanuit een taxonomische achtergrond. Dit artikel werd uitgebracht onder een open licentie en kan als PDF gratis worden gekopieerd van:
http://www.evolutietheorie.ugent.be/files/Backeljau_artikel.pdf
http://jemu.myspecies.info/jemu-uses-taxonomy-refute-creationists-anti-e...
http://www.taxonomytraining.eu/sites/default/files/Backeljau_etal_2012.pdf
http://www.taxonomy.be/gti_course/theoretical_courses/evolution/selected...
raadpleeg het volledige werk (in het engels) op: http://www.evolutietheorie.ugent.be/files/Backeljau_artikel.pdf
Ik heb naar de details van de enquête gezocht, naar de originele vraagstelling, hoe de keuze van bevraagden gebeurde, maar veel is er niet te vinden. De opdrachtgever van deze ‘studie’ is de homeopathieproducent Boiron, met hoofdzetel in Frankrijk en wereldwijd verkoper van geschud water en suikerbolletjes, wat Boiron miljarden heeft opgebracht. De Franse website meldt dat ook in Frankrijk de firma Ipsos in opdracht van Boiron dezelfde enquête heeft afgenomen als in België,ii en ook daar blijkt minstens de helft van de bevolking de homeopathie op handen te dragen.
Dergelijke beweringen geven een déjà vu-gevoel. Telkens weer trachten de naar erkenning smachtende alterneuten hun totaal gebrek aan overtuigend bewijs voor werking tegen enige ziekte of klacht te doen vergeten door met opgeblazen cijfers over populariteit te zwaaien. Ze hopen aldus de bevolking maar vooral de politici ertoe te brengen om hen te erkennen. Sommige politici denken misschien dat het erkennen van iets wat zo sterk in vraag is, stemmenwinst kan opleveren.
Hoe komen ze aan dergelijke opgeblazen cijfers? De technieken zijn al jaren dezelfde: stel de vragen op een manier die het gewenste antwoord geeft. Wat ook vaak gebeurt is: bevraag bij voorkeur een ‘bevriend publiek’, bijvoorbeeld mensen die al klant zijn bij een homeopaat. Die ongeloofwaardige cijfers zijn eigenlijk wel juist als je de vragen bekijkt. Naargelang je vraagt ‘heeft u ooit eens homeopathie gebruikt?’ of ‘gebruikte u de laatste twaalf maanden homeopathie?’ of ‘bent u van plan het te blijven doen?’, krijg je heel verschillende antwoorden. Mits dergelijke ‘goede’ vraagstelling kan ik oprecht beweren dat 90% van de Belgen met een fopspeen gaat slapen. Het oneerlijke zit hem in de presentatie. Ook al heeft negen op de tien mensen ooit een fopspeen gehad, je mag niet beweren dat ze er vandaag één hebben.
De cijfers zijn erg ongeloofwaardig omdat er ook studies bestaan met heel andere resultaten. De cijfers van de Belgische Nationale Gezondheidsenquêtes, uitgevoerd door het WIV, het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, in 1997, 2001, 2004 en 2008, laten al jaren een heel andere realiteit zien.iiiEnkele citaten:
12% van de bevolking heeft in de 12 maanden voorafgaand aan het interview een contact gehad met een alternatieve of niet-conventionele therapeut. Het gaat hierbij, in volgorde van belangrijkheid, om contacten met een osteopaat (6,4% van de bevolking), een homeopaat (4,0%), een chiropractor (1,8%), een acupuncturist (1,6%), een manueel therapeut (1,2%) en een fytotherapeut of kruidengenezer (1,1%).
.../...
Het percentage personen dat beroep heeft gedaan op een alternatieve therapeut is stabiel wanneer de resultaten van 2008 met deze van 2001 vergeleken worden.
.../...
Het Neutraal Ziekenfonds voorzag als eerste in een algemene nationale regeling voor de terugbetaling van homeopathische geneesmiddelen voor haar leden.
In 2001 vroeg minder dan 2% van de leden van dit ziekenfonds de terugbetaling aan van een homeopathisch geneesmiddel. De Christelijke Mutualiteiten meldt dat in het jaar 2000 drie procent van haar totale ledengroep regelmatig een beroep deed op een alternatieve geneeswijze waarvoor de CM een tegemoetkoming geeft.
Die cijfers (4%, 2%, 3%) zijn wel nogal verschillend van 50%! Aan u om uit te maken welke bron u het meest vertrouwt. Kan het verschil misschien verklaard worden door zelfmedicatie? Het lijkt erg onwaarschijnlijk dat de helft van de bevolking aan zelfmedicatie doet met homeopathie. Het zal wel aan de tendentieuze vraagstelling liggen, genre ‘hebt u ooit een snotneus gehad of met een driewielertje gereden?’ Conclusie: 90% van de Belgen heeft een snotneus en verkiest een driewielertje!
Als ik zou beweren dat Boiron zeer dure suikerbolletjes verkoopt waar geen kruimel actieve stof in zit, zouden ze mij dan ook een proces aandoen en schadevergoeding eisen, zoals ze deden met een Italiaanse amateurblogger?
Om mijn positieve ingesteldheid en goede wil te bewijzen, herinner ik er nog eens aan dat de vzw SKEPP een prijs van 10.000 euro uitlooft voor wie het onderscheid kan maken tussen een homeopathisch middel en de grondstof ervan (water, alcohol of lactosebolletje). Alle technieken zijn toegelaten: patiënten, proefdieren, toestellen, pendel, wichelroede, zesde zintuig, waarzegger en sterrenbeelden. We zijn breeddenkend. Die prijs geldt ook voor wie het onderscheid kan maken tussen twee homeopathische middelen. Uiteraard geldt dit aanbod enkel voor de post-Avogadro-verdunningen, dus meer dan C12 , maar het mogen ook veel sterkere middelen zijn in de homeopathische zin (dus nog meer verdund).
Kom gerust op uw driewielertje.
Bestrijden wij homeopathie? Zeker niet! In ons landje is er grondwettelijke vrijheid van geloof, dus ook geloof in homeopathie is een recht. Maar als er reclame gemaakt wordt voor een aangeboden dienst door middel van onjuiste verklaringen of valse beloften, dan is er een overtreding van de wet op oneerlijke handel en dat is strafbaar. Wij verzetten ons met klem tegen het principe dat een behandeling erkenning verdient omdat een deel van de bevolking erin gelooft of ze toepast, laat staan op basis van vertekende cijfers. Hopelijk zijn onze politici verstandig genoeg om zich te realiseren tot welke absurde toestanden dit kan leiden. Als de erkenning van behandelingen zou afhangen van de gunst van het volk, dan zaten we nog steeds met aderlatingen, brandijzers en zalfjes gemaakt van vleermuizendrek. Absurdistan is trouwens al begonnen. Dankzij sterk lobbywerk van de homeopathische industrie heeft het Europees Parlement directieven gestemd die de lidstaten verplichten om producten waar niets in zit en die niemand kan onderscheiden van water of suiker, te erkennen als medicijn. Sterker nog, producenten mogen er zelfs medische indicaties voor vermelden als ze ergens een boekje kunnen opdiepen dat aantoont dat een homeopaat het ooit daarvoor gebruikte.
i http://www.apodenys.be/documents/news-items/ipsos-studie-de-belg-en-homeopathie.xml?lang=nl
ii http://www.boiron.fr/Homeopathie/Homeopathie-Enquete-Ipsos
iii https://www.wiv-isp.be/epidemio/epinl/crospnl/hisnl/his08nl/r3/7_contactenbeoefenaarsniet-conventionelegeneeswijzen_oh_report3_nl.pdf
The French documentary film The Wall (Le mur), which takes issue with psychoanalytic views on autism, has caused some uproar over the past few months, even drawing attention from The New York Times. France is one of the last remaining bulwarks of psychoanalysis, the theory and therapy devised by Sigmund Freud and further developed by his countless acolytes. In most of the Anglo-Saxon world, the influence of psychoanalysis has steadily waned over the past decades (except in the humanities and cultural studies), but the public health sector and academic psychology departments in France are still largely dominated by psychoanalysts, particularly the followers of the charismatic Jacques Lacan, who was one of the major targets of Alan Sokal and Jean Bricmont’s book Intellectual Impostures. In most other countries, different variants of cognitive-behavioral therapy (CBT) are regarded as the standard treatment for autism (and for several other psychological afflictions). French psychoanalysts continue resisting this approach, because they (falsely) regard it as a reductionist approach that solely focuses on behavior change and neglects the subjective dimension of psychological illness. In The Wall, we see a number of psychoanalysts explaining the onset of autism, a neurological condition with an important hereditary factor, in terms of unresolved oedipal dramas and intersubjective struggles.
Three of the dozen or so analysts who appear in The Wall (Alexandre Stevens, Esthela Solano and Eric Laurent), all of Lacanian stripe, have sued filmmaker Sophie Robert for defamation, claiming that The Wall’s depiction of their views is tendentious, that their views have been distorted through editing, and that the film is a diatribe against psychoanalysis instead of a sober assessment of the theory and therapy. Surprisingly, a court in Lille has partly put the analysts in the right, banning The Wall and sentencing Robert to cough up a compensation fee of hundreds of thousands of euros.
If you think The Wall is manipulative propaganda, you’ve never seen manipulative propaganda. The 9/11 conspiracy film Loose Change, for example, is a typical piece of cut-and-paste work: mostly snippets of a few seconds, taken out of context and disingenuously strung together to serve the needs of the filmmakers. The distortions of Loose Change were well documented on the blog Screw Loose Change and by other conspiracy debunkers. What we see in The Wall, however, are psychoanalysts answering questions and holding forth about autism at length, sometimes in uninterrupted sequences of almost a minute. The followers of Freud and Lacan have been remarkably unforthcoming about the alleged misrepresentations of The Wall, complaining mainly about the “polemic” tone of the film and only vaguely referring to misleading editing work.
The judge’s motivation does not provide a smoking gun either. In fact, it would simply outlaw any form of creative post-filming editing. Ironically, the judge charges Robert with leaving out material that even further attests to the bizarre views of Lacanian psychoanalysts. For example, one of the three psychoanalysts is shown saying that sometimes autism is caused by the mother being depressed at birth or while the child is in utero. Misrepresentation of his views, says the judge, because off-screen he adds that autism is foremost a “choice” made by the child itself. Apparently, parents do influence this flight into autism, but only the child itself takes “responsibility.” Such a bizarre position goes out of the frying pan into the fire. The judge, however, thinks it is a “very nuanced view” that gets insufficient attention in The Wall (one wonders why a judge pronounces on such matters). Should we blame Sophie Robert for failing to unearth even more pseudoscientific speculations?
In spite of Robert’s editing work, anyone who bothers to sit through the whole documentary will see a prime example of self-incrimination, with all sorts of bizarre pronouncements that are really self-explanatory, and that derive from a long psychoanalytic tradition of blaming autism on flawed relationships with parents (Bruno Bettelheim, Jacques Lacan, Françoise Dolto). For example, we learn that fathers need to intervene in the mother-child relationship in order to prevent their sexual fusion; that all mothers experience a period of “maternal madness” after pregnancy; that every mother-child relationship is intrinsically incestuous; that the autistic child “refuses” to enter into the world of language because it is “sick of language”; that some fathers are impotent and pathogenic; that one function of the placenta is to mediate between the murderous desires of mother and fetus during pregnancy (!); and that the psychological damage of father-daughter incest is not much to worry about.
Not all of those exotic views are shared by all the interviewed analysts, of course. Indeed, if you consult two psychoanalysts on any given subject, you usually end up with three different opinions. The analysts in The Wall have one thing in common, though: they revel in the same baseless and gratuitous psychoanalytic method, and they display the same cavalier disregard for careful scientific theorizing about the human mind. Particularly harrowing is the bleak view expressed by many Lacanian analysts about the expected benefits of their (or any form of) therapy (“the pleasure of taking interest in a soap bubble,” says one analyst after an embarrassing silence). This reflects another central tenet of Lacanian psychoanalysis: we cannot be cured from the human condition, and the symptoms developed by a patient constitute his or her way of coping with the ineluctable “knot” into which we humans tie ourselves (hence the “choice” for autism). Instead of fostering false hopes, or so the Lacanians claim, we should resign to this state of affairs. To try to get rid of debilitating symptoms, as cognitive behavioral therapists try to do, is to eradicate the dimension of human subjectivity. Such defeatism is appalling in view of the evidence-based therapeutic interventions for dealing with conditions such as autism.
To be sure, some parts of The Wall have been substantially edited (as is the case in any documentary film), but the three psychoanalysts have not given a single instance of editing work that has led to gross misrepresentation. Examples where questions and answers have been shuffled to improve the flow of the storyline hardly make a difference to the arguments presented. In one or two instances, the editing process may be regarded as glancing over some nuances, or insufficiently discriminating between different viewpoints. In a theoretical mess such as Lacanian psychoanalysis, however, with its obscure and byzantine doctrine about subjective development, one can always blame the critic of missing such or such theoretical subtlety. To Robert’s credit, she has taken pains to clear away the fog surrounding (Lacanian) psychoanalysis, and to crisply demonstrate what the psychoanalytic view of autism comes down to.
The other charges against Sophie Robert are simply ridiculous. The film is accused of being “polemic,” as if this was a thought crime in itself. A film maker has the right to express his or her views on a subject, and to take sides if (s)he feels morally obliged to do so. Would any sensible person be able to make a documentary about homeopathy, astrology or Scientology and manage to remain studiously evenhanded about the subject matter? The polemic tone of the film is perfectly justified in light of the outrageous claims made by the Lacanian psychoanalysts themselves. And even if Robert had seriously misrepresented the views of some of her interviewees, the latter could have written a formal response instead of dragging a young filmmaker into court and demanding exorbitant compensation fees (€ 300,000 in total).
This ruling is a blatant violation of the right to free speech and free dissemination of information. All interviewees had signed an agreement disowning their rights to the footage and acknowledging that the material would be edited. Although freedom of speech ends where libel and slander begin, psychoanalysts have not even come close to showing that such is the case. Naturally, Sophie Robert has appealed against the judge’s ruling. In the meantime, Lacanian psychoanalysts who (understandably) have tried to ban this 52-minute long embarrassment for their discipline, will have to countenance the so-called Streisand effect: attempts to censor information on the internet will almost inevitably backfire, by attracting more attention and furthering its dissemination. And you, dear reader, are complicit in this strange phenomenon!
—
Visit the website ‘Support the Wall’
Die ‘evolutie’ mag je letterlijk nemen: vertrekpunt van het boek is het ontstaan van het leven. Wie zicht wil krijgen op ziekte, veroudering en gezondheid, moet immers begrijpen hoe die gevormd zijn door natuurlijke selectie, stelt Bonneux. Het leidt tot een indrukwekkende tocht doorheen de menselijke evolutie en geschiedenis, vanaf het ontstaan van het leven tot en met het ontstaan van elektrohypersensitiviteit: ziekte door angst voor gsm-straling. De erfenis van onze geschiedenis als jagers-verzamelaars, de impact van de ontwikkeling van de landbouw, het ontstaan van infectieziekten en epidemieën, de eerste gezondheidsrevolutie in de negentiende eeuw en de tweede na de Tweede Wereldoorlog: Bonneux weeft het allemaal samen als springplank naar deel twee van het boek, een kritiek op de moderne gezondheidsindustrie. Die spiegelt ons voor dat de bron van de eeuwige jeugd bestaat en jaagt ons de stuipen op het lijf door ons allerlei milieugevaren en ziektes aan te praten, stelt hij.
Maar wie naar het beschikbare bewijs kijkt, moet vaak vaststellen dat we misleid worden. Marktdenken primeert. Dat heeft zijn prijs: door angst voor ziektes en door overbodige behandelingen dreigen we de gezondheid te verliezen die we de afgelopen eeuwen zo moeizaam gewonnen hebben. Gedurende de voorbije 13.000 jaar, tot en met de Tweede Wereldoorlog, was het altijd onzeker wat het komende jaar zou brengen. Misschien mislukte de oogst, braken er plagen uit of kwam er weer oorlog. Misschien zou je weer één van je kinderen moeten begraven. Mensen ploeterden voort en bereidden zich bij relatieve welvaart voor op de miserie die hen onvermijdelijk weer wachtte. Het ontstaan van de landbouw had ons, paradoxaal genoeg, niet gezonder gemaakt maar zieker. Landbouw leidde tot een bevolkingsexplosie, wat minder calorieën betekende per te voeden mond. Samenleven met landbouwdieren deed hun ziektekiemen op ons overslaan, met dodelijke infectieziekten zoals mazelen, griep en pokken tot gevolg. Een toenemende bevolkingsdichtheid leidde tot epidemieën. Nog in het derde kwart van de negentiende eeuw raasden zware golven van pokken en cholera door de Lage Landen. Mensen waren toen kleiner dan ooit, verschrompeld door honger en ziekten.
Aan het begin van de eenentwintigste eeuw zijn we weer even groot als onze prehistorische voorouders die van jagen en verzamelen leefden en kerngezond waren. We kunnen bogen op een onwaarschijnlijk hoge levensverwachting, dankzij toenemende welvaart, hygiëne, vaccinatie en het ontstaan van de moderne geneeskunde. Toch waren we nooit bezorgder over onze gezondheid dan vandaag. Dat heeft voor een stuk met verwachtingen te maken: als je mag hopen op een lang leven, is een vroege dood des te erger. Maar de voornaamste oorzaak, zegt Bonneux, ligt bij de gezondheidsindustrie. Aan gezonde, tevreden mensen valt weinig te verdienen. Er moeten dus behoeften geschapen worden. Je moet mensen bang maken, zodat ze hun heil zoeken bij jouw producten of diensten. De medische, de farmaceutische en de voedingsindustrie hebben zo de handen in elkaar geslagen om ons van vele niet-bestaande gezondheidsrisico’s te overtuigen.
Kanker, aldus de auteur, is bij uitstek het domein van de mythen. Het klinkt ontnuchterend, maar kanker is een volstrekt natuurlijk groeiproces. Het is de evolutionaire erfenis van celdeling, nodig om onze weefsels te verjongen. Celdeling houdt altijd een groot risico op wildgroei in, reden waarom we over zeer efficiënte verdedigingssystemen tegen rebellerende cellen beschikken. Dat betekent dat we allemaal altijd wel ergens kanker hebben, maar ook dat dit zich meestal vanzelf oplost of beperkt tot een goedaardig gezwel. Het betekent ook dat we best wel tegen een stootje kunnen. Alarmistische berichten over kankerverwekkende milieu-invloeden worden meestal niet gesteund door degelijk onderzoek. Dat roken en asbest kanker veroorzaken staat onomstotelijk vast, net zoals we weten dat zwaarlijvigheid en zwaar alcoholgebruik het risico sterk vergroten.
Maar de belangrijkste oorzaak van kanker blijft vooralsnog toeval. Vergeet dioxines, gsm-straling, lage doses radioactiviteit en fijn stof: gevonden verbanden – zo die er zijn – blijken op andere factoren te berusten. Natuurlijk moeten wij ijveren voor een schoon milieu, benadrukt Bonneux, maar liefst niet via een strategie van de angst. Ingebeelde gevaren kunnen je namelijk echt ziek maken. Kankerscreening, de voedingsindustrie, de grieppaniek van de voorbije jaren, het rekken van de levensduur, gsm-straling, de impact van radioactiviteit, luchtvervuiling, mythes omtrent aids, aidsbestrijding in Afrika, de relatie van cholesterol met ziekte en sterfte: Bonneux heeft een expertise om u tegen te zeggen. Hij is dan ook, zoals hij het zelf noemt, een ‘klonteraar’.
“In het wetenschapsbedrijf kun je splitters en clotters onderscheiden, splitsers en klonteraars. Het overgrote deel van de moderne wetenschap bestaat uit splitsen, het opdelen van processen in steeds kleinere onderdelen. Vroeger bestonden er alleen maar chirurgijns, in mijn jeugd had je een huisarts, internist, chirurg en kinderarts. Tegenwoordig kweekt de geneeskunde meer specialismen dan konijnen jongen. Een deel van de internisten werd endocrinoloog (specialist van klieren), een deel van de endocrinologen werd diabetoloog (specialist in suikerziekte), een deel van de diabetologen werd kinderdiabetoloog. Kennis wordt steeds verder opgesplitst in kleine onderdelen, die dan weer verder onderzocht worden. Splitsen is de manier om kennis te verdiepen, maar het grote gevaar is dat het overzicht verloren gaat. Klonteraars trachten betekenis te geven aan de informatiestroom door de vele kleine eenheden weer bij elkaar te klonteren tot grotere verbanden.
En ze leefden nog lang en gezond is een magnifiek bij elkaar geklonterd boek. Wie al langer lid is van SKEPP, zal in de tweede helft stukken herkennen die al eerder in dit tijdschrift verschenen, maar nu verder uitgewerkt of geüpdatet werden. Ook los daarvan blijven ze de moeite van het herlezen waard, omdat ze zo rijk zijn aan informatie. Wetenschappelijk onderbouwde gezondheidsinformatie is schaars, vanwege de vele belangen die spelen. Dit boek zorgt voor een welkom tegengewicht.
Recensie door Griet Vandermassen
-------------------------------------
Luc Bonneux, En ze leefden nog lang en gezond. Hoe gezondheid een industrie werd, Lannoo, 2011, 22,99 euro, 351 pag.
Naast een intentieproces in drie bedrijven van Robrecht Vanderbeeken, dat ik hier grotendeels ongemoeid laat, en enkele tribunes van Rogier De Langhe, waarop ik later terugkom, heeft nu ook een Gents consortium van 22 filosofen onze (vermeende) standpunten over wetenschap en pseudowetenschap op de korrel genomen.
Mijn filosofische collega’s verdenken ons van verificationisme, naïef falsificationisme en andere onwelvoeglijke -ismen. We zouden een achterhaald beeld van wetenschap hooghouden en wetenschappers in een filosofisch keurslijf steken, waarbij gezond pluralisme en speculatie in de kiem worden gesmoord. Merkwaardig genoeg verwijzen ze nergens naar het boek dat Johan Braeckman en ik recent en uitgerekend over deze kwesties publiceerden (De ongelovige Thomas heeft een punt. Houtekiet, 2011, zie in het bijzonder hoofdstuk acht over de afbakening van wetenschap en pseudowetenschap).
Maar geen nood, want misschien zijn de ondertekenaars, die pleiten voor “gerichte speculatie” en “informed guesses” in de wetenschap, in staat om onze filosofische standpunten, incluis alle vooronderstellingen en verborgen valluiken, op trefzekere wijze af te leiden uit een opiniestuk en een flard van een radio-interview. On verra. De omvang van een betoog is omgekeerd evenredig aan het gemak om er een stropop uit te puren.
De ondertekenaars beginnen met me een standpunt over wetenschappelijke concepten toe te schrijven – de eis tot directe en liefst experimentele confirmatie – dat nergens in mijn gewraakte opiniestuk in De Standaard te lezen valt. Een wetenschappelijke theorie, zo schreef ik aldaar, is een “systematisch en coherent geheel van opvattingen dat empirische toetsing doorstaat, kwetsbaar is voor weerleggingen, toelaat om voorspellingen te maken, causale mechanismen beschrijft en geïntegreerd is met andere wetenschappelijke disciplines.” Een pseudowetenschap is een theorie of cognitieve onderneming die systematisch en ernstig afwijkt van deze standaarden, en toch als wetenschappelijk wordt gepresenteerd. In De Standaard argumenteerde ik dat psychoanalytische concepten als het oedipuscomplex of de verdringing, in de mate dat ze zich tot empirisch onderzoek lenen (die mate is zeer gering), geen enkele ondersteuning genieten.
Mijn collega’s lezen daarin dat ik op directe empirische verificatie van concepten hamer, en werpen me tegen dat ook het Higgs-boson slechts indirect waarneembaar is, middels complexe theoretische veronderstellingen. Dat klinkt alsof ik van Freudianen had geëist dat het oedipuscomplex als neurologisch construct op een hersenscan zou oplichten, of post mortem vaststelbaar is bij een lijkschouwing. Men vraagt zich af waarom ik niet net zo goed de paleontologie als pseudowetenschap verwerp (wie heeft de meteoriet gezien die de dinosauriërs uitroeide op het einde van het Krijt?), of de spectroscopie in de sterrenkunde, die de chemische samenstelling van sterren afleidt uit hun karakteristieke lichtspectrum.
Mijn Gentse collega’s leveren hier strijd tegen een opvatting die zowel mij als Griet Vandermassen volkomen vreemd is. Mijn kritiek luidde niet dat het oedipuscomplex niet met het blote oog verifieerbaar is, maar dat een psychoanalyticus onder elke steen een oedipale wens weet te vinden. Met andere woorden, geen enkele observatie, of geheel van indirecte waarnemingen, kan de psychoanalyticus van de afwezigheid van een oedipuscomplex overtuigen, een euvel dat voortkomt uit de inbedding van dat concept in een incoherente psychoanalytische theorie en de verregaande methodologische vrijgeleiden (zie hoofdstuk acht in ons boek). Deze onkwetsbaarheid voor empirie in de brede zin – niet voor directe experimentele weerlegging, zoals de ondertekenaars me in de schoenen schuiven – is het echte pijnpunt van psychoanalytische constructen, een ziekbed waarin bona fide psychologische concepten zich niet bevinden.
De ondertekenaars verbeelden zich dat wij een uniform “ideaal” van wetenschap opleggen aan alle wetenschappelijke disciplines. Achter de stroman lonkt onvermijdelijk de open deur: geschiedschrijving leent zich niet tot experimenten en “rechtstreekse empirisch bewijs”, zo leren ons de ondertekenaars. Dat treft, want in ons boek valt te lezen:
“Omwille van hun specifieke studieobject zijn geschiedkundigen echter aangewezen op een andere methodologie en bewijsvoering. In plaats van experimenten uit te voeren, wat vrij moeilijk ligt bij complexe en eenmalige gebeurtenissen uit het verleden, moeten historici afgaan op geschreven bronnen, artefacten en getuigenissen die uit die tijd stammen.” (p. 242)
Vanaf dat punt begint het opiniestuk evenveel open deuren te tellen als ondertekenaars. “Theorieën die in tegenspraak zijn met waarnemingsgegevens”, zo vermanen ze ons iets verder, “worden niet zomaar opgegeven.” Nergens in mijn opiniestuk heb ik het tegendeel beweerd of gesuggereerd: de wortels van het psychoanalytische failliet reiken heus dieper dan enkele tegenstrijdige waarnemingen. De briefschrijvers formuleren een terechte correctie op het naïeve falsificationisme van Karl Popper, maar wat een gelukkig toeval, want in ons boek staat ook:
“Wetenschappelijke hypothesen, zo zag Duhem, worden nooit getest in isolatie, maar in ‘bundels’. […] De logische consequentie van Duhems inzicht houdt in dat we onze favoriete theorie altijd kunnen redden door aan één of meerdere van haar hulphypothesen te sleutelen. In de praktijk is dat ook wat wetenschappers doen. Vooral wanneer een theorie haar strepen verdiende in het verleden, zullen wetenschappers haar niet licht opgeven bij het opduiken van een anomalie.” (p. 250-251)
In plaats van de discussie aan te gaan over psychoanalyse en pseudowetenschap, vervallen de ondertekenaars vervolgens in een aantal vrijblijvende platitudes, die op zich geheel onschadelijk zijn, ware het niet van de suggestie dat wij ze ergens (waar?) zouden betwist hebben. “Niet elke tak van dé wetenschap streeft hetzelfde doel na” en elke discipline in de wetenschap heeft zijn “eigenheid”. Horresco referens inmiddels, maar op pagina 253 van ons boek lezen we:
“Wetenschap bestrijkt een breed veld en is een complexe aangelegenheid. De methodologische diversiteit van wetenschap in acht genomen, is het onwaarschijnlijk dat we één universeel geldig en formeel criterium kunnen opstellen, dat in alle domeinen goede wetenschap van pseudowetenschap onderscheidt.”
Mijn co-auteur Johan Braeckman, die eveneens het verwijt krijgt een te enge visie op wetenschap te verdedigen, werkte reeds in 1994 onder begeleiding van Leo Apostel mee aan een lijvige studie over de waarde en de eigenheid van de humane wetenschappen (Wetenschap als Cultuur, Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, 1994). Die studie is nog steeds leerzaam voor wie wil weten hoe men genuanceerd kan nadenken over het belang van de cultuur- en gedragswetenschappen, en over de specifieke methodes die zij hanteren.
De argumenten waarmee mijn filosofische collega’s komen aandraven zijn, hoewel belangrijke correcties op het logisch positivisme en falsificationisme van begin 20e eeuw, ondertussen gemeenplaatsen onder wetenschapsfilosofen. De mogelijkheid dat iemand, na al deze technische complicaties in rekenschap te brengen, desondanks tot het oordeel komt dat psychoanalyse een pseudowetenschap is, lijkt bij deze ondertekenaars een ongerijmdheid. Aangezien wij de term pseudowetenschap niet schuwen, zo redeneren ze, moet dat wel liggen aan het feit dat een halve eeuw wetenschapsfilosofie aan ons is voorbijgegaan.
Moeten we het bestaan van grijze zones dan niet erkennen, aldus onze collega’s? Natuurlijk, maar in een dynamische wetenschapsopvatting worden die zones bevolkt door telkens weer andere theorieën (tegenwoordig bijvoorbeeld de snaartheorie in de fysica). Sommige onderzoeksprogramma’s “degenereren” gaandeweg tot een grijstint die nauwelijks nog van zwart is te onderscheiden, om een concept te gebruiken van één van de wetenschapsfilosofen (Imre Lakatos) wiens werk ons volgens de ondertekenaars ontgaan is.
Na meer dan honderd jaar theoretische versnippering en vruchteloos wetenschappelijk onderzoek, kan je volgens ons bezwaarlijk volhouden dat de psychoanalyse nog ergens in limbo zweeft. Indien we daarover van mening verschillen, laten we dan ten gronde een discussie voeren over de merites van de psychoanalyse, in lijn met de meest actuele inzichten in de wetenschapsfilosofie. Maar dan moeten we wel onze kaarten op tafel leggen. De ondertekenaars houden zich jammer genoeg zorgvuldig op de vlakte over Freuds geesteskind. Nergens betwisten of beamen ze de kritiek van Griet Vandermassen en ikzelf op het epistemologische drijfzand van de theorie, de therapeutische tekortkomingen, de wetenschappelijke marginalisering, laat staan de Lacaniaanse absurditeiten over autisme (zie in het bijzonder voor het laatste punt de onthullende documentaire Le Mur van Sophie Robert). Liever houden ze een achterhoedegevecht met een resem filosofische stromannen.
Miskent ons oordeel over de psychoanalyse de “eigenheid” van verschillende wetenschappen? Hanteren we criteria die “niet van toepassing zijn” op de psychoanalyse? Indien wel, wat belet aanhangers van astrologie of homeopathie om zich achter hetzelfde generieke argument te verschansen? Indien niet, waarom komen de ondertekenaars dan met gemeenplaatsen aanzetten die we nergens hebben betwist en waarover we het enkel roerend eens kunnen zijn? Mijn collega’s trappen één deur in die zo wijd open staat dat we ze in ons boek over het hoofd hebben gezien: “niet alles van waarde is wetenschappelijk”. Mocht daar nog twijfel over bestaan, bij deze trap ik nog even na: natuurlijk niet.
De ondertekenaars pleiten ten slotte voor een wetenschapsfilosofie die in “overeenstemming tracht te zijn met de wetenschappelijke praktijk”, een kwaliteit die, dat hoeft geen betoog, de filosofie van ondergetekende zou ontberen. In hetzelfde stuk schrijven ze echter dat het zeer onwaarschijnlijk zou zijn om organismen “direct te zien evolueren”. Dat komt ongetwijfeld als een verrassing voor de talloze evolutiebiologen die de evolutie van bacteriële resistentie in flagrante delicto onderzoeken, laat staan de farmaceutische bedrijven die winst blijven maken met de ontwikkeling van steeds nieuwe antibiotica. Met welke wetenschappelijke praktijk zijn de 22 ondertekenaars precies in overeenstemming?
In zijn persoonlijke bijdragen neemt mijn collega Rogier De Langhe nog een breder loopje met onze gepubliceerde standpunten. In vele opzichten is het stuk van De Langhe de overtreffende trap van wat het filosofische collectief presteert: de stromannen worden grotesk, de open deuren gapen wijder. De Langhe verbeeldt zich een ander opiniestuk dan hetwelk ik geschreven heb, waarin ik een "messcherp onderscheid" vooronderstel tussen wetenschap en pseudowetenschap en over "ultieme standaarden van kennis" en “absolute autoriteit” meen te beschikken. De Langhe heb ik ondertussen herhaaldelijk uitgenodigd om de relevante passages uit ons boek te lezen, zelfs met het aanbod om ze elektronisch door te sturen, maar hij koos manhaftig voor de strijd tegen de stropop. Voor wat het waard is, in datzelfde hoofdstuk acht van ons boek valt te lezen:
“In de sceptische literatuur vindt men een waaier aan concepten om de verschillende gradaties van zin en onzin te onderscheiden: randwetenschap, parawetenschap, pathologische wetenschap, voodoowetenschap, anomalistische wetenschap, junk science, crank science of zelfs kwak en bunk.” (p. 254)
“Een wetenschappelijke theorie is nooit absoluut waar of definitief bevestigd. In het beste geval overleefde ze een lange reeks van falsificatiepogingen en is ze vruchtbaar gebleken om diverse wetenschappelijke problemen mee op te lossen. Precies de kwetsbaarheid en feilbaarheid van wetenschappelijke kennis, het feit dat ze altijd op onverwachte weerleggingen kan botsen, maakt haar grootste kracht uit.” (p. 249)
Een haarscherpe scheidingslijn tussen wetenschap en pseudowetenschap is een schim die al geruime tijd enkel in de hoofden van onze critici rondwaart, en waarop geen enkele gesofistikeerde falsificationist zich laat betrappen. Net zoals veel complexe categorieën, komt ‘wetenschappelijkheid’ voor in gradaties. Maar het is niet omdat het concept ‘kaalheid’ met grensgevallen kampt, dat er niet ontegensprekelijk kale en behaarde mensen zijn. Hetzelfde geldt voor het niemandsland tussen wetenschap en pseudowetenschap. De drogreden van De Langhe staat bekend als Loki’s waagstuk, naar de Noorse god Loki, die zijn eigen hoofd dreigde in te schieten bij een verloren weddenschap met de dwergen. Toen de dwergen kwamen om hem te onthoofden, opperde Loki dat ze weliswaar recht hadden op zijn hoofd, maar zijn nek onder geen beding mochten aanraken. Beide partijen redetwistten tot in der eeuwigheid over de precieze scheidingslijn, en Loki heeft zijn dierbare hoofd nog steeds.
De Langhe, die het demarcatieproject resoluut als een oudbakken schijnprobleem van “pseudofilosofen” wegwuift, zal op zijn boekenplank veel dergelijke pseudofilosofen aantreffen. In een filosofisch volume over het demarcatieproject, dat kortelings verschijnt bij Chicago University Press en waarvan ik co-redacteur ben, voeren dertig internationaal bekende filosofen, historici, wetenschappers en sociologen een vruchtbare en constructieve discussie over het demarcatieprobleem, dat alle voorbarige doodverklaringen in die zin logenstraft.
Tot slot trekt De Langhe de wildcard van het perspectivisme. Gevangen zouden we zijn in ons eigen perspectief, blind voor onze politieke bedoelingen en vooronderstellingen, gesloten voor andere perspectieven, etc. Onze filosofische opstelling heet bij De Langhe “a priori blind voor bepaalde aspecten van het denken van de ander omdat het eigen perspectief wordt voorondersteld bij het evalueren van andere perspectieven.” In deze uitgeklede versie is het perspectivisme een passe-partout waarmee je zowat elke discussie kan lamleggen. De Langhes gemakzuchtige verdediging toont aan dat de inktvlek van het postmoderne relativisme, die we in hoofdstuk 9 van ons boek bespreken, zich nog verder heeft verbreid dan we vreesden. Past de astrologie ook binnen een perspectief dat we vanuit onze denkvoorwaarden niet zinvol kunnen bekritiseren, omdat we onze eigen maatstaven dan zouden opleggen? Zijn evolutiebiologen blind voor hun eigen perspectief als ze het creationisme verwerpen? En hoe zit het met alternatieve kankerbehandelingen? Complottheorieën? Negationisme?
Nog het meest vermoeiend bij De Langhe, alsook bij Robrecht Vanderbeeken, zijn de gratuite beschuldigingen van politieke en ideologische drijfveren, waarin mijn 22 filosofische collega’s gelukkig nergens vervallen. Merkwaardig genoeg lijken deze insinuaties noch voor de vingerwijzers noch voor vele toehoorders (zie de reacties op deze site) een betoog te behoeven. Een vereniging als SKEPP zou ideologisch gekleurd zijn precies omdat ze pretendeert politiek neutraal te zijn, een typisch staaltje van postmoderne volte-face dat bijna geloofwaardig wordt als je het maar vaak genoeg herhaalt. De boutade van de onlangs overleden publicist Christopher Hitchens komt nog eens van pas: “What can be asserted without evidence can be dismissed without evidence”. Ik ben benieuwd of men één concreet voorbeeld kan aangeven waaruit blijkt dat de standpunten van SKEPP waren ingefluisterd door politieke in plaats van wetenschappelijke overwegingen.
Op het einde van hun gezamenlijke stellingname benadrukken mijn collega’s de diepe kloof die tussen ons beider filosofische posities gaapt. Aan onze vakgroep is gelukkig ruimte voor grondige meningsverschillen (ik kan er alvast een paar bedenken), maar in dit partijtje schaduwboksen, in feite een oponthoud bij filosofische gemeenplaatsen en open deuren, blijven de echte splijtzwammen alvast goed verborgen. Niet verwonderlijk, want met 22 ondertekenaars wordt de grootste gemene deler wel erg klein, en de verleiding tot stropoppen navenant groot. Is deze collectieve distantiëring van de “groep SKEPP filosofen” een krampachtige poging om de loze beschuldigingen van pensée unique aan onze vakgroep, de laatste weken niet van de lucht op deze nieuwssite, het hoofd te bieden? Mocht ik een Freudiaan zijn, ik zou gewagen van het “narcisme van het kleine verschil”. Teneinde mijn oproep om niet langer bij open deuren te verwijlen kracht bij te zetten, bied ik mijn collega’s, samen met mijn co-auteur Johan Braeckman, tien exemplaren van ons boek aan. Die belofte is direct empirisch verifieerbaar in de koffiekamer van de vakgroep. Te herkennen aan het mooie inpakpapier, en binnenin aan het prachtige schilderij van Caravaggio op de kaft -- omdat niet alles van waarde wetenschappelijk is.
Tot slot, in alle oprechtheid: aan allen mijn beste wensen voor 2012.
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=VD3JEM7L
https://sites.google.com/site/maartenboudry/teksten-1/how-convenient
http://www.youtube.com/watch?v=TBUFMYythJQ
http://www.ongelovigethomas.be
Ik stel geen extreem hoge eisen aan mensen die zich wetenschapsfilosofen noemen. Wel veronderstel ik dat ze kunnen lezen en dat ze ‘Mensch’ zijn (Jiddisch voor een integer en eervol mens). In verband met intellectuele discussies veronderstelt zoiets dat men de relevante teksten van de opponent gelezen heeft en dat men duidelijk maakt waarmee men het oneens is, en waarom.
In 1966 heb ik in mijn doctoraat (gepubliceerd in 1967) duidelijk gemaakt wat er waardevol bleef in het Logisch Empirisme en waarin het tekort schoot. Als iemand mijn stellingen van toen wil ontkrachten, mag hij/zij het altijd proberen; liefst voor een vol auditorium. In 1969 heb ik twee artikels over het ontstaan van de experimentele methode geschreven, samen ongeveer 60 blz.; wie ze wil verbeteren, is welkom. Zowel in de thesis, als in het boek dat ik samen met Johan Braeckman geschreven heb, zijn de naïeve opvattingen die de pléiade ons toeschrijft, van de tafel geveegd. In het boek staat uitdrukkelijk: “Dit in relatie brengen (van termen of zinnen met empirische gegevens) verwijst dan naar de praktijk volgens dewelke wetenschapsmensen hun taal in relatie brengen met de empirische feiten.” (‘praktijk’ onderstreept in de tekst).
De pléiade beledigt mij zelfs door te suggereren dat ik Lakatos en Laudan niet zou kennen. Ze zouden beter zelf eens proberen de inzichten van die mensen op de psychoanalyse toe te passen. In verband met Kuhn was ik de begeleider van de schitterende thesis van Freddy Verbruggen (2500 blz.) over de phlogistoncontroverse. Hieruit bleek dat Kuhn’s vage analyses geen stand houden bij nauwkeurig onderzoek van de historische feiten. Helen Longino, ten slotte had een en ander kunnen leren uit mijn artikels: “ Wissenschaft, Technik und Gesellschafskritik” (1973) en “La crédibilité des experts” (1976).
Onze ‘wetenschapsfilosofen’ vinden dat ik één enkel ideaal van wetenschap heb. Ik daag hen uit mij een meer genuanceerde studie van de verschillende types van wetenschap voor te leggen dan mijn artikel “Enkele bijzondere aspecten van menswetenschappen” (1987). Ik eis uiteraard niet dat ze het zelf geschreven hebben.
Overigens gaan ze van de aantoonbaar verkeerde opvatting uit dat wij de pseudowetenschappen vooral bestrijden vanuit wetenschapsfilosofische uitgangspunten. Wij wijzen homeopathie af op basis van strikt fysische en scheikundige wetten. Wij bestrijden astrologie op basis van hedendaagse astronomie, psychologie en genetica en hetzelfde geldt voor de ‘paranormale’ fenomenen. Degenen die deze onzin willen verdedigen, op basis van hun ‘wetenschapsfilosofie’, mogen dat ook eens, weer voor een eivol auditorium, proberen.
Ik wil andermaal beklemtonen dat wij bepaalde stellingnamen gemeenschappelijk hebben, maar dat je de boeken en artikels van de leden van SKEPP niet zomaar aan de hele groep kunt toeschrijven. Wat ik bvb. over Jezus, of over het onsterfelijkheidsgeloof schrijf, daarvoor ben ik alleen verantwoordelijk.
Sommige leden van de pléiade zullen misschien zeggen: “Moeten wij dan de teksten van Vermeersch lezen?”. Voor mij hoeft dat niet. Maar als men mijn opvattingen bestrijdt, behoort het wel tot een elementair fatsoen daar eerst kennis van te nemen. Zelfs een opdracht aan een universiteit, of het lidmaatschap van een geleerd genootschap, biedt geen vrijbrief om zo inauthentiek te zijn dat je een tekst ondertekent over zaken waarvan je geen kennis genomen hebt.
Ggo staat voor ‘genetisch gemodificeerd organisme’ en is eigenlijk een verzamelnaam waar ook ‘genetisch gewijzigde gewassen’ toe behoren. Wetenschappelijk gezien zijn beide echter misleidende termen omdat elke nieuwe gewasvariëteit - dus ook deze bekomen via klassieke veredelingsmethoden - het resultaat is van wijzigingen op genetisch niveau. In de vakliteratuur gebruiken genetici dan ook eerder de term ‘transgene gewassen’, verwijzend naar transformatie, het biotechnologisch proces dat genen binnenbrengt in planten. ‘Biotech-gewassen’ is een eerder populariserende term, afgeleid van ‘biotech crops’, een benaming die in de internationale literatuur echter steeds meer ingang vindt.
De vernielende actie van de ‘Field Liberation Movement’ aan het aardappelveld in Wetteren op 30 mei 2011 zit wellicht nog vers in het collectief geheugen. Minder bekend is dat de week ervoor ‘Les Faucheurs Volontaires’, eveneens van de partij in Wetteren, laboratoria bezet hielden van het INRA (Institut National de la Recherche Agronomique) in Angers (Frankrijk), waar experimenten met biotech-perenbomen van start zouden gaan.
Begin juni 2011 blokkeerden aanhangers van Greenpeace de aanplanting van de biotech-aardappel Amflora, eigendom van de chemiereus BASF, in Nedre Vojakkala (Zweden). Een maand later was Greenpeace opnieuw verantwoordelijk voor de vernietiging van het eerste proefveld met biotech-tarwe in Canberra (Australië). Op 24 juli protesteerden een groep bioboeren dan weer tegen veldproeven met biotech-aardappelen in Norwich (Groot-Brittannië). Het signaal is duidelijk: waar de voorbije jaren de anti-ggo-kritiek in de publieke media enigszins was afgenomen, beleven we momenteel een revival en rijst, althans in Vlaanderen, de vraag tot een heropening van het maatschappelijk debat.
Nochtans wierp de biotech-industrie dit jaar ook een terugblik op precies vijftien jaar commercialisering van biotech-gewassen en op hun impact vanaf de start van die commercialisering in 1996. ZIE: http://argenbio.org/adc/uploads/isaaa_2010/ISAAA_Briefs_42-Executive_Summary_Feb_2011.pdf.
Wereldwijd werden sindsdien één miljard hectare biotech-gewassen aangeplant, een oppervlakte vergelijkbaar met de totale landmassa van de VS of China of een kleine 1000 keer het teeltareaal van België. Op onze wereldbol is 10% van het globale teeltareaal bedekt met biotech-gewassen en dat aandeel neemt jaarlijks toe. Continentsgewijs ligt meer dan 80% van dit biotech-areaal op het Amerikaanse continent, een kleine 10% ligt in Zuidoost-Azie en een paar procent in Oceanië en Afrika samen. Europa bezit met een luttele 0,1% het kleinste biotech-areaal, waarvan de overgrote meerderheid op Spaanse bodem te vinden is. In België worden – behalve in enkele veldproeven – geen biotech-gewassen in open lucht geteeld. Wel kennen we de import van ggo-afgeleid veevoer en vlees van dieren die ermee werden gevoerd. Het zeer beperkte ggo-areaal in Europa en het compleet ontbreken ervan in Vlaanderen valt des te meer op aangezien Europa, en de Universiteit Gent in het bijzonder, mee aan de bakermat liggen van de plantenbiotechnologie --- Chilton M. (2001) Agrobacterium: A memoir. Plant Physiol. 125 (1), 9-14.--- en er tot op heden een internationaal gerenommeerde en sterk uitgebouwde onderzoekstraditie heerst. Deze situatie is paradoxaal te noemen. De belastingbetaler ondervindt immers nauwelijks return van deze investering in kennisontginning. Hoe het zover is kunnen komen, ligt zoals vaak aan een complexe samenloop van omstandigheden. Een factor waar we echter niet omheen kunnen, is de hardnekkige perceptie dat de Europese consument biotech-gewassen als een bedreiging ziet, eerder dan een opportuniteit. Volgens de grootste tegenstanders, die steeds een bepalende rol hebben gespeeld in dit verhaal, biedt Europa zelfs geen plaats voor de noodzakelijke veldproeven om nieuwe toepassingen uit te testen.
De vraag die we hier behandelen, is wat de drijfveren zijn van de tegenstanders die de Europese consument – en onrechtstreeks de partijpolitiek – op sleeptouw nemen in hun strijd tegen de teelt van biotech-gewassen. In grote lijnen lijkt die strijd vooral een afwijzing in te houden van een industrieel-wetenschappelijk landbouwmodel dat aangedreven wordt door machtige multinationals. In de plaats hiervan zweren zij bij biologische of agro-ecologische landbouw. Maar er valt uit hun betoog ook af te leiden dat hun afwijzing van biotech-gewassen fundamentalistisch van aard is. Bovendien is hun ideologie ver kunnen doordringen tot in het machtscentrum van de Europese regelgeving onder de vorm van een doorgedreven voorzorgsprincipe dat een rationele en op wetenschappelijk denken gebaseerde logica negeert. Met andere woorden, het ggo-dossier wordt niet enkel gebruikt als symbool van de verhouding tussen groot- en kleinkapitaal, maar evenzeer om een visie op natuur en wetenschap door te drukken.
Laat ons de argumenten van de tegenstanders eens nader bekijken. Hun kritiek draagt doorgaans drie aspecten: (voedsel)veiligheid, milieu-impact en een socio-economisch aspect. Vanaf de eerste commercialisering van biotech-gewassen waren al deze aspecten reeds aanwezig. Opvallend is echter dat sindsdien het zwaartepunt van de anti-ggo-kritiek sterk is verschoven. Onder invloed van de voedselschandalen die plaatsvonden – herinnert u zich nog de BSE-epidemie in Groot-Brittannië en de dioxine-affaire hier in Vlaanderen? – werd aanvankelijk sterk ingezet op het zaaien van twijfel omtrent voedselveiligheid. Dit werd versterkt door de Pusztai-affaire --- Ewen S.W.B. & Pusztai A. (1999) Effect of diet containing genetically modified potatoes expressing Galanthus nivalis lectin on rat small intestine. Lancet 354, 1353-1354.--- in Groot-Brittannië in 1998, toen Dr. Pusztai van het Rowett instituut in Schotland in de publieke media verklaarde dat bij experimenten in zijn lab afwijkingen waren vastgesteld in het verteringskanaal van proefdieren die met ggo-aardappelen werden gevoerd. Volgens Pusztai konden bepaalde van deze afwijkingen niet verklaard worden door de aanwezigheid van het soortvreemde transgene genproduct --- in dit geval hadden de ggo-aardappelen een soortvreemd gen ontvangen uit sneeuwklokje, dat instaat voor de productie van een lectine. Lectines zijn suikerbindende eiwitten die ondermeer ingezet worden om planten beter bestand te maken tegen insecten --- in de aardappelen, en moesten ze dus te wijten zijn aan het proces van genetische modificatie zelf. --- Smith J.M. (2003) Seeds of deception. Totnes: Green Books, p. 19. --- De conclusie die al snel volgde, luidde dat geen enkel ggo-afgeleid product – waarvan sommige tot dan toe een commercieel succes waren gebleken – nog betrouwbaar kon zijn. Kort daarna werden deze producten dan ook uit de Europese winkelrekken gebannen. Tot op de dag van vandaag heeft echter geen enkel wetenschappelijk onderzoek kunnen bevestigen dat het proces van genetische modificatie op zich gevaarlijker zou zijn dan andere veredelingsmethoden zoals kruisingsveredeling of mutagenese.
De vijandige perceptie op ggo’s die de Pusztai-affaire in Groot-Brittanië had uitgelokt, sloeg over naar het Europese continent. Kort na de nefaste reactie van de consument en ook omdat de lidstaten niet overeenkwamen in hun risico-analyses en de wetgeving rond ggo’s, besloot Europa de import of teelt van nieuwe biotech-gewassen voor onbepaalde tijd te blokkeren. In 1998 werd dan ook een de facto moratorium afgekondigd. Sindsdien werd het wetgevend kader rond ggo’s in Europa en de lidstaten grondig herzien. --- Devos Y., Reheul D., De Waele, D., & Van Speybroeck L. (2006) The interplay between societal concerns and the regulatory frame on GM crops in the European Union. Environ. Biosafety Res. 5: 127-149. --- In 2002 werd in het Italiaanse Parma ook het Europees voedselagentschap EFSA opgericht, dat vandaag als onafhankelijk orgaan aanvragen voor het importeren of telen van biotech-gewassen onder de loep neemt en in niet-Europese landen gezien wordt als het strengste orgaan bij uitstek in de evaluatie van ggo-dossiers. EFSA publiceerde onlangs een omvangrijk wetenschappelijk rapport --- EFSA GMO Panel Working Group on Animal Feeding Trials (2008) Safety and nutritional assessment of GM plants and derived food and feed: The role of animal feeding trials. Food Chem Toxicol. 46 Suppl 1:S2-70.---, waarin het stelt dat alle huidige gecommercialiseerde biotech-producten bij uitgebreide voedseltesten veilig zijn bevonden voor de volksgezondheid. Dit bevestigt wat de veiligheidsinstanties al jaren terug in de VS hadden geconcludeerd. Ondertussen zijn in Europa proefdiertesten nagenoeg standaard geworden in de evaluatieprocedure van nieuwe ggo-variëteiten (www.gmo-compass.org/eng/safety/human_health/41.evaluation_safety_gm_food_major_undertaking.html) en beraadt de Europese Commissie zich momenteel over de verplichting ervan. Op zich zijn evaluatieregels geen probleem. Het valt echter langs geen kanten te begrijpen dat ze niet gelden voor andere veredelingstechnieken, zeker aangezien er geen wetenschappelijke basis is om aan te nemen dat veiligheidsgaranties daar hoger zouden liggen dan bij genetische modificatie.
De ggo-aardappelen van de veldproef in Wetteren illustreren bovenstaande problematiek. Deze ggo-aardappelen zijn bestand tegen aardappelrot, wat veroorzaakt wordt door de schimmel Phyto-phthora infestans. De aardappelen verkregen hun resistentie doordat genen uit wilde aardappelvariëteiten via gentechnologie ingebracht werden, daar waar men vroeger genen uit dezelfde genfamilie inkruiste via klassieke veredeling. Enkele variëteiten van de klassiek veredelde aardappel worden nog steeds voor biologische teelt verkocht. Toch moeten dergelijke klassiek veredelde variëteiten helemaal niet de strenge EFSA procedure doorlopen die wel voor biotech-variëteiten geldt. Zijn er dan wetenschappelijke gronden om enkel en alleen de biotech-aardappel te testen? In het geheel niet. Integendeel zelfs, want van de biotech-aardappelen is immers exact geweten welke genen worden binnengebracht én op welke locatie in het genoom ze belanden. Bij kruisingsveredeling daarentegen gaat het eerste criterium niet op, en ook het tweede criterium geldt slechts in bepaalde gevallen. Tijdens het kruisen kan men immers niet verhinderen dat, samen met het gen dat men wil inbrengen, ongewild ook een reeks andere ‘wilde’ genen achterblijven. Bovendien is van deze ‘wilde’ genen vaak nog geen wetenschappelijke kennis voorhanden. Dit betekent niet dat wij pleiten tegen veiligheidstesten. We stellen wel dat niet zozeer de gebruikte technologie, maar de karakteristieken van de genen die men inbrengt of de aard van de eigenschap die men in een gewas wijzigt, dienen te bepalen welke veiligheidstesten worden uitgevoerd. Op het Amerikaanse continent is dit reeds het geval, daar waar Europa sukkelt met een extreem gecompliceerde regelgeving die ggo’s – vaak onnodig – binnenstebuiten draait, terwijl andere niet-ggo-gewassen nagenoeg een vrijgeleide naar de markt krijgen.
Al is het moratorium sinds 2004 niet meer van kracht, het evaluatieproces van de meer dan 40 ggo-dossiers die nu in de pijplijn zitten, verloopt tergend traag. En dat is niet omdat het EFSA haar werk niet doet. Zoals wetenschappers recent in het tijdschrift Nature Biotechnology aangaven --- Sabalza M., Miralpeix B., Twyman R.M., Capell T., & Christou P. (2011) EU legitimizes GM crop exclusion zones. Nat Biotechnol. 29(4):315-7.---, ligt de oorzaak bij de EU-lidstaten die nog steeds een sterk verdeelde positie innemen in het ggo-debat, waardoor er bij stemming over wetenschappelijk goedgekeurde dossiers geen vereiste politieke meerderheid wordt gehaald. Mede onder invloed van de anti-ggo-lobby, die haar kritiek stelselmatig verschoof naar vermeende gevaren van biotech-gewassen voor de natuur, is er sinds de ophef van het moratorium een pro- en contra-kamp ontstaan. Oudere, maar beklijvende metaforen, zoals ‘ggo’s zijn Frankensteinvoedsel’, werden nieuw leven ingeblazen. Ze symboliseren de angst voor controleverlies tijdens de teelt van ggo’s in open natuur en de ecologische rampen die daarop zouden kunnen volgen. Ecologische rampen bleven weliswaar uit, maar de verwarring bij leek én regelgever waren een feit. Getuige daarvan de beslissing enkele jaren geleden van de lidstaten Duitsland en Frankrijk om het telen van de insectenresistente biotech-mais MON810 stop te zetten (www.truthistreason.net/germany-bans-genetically-modified-corn-dangerous-to-environment-and-human-health). Dit gebeurde onder het voorwendsel dat deze gewassen een gevaar betekenen voor de biodiversiteit. Dit voorwendsel was duidelijk niet wetenschappelijk gefundeerd: een indrukwekkende metastudie van niet minder dan 40 onafhankelijke en wereldwijd georganiseerde veldproefexperimenten toonde immers aan dat de biodiversiteit van insecten in de afgekeurde biotech-gewassen gemiddeld hoger is dan op conventionele akkers waar klassieke insecticiden gespoten worden --- Marvier M., McCreedy C., Regetz J., & Kareiva P. (2007) A meta-analysis of effects of Bt cotton and maize on nontarget invertebrates. Science 8:1475-1477.---. De resultaten van deze metastudie hoeven niet eens te verwonderen. De aanwezigheid van het zeer gerichte Bt-toxine in biotech-planten zorgde er immers voor dat er tot dusver wereldwijd 300 miljoen kilogram actief breedspectrum insecticiden bespaard werden, wat overeenkomt met een reductie van ongeveer 10% van het wereldwijde pesticidenverbruik, wat positief is voor de biodiversiteit. De metastudie werd in het prestigieuze tijdschrift Science gepubliceerd, een tijdschrift dat hoge eisen stelt aan zijn auteurs en een strenge graad van wetenschappelijk onderzoek hanteert. Dat dergelijke spectaculaire resultaten in een toch sterk op sensatie belust medialandschap het brede publiek quasi niet bereiken, spreekt trouwens boekdelen.
Europa dreigt stilaan te verzanden in een regelgeving die lidstaten toelaat om hun landbouwers de toegang tot goedgekeurde biotech-gewassen te ontzeggen. Vandaag overtreden dergelijke lidstaten daarmee nog steeds de wet. Landen als Duitsland en Frankrijk, die de teelt van de goedgekeurde MON810-maïsvariëteit verbieden, zien zich dan ook bedreigd met rechtszaken, aangespannen vanuit de Amerikaanse zaadindustrie, die dit als broodroof ervaart. Een wijziging in de wetgeving die binnenkort ter stemming ligt bij het Europees Parlement wil dergelijke rechtszaken in de toekomst echter voorkomen door Europese lidstaten zelf te laten beslissen of zij biotech-gewassen accepteren. Deze wetgeving kan enerzijds het goedkeuren van nieuwe ggo-dossiers op het niveau van de Europese commissie bevorderen, omdat lidstaten op zichzelf nog een stok achter de deur zullen hebben. Maar het valt anderzijds te vrezen dat landbouwers in landen die tot het contra-kamp behoren, nauwelijks nog toegang zullen hebben tot de meest moderne ontwikkelingen in gewasveredeling. Wat dit aan verlies kan betekenen voor de Europese landbouwer, zien we geïllustreerd in Roemenië. Roemeense landbouwers waren kort voor de toetreding van hun land tot de EU overgeschakeld op de teelt van ggo-soja. Dit leverde hen een toename in inkomsten op van maar liefst 25% --- Brookes G. & Barfoot P. (2011) Global impact of biotech crops: Environmental effects 1996-2009. GM Crop. 2(1), 34-49.---. Ggo-soja staat echter nog altijd niet op de lijst van goedgekeurde gewassen voor teelt in de EU, waardoor de sojateelt na de toetreding tot de unie aan banden werd gelegd en in elkaar stortte. Als we kijken naar de teelt van herbicide-tolerante soja op het Amerikaanse continent, zien we dat dit een drastische toename van ‘non-tilling’ opleverde, wat betekent dat de landbouwer zijn veld niet meer hoeft te ploegen, met sterke vermindering van bodemerosie tot gevolg. Het is een niet onbelangrijke kanttekening dat, samen met de vermindering van zoetwaterbronnen, bodemerosie wereldwijd tot de zwaarste problemen van de huidige landbouw behoort en in sommige regio’s, zoals China, al een tikkende tijdbom vormt --- Brown L.R. (2011) World on the edge: How to prevent environmental and economic collapse. New York: W.W. Norton & Company, p. 38.---.
Ondertussen, nu het potentieel van plantenbiotechnologie om de ecologische voetafdruk van de landbouw te verlichten ook daadwerkelijk op het veld wordt gemeten, verschuift de antibeweging haar kritiek in de richting van socio-economische bekommernissen. Dat is niet slecht gezien in moeilijke socio-economische tijden, waarin het grootkapitaal onder vuur ligt. De antibeweging linkt de ggo-technologie dan ook graag aan grootschalige firma’s zoals het Zwitserse Syngenta en het Duitse BASF. Finaal wordt vooral het Amerikaanse Monsanto geviseerd. Doordat dit momenteel niet enkel de grootste speler in de ggo-zaadindustrie is, maar tevens een verleden met zich meedraagt van groen protest tegen zijn ontwikkeling van het insectenbestrijdingsmiddel DDT in de jaren zestig, vormt Monsanto vandaag een ideaal doelwit voor een nieuwe anti-ggo-campagne. Die campagne is niet in de eerste plaats bedoeld om de zaadindustrie schade te berokkenen. De anti-ggo-lobby heeft haar pijlen immers nooit gericht op de teelt van door kruising voortgebrachte F1-hybriden, waarvan de zaden jaarlijks opnieuw bij de firma moeten aangekocht worden. Nochtans is het overgrote deel van ondermeer de maïs die overal in Vlaanderen en in de rest van de westerse wereld op uiterst grote schaal wordt geteeld, van dat kaliber. Het zijn ook diezelfde F1-hybriden die (lang voor er sprake was van biotech-gewassen) de macht van de grote zaadbedrijven in de landbouw definitief hebben gevestigd. Vóór de overname door de grootindustrie was klassieke veredeling een interessante investering voor kmo’s en de publieke sector. In minder ontwikkelde landen zoals China en India is dat trouwens nog altijd het geval. Ook gentechnologie hoeft in principe geen monopolie voor zaadbedrijven te zijn, getuige daarvan het redden van de papayateelt ruim tien jaar geleden in Hawaï. Ggo-papaya, bestand tegen het papaya ringspot virus, werd ontwikkeld aan de Cornell University in New York met een uiterst beperkt budget van 60.000 dollar en herstelde na zijn release in 1998 de papaya-oogst op Hawaï. --- Gonsalves D. (2006) Transgenic papaya: Development, release, impact and challenges. Adv Virus Res. 67:317-54.--- De laatste decennia is in het Westen de publieke financiering van landbouwkundig onderzoek echter stelselmatig gedaald. De uiterst strenge regelgeving omtrent ggo-gewassen brengt ook nog eens ontzaglijke kosten met zich mee. Het resultaat is dat enkel grote kapitaalkrachtige bedrijven, die hun aandacht normaliter richten op bulkgewassen zoals maïs, soja, koolzaad en katoen, dit nog aankunnen. Mocht de irrationele angst voor ggo-technologie minder spelen in het Westen, dan zou de regelgeving in Europa kunnen aangepast worden aan de socio-economische realiteit en aan de kennis die we de afgelopen vijftien jaar hebben opgebouwd. Dit is wellicht de grootste uitdaging voor het komende decennium, en niet in het minst in het belang van ontwikkelingslanden die sterk inzetten op biotech-gewassen en nu al meer dan 100 nieuwe variëteiten in de pijplijn hebben, vele daarvan bekomen op kracht van publieke financiering. Plantenbiotechnologie is vandaag niet langer een westerse aangelegenheid. Nu al is 90% van de boeren die biotech-gewassen telen, afkomstig uit ontwikkelingslanden7. Daar zitten miljoenen boeren bij uit India of Burkina Faso die de voordelen ervaren van Bt-katoen. Velen daarvan telen een klein aantal hectaren met spectaculaire opbrengstverhoging en minder onkosten voor pesticiden tot gevolg. Dat heeft een rechtstreekse impact op de welstand van hun familie, niet alleen financieel maar ook op vlak van levenskwaliteit. Alleen al minder tijd moeten investeren in het besproeien van velden, geeft deze mensen een ander leven. ---Qaim M. (2010) Benefits of genetically modified crops for the poor: Household income, nutrition, and health. N Biotechnol. 27(5):552-557. ---
Samenvattend: ondanks de aangetoonde veiligheid voor de volksgezondheid, ondanks het bewezen potentieel om de milieulasten van conventionele landbouw terug te dringen en ondanks het toenemend aantal voorbeelden waarbij de socio-economische toestand van (arme) landbouwers wordt verbeterd, blijven tegenstanders ongenuanceerd deze positieve en interessante ontwikkelingen in de plantenbiotechnologie afzweren en zoeken zij nieuwe invalshoeken om het gelijk (of in dit geval minstens het grote publiek) aan hun kant te krijgen. Dat suggereert een redenering die niet gebaseerd is op rationeel-wetenschappelijk denken, maar op een ideologisch denken dat zo goed als geen hoogtechnologische inmenging van de mens in de natuur wenst te tolereren en zeker niet in het genetisch materiaal dat als de essentie van een organisme wordt gezien. De echte drijfveer van deze antibeweging is dan ook de toepassing van gentechnologie in de landbouw ten stelligste te blokkeren. Dit is niet zomaar een onschuldig randverschijnsel. Het heeft zich via een sterke groene lobby een weg gebaand – zelfs ‘geïnstitutionaliseerd’ – in de Europese regelgeving. Op langere termijn dreigt het gevaar dat de Europese boer niet langer toegang zal hebben tot de meest recente ontwikkelingen in de landbouw en dat boeren uit ontwikkelingslanden niet ten volle zullen kunnen profiteren van hun producten omdat ze niet op de Europese markt geraken. Op die manier dreigt ons continent de mogelijkheden van technologie niet langer te erkennen of te verkennen en dreigt het verder geïsoleerd te geraken van de rest van een minder technofobe wereld.
Geert De Jaeger en Linda Van Speybrouck zijn respectievelijk verbonden als hoofddocent aan de Vakgroep Plantenbiotechnologie en Bio-informatica en als postdoctoraal onderzoeker aan de Vakgroep Moraalwetenschap en Filosofie van de Universiteit Gent.
Waarom gsm’s (hoogstwaarschijnlijk) niet schadelijk zijn
De gezondheidseffecten van gsm-straling werden onderzocht in talloze studies, zowel door de industrie als door onafhankelijke onderzoekers. De overgrote meerderheid van deze studies wijst uit dat gsm-straling geen enkel meetbaar effect heeft op onze gezondheid. Studies die wel een effect wisten vast te stellen, vertonen veelal belangrijke methodologische beperkingen (bijvoorbeeld omdat ze gebaseerd zijn op zelfrapportage) en zijn bijgevolg onbetrouwbaar. Door de grote hoeveelheid onderzoek kan je op statistische gronden sowieso verwachten dat een aantal studies een positief resultaat zullen opleveren, zelfs als gsm-straling volkomen veilig is. In de meeste studies wordt een significantiedrempel van 0.05 gehanteerd. Dat wil zeggen dat, als je twintig studies uitvoert, er gemiddeld één zal zijn met een significant positief resultaat, zelfs als je hypothese niet klopt. Daarnaast moeten we ook rekening houden met het ‘file drawer’ effect: studies die niets opleveren, belanden sneller in de onderste lade van de onderzoekers, worden minder snel gepubliceerd en hebben minder kans om opgepikt te worden door de media. In het alarmistische boek Stralingsgevaar! – met uitroepteken – van Patrick Vanden Berghe is hun kans op vermelding quasi nihil. In elk geval is er, ondanks het sterk toegenomen gsm-gebruik, geen toename van kankers die aan gsm-straling kunnen gelinkt worden.
Bijkomende fysische argumenten tegen de gezondheidseffecten van gsm-straling zijn ondertussen genoegzaam bekend onder skeptici. De straling afkomstig van gsm’s, wifi-netwerken en andere draadloze communicatie behoort tot het niet-ioniserende deel van het elektromagnetische spectrum, wat betekent dat de straling onvoldoende energie bezit om chemische verbindingen te breken. Mutaties in het DNA of de afbraak van proteïnen als gevolg van deze straling zijn bijgevolg uitgesloten. Straling wordt pas krachtig genoeg om te ioniseren vanaf het ultraviolet-spectrum (net voorbij zichtbaar licht), vandaar dat zonlicht huidkanker kan veroorzaken. Niet-ioniserende straling daarentegen heeft enkel thermische effecten. Lichaamswarmte betekent altijd meer moleculaire beweging: de moleculen in ons lichaam gaan een tikkeltje onstuimiger trillen dan ze reeds van nature doen. Een muts dragen, een sauna bezoeken of een kwartiertje joggen heeft precies hetzelfde effect, maar dan vele malen intenser. Een hoger vermogen (uitgedrukt in Watt) zorgt trouwens niet voor ionisering, die hangt enkel af van de stralingsfrequentie (energie). Het is alsof je stenen over een rivier probeert te gooien die 100 meter breed is. Als je maar 10 meter ver kan gooien (energie), dan maakt het niet uit hoeveel stenen je gooit (vermogen).
Door de natuurlijke warmteregulerende mechanismen in ons lichaam wordt een temperatuurstijging meteen afgedreven en kan gsm-straling nooit accumuleren tot een niveau dat biologisch schadelijk is (dit in tegenstelling tot levenloos voedsel in een microgolfoven, dat bestraald wordt met een vermogen dat duizend keer hoger ligt dan dat van een gsm-toestel).
Er is dus geen reden om aan te nemen dat de niet-ioniserende straling, naast de tijdelijke thermische effecten, ook langdurige biologische effecten kan veroorzaken. Tegenstanders vrezen echter schade door andere, nog onbekende mechanismen. Maar zoals reeds vermeld werd dergelijke schade nooit ondubbelzinnig vastgesteld, ondanks veelvuldig en duur onderzoek. Een schadelijk effect van gsm-straling, voor zover dat al biologisch plausibel is, kan niet anders dan bijzonder klein zijn. Om aan te tonen dat tabak kankerverwekkend is, heb je geen 10.000 mensen en 20 jaar onderzoek nodig. Het causaal verband is meteen duidelijk van zodra je erop begint te letten. Bij gsm-straling daarentegen is verwarring na ettelijke jaren nog altijd troef: de meeste onderzoeken leveren niets op, sommige lijken een klein maar significant effect aan te tonen, meta-analyses zijn dubbelzinnig en worden betwist.
Belabberd rapport
Geheel in contrast hiermee raadde de Raad van Europa (niet te verwarren met de organen van de Europese Unie, waarmee de Raad van Europa niets te zien heeft) in een resolutie van 27 mei 2011 aan om gsm’s, wifi en WLAN-netwerken uit scholen te bannen, uit voorzorg voor de gezondheidsrisico’s die met de technologieën verbonden zouden zijn. De resolutie was gebaseerd op een rapport van Jean Huss, lid van de Luxemburgse ecologische partij ‘Les Verts’, waarop nochtans sterke kritiek was geuit vanuit wetenschappelijke hoek. Patrick Vanden Berghe, auteur van de langgerekte alarmkreet Stralingsgevaar!, een boek dat eerder in dit tijdschrift op de korrel werd genomen, schrijft op de nieuwswebsite DeWereldMorgen.be dat de media te weinig positieve aandacht besteedden aan het rapport en dat het té kritisch werd benaderd. --- http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/06/02/raad-van-europa-gsm-straling-gevaarlijk ---. Vanden Berghe is blijkbaar geabonneerd op andere kranten dan wij.
Staat er iets in het rapport van de Raad van Europa dat onze positieve aandacht verdient? Neen. Jean Huss komt aanzetten met lang achterhaalde studies uit de USSR over het gevaar van radargolven, het dubieuze onderzoek van Ulrich Warnke naar het schadelijke effect van radiogolven op bijenkolonies, en het onvermijdelijke Bio-Initiative rapport, een document dat in 2007 zonder peer review op het internet werd gezwierd door een los collectief van wetenschappers en onderzoekers. Ondertussen is dat rapport door zowat elk onafhankelijk en wetenschappelijk expertpanel verworpen als misleidend en selectief, inclusief het EMF-NET van de Europese Commissie, iets wat Jean Huss in zijn rapport zorgvuldig nalaat te zeggen. De ICNIRP, een internationaal gerespecteerde instantie die zich bezighoudt met de veiligheid van elektromagnetische straling, wordt door Huss weggewuifd als een ‘kleine NGO nabij München’ en verdacht van allerlei onzalige banden met de telecom-industrie. Tekenend voor de objectiviteit van Dhr. Huss is dat hij de uitspraken van vertegenwoordigers van de telecom-industrie, die voor dit rapport klaarblijkelijk gehoord werden, consequent afdoet als ‘emotioneel’, ‘geïrriteerd’ en ‘passioneel’, zonder ooit hun argumenten weer te geven. Dat is de klassieke cui bono-vraag die alle andere overtroeft: de telecom-industrie zou er niet bij gebaat zijn indien de stralingsnormen worden teruggeschroefd of de verspreiding van gsm-masten aan banden wordt gelegd, dus al hun argumenten ter zake zijn bij voorbaat verdacht en maken deel uit van een complot. En schijnbaar onafhankelijke commissies zijn eigenlijk ‘overschaduwd door gelobby van de communicatiesector’, zoals Maarten Weyters op DeWereldMorgen.be schrijft. Het is niet omdat Rolex niet graag zou horen dat polshorloges kankerverwekkend zijn, dat ze kankerverwekkend zijn en dat Rolex een complot heeft opgezet om dat geheim te houden. Wie met dat soort argumenten aankomt, zoals Dhr. Huss tijdens zijn hoorzittingen, zal begrijpelijkerwijs enige ‘ergernis’ opwekken.
Nog zo’n schoolvoorbeeld van begging the question vinden we in Huss’ aanbeveling om ‘early warning scientists’ bescherming te bieden. Mensen die met belabberde waarnemingsstudies uitpakken over uitstervende bijenkolonies en misvormde kalveren in de buurt van hoogspanningsmasten zouden dus onze speciale aandacht en bescherming verdienen. Maar bescherming waartegen? Wetenschappelijke kritiek? Hoe maakt Huss dan het onderscheid tussen een echte klokkenluider en een paniekzaaier? De redenering van Huss doet denken aan de fabel van Aesopus over een herder die de slechte gewoonte heeft om alarm te slaan voor de boze wolf en daarmee het hele dorp de stuipen op het lijf te jagen. De schelm slaat zo vaak vals wolvenalarm dat, wanneer de wolf op een dag echt aan de deur staat, niemand de herder nog gelooft.
Een belangrijk maar vaak misbruikt concept in dit verband is het ‘voorzorgsprincipe’. Wanneer er geloofwaardige aanwijzingen zijn dat een bepaalde stof substantiële schade kan veroorzaken bij mens of milieu, en zo’n verband biologisch of fysisch gezien niet onwaarschijnlijk is, dan nemen we beter het zekere voor het onzekere en vermijden we het gebruik van die stof. In dat geval zijn de kosten van een vals positief (een verband zien waar er geen is) kleiner dan die van een vals negatief (geen verband zien waar er wel één is). Maar die redenering gaat enkel op binnen bepaalde grenzen van waarschijnlijkheid. Een goede rookdetector slaat wel eens alarm als er geen brand is, wanneer iemand bijvoorbeeld een sigaret opsteekt, maar we zouden niet tolereren dat hij afgaat telkens wanneer we het raam openzetten. Bovendien moet men bij de afweging van een eventuele toepassing van het voorzorgsprincipe steeds een kosten-batenanalyse maken. Elke technologie zal wellicht op de één of andere manier wat schade veroorzaken, bijvoorbeeld door schade aan het milieu bij de ontwikkeling, de productie en eventueel het gebruik, maar die moet uiteraard afgewogen worden tegen de voordelen die met de technologie verbonden zijn. Er bestaat niet zoiets als ‘het voorzorgsprincipe’ zoals Huss het definieert, als ware het een universeel geldig en in steen gebeiteld preventiecriterium. Ironisch is ook dat Huss op het einde van het rapport voor draadloze technologie met zichtbaar en infrarood licht pleit, licht dat nota bene een veel hogere energie heeft dan microgolfstraling (hoewel nog steeds niet ioniserend). Waarom denkt Huss dat zo’n technologie ‘minder problematisch [is] in termen van gezondheid en milieu’? Als het over ‘natuurlijke’ straling gaat (maar radioactieve straling is ook natuurlijk), dan gaat het voorzorgsprincipe plots overboord.
De blunders van Huss houden niet op: hij vermeldt de voorlopige en gedeeltelijke conclusies van de Interphone-studie, zonder de bekende problemen in verband met zelfrapportering te vermelden (Aan welk oor belde u het meest? Is dat de kant waar de tumor zich ontwikkelde?) die de Interphone-studie intern hebben geblokkeerd, waardoor een finale conclusie al jaren uitblijft. Klap op de vuurpijl is de bewering dat het elektrogevoeligheidssyndroom een erkende medische conditie zou zijn. Daarbij verwijst Huss enkel naar het dubieuze onderzoek van Dominique Belpomme, grotendeels in eigen beheer en zonder wetenschappelijke peer review gepubliceerd, en naar het ‘argument’ dat het syndroom ondertussen door de Zweedse regering is erkend. Nochtans zijn er verschillende gecontroleerde en dubbelblinde studies uitgevoerd waaruit ondubbelzinnig blijkt dat zogenaamde elektrogevoelige personen niet in staat zijn om te achterhalen wanneer ze met gsm- of wifi-straling bestookt worden en wanneer niet. Sommigen melden negatieve symptomen wanneer er geen straling is, anderen voelen zich kiplekker terwijl ze volop bestraald worden. --- Zie bijvoorbeeld Rubin, G. J., G. Hahn, B. S. Everitt, A. J. Cleare, and S. Wessely. 2006. ‘Are Some People Sensitive to Mobile Phone Signals? Within Participants Double Blind Randomised Provocation Study’, BMJ 332 (7546): 886-891.--- Dat wil niet zeggen dat mensen die symptomen verzinnen, wel dat ze het gevolg zijn van het nocebo-effect, de kwalijke tegenhanger van het placebo-effect. Mensen zijn bang dat een nieuwe gsm-mast schadelijk is, ze lezen de alarmerende onzin van pakweg Patrick Vanden Berghe (‘kankerverwekkend, hersenvernielend, zelfs DNA-breuken veroorzakend’) en diens talloze getuigenissen, en ze gaan daadwerkelijk bepaalde symptomen ontwikkelen en toeschrijven aan straling. Die studies over het nocebo-effect van gsm-straling zijn overal beschikbaar. Jean Huss heeft geen enkel excuus om ze te verzwijgen.
Zelfs niet-ioniserende straling met de intensiteit van een magnetron is compleet ongevaarlijk, in tegenstelling tot de broodjeaapverhalen over de gruwelijke brandwonden en gekookte hersenen van roekeloze keukenhelden. De fysicus Eleanor Adair voerde een hele reeks experimenten uit waarbij ze dieren en (zich vrijwillig aandienende) mensen in een kamergrote microgolf opsloot om ze langdurig en stevig te bestralen. ---Zie het interview in The New York Times van 16 januari 2001. http://www.nytimes.com/2001/01/16/health/a-conversation-with-eleanor-r-a... --- Nooit is ze erin geslaagd om een meetbaar gezondheidseffect vast te stellen, zelfs geen cataract of verminderde vruchtbaarheid. De meeste proefpersonen vonden de warme gloed van de straling zelfs aangenaam.
Sommige alarmisten, zoals Patrick Vanden Berghe en onze Skeptische Put-winnares Chris Vermeire, menen dat het gevaar van gsm-straling schuilt in het pulserende karakter ervan, waarbij ze die straling zelfs vergelijken met kogels uit een mitrailleur. Dat is een schandalig staaltje van bangmakerij en getuigt van een compleet gebrek aan wetenschappelijke kennis. Bij gsm-straling worden laag-frequente microgolfsignalen gemoduleerd op een microgolf met een relatief hogere frequentie, de zogenaamde draaggolf, om interferentie te voorkomen. Die lage golven ‘pulseren’ bij gsm inderdaad op een frequentie van 217 Hz. Fysisch en biologisch gezien is daar echter niks bijzonders aan. In plaats van onafgebroken straling, is er nu een onderbroken signaal, dat toelaat om meer informatie op een bepaalde golflengte te versturen (meerdere gebruikers). Men kan net zo goed beweren dat zonlicht op zich ongevaarlijk is, zolang men maar niet onder een bladerdek fietst, want dat wordt ‘gemitrailleerd’ door gepulseerde straling! Of denk aan de natuurlijke pulserende straling afkomstig van pulsars: snel ronddraaiende neutronensterren die elk met hun frequentie pulserende elektromagnetische straling op de aarde ‘afvuren’.
Voorzorgsprincipe of paranoia?
De Raad van Europa is geen wetenschappelijk maar een politiek orgaan, dat volledig losstaat van de Europese Unie. Het rapport is zorgwekkend, niet omdat het de gevaren van gsm-straling aantoont, maar omdat het een pijnlijke illustratie is van wat er zoal kan foutlopen als politici zich met wetenschappelijke besluitvorming gaan bemoeien. Terwijl hij de banden met drukkingsgroepen aan de andere kant aanklaagt, pleit Huss in zijn eigen rapport schaamteloos voor nog meer politieke bemoeizucht: ‘politieke besluitvormers zijn helaas nog altijd weinig betrokken bij de evaluatie van technologische risico’s voor het milieu en de gezondheid’. Een zekere scheiding tussen wetenschappelijke en politieke besluitvorming is nochtans niet meer dan normaal en dat zal hopelijk ook zo blijven. Politici hebben de taak om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek in beleidsmaatregelen om te zetten. Ze mogen wetenschappers gerust ter verantwoording roepen voor hun activiteiten, maar de wetenschappelijke besluitvorming zelf moet op volstrekt onafhankelijke wijze kunnen plaatsgrijpen.
In het huidige klimaat van sensatiezucht en stralingsangst heeft het rapport van de Raad van Europa al meer dan voldoende aandacht genoten. Verschillende media pakten ermee uit alsof het een wetenschappelijk rapport betrof, terwijl het op een puur politieke wijze tot stand is gekomen. Maar ook wetenschappelijke rapporten moeten steeds met een kritische blik worden bekeken. Zo is de recente conclusie van de WHO, op basis van een rapport van het IARC, dat gsm-gebruik ‘mogelijk kankerverwekkend’ is erg vaag en twijfelachtig. Het IARC verdeelt stoffen in ruwweg vijf mogelijke categorieën: kankerverwekkend, waarschijnlijk kankerverwekkend, mogelijk kankerverwekkend, waarschijnlijk niet kankerverwekkend en niet classificeerbaar. Aantonen dat iets niet kankerverwekkend is, is nagenoeg onmogelijk. Je kan hooguit concluderen dat er geen bewijs voor is. Het resultaat spreekt voor zich. Op de lijst met ‘mogelijk’ kankerverwekkende stoffen prijken 250 substanties, waaronder koffie; op de lijst ‘waarschijnlijk niet kankerverwekkend’ op dit ogenblik slechts één stof (caprolactam).
Hermes Sanctorum van Groen! probeerde ons er evenwel van te overtuigen dat de WHO zich altijd zeer ‘voorzichtig’ uitlaat, waardoor ze de mogelijke gezondheidsproblemen van gsm-straling ongetwijfeld nog onderschat. Maar de voorzichtigheid van de WHO is een tweesnijdend zwaard. Vanuit het voorzorgsprincipe waar Sanctorum en anderen hoog mee oplopen, zou het net ‘onvoorzichtig’ zijn om de schadelijke gevolgen van gsm-straling helemaal uit te sluiten. Wie zegt dat gsm’s heel misschien kanker veroorzaken, is ‘voorzichtiger’ dan wie dat uitsluit. Tussen de begrijpelijke voorzichtigheid van de WHO en ongefundeerde paranoia – moeten gsm’s en draadloze netwerken gebannen worden uit scholen? – bestaat een dunne lijn. Er is geen enkel plausibel mechanisme waardoor niet-ioniserende straling langdurige biologische effecten kan teweegbrengen en geen enkel degelijk onderzoek dat zo’n effecten reproduceerbaar aantoont. Er is enkel een onaflatende stroom aan onderzoeksgeld, veel kwalijke sensatiezucht en misbruik van het voorzorgsprincipe, wat resulteert in een opbod aan stralingshysterie.
Maarten Boudry is filosoof en verbonden aan de Universiteit Gent, waar hij onderzoek doet naar pseudowetenschappen.
Cliff Beeckman is licenciaat informatica en master in de wijsbegeerte.
Na een openingswoord van voorzitter Hans Gerding, dat ondergetekende door onvoorziene en onvoorvoelde omstandigheden niet kon bijwonen, beklimt Drs. Eva Lobach, onderzoekster aan het Onderwijsinstituut Psychologie in Amsterdam, als eerste het spreekgestoelte. In haar lezing ‘Psi en psi is twee?’ stelt ze de vraag of psi niet uiteenvalt in een cognitieve en een emotionele component. Daarbij doet ze kond van een reeks experimenten die ze met haar collega’s uitvoerde in navolging van de inmiddels beruchte precognitiestudie van Daryl Bem. --- Bem, D. J. (2011). Feeling the future: Experimental evidence for anomalous retroactive influences on cognition and affect. Journal of Personality and Social Psychology, 100(3): 407. Zie hierover ook ‘Kun je van porno paranormaal worden?’, M. Bier, Wonder en is gheen Wonder 01/2011.---
Nadat die laatste studie begin dit jaar tot het nieuwe paradepaardje van de parapsychologie werd gebombardeerd (het zoveelste in een lange praalstoet), namen skeptici Bem op de korrel voor zijn ingewikkelde methodologie, het kwistig loslaten van verschillende tests op de verkregen data en de bedenkelijke statistische analyses. --- Alcock, J. (2011). Back from the future: Parapsychology and the Bem affair. Skeptical Enquirer, 35(2): 31-39.---
In zijn studie draaide Bem de normale volgorde van enkele standaard psychologische testen om: de stimulus komt na het verwachte effect waarop het verondersteld wordt een retroactieve invloed uit te oefenen. De studie van mevrouw Lobach en haar collega’s is op dezelfde leest geschoeid, zowel wat betreft de opzet als – helaas – wat betreft de methodologische tekortkomingen. Waar de studie van Bem zich concentreerde op precognitie – de herinnering aan een stimulus die pas later wordt aangeboden – wilde Lobach ook het effect onderzoeken van presentiment, het emotioneel voorvoelen van positieve of negatieve stimuli. De opstelling is nogal omslachtig, maar het loont de moeite om de redenering even te volgen. In fase 1 krijgen de proefpersonen een reeks woorden te zien, waarbij ze moeten aangeven of die meer of minder dan twee klinkers bevatten. In fase 2 krijgen ze een nieuwe reeks woorden en moeten ze aangeven welke woorden ze al eerder zagen tijdens fase 1. De hypothese luidt nu dat de proefpersonen vooral die woorden zullen herkennen die ze daarna pas, in de derde en laatste fase van het experiment, uit het hoofd moeten leren (bent u nog mee?). Kort samengevat is het idee dus dat mensen kennis kunnen reproduceren die ze pas later moeten leren – een gedroomde methode voor luie studenten die last hebben van procrastinatie.
Ergens tussen deze verschillende fasen moeten de proefpersonen ook een deurentaak oplossen: een deur verschijnt op het scherm en verbergt een negatieve of positieve score (een geldbedrag van +50, +100, -50 of -100 euro). Als de proefpersonen een slecht voorgevoel krijgen, mogen ze een deur overslaan en krijgen ze een nieuwe te zien, desnoods twintig deuren, net zolang tot hun zesde zintuig groen licht geeft. Om het presentiment te testen en te onderscheiden van de precognitie, meten de onderzoekers de hartslag van de proefkonijnen, waarbij een lagere hartslag zou wijzen op een negatief voorgevoel.
Natuurlijk kunnen we volgens de onderzoekers niet zomaar aannemen dat iedereen even presentimenteel is. Een slecht voorgevoel maakt zich van de aanwezige skepticus meester wanneer bijkomende experimenten worden voorgesteld. Lobach en haar collega’s wilden achterhalen of precognitie dan wel presentiment correleerden met openheid voor nieuwe ervaringen, met neuroticisme en met muzikaliteit, gemeten aan de hand van standaard vragenlijsten. Het was immers ‘algemeen geweten’ dat muzikale mensen meer met psi begiftigd zijn. Een gelijkaardig deurenexperiment, met positieve, negatieve en neutrale afbeeldingen, moet uitsluitsel bieden.
De harde resultaten dan: de experimenten met de letterherkenning en de deuren leveren niets op (presentiment noch precognitie), net zomin als de muzikale link en het verband met neuroticisme, maar voor ‘openheid’ wordt een klein maar statistisch significant resultaat gevonden. Mensen met een open geest zouden dus meer vatbaar zijn voor psi. Niet verwonderlijk, zou de Britse auteur Terry Pratchett zeggen: ‘Het probleem met een open geest is natuurlijk dat mensen zullen willen langskomen om er van alles in te proberen steken.’ De eerlijke biecht over de mislukte proeven voor een tot mislukking gedoemde hypothese is bijna aandoenlijk, maar wat zich vervolgens afspeelt in de nabespreking met het publiek is kenmerkend voor de sociologische dynamiek van dit soort verenigingen. Het publiek en de aanwezige experts geven bepaald de moed niet op: is er geen correlatie met mensen die minder of meer belang hechten aan geld? Waren sommige proefkonijnen dyslectisch? Waren het misschien de verschillende proefleiders die neurotisch waren en voor een experimentator psi-effect zorgden? Veroorzaakt een slecht voorgevoel misschien een hogere in plaats van een lagere hartslag? Zijn er behalve muziek geen andere kunstvormen die iemand psi-gevoelig maken? En sport is toch ook een activiteit die iemand in een ‘flow’ brengt, dus misschien hadden de beste scoorders wel een sportieve aanleg? Of zijn enkel sommige muzikanten begiftigd? Neurotische fluitisten misschien, of altviolisten met één been?
Deze wildgroei aan alternatieve hypothesen (enkel de laatste twee waren verzonnen) is merkwaardig, maar anderzijds ook niet verwonderlijk. Na honderd jaar speculatie in de parapsychologie heeft men nog altijd geen uitgewerkte hypothese over de verantwoordelijke psi-kracht, de mensen die ervoor ontvankelijk zijn, de omstandigheden waarin men psi-fenomenen aantreft en de mechanismen die erachter schuilen. Dat gebrek aan consensus laat de onderzoekers toe om ongebreideld te fantaseren over mogelijke verbanden en de datapool net zolang dooreen te schudden tot er een resultaat uit de lucht komt vallen. Het is al bij al verwonderlijk dat niemand met het ‘displacement effect’ kwam aanzetten, waarbij proefpersonen geneigd zijn om het vorige dan wel het volgende plaatje in de reeks correct te raden, in plaats van het bedoelde plaatje. Het is een beetje alsof je scheel ziet met je derde oog. Skeptici merkten op dat Daryl Bem zodanig veel statistische tests op zijn datapool losliet en dat er zodanig veel manieren zijn waarop de nulhypothese naar zijn maatstaven kon weerlegd worden (dus een bewijs voor psi), dat de positieve resultaten lang niet zo significant zijn als Bem laat uitschijnen (in statistische termen zou Bem eigenlijk een veel lagere p-waarde moeten kiezen voor elke test). In de kersentuin van de parapsychologie is veel laaghangend fruit te plukken.
De sociologie van de parapsychologie
Na de uiteenzetting van Lobach geeft Ingrid Kloosterman van het Descartes Centre aan de universiteit van Utrecht een lezing over haar doctoraatsonderzoek, over de geschiedenis van de parapsychologie in Nederland. Kloostermans vraagt zich onder meer af waarom parapsychologie ooit wetenschappelijk respectabel was, maar ondertussen een marginale discipline is geworden waar de meeste wetenschappers minachtend tegenover staan. Waar is de tijd gebleven dat parapsychologie nog een wetenschap was, en waarom wordt ze tegenwoordig als pseudowetenschap afgeschilderd? Als historica wil Kloostermans de onpartijdigheid bewaren en haar oordeel over de wetenschappelijke waarde van de parapsychologie opschorten, maar valt die positie aan de zijlijn wel vol te houden? De sociaalconstructivistische stroming binnen de wetenschapsfilosofie, waar Kloostermans terloops naar verwijst, wil zich enkel met historische en sociologische determinanten van wetenschap bezighouden en vindt dat we de vraag naar de waarachtigheid van wetenschappelijke kennis tussen haakjes moeten zetten. In de meest radicale variant ervan, zoals in de Edinburgh school van de sociologie van wetenschappelijke kennis, gaat men ervan uit dat de natuur zelf – het object van wetenschappelijk onderzoek – een onbeduidende of zelfs onbestaande rol speelt in de totstandkoming van wetenschappelijke kennis. Deze benadering komt duidelijk tot uiting in het methodologische ‘symmetriebeginsel’ van de socioloog David Bloor, dat soms ook ‘methodologisch relativisme’ wordt genoemd --- Bloor, D. (1991). Knowledge and social imagery. Chicago: University Of Chicago Press.--- : een goede socioloog van de wetenschap behoort hetzelfde type verklaringen te zoeken voor zowel ware en onware als voor rationele en irrationele overtuigingen, en die verklaringen moeten verwijzen naar sociale omstandigheden, materiële condities, ideologische invloeden, etc.
Kritische wetenschapsfilosofen hebben terecht opgemerkt dat een dergelijke methodologie resulteert in een compleet verwrongen geschiedenis van de wetenschappen. De absurditeit van het sociaalconstructivisme wordt met name duidelijk wanneer het zich over pseudowetenschappen buigt. Hoe verklaren we dat de wetenschappelijke gemeenschap de kwantumfysica en de evolutietheorie vrij snel heeft omarmd (en sindsdien nooit meer verlaten), maar dat ze de parapsychologie en de frenologie bijna unaniem heeft verworpen? Wie hier het symmetriebeginsel huldigt en enkel aandacht besteedt aan sociale factoren, zet zichzelf moedwillig paardenkleppen op. Hoe complex de sociale werking van wetenschap en de mechanismen van sociale acceptatie in een discipline ook zijn, het ligt voor de hand dat empirische argumenten (of het gebrek daaraan) op bepaalde momenten doorslaggevend zijn geweest. Met andere woorden, de wijze waarop de wereld daadwerkelijk in elkaar zit heeft een belangrijke invloed op hoe wetenschappers denken dat ze in elkaar zit. In die zin is de symmetrie gebroken: acceptatie van goede wetenschap gebeurt (ten dele) op rationele gronden en op basis van empirisch bewijs, terwijl de populariteit van een pseudowetenschap als parapsychologie louter een samenspel is van psychologische, sociologische of cognitieve factoren. ---Boudry, M. & F. Buekens (2011). The epistemic predicament of a pseudoscience: Social constructivism confronts Freudian psychoanalysis. Theoria, 77(2): 159-179.--- En dat, zal het u verbazen, vloeit natuurlijk voort uit het gegeven dat telepathie, geesten, precognitie, telekinese e tutti quanti eenvoudigweg geen enkele realiteit hebben. Zoals de sciencefictionauteur Philip K. Dick het ooit verwoordde: ‘De werkelijkheid is wat weigert weg te gaan als ik stop met erin te geloven.’ We zouden kunnen aanvullen: en als iets weigert zich voor te doen, hoe hard ik er ook in geloof, dan is het waarschijnlijk mijn eigen hersenspinsel.
Het onderzoek van Kloostermans bevindt zich nog in een prille fase, en haar lezing gaf best een interessant overzicht van de geschiedenis van de parapsychologie, maar op een bepaald moment zal ze haar voornemen van neutraliteit toch beter laten varen. Wie wil begrijpen waarom de parapsychologie sociologisch gezien in het verdomhoekje van de pseudowetenschap terechtkwam, zonder het waarheidsgehalte van de theorie in overweging te nemen, bindt zichzelf de handen om de rug. Men kan net zo goed een geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog schrijven en doen alsof het Derde Rijk niet bestond.
Dat de netelige kwestie van het bestaan van psi zich onvermijdelijk opdringt, blijkt ook uit het feit dat de verklaringen die parapsychologen zelf aandragen voor hun marginalisering de correctheid van hun theorie vooronderstellen. Men wijst dan met een beschuldigende vinger naar de ideologische vooroordelen van de wetenschap en het conservatisme van de materialistische orthodoxie als voornaamste hindernissen voor de erkenning van de parapsychologie. --- Zie bijvoorbeeld Van Praag, H. (1973). Inleiding tot de parapsychologie. De stand van het parapsychologisch onderzoek. Baarn: H. Meulenhoff.--- Naast deze gecultiveerde zelfrechtvaardiging beschikken parapsychologen ook over theoretische concepten die het problematische karakter van hun discipline moeten verklaren. Een voorbeeld kan dit illustreren. Tijdens de nabespreking van het congres met enkele ingewijden komt het gesprek op de experimenten naar de paranormale gaven van kinderen, die in de eerste helft van de twintigste eeuw als een beloftevol spoor werden beschouwd. Men vertrok daarbij van de hypothese dat de psychische ontwikkeling van een kind de opeenvolgende fasen in de evolutie van de mens herhaalt, een idee dat voortkomt uit de recapitulatiethese van de Duitse bioloog Ernst Haeckel en ondertussen achterhaald is. In ieder geval, telepathie werd door sommigen (onder anderen door Sigmund Freud) gezien als een primitieve vorm van communicatie, dus men speculeerde dat kinderen over een sterker ontwikkeld zesde zintuig zouden beschikken, dat later overwoekerd wordt door een meer complexe cognitieve bovenbouw. Aanvankelijk leverden de experimenten positieve resultaten op, maar helaas bleken die bij nader inzien als sneeuw voor de zon te verdwijnen. ‘Een voorbeeld van het decline effect dus’, zo durfde ik te opperen, waarop instemmend werd geknikt: ‘Inderdaad, dat effect zien we telkens opnieuw in ons domein.’ De parapsycholoog John Beloff introduceerde de term decline effect om de merkwaardige neiging van psi-effecten te beschrijven om steeds zwakker te worden naarmate er meer onderzoek naar wordt verricht. --- Beloff, J. (1994). Lessons of history. Journal of the American Society for Psychical Research, 88(7): 7-22.--- Veel parapsychologen zijn ervan overtuigd dat psi een intrinsiek ongrijpbaar en schuw fenomeen is, dat daarom telkens opnieuw aan onze speurende blik ontsnapt. Een kruidje-onderzoek-mij-niet als het ware. Ook dit, laat ons welwillend wezen, is een logisch mogelijke verklaring van het schijnbare failliet van de parapsychologie. Ofwel heeft de parapsycholoog gelijk, ofwel de skepticus, maar in ieder geval heeft het voor de socioloog weinig zin om die kwestie te omzeilen.
Psi Redux
De derde lezing van de dag wordt verzorgd door Prof. Dick Bierman, die tot 2010 de Heymans leerstoel voor bijzondere menselijke ervaringen aan de Universiteit Utrecht bekleedde. Bierman heeft de meest ernstige wetenschappelijke onderscheiding, maar zijn presentatie is weinig meer dan flauwe spielerei. In een collectief ‘experiment’ met de zaal wil Bierman op zoek gaan naar de beste toekomstvoorspeller. De proef, een afvallingskoers waarbij aanwezigen de uitkomst van een online roulettespel moeten voorvoelen, is een klassiek voorbeeld van het selectie-effect: keuze tussen rood of zwart, 50% kans op succes, wie goed gokt stoot door naar de volgende ronde. Na een rondje of zeven blijft er dan met enig geluk een winnaar over. Niet dat Bierman die winnaar vervolgens aan een beslissende test onderwerpt of de rol van het selectie-effect in de totstandkoming van paranormaal geloof aan het publiek uitlegt, want het moet tenslotte ‘ludiek’ blijven. Niettemin blijkt terloops dat een volle 60% van de (stemmende) aanwezigen daadwerkelijk gelooft dat je met je zesde zintuig een roulette kan voorspellen. Of de vraag aan de winnares naar haar ‘geheime strategie’ wel zo tongue-in-cheek was als Bierman laat uitschijnen, vooral in de geesten van het publiek, blijft dan ook in het ongewisse. Haar antwoord, mocht het u interesseren, was volstrekt voorspelbaar: ‘Niet lang nadenken, gewoon je intuïtie volgen.’
Na dit staaltje van ondraaglijke lichtheid is Dr. Hein van Dongen aan de beurt, een filosoof en parapsycholoog die zich in zijn lezing buigt over de rol van het reductionisme in de parapsychologie. Van Dongen heft de bekende litanie aan tegen het reductionisme in de wetenschappen, dat volgens hem de ogen sluit voor bijzondere ervaringen en de complexe fenomenen van het menselijk bewustzijn miskent. Opvallender is dat Van Dongen ook kritisch is voor een vorm van ‘reductionisme’ binnen de parapsychologie, die geneigd is om niet-magische verklaringen voor bijzonder ervaringen bij voorbaat van de hand te wijzen en enkel vrede neemt met een bovennatuurlijk mysterie. Als parapsychologen bijvoorbeeld xenoglossie onderzoeken (het vermeende vermogen om talen te spreken die men nooit geleerd heeft), denken ze meteen aan reïncarnatie en sporen van vorige levens, terwijl ze interessante wetenschappelijke verklaringen over de werking van het geheugen als een onttovering aanvoelen. Eén zo’n verklaring is cryptomnesie, een psychologisch fenomeen waarbij ervaringen sporen in het geheugen nalaten zonder dat de patiënt zich de gebeurtenis zelf herinnert.
Van Dongen betreurt de ‘armzalige retoriek’ waarbij ernstige parapsychologen zich de rol van believers aanmeten en zich tot een vruchteloos welles/nietes steekspel met skeptici laten verleiden. Hij pleit ervoor om parapsychologie te identificeren met haar onderzoeksdomein (buitengewone ervaringen, volgens hem), in plaats van zich te laten vastpinnen op een specifieke opvatting over de oorsprong van zo’n ervaringen. Het voorstel doet denken aan de tredmolen van eufemismen waarmee de creationistische beweging haar identiteit blijft herdefiniëren (in die volgorde: creationisme – creation science – intelligent design – critical thinking about evolution). Het staat Van Dongen vrij om zijn métier te definiëren zoals hij wil, maar men kan niet zomaar met een term aan de haal gaan en verwachten dat iedereen in de pas loopt. Als we zijn definitie doortrekken, dan lopen er ‘parapsychologen’ rond die er vreemd van zouden opkijken als je hen zo aansprak. De Britse psycholoog Richard Wiseman, bijvoorbeeld, is al jaren gefascineerd door de psychologie van paranormale ervaringen. In zijn laatste boek Paranormality betoogt hij dat, als we de bijzondere ervaringen van mensen ernstig nemen in plaats van ze als verzinsels weg te wuiven, dat vaak interessante kennis oplevert over de werking van ons brein. Zo bestudeerden Wiseman en anderen de rol van pareidolia --- Pareidolia is de neiging om patronen te herkennen in vage of onduideljke stimuli, zelfs wanneer die enkel in onze verbeelding bestaan.--- en ultrasone geluiden in spookervaringen, het ideomotorisch effect. (Het ideomotorisch effect is een fenomeen waarbij iemand betekenisvolle spierbewegingen maakt zonder zich daarvan bewust te zijn.) in het fenomeen van ouija-borden, de rol van bepaalde hersengebieden in de opwekking van buitenlichamelijke ervaringen, enzovoort.
Niet alleen bestaat dat soort psychologie van het paranormale al lang – in tegenstelling tot wat Van Dongen laat uitschijnen – maar het valt ook sterk te betwijfelen of de aficionado’s die onderhavige bijeenkomst bijwoonden zo’n radicale ontzenuwing van de discipline zomaar zullen opvolgen. Dat bleek meteen uit de publieksvragen: moeten parapsychologen niet gewoon de blindheid van de gevestigde wetenschap aan de kaak stellen en blijven ijveren voor de erkenning van het paranormale? Wij – zij dus – zijn toch niet vrijblijvend met bijzondere ervaringen bezig, maar ook met bijzondere verklaringen van die ervaringen? Sommige vraagstellers zien het nog ambitieuzer: hebben we geen nood aan iets als een parafysica en een parabiologie, een soort overkoepelende parawetenschap die haar kritisch licht laat schijnen over de gevestigde wetenschap?
Wat alle deelnemers aan de discussie verbindt – ondergetekende uitgezonderd – is een bezorgdheid over het marginale karakter van de parapsychologie in de media en de publieke opinie. In skeptische oren zal dat vermoedelijk verwondering wekken: spat de paranormale prietpraat dan niet van de beeldbuis, met kampioenschappen voor zesde zintuigers, astrorubrieken, mediums die met de doden praten, magazines over babyfluisteraars en meer van zulks fraais? Maar, zo klinkt het in deze kringen, dat is slechts vertier voor het plebs, dat bezwaarlijk als ernstige parapsychologie kan doorgaan. De ironie wil dat deze mensen het roerend eens met de skeptici dat tv-makers ‘enkel belust zijn op kijkcijfers’ en ‘niet geïnteresseerd in wetenschappelijke integriteit’. Skeptici merken op dat al wat naar paranormaliteit zweemt kritiekloos wordt opgepikt en uitgesmeerd in de media, omdat het publiek er nu eenmaal blijft van smullen, maar merkwaardig genoeg klagen ook parapsychologen steen en been over hun ondervertegenwoordiging in de media. Een man uit het publiek doet zijn beklag over het optreden bij Pauw en Witteman van Gili, die ongehinderd de draak mag steken met paragnosten, terwijl aan nota bene het nieuwe onderzoek van Daryl Bem geen enkele aandacht wordt besteed! Die krampachtige en zelfverklaarde underdogpositie is een interessant sociologisch fenomeen dat men in veel groepen aantreft, omdat het een gezamenlijk vijandbeeld creëert en toelaat om zich in een verongelijkte slachtofferrol te wentelen. Hoe graag trekken pseudowetenschappers de sandalen aan van de kleine en sympathieke David die tegen Goliath moet optornen? Op de receptie na de lezingen laten de meeste parapsychologen zich kennen als aimabele mensen, die een discussie met een onverbeterlijke skepticus best kunnen appreciëren, maar hun verontwaardiging over de miskenning door de bekrompen wetenschap is er niet minder om. Ook wij skeptici moeten ons trouwens hoeden voor die verongelijkte reflex. Hoewel pseudowetenschap en het paranormale nog altijd welig tieren in de media en via allerlei kanalen, moeten we erkennen dat we, ondanks ons geringe ledenaantal en onze vrijwillige inzet voor de goede zaak, een bescheiden maar significante invloed uitoefenen op het publieke debat. Ons oneerlijk concurrentievoordeel is natuurlijk – hoe zelfgenoegzaam – dat we keihard gelijk hebben!
Maarten Boudry is filosoof en verbonden aan de Universiteit Gent, waar hij onderzoek doet naar pseudowetenschappen.
Toch houd ik mij hier ver van persoonlijke aanvallen en laatdunkende uitspraken: ik preciseer alleen enkele standpunten. Wie het daar niet mee eens is, wordt verzocht aan te tonen dat de stellingnamen zelf onhoudbaar zijn; beledigingen zijn een bewijs dat men dit niet kan.
1. Vooreerst het volgende
Het 'skepticisme' dat wereldwijd door een vrij groot aantal verenigingen wordt verdedigd, is wars van elke vorm van dogmatiek. De basisstelling luidt immers: "Wij zijn bereid de geloofwaardigheid van elke bewering te onderzoeken, maar hoe meer onwaarschijnlijk een uitspraak is, op basis van de betrouwbare kennis die we bezitten, des te meer verpletterend moet het bewijsmateriaal voor die uitspraak zijn."
Wij noemen 'pseudowetenschappen', die verzamelingen van beweringen die a priori zo onwaarschijnlijk lijken, dat materiaal van die aard nodig is vooraleer men er geloof aan kan hechten. Er bestaan echter gradaties in onwaarschijnlijkheid (de psychoanalyse is minder onwaarschijnlijk dan de astrologie). De grens tussen wetenschap en pseudowetenschap valt dus niet scherp te trekken. Desalniettemin blijft het onderscheid zinvol. Ook de grens tussen volwassenheid en onvolwassenheid is niet scherp; toch is dat onderscheid nuttig.
2. Hierna poog ik de termen van dit debat enigszins te preciseren
In de wetenschappen streeft men ernaar betrouwbare kennis te bereiken en men beseft dat men hiertoe aan een aantal strenge voorwaarden moet voldoen.
2.1. Ondubbelzinnige vastlegging van de betekenis van de termen en van de zinnen die ermee worden opgebouwd. Dat heeft als voordeel dat men interne contradicties zonder moeite kan opsporen, en dat men zinnen uit andere zinnen kan afleiden. Aan deze voorwaarde is het best voldaan in wetenschappen die in een logische of wiskundige taal worden geformuleerd, maar in andere wetenschappen streeft men ernaar dit ideaal zo goed mogelijk te bereiken.
2.2. Zinnen die naar ervaarbare gegevens verwijzen, worden op basis van streng gecontroleerde observatie en experiment getoetst.
2.3. Door combinatie van deze eigenschappen kan men uitspraken over afzonderlijke waargenomen gegevens combineren tot wetten en theorieën, die door hun onderlinge samenhang een nog grotere betrouwbaarheid garanderen.
2.4. Deze samenhang in theorieën biedt bovendien als voordeel dat het volstaat één contradictie in het geheel te ontdekken, of één onmiskenbare weerlegging in de feiten, om de hele theorie op de helling te zetten. Omgekeerd biedt het telkens weer mislukken van zulke 'falsificatiepogingen' een steeds grotere betrouwbaarheid aan het geheel.
2.5. Het proces van wetenschapsontwikkeling bevat dus een 'democratisch' element: controle op de helderheid van definities, niet-contradictie en toetsing door observatie en experiment gebeuren binnen elk domein door een groot aantal wetenschapsmensen en hoe langer dit verificatieproces heeft geduurd, hoe betrouwbaarder de uitspraken of theorieën zijn.
3. Nuanceringen
3.1. Je kunt het bovenstaande ideaalmodel niet in alle wetenschappen op dezelfde wijze realiseren: de evolutietheorie van Darwin is geen geaxiomatiseerde theorie zoals de analytische mechanica. Belangrijk is wel dat je die eisen zo goed mogelijk poogt te benaderen en contradictie en manifeste weerlegging door observatie en experiment vermijdt.
3.2. Zelfs binnen de sterkst bekrachtigde theorieën en verzamelingen van feitelijke uitspraken zijn er domeinen die meer bekrachtigd zijn dan andere. Hoewel we binnen de fysica heel wat met grote zekerheid weten, zijn er op randgebieden voorlopige hypothesen of zelfs verregaande onzekerheden; zal men het Higgs boson ontdekken en welke consequenties zullen daaruit voortvloeien? Vergelijkbare onzekerheden bestaan ook in de biologie en andere wetenschappen: zal de theorie van Gould het halen op die van Dawkins? Bestaat er echte groepsselectie? Enz. Het bestaan van dergelijke omstreden randgebieden in veel wetenschappen leidt vaak tot een noodlottige misvatting: men veralgemeent deze situatie naar de wetenschappelijke theorieën en wetten in hun geheel. Nochtans bestaat op het stuk van betrouwbaarheid een onmiskenbare hiërarchie tussen (a) theorieën en wetten waaraan geen redelijk mens twijfelt, (b) andere die een groot aantal geleerden als nagenoeg vaststaand beschouwen en (c) nog andere die velen, of de meesten, slechts als werkhypothesen beschouwen.
3.3. Een relatief gemakkelijke methode om een theorie als pseudowetenschappelijk te beschouwen, doet zich voor zodra duidelijk wordt dat ze beweringen inhoudt die radicaal in strijd zijn met die kerngebieden van de hierboven vermelde wetenschappen die alle specialisten betrouwbaar achten. Zo is de homeopathie pseudowetenschappelijk omdat ze strijdig is met een kernaspect van de scheikunde, nl. de constante van Avogadro.
3.4. Een tweede eigenschap van pseudowetenschappen is dat ze immuun zijn tegen weerlegging. In de gewone wetenschappen is het al vaak gebeurd dat men een theorie geheel of gedeeltelijk heeft gewijzigd omdat ze door nieuwe feiten werd weerlegd. Op pseudowetenschappers hebben weerleggingen geen effect: doe duizend experimenten over astrologie, die alle mislukken: dat zal de astrologie niet uit de wereld helpen.
3.5. Een derde eigenschap is dat ze niet vooruitgaan op het stuk van theorievorming en bewijsvoering. Soms worden wel nieuwe zogezegde paranormale fenomenen 'ontdekt'. Na de ontdekking van de fotografie ontstonden paranormale foto's met de afbeelding van overledenen op; na de ontwikkeling van de geluidsbanden ontstonden boodschappen uit het hiernamaals op die banden; maar de bewijskracht van al die fenomenen gaat nooit een stap vooruit (en een theoretische samenhang wordt er niet door verbeterd).
3.6. Een vierde, heel gemakkelijk, criterium is de vaststelling dat veel pseudowetenschappen hun oorsprong vinden in mythische, magische of heel simpele verklaringsschema's: astrologie heeft duidelijk een mythische oorsprong, spiritisme een magische en homeopathie een simpele ('het gelijke genezen door het gelijke': soms klopt dat toevallig bijvoorbeeld bij vaccinatie, maar dat heeft de wetenschap ontdekt; dat zo'n mechanisme altijd zou werken, is natuurlijk te mooi om waar te zijn, en is ook niet waar).
4. Nog een paar opmerkingen over misverstanden
4.1. Men moet een onderscheid maken tussen de ontdekking van een theorie en de bewijsvoering ervoor. Wij weten dat een theorie de gekste oorsprongen kan hebben: iemand kan een theorie voorhouden omdat zijn vader het tegendeel beweerde en toevallig gelijk hebben. Daaruit volgt niet dat het in algemene regel een goede methode is het tegenovergestelde te geloven van wat je vader dacht. Er zijn enkele belangrijke doorbraken gebeurd door mensen die ingingen tegen de gangbare meningen. Zij deden dat echter door een nieuwe theorie te ontwikkelen waarvan ze wisten dat die geverifieerd moest worden. De theorieën van de pseudowetenschappers zijn meestal zo oud als de straat, en de enkele andere (bv. Velikovsky) trekken zich van verificatie nauwelijks iets aan.
4.2. Dat wij zouden beweren dat de wetenschap definitieve bewijzen levert, is een misverstand. Wij beschouwen het wetenschapsbedrijf als een proces waarbij zowel de uitbreiding van het geheel van onze kennis van de wereld vooruitgaat, alsook de betrouwbaarheid van die kennis. Betrouwbaarheid is geen alles-of-niets-begrip. Er zijn graden van betrouwbaarheid en naarmate wetten en theorieën meer en meer de toets van de controle op de feiten doorstaan hebben, stijgt hun betrouwbaarheid tot die een niveau van nagenoeg zekerheid bereikt. Als iemand 'niet helemaal zeker' is dat het produceren van een stevige elektrische vonk bij een blok TNT, op grond van scheikundige wetten een ontploffing tot gevolg heeft, dan moet hij het maar eens van dichtbij uittesten ...
5. In verband met de psychoanalyse geldt het volgende
De basisstellingen ervan, bij Freud, waren bij hun ontstaan niet manifest met de harde kern van de wetenschappen in strijd (wat wel het geval is met de astrologie en de homeopathie). De leer over de 'verdringing', als afweermechanisme en als oorzaak van psychische storingen, kon correct zijn; hetzelfde geldt voor de stadia in de ontwikkeling, de structuur van de menselijke persoonlijkheid, en de klinische benadering via vrije associatie en droomanalyse. Een eerste aantasting inzake geloofwaardigheid was echter dat meerdere leerlingen van Freud een eigen weg insloegen (Adler, Jung, Rank, Reich, ...), wat de betrouwbaarheid van de basisinzichten aan het wankelen bracht. Een tweede aantasting was het ontstaan van immunisatiestrategieën (uitleg voor onverwachte fenomenen); iets wat op fijnzinnige wijze door Popper werd geanalyseerd in het geval van Adler. Ten derde zijn er de recente onderzoekingen die kernbegrippen zoals de Freudiaanse verdringing, het Oedipuscomplex, de castratievrees; enz. op de helling plaatsen. En vooral is er de interpretatie van Lacan, waarvan het pseudowetenschappelijk karakter voor de hand ligt. Wie heeft er enige zin voort te lezen als hij verneemt dat de penis in een zekere zin gelijkgesteld wordt aan het imaginair getal i (de vierkantswortel uit -1)? Wie dat toch doet, leert even verder dat het imaginaire getal als prototype geldt van een irrationaal getal! Hier wordt een totaal onbegrepen wiskundige taal gebruikt om duistere psychologische fenomenen te 'verhelderen'. Nochtans is een duidelijke taal de minimale voorwaarde om een theorie te verifiëren of te falsifiëren: waar dat ontbreekt, kan geen sprake zijn van wetenschap. Ik wil herhalen dat ik hier geen (nog levende) personen op het oog heb. Ik ken mensen die in een psychoanalytisch kader therapeutisch werken en dat blijkbaar tot bevrediging van hun patiënten doen. Ik wijt dat echter vooral aan hun menselijke kwaliteiten.
Etienne Vermeersch
--------------------------
Etienne Vermeersch is filosoof en was jarenlang als hoogleraar verbonden aan de UGent.
Bron: http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/12/20/etienne-vermeersch-over-pseudowetenschappen
De psychoanalyse, bijna een eeuw later ontwikkeld door Sigmund Freud en verder uitgewerkt door zijn acolieten, lijkt eenzelfde lot beschoren. Freuds theorieën waren tot in de jaren 60 ongenaakbaar in de psychologie, maar sindsdien is hun dominantie traag maar onmiskenbaar tanend. Vandaag komt de psychoanalyse aan de meeste Angelsaksische universiteiten alleen als een historisch curiosum aan bod, een soort zeppelin in de ideeëngeschiedenis, zoals de bioloog Peter Medawar het uitdrukte: een indrukwekkend maar tot neergang gedoemd luchtkasteel.
De aanwezigheid van een vakgroep psychoanalyse aan de UGent is dan ook stilaan een anachronisme, een schaduw die Frankrijk, een van de laatste psychoanalytische vrijhavens, op onze universiteiten werpt. De Gentse psychoanalyticus Stijn Vanheule (DS 10 december) schreef in deze pagina's een opmerkelijk bedaard en vrij genuanceerd pleidooi voor de psychoanalyse, wat lang niet vanzelfsprekend is wanneer een groeiend aantal wetenschappers en filosofen – onder wie ondergetekende – de wetenschappelijke legitimiteit van je discipline fundamenteel betwisten.
Net zoals de evolutieleer is de psychoanalyse een ‘theorie', stelt Vanheule, een denkkader om een deel van de werkelijkheid – in dit geval psychisch lijden – te benaderen. Dat klopt, maar is een zwaktebod. In de wetenschappen is een theorie een systematisch en coherent geheel van opvattingen dat empirische toetsing doorstaat, kwetsbaar is voor weerleggingen, toelaat om voorspellingen te maken, causale mechanismen beschrijft en geïntegreerd is met andere wetenschappelijke disciplines. Darwins evolutieleer voldoet met glans aan al deze voorwaarden, terwijl de psychoanalyse op alle vlakken schromelijk tekortschiet.
Na meer dan honderd jaar onderzoek is er geen enkele specifiek psychoanalytische hypothese – verdringing, oedipuscomplex, orale en anale fasen, universele penisnijd, manifeste en latente droominhouden, overdracht, enz. – die empirische ondersteuning geniet. De methode waarmee psychoanalytici de menselijke geest trachten te doorgronden – vrije associatie en symbolische interpretatie – bleek fundamenteel onbetrouwbaar, een soort epistemologisch moeras waarin elke theoretische constructie wegzinkt. Voorspellingen laat de psychoanalyse nauwelijks toe, een euvel dat de filosoof Karl Popper al aankaartte. Integratie met de moderne psychologie is er nauwelijks. Een psychologisch standaardwerk over cognitie en emotie bevat meer dan 1.300 referenties, waarvan één schamele naar Freud en geen enkele naar Jacques Lacan.
Natuurlijk is de psychoanalyse niet gestopt bij Freud, zoals Vanheule opmerkt. Door het onweerlegbare karakter van de psychoanalytische kerngedachte – een onbewust mentaal reservoir vol verdrongen herinneringen en emoties – heeft psychoanalyse een middelpuntvliedende sociologische dynamiek. Elke theoreticus kan een nieuw concept aan het onbewuste toeschrijven – geboortetrauma bij Rank, onbewust minderwaardigheidscomplex bij Adler, anima en persona bij Jung – en met dezelfde schijnmethode evengoed ‘bevestigingen' genereren. Theoretische geschillen zijn niet rationeel te beslechten, getuige de onophoudelijke schisma's en bittere conflicten in de psychoanalyse. Volgens Vanheule bijvoorbeeld is de ‘belangrijkste vernieuwer' in de psychoanalyse ‘zonder twijfel' Jacques Lacan. Dat ligt eraan. De invloedrijke Amerikaanse psychoanalyticus Morris Eagle rept in zijn overzicht van theoretische ontwikkelingen binnen de psychoanalyse met geen woord over Lacan, vermoedelijk omdat hij diens moedwillige obscurantisme en hooghartige onwetenschappelijkheid nauwelijks serieus kan nemen.
De populariteit van Lacan in deze contreien is, net zoals 's mans geschriften zelf, volstrekt onbegrijpelijk. In de recente documentaire Le Mur van Sophie Robert, die misnoegde lacanianen nu willen verbieden, zien we dat Lacans theorie een voedingsbodem is voor gevaarlijke absurditeiten over psychisch lijden. Autisme, een neurologische aandoening met een sterke genetische component, wordt door een bonte stoet lacanianen verklaard in termen van verdrongen trauma's in utero, moordzuchtige en incestueuze moeders (en dito baby's), impotente en ziekmakende vaders, en onbewuste oedipale drama's met bemiddelende placenta's.
De verklaringen zijn orthodox lacaniaans, en connoisseurs herkennen de mystieke en allerwegen inzetbare concepten als de Vader, jouïssance, de Symbolische orde, de grote Ander en het talige onbewuste. Vanheule zwijgt zedig over deze ophef, niet geheel onbegrijpelijk, want hij heeft geen enkele stok om de theoretische hond mee te slaan. Gevraagd naar de onthutsende documentaire, haastte Paul Verhaeghe zich in deze krant te zeggen dat autisme ‘zijn specialiteit niet is'. Merkwaardig, want in een recent essay duidt hij de toenemende diagnose van autisme in onze maatschappij als een ‘vorm van sociale isolatie, weg van de al te bedreigende ander' en als een resultaat van ‘faalangst tot ruimere sociale angst', een typisch voorbeeld van gratuite en dubbelzinnige lacaniaanse speculatie.
Rest ons nog de vermeende werking van psychoanalytische therapie. Zowel Verhaeghe als Vanheule verkondigt in deze pagina's een merkwaardige stelling: ‘dé psychoanalyse bestaat niet', maar ze werkt wel. Beide heren verwijzen echter systematisch naar onderzoek omtrent psychodynamische therapie, een eclectische term die in feite twintig verschillende therapieën omvat en elementen uit diverse stromingen integreert. Psychodynamische therapie is precies ontwikkeld uit onvrede over de belabberde resultaten verkregen door orthodoxe psychoanalyse. Met die semantische kunstgreep, die de Gentse lacanianen de laatste jaren verfijnd hebben, laten ze elke glimp van een empirisch bewijs op de psychoanalyse afstralen. Bovendien bevatten de meta-analyses waarmee Verhaeghe en Vanheule zwaaien, in vele gevallen geen controlegroepen, wat het onmogelijk maakt om de effectiviteit aan therapie-specifieke, laat staan psychoanalytische, elementen toe te schrijven.
Psychoanalyse helpt soms mensen, zoals elke psychotherapie generieke effecten en placebo-effecten opwekt (een luisterend oor, het hart kunnen luchten). Niettemin zijn intellectuele luchtkastelen nooit vrijblijvend en zelden onschuldig, zoals de controverse over autisme aangeeft. De theorie zelf is een dood gewicht waarvan de moderne psychologie zich gelukkig steeds meer heeft losgeschud. Naarmate de moderne criteria van degelijk academisch onderzoek ook in de Gentse vakgroep psychoanalyse ingang vinden, zal de theorie zelf gaandeweg verdampen. Net zoals de frenologie is de psychoanalyse gedoemd om in de plooien van de ideeëngeschiedenis te verdwijnen.
Vleeseters zijn egoïstischer en hufteriger dan vegetariërs.' 'Zwerfvuil op straat maakt mensen racistisch.' 'Hoe meer macht mensen hebben, hoe groter de kans dat ze vreemdgaan.' 'Seks in reclame werkt lang niet altijd.' Het zijn beweringen die klinken alsof ze bedacht zijn door Data Driven, het nepbureautje waarmee de jongens van 'Basta' niet zo lang geleden de Vlaamse media een loer draaiden, maar het zijn enkele van de opmerkelijke studieresultaten waarmee de gerenommeerde Nederlandse sociaal psycholoog Diederik Stapel (Universiteit Tilburg) de voorbije jaren in het nieuws kwam. Hij bouwde zich er een ijzersterke internationale reputatie mee op, en kon met de regelmaat van een klok artikels over zijn onderzoeken kwijt aan de meest prestigieuze wetenschappelijke tijdschriften, waaronder Science en Nature. De kans is erg groot dat hij ze allemaal verzonnen heeft.
In september kwam aan het licht dat alvast één van die studies, die over het sociale gedrag van de vleesetende medemens, nergens op sloeg. Toen hij met aantijgingen daaromtrent werd geconfronteerd, gaf Stapel toe dat hij de gegevens voor zijn onderzoek deels uit zijn duim had gezogen, en deels had aangepast om zijn stelling te onderbouwen. Hij werd meteen geschorst en al zijn publicaties werden van de website van de universiteit gehaald.
Allemaal verzonnen
Diederik Stapel is een van de bekendste wetenschappers in Nederland, en hij was tot voor kort ook een van de meest gewaardeerde. Een begeesterend spreker, een enthousiaste promotor, een graag geziene gast op lezingen over heel de wereld. Hij werkt sinds 2006 voor de universiteit in Tilburg; daarvoor was hij actief aan de universiteiten van Amsterdam en Groningen. Zeker in Groningen bezondigde hij zich naar alle waarschijnlijkheid ook aan onderzoeksfraude.
Uit het eerste rapport van de onderzoekscommissie die de fraude in kaart moet brengen, blijkt dat er wellicht nog veel meer naar boven wordt gespit. De voorzitter van de commissie, emeritus hoogleraar Pim Levelt, zei maandag op een persconferentie 'van de ene verbazing in de andere te zijn gevallen toen hij het werk van Stapel controleerde. Niet alleen zijn artikel in Science over het verband tussen zwerfvuil en discriminatie bleek op compleet verzonnen gegevens te zijn gebaseerd, bij minstens dertig andere onderzoeken was het niet anders.
Het lijkt nauwelijks te bevatten dat iemand zo lang op dergelijke schaal bedrog kan plegen in een academische omgeving zonder tegen de lamp te lopen. Uit het rapport van Levelt bleek maandag ook hoe doortrapt de man te werk ging, zonder ook maar iemand bij zijn bedrog te betrekken. Eerst bedacht hij samen met een medewerker een onderzoekscasus en een methodologie om het onderzoek uit te voeren. Daarna gaf Stapel te kennen dat hij zelf het 'veldwerk' zou doen, omdat hij uitstekende contacten had bij allerlei instanties, scholen en universiteiten. Enkele weken lang liet hij dan niets van zich horen, waarna hij terugkwam met al goeddeels verwerkte gegevens die zijn assistenten alleen nog hoefden te implementeren. Allemaal verzonnen gegevens, zo is intussen gebleken.
Was er dan niemand die iets in de smiezen had? Toch wel. Medewerkers van Stapel vroegen geregeld of ze de oorspronkelijke, door de respondenten ingevulde vragenlijsten niet mochten inkijken. Dat vond Stapel dan overbodig, bovendien gaf hij altijd te kennen dat hij al die spullen niet bijhield. Assistenten die voet bij stuk hielden en kritische bedenkingen uitten, probeerde hij eerst te vriend te houden door ze mee uit eten te nemen, bij hem thuis uit te nodigen of door op andere manieren een hechte vertrouwensband te smeden. Lukte dat niet, dan was er nog altijd de omgekeerde aanpak: lastige medewerkers maakte hij duidelijk dat hun academische carrière wel eens voorbij zou kunnen zijn voor ze goed en wel begonnen was.
Klokkenluiders
Toch waren het die ondergeschikten die de kat de bel aanbonden. Drie 'klokkenluiders' van de universiteit Tilburg klaagden dit voorjaar zijn werkwijze aan bij de rector magnificus, de persoon die aan de universiteit moet waken over de integriteit van zijn collega-hoogleraren. Daar was moed voor nodig, want Stapel was decaan van de faculteit psychologie, geliefd bij en geacht door zijn collega's. Hij had door zijn positie beslissingsrecht over de besteding van de onderzoekssubsidies in zijn vakgebied, en kon daardoor de loopbaan van veel collega's maken of kraken. En hij beschikte over een uitgebreid netwerk aan de universiteit, ook in het bestuurscollege, waarin onder meer de rector magnificus zitting heeft.
'Als er één lichtpuntje is aan deze hele onverkwikkelijke affaire, dan is het dat de sector zelfregulerend werkt', zegt Johan Braeckman, hoogleraar wijsbegeerte en moraalwetenschap aan de UGent en medeauteur van De ongelovige thomas heeft een punt. 'We kunnen niet zeker weten hoeveel van dergelijk bedrog nooit aan het licht komt, maar de wetenschappelijke wereld heeft een aantal filters ingebouwd, de interne controle is erg streng, waardoor dit soort uitwassen uitzonderlijk is.'
Peer review
Dat kan best zijn, maar Stapel is er toch maar in geslaagd jarenlang de hele kluit te belazeren. En ook aan de universiteiten van Amsterdam en Groningen werden al eens de wenkbrauwen gefronst bij zijn onderzoeksresultaten, die steevast te mooi waren om waar te zijn. Maar meer nog dan argwaan wekte zijn werk afgunst op bij collega's, vooral omdat hij er zo vaak internationale wetenschappelijke publicaties mee haalde. De filter van de peer review bleek daar alvast niet te werken.
'Dat klopt, maar peer reviewers houden vooral de methodologie en de relevantie van een onderzoek tegen het licht', zegt Braeckman. 'Tijdschriften als Science laten ingestuurde artikels altijd nalezen door een vijftal collega's uit hetzelfde vakgebied. Ik krijg ook bijna wekelijks de vraag om advies te geven over ingediende publicaties. Dat zijn arbeidsintensieve opdrachten die je bovenop je al zware academische takenpakket moet aanvaarden. Als je je over zo'n artikel een mening moet vormen, moet je van één premisse uitgaan: dat de onderzoeker eerlijk te werk is gegaan. Het is gewoon onmogelijk om van elk onderzoek ook de oorspronkelijke data op te vragen, alleen al om praktische redenen: tijdsdruk, om te beginnen. Bovendien krijg je de artikels anoniem toegestuurd, je weet niet wie de wetenschapper in kwestie is.'
De druk om te scoren
Rest de vraag waarom een man als Spatel zich tot zulke praktijken verlaagt. 'Ik heb de druk om te scoren, te publiceren, de druk om steeds beter te moeten zijn, niet het hoofd geboden', schreef hij zelf in een brief die maandag in de Volkskrant verscheen.
'De druk om te publiceren is inderdaad hoog', zegt Braeckman. 'De universiteiten leggen die druk deels zelf op, omdat publicaties in wetenschappelijke tijdschriften geld in het laatje brengen voor meer onderzoek. Let wel: de onderzoekers worden daar zelf niet rijk van, hen is het te doen om aanzien en macht. Wetenschappers zijn ook maar mensen. Wie veel publiceert, maakt sneller carrière en geniet meer respect in academische kringen.'
Voor Stapel is het in ieder geval afgelopen met die carrière, en met het respect. De universiteiten waar hij heeft gewerkt, dagen hem voor de rechtbank wegens schriftvervalsing, wellicht wordt zijn doctorsgraad ingetrokken.
De commissie-Levelt zegt intussen nog maanden nodig te hebben om de volledige fraude in kaart te brengen: ze moet nog meer dan 150 onderzoeken van Stapel doorworstelen. Houd de rubriek 'Correcties & aanvullingen' in de gaten.
© 2011 Corelio
Artikelinformatie
Bron: De Standaard
Auteur: Tom Heremans
Datum publicatie: 02 november 2011
Het is niet mogelijk!
Binnen het bestek van dit boek kunnen we onmogelijk alle beweringen bespreken die volgens ons onwaarschijnlijk zijn. We stellen wel een arsenaal aan middelen ter beschikking waarmee iedereen buitengewone beweringen van uiteenlopende aard kritisch onder de loep kan nemen. Bovendien geven we de kenmerkende patronen van het pseudowetenschappelijk denken aan, evenals de systematische denkfouten die tot irrationele overtuigingen leiden, zodat de lezer ze in nieuwe gevallen kan herkennen. Het kan relatief onschuldige vormen van bijgeloof betreffen, zoals triskaidekafobie (angst voor het getal dertien), maar ook potentieel gevaarlijke claims over geheime genootschappen die door middel van biologische oorlogsvoering op wereldheerschappij azen. Steeds moet de kritische denker in staat zijn de juiste vragen te stellen. Hij of zij moet weten hoe waarschijnlijke van minder waarschijnlijke beweringen te onderscheiden, waar betrouwbare informatie te vinden en hoe drogredenen te herkennen en te vermijden.
Wat dat laatste betreft, moeten we een belangrijke kaart op tafel leggen. Gezien de eindigheid van het leven is de tijd voor onderzoek beperkt. In specifieke gevallen kan een bewering zo onwaarschijnlijk zijn dat het niet zinvol is om er tijd en energie aan te besteden. Dat klinkt ongetwijfeld alsof we geen openheid van geest hebben en dogmatisch aan onze opvattingen vasthangen. Daarom moeten we ons standpunt even toelichten. Het inzicht dat bepaalde problemen onoplosbaar zijn, ontstond in de wiskunde.
De Griekse meetkundigen in de oudheid waren reeds vertrouwd met bepaalde constructieproblemen, zoals de kwadratuur van de cirkel. Zij formuleerden het probleem als volgt: ‘Construeer, met behulp van passer en liniaal, in een eindig aantal stappen, een vierkant met exact dezelfde oppervlakte als een gegeven cirkel.’ Over de eeuwen heen zijn vele pogingen ondernomen om dit probleem op te lossen, maar onderzoek wees telkens uit dat ze tekortschoten. Uiteindelijk bewees de Duitse wiskundige Ferdinand von Lindemann in 1882 dat het probleem onoplosbaar is. Dat betekent dat hij, vertrekkende van een aantal universeel aanvaarde of onweerlegbare premissen (uitgangspunten), via een klein aantal logische stappen, tot de onwrikbare conclusie kwam dat de kwadratuur van de cirkel onmogelijk is.
Voor wie niet vertrouwd is met wiskundige bewijsvoering, is het moeilijk om de kracht en de elegantie ervan te waarderen. Uit het resultaat van von Lindemann volgt dat, als iemand toch beweert een cirkel te kunnen kwadrateren, het geen zin heeft om zijn bewijs te onderzoeken (tenzij misschien als intellectuele oefening, om te zien waar het fout loopt). Het is a priori al duidelijk dat het niet juist kan zijn. Dat kan als een dogmatische of gesloten houding overkomen, maar eigenlijk is het een volstrekt redelijk positie, in acht genomen het sluitende karakter van het bewijs van Ferdinand von Lindemann. Volgens ons is het eerder dogmatisch om tegen beter weten in te blijven zoeken naar een methode om de cirkel te kwadrateren, zoals sommige amateurwiskundigen tot op vandaag doen.
Met betrekking tot empirische kwesties kan men nooit dezelfde graad van zekerheid verwerven als in de wiskunde of de formele logica. Toch geldt ook hier dat bepaalde opvattingen, gegeven de beperkte tijd en middelen waarover we beschikken, geen verder onderzoek verantwoorden, omdat ze radicaal indruisen tegen de meest fundamentele en beste wetenschappelijke kennis die we hebben en omdat alle vorige pogingen om ze te staven faalden.‹ Zie hiervoor ook Etienne Vermeersch: ‘Wetenschappelijke apriori’s tegenover het paranormale’, in Van Antigone tot Dolly (Hadewijch, 1997), pp. 95-104.› Een goed voorbeeld is de constructie van een perpetuum mobile (‘eeuwig bewegend’). Men onderscheidt hierbij twee soorten.
Een perpetuum mobile van de eerste soort is een (denkbeeldig) apparaat dat voor altijd blijft werken, zonder aanvoer van energie. Het wekt dus energie op vanuit het niets. Van een perpetuum mobile van de tweede soort veronderstellen de uitvinders dat het warmte volledig, dat wil zeggen zonder energieverlies, kan omzetten in mechanische arbeid. Dat klinkt intuïtief minder onwaarschijnlijk dan het eerste apparaat, maar wie er één tracht te ontwerpen, verspilt net zo goed zijn tijd. Zowel een toestel van de eerste als van de tweede soort zou de mensheid voor altijd verlossen van alle energieproblemen.
De eerste wet van de thermodynamica toont aan dat het eerste soort perpetuum mobile niet kan bestaan, terwijl de tweede wet de andere soort onmogelijk maakt. In 1586 al toonde de Vlaamse natuurkundige Simon Stevin met zijn ‘Clootkransbewijs’ (cloot betekent kogel) aan dat een perpetuum mobile zeer onwaarschijnlijk is. In 1775 vaardigde de Franse Académie des Sciences een edict uit waarin ze stelde niet langer aandacht te zullen besteden aan octrooiaanvragen voor een perpetuum mobile. Keer op keer bleken de talloze ontwerpen immers te falen. Gezien de tijd en energie (!) die de studie van zulke aanvragen opslorpte, was het beleid van de Académie gerechtvaardigd. De ontwikkeling van de thermodynamica in de negentiende eeuw bezegelde definitief het lot van alle pogingen.‹ Er zijn tal van pogingen gedaan, zie Arthur W.J.G. Ord-Hume: Perpetual Motion. The History of an Obsession (Adventures Unlimited Press, 2005).› Sindsdien beschikken we ook over solide theoretische argumenten om het bestaan van een perpetuum mobile uit te sluiten.
Niettemin doen sommigen ook nu nog pogingen. Nu en dan worden er zelfs nog octrooiaanvragen ingediend, die in het merendeel van de gevallen onbestudeerd in de prullenbak belanden. Deze weigering om een perpetuum mobile te bestuderen is volgens ons rationeel te verantwoorden, gezien de enorme betrouwbaarheid van onze wetenschappelijke kennis over energie, warmte en arbeid, de onderlinge samenhang van de thermodynamica met andere wetenschapstakken en de lange geschiedenis van gefaalde pogingen. Van alle bestaande toestellen die door hun voorbarige uitvinders tot perpetuum mobile werden uitgeroepen, bleek steevast dat er op een subtiele manier energie uit de omgeving werd geput of dat het apparaat na verloop van tijd stilviel.‹ Zie hoofdstuk 6 over de vruchteloze zoektocht naar een perpetuum mobile in Robert L. Park, Voodoo Science: The Road from Foolishness to Fraud (Oxford University Press, 2002).› Een louter theoretisch ontwerp verdient niet langer onze aandacht. Pas wanneer iemand daadwerkelijk een toestel in elkaar steekt dat blijft werken zonder energietoevoer, zijn we bereid om onze wetenschappelijke kennis te herzien.
Een ander voorbeeld betreft het onderzoek naar telepathie, dat men al verricht sinds de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Telepathie duidt op de overdracht van informatie buiten de gekende zintuiglijke kanalen om, op een wijze die de huidige wetenschap onbekend is. Ruim een eeuw van dergelijk onderzoek, als het methodologisch en statistisch goed is uitgevoerd en er geen mogelijkheid is tot bedrog, toont boven elke redelijke twijfel aan dat telepathie niet bestaat (we komen hier nog op terug in hoofdstuk twee en acht). Dat betekent niet dat telepathie volstrekt onmogelijk is, zoals de cirkelkwadratuur of de constructie van een perpetuum mobile, maar wel dat verder onderzoek weinig zin heeft. Omwille van het wijdverbreide geloof in het paranormale kan het allicht geen kwaad om hiernaar zo nu en dan een studie op te zetten. Na zoveel mislukte experimenten is de kans op toekomstig succes echter quasi nihil.
De fijnafstelling van het kritische denken
De talloze voorbeelden van menselijke lichtgelovigheid illustreren onze behoefte aan meer scepticisme. Toch kan het sceptische en kritische denken ook te scherp zijn afgesteld, waardoor het zijn doel voorbijschiet en opvattingen verwerpt die achteraf blijken te kloppen. Zoals Charles Mackay al aangaf, is het erg leerzaam om hiervan historische voorbeelden te bestuderen. Zo werd Don Marcelino Sanz de Sautuola door niemand geloofd toen hij in 1880, samen met professor Juan Vilanova y Piera van de universiteit van Madrid, zijn ontdekking bekendmaakte van prehistorische tekeningen en schilderijen in een grot in Altamira. Sautuola, een amateurarcheoloog, was eigenaar van de grond waarop de grot zich bevond. In 1878 had hij de wereldtentoonstelling in Parijs bezocht, waar hij gefascineerd raakte door een tentoonstelling van prehistorische werktuigen en kleine kunstvoorwerpen die in Frankrijk waren gevonden.
Terug thuis begon hij de grotten in de regio te verkennen, in de hoop iets te ontdekken dat op de aanwezigheid van prehistorische mensen wees. De grot in Altamira had hij al eerder verkend, zonder iets bijzonders te vinden, maar in november 1879 bezocht hij ze opnieuw. Zijn aandacht was op de grond gericht: misschien lagen er werktuigen, vuistbijlen of kralen? Zijn twaalfjarig dochtertje Maria vergezelde hem. Op een bepaald moment keek zij omhoog en zag ze de afbeeldingen van bizons op het plafond. Sautuola was stomverbaasd toen hij de scène in zich opnam. Over een lengte van twintig meter waren meerdere bizons te zien, bijna levensgroot geschilderd, verbluffend expressief en gedetailleerd. Sautuola moest achteraf lachen om de absurditeit van de situatie. Wat hij hoopte te vinden, hing vlak boven zijn hoofd, terwijl zijn blik naar beneden was gericht. Maar hij was ook diep ontroerd door de artistieke expressie van wat hij zag. In een mooi boek over prehistorische kunst schrijft Gregory Curtis: ‘Die dag in november 1879, toen Marcelino Sanz de Sautuola sprakeloos onder het beschilderd plafond van de grot in Altamira stond, was voor zover we weten de eerste keer dat een kunstenaar uit het stenen tijdperk de ziel beroerde van een modern persoon.’‹ Gregory Curtis: The Cave Painters. Probing the Mysteries of the World’s First Artists (Alfred A. Knopf, 2006), p. 50.›
Sautuola vermoedde terecht dat de schilderingen duizenden jaren oud waren en dus meer dan waarschijnlijk het werk van mensen uit de ijstijd, mensen die ook de artefacten hadden gemaakt die hij in Parijs had gezien. In Spanje kreeg hij enige bijval, maar het wetenschappelijk artikel van hem en Vilanova y Piera werd onmiddellijk de grond ingeboord door een groep Franse experts, in het bijzonder door Gabriel de Mortillet, gereputeerd antropoloog en specialist in prehistorische artefacten. Tijdens het internationaal congres voor antropologie en prehistorische archeologie in 1880 in Lissabon werden ze ronduit geridiculiseerd. Vilanova y Piera gaf een lezing en toonde tekeningen die ze hadden gemaakt van een aantal schilderingen. Het ongeloof in de zaal was voelbaar. De nog jonge maar gerespecteerde Franse archeoloog Emile Cartailhac verliet verontwaardigd de zaal. Omwille van de artistieke kwaliteiten en de uitzonderlijke staat waarin de kunstwerken zich bevonden, werd Sautuola zelfs van vervalsing beschuldigd. Een kunstenaar zou de schilderingen in zijn opdracht gemaakt hebben. Dat mensen uit het stenen tijdperk er verantwoordelijk voor waren, was gewoon onmogelijk.
Vilanova y Piera nodigde Cartailhac uit om zelf de schilderingen en de grot in Altamira te komen bekijken. Hij weigerde, maar stuurde niettemin een bevriend ingenieur om de grot te onderzoeken en verslag uit te brengen. Die bevestigde Cartailhacs opinie: de schilderingen waren duidelijk niet authentiek. De kwaliteit van de kunstwerken was gewoon te hoog. De meeste archeologen veronderstelden immers dat de anatomische en mentale evolutie van de mens weerspiegeld wordt door de culturele evolutie. Primitieve mensen maakten primitieve voorwerpen, meer ontwikkelde mensen maakten modernere voorwerpen. Nochtans waren er erkende voorbeelden van prehistorische beeldjes van eenzelfde kwaliteit. De geschilderde dieren waren bovendien anatomisch niet correct, zo meenden critici, in de foute veronderstelling dat het om koeien ging in plaats van om een uitgestorven bizonsoort. De verf zou van recente datum zijn, aangebracht met moderne borstels. Van fakkels en andere middelen voor verlichting was geen spoor te vinden. De zoldering had zwarte plekken moeten bevatten. Dergelijke bezwaren waren zinvol en werden pas later wetenschappelijk beantwoord.
De radicale verwerping door Cartailhac en anderen had ook te maken met de toenmalige debatten over evolutie. Het gerucht deed de ronde dat de kunstwerken in Altamira vervalst waren om de aanhangers van de evolutietheorie een hak te zetten. Die zouden immers opgetogen zijn over een dergelijke vondst, als een extra bewijs voor de oeroude afkomst van de mens. Door de vervalsing vervolgens openbaar te maken, kon men de evolutionisten voor schut zetten. Een ander standpunt dat enige aanhang verwierf, stelde dat de schilderingen door Romeinse soldaten waren vervaardigd. Nog anderen gaven aan dat ze het werk waren van ‘Keltische holbewoners’.
Pas in het begin van de twintigste eeuw, toen men al meerdere grotten in Frankrijk en Spanje had ontdekt met schilderingen die onbetwistbaar prehistorisch waren, veranderde de wetenschappelijke gemeenschap van opinie. Die zekerheid over de ouderdom verkreeg men door de ontdekking van grotten waarvan de ingang al zeer lang afgesloten was. De rotsen die de grotten afsloten, bevatten paleolithische afzetting. In Altamira waren ondertussen nog andere kunstwerken gevonden, evenals een paleolithische lamp. Emile Cartailhac, een van de scherpste critici van Sautuola en Vilanova y Piera, zag zich gedwongen om zijn opinie te wijzigen. Nadat hij meerdere grotten bezocht en zelfs enkele prehistorische vondsten deed, onderzocht hij uiteindelijk zelf de grot in Altamira.
Zijn ‘bekering’ leidde in 1902 tot de publicatie van een artikel over Altamira in het vakblad L’Anthropologie, met als ondertitel ‘Mea culpa d’un sceptique’. Cartailhac erkende de fouten die hij en zijn collega’s hadden begaan en bevestigde de prehistorische origine van de kunstwerken in Altamira. Sautuola overleed veertien jaar daarvoor, vroegtijdig en verbitterd. Hij had de wereld voor het eerst kennis laten maken met prehistorische kunst en men had hem voor leugenaar en vervalser uitgemaakt. Met behulp van moderne dateringstechnieken is vastgesteld dat Sautuola en Piera inderdaad op het juiste spoor zaten. De schilderingen zijn gemaakt in de periode tussen elf- en negentienduizend jaar geleden.
Wat te denken over Cartailhacs ommezwaai? Sommigen zouden stellen dat zijn oorspronkelijke afwijzing de dogmatische kant van wetenschap aantoont. Experts neigen ertoe om aan hun opinies vast te houden, vaak tegen beter weten in. Daar staat echter tegenover dat Cartailhac wel degelijk zijn mening wijzigde, ook al kon hij eigenlijk niet anders, gezien de toenemende aanwijzingen voor Sautuola’s opvatting. Het verhaal illustreert dus precies het zelfcorrigerende karakter van wetenschap. Had Cartailhac niet zelf zijn opinie herzien, dan hadden zijn collega’s, in het bijzonder de jongere generatie, in geen geval nagelaten om zijn ongelijk aan te tonen. Over Cartailhacs persoonlijke motieven zijn de meningen verdeeld. Sommigen bewonderen hem omdat hij zijn vergissing toegaf, anderen wijzen erop dat zijn ommezwaai niet alleen veel te laat kwam, maar wellicht ook een berekende zet was, bedoeld om respect af te dwingen voor zijn ‘liefde voor de waarheid’ en zijn ‘objectiviteit’. Hoe dan ook, de man wijzigde wel degelijk zijn vroegere mening. Hij zette zich de rest van zijn wetenschappelijke loopbaan in om het onderzoek naar prehistorische kunst te stimuleren.
Optimisme over kritisch denken: Balthasar Bekker en Charles Mackay
De scepsis van Cartailhac over de prehistorische vondst in Altamira was onterecht. Minstens even leerzaam echter is de studie van vroegere kritische denkers waarvan de geschiedenis hun gelijk uitwees. Dat nodigt uit tot gematigd optimisme. Hetzelfde brein dat ons zo vaak de mist instuurt en ontstellende vormen van lichtgelovigheid produceert, is ook in staat tot zorgvuldige argumentatie en redelijke inzichten (mocht dat niet zo zijn, dan had een boek ter bevordering van het kritische denken niet zoveel nut). De geschiedenis van de filosofie en de wetenschap biedt ons vele voorbeelden, maar het meest illustratief zijn die auteurs die zich expliciet kritisch opstelden tegenover het irrationalisme, het bijgeloof en de pseudowetenschap in hun tijd.
Zo schreef de Nederlandse theoloog Balthasar Bekker (1634-1698) een boek waarin hij het standpunt verdedigde dat kometen geen rampen aankondigen, zoals men toentertijd nog vrij algemeen aannam.‹ Ook de Franse theoloog en filosoof Pierre Bayle publiceerde in de zeventiende eeuw teksten waarin het bijgeloof over kometen werd bestreden.› Bekker was een volgeling van de Franse filosoof Descartes, die hem tot systematisch kritisch denken had aangezet. In Bekkers belangrijkste boek De betoverde weereld (1691) bestreed hij het geloof in de duivel, in bezetenheid, in spoken, geesten en heksen. Dat werd hem niet in dank afgenomen. De kerkelijke autoriteiten zetten hem af als predikant. Het verhinderde niet dat het boek een bestseller werd, naar zeventiende-eeuwse normen, en sterk bijdroeg tot de afschaffing van de heksenvervolging. Een andere verdienste van Bekkers boek is dat men individuen met afwijkend gedrag niet langer als door de duivel bezeten beschouwde, maar als geestesziek.
Bekker was natuurlijk niet de enige kritische geest in het zeventiende-eeuwse Nederland. Zoals de Britse historicus Jonathan Israël aantoont in zijn boek Radicale Verlichting (2005)‹ De volledige titel van Israëls boek luidt: Radicale Verlichting. Hoe radicale Nederlandse denkers het gezicht van onze cultuur voorgoed veranderden (Van Wijnen-Franeker). Oorspronkelijk in 2001 gepubliceerd als Radical Enlightenment: Philosophy and the Making of Modernity, 1650-1750.›, legden meerdere denkers in de zeventiende eeuw de basis voor het rationele denken zoals dat in de Verlichting tot bloei kwam. Een uitermate belangrijke rol hierin speelde de filosoof Spinoza, tijdgenoot van Balthasar Bekker. Ook Spinoza kreeg het aan de stok met de religieuze autoriteiten, in zijn geval Joodse rabbijnen. In zijn hoofdwerk Ethica, postuum gepubliceerd, betoogt hij dat alles in de wereld gedetermineerd is en dat God samenvalt met de natuur en bijgevolg geen mirakelen kan verrichten. Eerder al, in zijn Vertoog over de verbetering van het verstand (1660), schreef hij:
Iemand die nooit, op grond van zijn ervaringen of hoe dan ook, heeft nagedacht over de bedrieglijkheid van zijn zintuigen, zal ook nooit aan het twijfelen raken of de zon groter of kleiner is dan zij zich voordoet. Vandaar dat boeren er zich gewoonlijk over verbazen wanneer zij vernemen dat de zon veel groter is dan onze aardbol. Uit het besef van de bedrieglijkheid van de zintuigen echter ontspringt de twijfel (…).
Tot slot willen we hier nogmaals de Schotse journalist en schrijver Charles Mackay (1814-1889) onder de aandacht brengen. Diens lijvige boek Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds (1841) geldt als de negentiende-eeuwse klassieker bij uitstek in het sceptische genre. Mackay bespreekt en analyseert diverse gevallen van delusions, waanvoorstellingen of begoochelingen, waaraan de massa ten prooi kan vallen. Modern onderzoek wijst uit dat hij soms overdrijft en niet alles even accuraat weergeeft, maar Mackay beschikte niet over de huidige onderzoeksmogelijkheden. Evenmin had hij de inzichten van de moderne psychologie, sociologie en communicatiewetenschappen als referentiekader. Zijn boek is zonder meer een schitterende voorloper van de moderne massapsychologie (de studie van denkbeelden gedeeld door een hele groep) en van de sociale psychologie (de studie van sociale beïnvloeding). Zijn voorwoord bij de editie van 1852 zet meteen de toon:
Als we de geschiedenis van naties bestuderen, zien we, net zoals het geval is bij individuen, dat ze hun luimen en grillen hebben, hun perioden van opwinding en roekeloosheid, waarin het hen niet kan schelen wat ze doen. We stellen vast dat hele gemeenschappen plots hun aandacht op één ding vestigen, en gek lijken te worden terwijl ze het najagen. We zien dat miljoenen mensen gezamenlijk in de ban van een begoocheling komen en er achteraan gaan, tot hun aandacht door een nog grotere zotternij afgeleid wordt...‹ Onze vertaling uit de editie van Wordsworth, 1995, p. xv. Het boek is nog steeds in druk (in het Engels). De lectuur ervan is sterk aanbevolen. Voor een boek met een vergelijkbare betekenis voor de geschiedenis van het scepticisme is het wachten tot Martin Gardner in 1957 zijn boek Fads and Fallacies in the Name of Science publiceert. Een waardige opvolger van Mackays boek, waarin tal van latere negentiende-eeuwse en twintigste-eeuwse gevallen van massahysterie en irrationeel groepsgedrag worden besproken, is het werk van Hilary Evans en Robert Bartholomew: Outbreak! The Encyclopedia of Extraordinary Social Behavior (Anomalist Books, 2009).›
De klassieker van Mackay beslaat diverse onderwerpen, waaronder economische luchtkastelen die als zeepbellen uit elkaar spatten, alchemie en de alchemisten (de tot mislukken gedoemde zoektocht naar de ‘steen der wijzen’, een substantie om gewone metalen in goud te veranderen), wichelarij en waarzeggerij, de kruistochten, de heksenvervolging, spookhuizen en relieken (zie hoofdstukken vier en zeven).
De cruciale vraag voor ons, waarop we nog zullen terugkomen, is waarom Balthasar Bekker en Charles Mackay wel sceptisch waren, in tegenstelling tot vele andere, nochtans vaak zeer intelligente en hoog opgeleide mensen. Bekker en Mackay waren bovendien sceptisch op een evenwichtige manier: voldoende kritisch om onzin te ontmaskeren, maar voldoende open van geest om niet alle merkwaardige opvattingen dogmatisch te verwerpen. Met de beperkte kennis en middelen van hun tijd slaagden ze erin om de juiste vragen te stellen. Over welke bronnen beschikken we en hoe kunnen we hun kwaliteit inschatten? Bevat het verhaal tegenstrijdigheden of beweringen die radicaal ingaan tegen de huidige stand van de wetenschap? In de mate van het mogelijke voerden ze ook zelf onderzoek uit en probeerden ze beweringen te testen, zoals ook hedendaagse sceptici doen.
De Bijbelse en de ideale Thomas
De bovenstaande voorbeelden tonen aan hoe belangrijk het is voor een kritische denker om een goed evenwicht te vinden. Enerzijds mogen we niet zo kritisch zijn dat we nieuwe en deugdelijke inzichten verwerpen, anderzijds moeten we vermijden zo open van geest te zijn dat we de sluizen openzetten voor allerlei onzin. Ons ‘sceptisch vaccin’ tegen onzin moet ons op een goed gedoseerde wijze beschermen.
Een sceptische denker vertrouwt ook niet louter op zijn gezond verstand of zijn directe waarneming. Wetenschap brengt vaak opvattingen naar voren die intuïtief erg ongeloofwaardig lijken, maar die toch volstrekt betrouwbaar zijn. Inzien dat de aarde rond de zon draait is al niet evident, maar dat ze dat doet met een snelheid van bijna 30 kilometer per seconde lijkt al helemaal ongeloofwaardig. Daarnaast draait ze ook rond haar eigen as. Op de evenaar bedraagt die rotatiesnelheid ongeveer 1670 kilometer per uur. Directe zintuiglijke waarneming en ons zogenaamd gezond verstand zijn hierbij nutteloos of zelfs misleidend. Onze kennis steunt op wetenschappelijke experimenten en bevindingen of op de autoriteiten die deze experimenten uitvoerden.
Stel dat de ongelovige Thomas aan de oude Griek Eratosthenes zou zeggen: ‘Toon mij dat de aarde rond is en ik zal geloven’ – uiteraard nadat hij empirisch vaststelde dat Eratosthenes wel degelijk na twee eeuwen uit de doden was opgestaan. Eratosthenes zou zijn argument over de lengte van schaduwen op verschillende breedtegraden kunnen uiteenzetten, of wijzen op naderende schepen waarvan we eerst de mast en dan de romp aan de horizon zien verschijnen. Toch kan hij niet aan Thomas’ verzoek voldoen, omdat geen enkele directe waarneming de rondheid van de aarde aantoont. Een extreem ongelovige Thomas, die enkel op zijn eigen zintuigen vertrouwt, zou men nooit van de (imperfecte) bolvormigheid van de aarde kunnen overtuigen. Ook zijn gezond verstand vertelt hem dat, indien de aarde rond is, de mensen aan de andere kant eraf vallen.‹ Tot op vandaag zijn er Bijbelse fundamentalisten die zich als extreem hardnekkige Thomassen gedragen en volhouden dat de aarde plat is, zoals men uit bepaalde Bijbelverzen kan afleiden en zoals onze zintuigen suggereren.›
De ideale Thomas die we hier voor ogen houden, is dus iets meer ontwikkeld dan zijn Bijbelse evenknie. Op zijn gezond verstand of directe waarneming alleen zal hij nooit vertrouwen. Vele wetenschappelijke bevindingen zijn contra-intuïtief en stuiten daarom op ongeloof. Denk aan de snelheid van het licht, de platentektoniek, de ouderdom van het heelal, de kwantummechanica en de evolutietheorie, maar ook aan moderne bevindingen over de mens en zijn gedrag, onder meer ontwikkeld in de psychologie en de neurowetenschappen. Zo tonen steeds meer onderzoeken aan dat onze hersenprocessen net zo goed gedetermineerd zijn als de beweging van de hemellichamen, wat in strijd is met de intuïtieve overtuiging dat we over een zogenaamde vrije wil beschikken (dat we anders hadden kunnen handelen). Ook is het vanuit wetenschappelijk oogpunt bijzonder onwaarschijnlijk dat er zoiets bestaat als een geest in het lichaam. Onze mentale vermogens zijn in wezen even materieel als de vertering van voedsel of de samentrekking van spieren. Toch voelt het dualisme, de opvatting dat mensen zowel een materieel lichaam als een onstoffelijke geest hebben, als vanzelfsprekend aan (zie hoofdstuk zeven).
In de loop van de twintigste en de eenentwintigste eeuw hebben we kennis verworven die het kritische denken verder preciseert en verfijnt. De ongelovige Thomas ging nog niet ver genoeg. ‘Eerst zien en dan geloven’ is op zich een lovenswaardige kritische houding, maar decennia onderzoek van waarnemingspsychologen toont aan dat we onze zintuigen lang niet altijd kunnen vertrouwen. Iemand met de sceptische ingesteldheid van Thomas is bovendien niet opgewassen tegen goed uitgevoerde goocheltrucs of overtuigende visuele illusies (zie hoofdstuk twee). Zoals we verder in dit boek zullen bespreken, zal ons geheugen informatie vaak fout opslaan of verdraaien, zijn we spontaan geneigd om te onthouden wat we willen onthouden en te negeren wat ons niet bevalt, bedriegen we onszelf zonder het te beseffen, gebruiken we drogredenen om onze vooroordelen te verdedigen, kennen we betekenis toe aan willekeurige, toevallige gebeurtenissen, maken we onterecht veralgemeningen en trekken we vaak ongeoorloofde conclusies. Deze nieuwe en ontnuchterende inzichten over het menselijk brein maakt de opdracht om kritisch te denken niet eenvoudiger, maar ze bieden wel een grotere garantie op betrouwbare kennis en bescherming tegen onzin.
De uiteenzettingen in dit boek hebben tot doel om het kritisch denkvermogen van de lezer (en dat van onszelf) verder aan te scherpen. De meeste mensen, zo nemen we aan, zijn liever goed geïnformeerd dan rond te lopen met foute denkbeelden. Helemaal zeker zijn we daar niet van. Misschien hebben sommigen een andere waardenhiërarchie en wensen ze bijvoorbeeld geen kennis die hen ongelukkig maakt. Zoals we kunnen lezen in het boek Prediker (1:18): ‘Want in veel wijsheid is veel verdriet, en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart.’ Sinds het ontstaan van de filosofie, in de zesde eeuw voor onze tijdrekening, is waarheid gestaag geklommen in de waardenhiërarchie. Wij juichen dat toe. De waarheid maakt misschien niet altijd gelukkig, maar illusies en waanbeelden evenmin. In het evangelie van Johannes waarmee we dit boek begonnen, lezen we ook (al geven we toe dat we het enigszins uit de context lichten): ‘De waarheid zal u vrijmaken’ (8:32).
Johan Braeckman doceert filosofie aan de Universiteit Gent. U vindt zijn website op www.johanbraeckman.be.
Maarten Boudry is filosoof en verbonden aan de Universiteit Gent, waar hij onderzoek doet naar pseudowetenschappen.
Johan Braeckman & Maarten Boudry
De ongelovige Thomas heeft een punt. Een handleiding voor kritisch denken.
Antwerpen: Houtekiet
344 p., 22,50 EUR.
Onder: een tekening van het Clootkransbewijs van Simon Stevin (1548-1620), uit zijn boek De Beghinselen der Weeghconst (1586). Stevins bewijs toont de onmogelijkheid aan van een perpetuum mobile.
![]()
Een groot deel van de meer dan vierhonderd op alfabetische wijze behandelde onderwerpen gaat over methoden voor debunking, het ontmaskeren van onzin en de wijze waarop we door anderen of door onszelf bedrogen kunnen worden. Het betreft daarbij redeneerfouten (zoals vals dilemma of post hoc), trucs van charlatans (zoals koud lezen of het Barnum-effect), psychologische processen die ons op het verkeerde been zetten (autokinetisch effect, selectief denken) en dergelijke meer. Daarnaast komen er onderwerpen aan bod waarrond een geur van onzin hangt en waarvan de meeste ons goed gekend zijn, van alternatieve geneeswijzen over ufo’s tot paranormale verschijnselen. Tot slot zijn er nog een aantal meer filosofische onderwerpen, waartoe we ook religieuze opvattingen kunnen rekenen. Het woordenboek van de skepticus behandelt nogal wat religieuze thema’s, niet alleen die welke aanleunen bij pseudo-wetenschap, zoals mirakels en creationisme, maar ook de vraag naar het bestaan van God of goden, een vraag waaraan metafysische en zelfs ethische argumenten te pas komen. Carroll betoont zich een radicale atheïst, hoewel hij in zijn inleiding stelt dat een skepticus niet noodzakelijk atheïst moet zijn en hij regelmatig opmerkt dat het een kwestie is van al dan niet geloven.
Zeker de eerstgenoemde categorie lemma’s, over hoe je onzin ontmaskert, zijn uitermate nuttig en leerrijk voor wie zich wil wapenen in discussies en zijn kritische zin wil aanscherpen. Dat geldt ook voor de uitstekende Minicursus kritisch denken aan het begin van het boek. De lemma’s over de concrete pseudowetenschappelijke onderwerpen vormen het zwakste onderdeel, niet in het minst door de nogal chaotische en onoverzichtelijke aanpak. Een aantal belangrijke onderwerpen ontbreekt (bijvoorbeeld complottheorieën), terwijl we anderzijds lemma’s aantreffen over zaken die hier niet of nauwelijks passen (wat doet een onderwerp als Kosmologie hier?). Het is natuurlijk het recht van een auteur om te schrijven waarover hij wil, maar Carroll weidt snel uit of vervalt in anekdotes nog voordat hij het behandelde onderwerp heeft uitgelegd. Dat leidt tot disproporties. Zo is het lemma Ufo goed voor vijf pagina’s, terwijl Ontvoering door buitenaardse wezens meer dan het dubbele krijgt, hoewel dit onderwerp veel beperkter is en voor een deel inhoudelijk beter bij Ufo past. Het lemma Randi gaat maar voor de helft over James Randi en zijn werk. Zo ook wordt de helft van het lemma Conditionering besteed aan de veronderstelling dat het placebo-effect te wijten is aan conditionering door endorfines, een veronderstelling waar nog eens op teruggekomen wordt in Placebo-effect, zonder een verwijzing naar het vorige lemma. Onlogisch is het voorkomen van de afzonderlijke lemma’s Psychokinese en Telekinese, praktisch synonieme begrippen maar volkomen los van elkaar behandeld zonder onderlinge verwijzing.
Dit vrijwel volledig ontbreken van verwijzingen komt doordat de teksten van de gelijknamige website komen, maar dat verzuimd werd de daar aanwezige hyperlinks in gedrukte vorm over te nemen of te vervangen door een andere vorm van verwijzing. Ook de chaotische structuur gaat blijkbaar terug op de online teksten. Daardoor is het boek onhandig als naslagwerk, iets wat een goede eindredactie had kunnen vermijden.
Helaas zorgt de slordigheid ook inhoudelijk voor verwarring. Neem het vrij uitvoerige lemma Lijkwade van Turijn. In het begin staat er dat de eerste historische vermelding van die beruchte lijkwade ‘blijkbaar’ dateert uit de late zestiende eeuw, hoewel de wade ‘naar verluidt’ ontdekt werd in Turkije tijdens de kruistochten. De eerste bewering is onjuist, de tweede is een zeer betwistbare hypothese die door de ‘lijkwadedeskundigen’ is bedacht. Het is merkwaardig dat Carroll hier niet verder op ingaat. Meteen daarop zegt hij dat de C14-datering aantoont dat de lijkwade rond 1350 werd vervaardigd. Op het einde citeert hij terloops uit het (uitstekende) boek van Joe Nickell over de lijkwade ‘dat er geen historische vermeldingen zijn van de lijkwade voor het midden van de veertiende eeuw – toen een bisschop verslag uitbracht over de bekentenissen van de kunstenaar’. Niet alleen is dat in tegenspraak met het begin, maar de lezer krijgt ook niet te weten wie er met ‘de kunstenaar’ wordt bedoeld. De oudste vermelding van de lijkwade komt inderdaad van een bisschop die de lijkwade een vervalsing noemt, gemaakt door een handige kunstenaar, die daarover bekend heeft. Dit extreem belangrijke feit gaat blijkbaar aan Carrolls aandacht voorbij. Wel besteedt hij hele pagina’s aan de welles-nietesdiscussie of er al dan niet stuifmeel of bloed op de vermeende lijkwade te vinden is.
Dit geeft de indruk dat Carroll niet van alle behandelde onderwerpen goed op de hoogte is of er zich niet echt voor interesseert. In het lemma Astrologie geeft hij een verwarrende en niet zo correcte uitleg over het verschil tussen tropische en siderische astrologie, maar rept met geen woord over het uitvoerig empirisch onderzoek naar de astrologie, een onderwerp dat elke skepticus en wetenschapsfilosoof zou moeten interesseren, te meer daar de resultaten desastreus waren voor de astrologen.
Een ander probleem is Carrolls soms ongewoon scherpe toon. Hij waarschuwt er in zijn inleiding voor dat hij een ‘geharde skepticus’ is ‘die er niet aan twijfelt dat alle occulte onderwerpen fout of frauduleus zijn.’ Ik ga niet in op de vraag of dit een correcte houding is. In elk geval hoeft dat nog niet te betekenen dat men in zijn kritiek regelmatig in een heus requisitoir of een woede-aanval moet vervallen. De neutrale lezer zal zo’n rabiate houding misplaatst vinden, en niet altijd ten onrechte. In het lemma Piramidiotie schrijft Carroll minachtend dat pseudowetenschappers als von Däniken ‘menen dat de oude Egyptenaren te achterlijk waren om de piramiden te bouwen zonder de hulp van buitenaardse wezens.’ Maar von Däniken c.s. hebben dat niet gezegd. Ze gaan enkel uit van de niet zo onredelijke twijfel dat de Egyptenaren met alleen mankracht en beperkte technische middelen in staat waren zulke enorme bouwwerken te maken. Het is een twijfel die al eerder en ook nadien door min of meer serieuze geleerden werd geopperd.
Ook de manier waarop Carroll de parapsychologen aanpakt is niet echt fair. Hij definieert parapsychologie als ‘de zoektocht naar een bewijs voor paranormale fenomenen zoals ESP en psychokinese’, om er meteen aan toe te voegen dat parapsychologen, in tegenstelling tot de meeste wetenschappers, ‘proberen onverklaarbare fenomenen waar te nemen’ en dit te associëren met bijgeloof en magisch denken. De meeste ernstige parapsychologen en ook wel geïnformeerde skeptici stellen dat er op zijn minst waarnemingen van paranormale verschijnselen bestaan en dat de parapsychologie daar juist een verklaring voor wil zoeken.
Voor Carroll lijkt het dan ook overbodig om veel aandacht te besteden aan het empirisch onderzoek in de parapsychologie. Op de vele min of meer ernstig bedoelde gedane experimenten gaat hij niet of nauwelijks in. Het volstaat hem te zeggen dat er bij dit onderzoek twijfel was aan de correcte uitvoering, aan de eerlijkheid, enzovoort. Dat geldt ook voor de veelbesproken Ganzfeld-experimenten, die hij vermeldt zonder de lezer uit te leggen waaruit die bestaan. Hij herinnert er enkel aan dat de bij die experimenten gevonden correlaties geen oorzakelijk verband impliceren (wat correct is) en besluit met: ‘als er een oorzakelijk verband is, is dat daarom nog niet paranormaal van aard’ – een besluit dat niet bepaald duidelijk is. De onbevooroordeelde lezer krijgt de indruk dat Carroll liever niet wil ingaan op experimenten die misschien – misschien – toch iets interessants opleveren, terwijl hij wel hele pagina’s besteedt aan het in de grond boren van de charlatan Uri Geller.
Het minste wat je zou mogen verwachten, is dat Carroll zijn soms lapidaire beweringen toelicht. Als hij in verband met creationisme schrijft dat ‘wetenschap zich enkel bezighoudt met naturalistische verklaringen van empirische fenomenen en zich niet bezighoudt met bovennatuurlijke verklaringen van metafysische fenomenen’, dan is dat een interessante stelling, die echter om argumenten vraagt. Niet alle skeptici zijn het daar immers mee eens en creationisten zouden dit kunnen interpreteren als een a priori afwijzen van bovennatuurlijke verklaringen door de wetenschap.
Als het om religie gaat, en dan vooral over het katholicisme, wordt Carroll zo mogelijk nog heftiger. In het lemma Heksen zegt hij dat de (katholieke?) Kerk met de heksenvervolgingen een ‘Rijk van Terreur’ heeft opgezet ‘dat op vele vlakken erger was dan de terreur van Stalin of Hitler’, om eraan toe te voegen dat beruchte heksenprocessen in de Amerikaanse stad Salem (18de eeuw) niets te maken hadden met de terreur van de Kerk! Hij weet blijkbaar niet dat er meer heksen veroordeeld werden door wereldlijke dan door kerkelijke rechtbanken en dat de heksenvervolgingen bij de protestanten (zoals in Salem) minstens even hevig waren als bij de katholieken.
Die harde, polemische opstelling zal hoe dan ook menige lezer afschrikken, zelfs al schrijft Carroll dat hij zich ook tot de ‘gelovige twijfelaar’ richt. Maar ondanks deze tekortkomingen is Het woordenboek van de skepticus een boeiend en interessant boek. Zoals gezegd zijn de artikels rond debunking bijzonder nuttig. Ze zouden bijna verplichte lectuur moeten zijn voor strijdende skeptici. Ook veel lemma’s over de afzonderlijke pseudowetenschappen zijn interessant vanwege de vaak originele kritische opmerkingen, eerder dan door de concrete informatie over het behandelde onderwerp.
Globaal loont het boek zeker de moeite, net omdat de auteur over deze waaier van onderwerpen een uitgesproken mening heeft, die met een heel eigen stijl verkondigt en in sommige gevallen met bescheiden en genuanceerde opvattingen uit de hoek kan komen. In het lemma Wetenschap ontkent hij bijvoorbeeld stellig dat de wetenschap tot absolute zekerheid leidt, maar verwerpt hij evenzeer ieder relativisme over de waarde van wetenschap. Men moet Het woordenboek van de skepticus dan ook niet beschouwen als een echte skeptische encyclopedie, zoals het onvolprezen Tussen waarheid en waanzin van Nienhuys en Hulspas, maar meer als een bundel essays van een scherpzinnig en eigenzinnig denker, te vergelijken met de filosofische woordenboeken van Pierre Bayle en Voltaire uit de tijd van de verlichting. En dat laatste is natuurlijk als compliment bedoeld.
Tim Trachet is journalist en stichtend lid/erevoorzitter van SKEPP.
Robert T. Carroll & Herman Boel, Het woordenboek van de skepticus. Een overzicht van vreemde overtuigingen, grappige misleidingen en gevaarlijke waanideeën (vertaling van The Skeptic’s Dictionary, Wiley 2003)
Lannoo, 2010
512 pp., 29,95 EUR