artikel van skepp
artikel van skepp uit wonder
bericht uit het forum
nieuws van zusterorganisatie
nieuws van skepp
nieuws uit de pers
recent bericht uit het forum
Die ‘evolutie’ mag je letterlijk nemen: vertrekpunt van het boek is het ontstaan van het leven. Wie zicht wil krijgen op ziekte, veroudering en gezondheid, moet immers begrijpen hoe die gevormd zijn door natuurlijke selectie, stelt Bonneux. Het leidt tot een indrukwekkende tocht doorheen de menselijke evolutie en geschiedenis, vanaf het ontstaan van het leven tot en met het ontstaan van elektrohypersensitiviteit: ziekte door angst voor gsm-straling. De erfenis van onze geschiedenis als jagers-verzamelaars, de impact van de ontwikkeling van de landbouw, het ontstaan van infectieziekten en epidemieën, de eerste gezondheidsrevolutie in de negentiende eeuw en de tweede na de Tweede Wereldoorlog: Bonneux weeft het allemaal samen als springplank naar deel twee van het boek, een kritiek op de moderne gezondheidsindustrie. Die spiegelt ons voor dat de bron van de eeuwige jeugd bestaat en jaagt ons de stuipen op het lijf door ons allerlei milieugevaren en ziektes aan te praten, stelt hij.
Maar wie naar het beschikbare bewijs kijkt, moet vaak vaststellen dat we misleid worden. Marktdenken primeert. Dat heeft zijn prijs: door angst voor ziektes en door overbodige behandelingen dreigen we de gezondheid te verliezen die we de afgelopen eeuwen zo moeizaam gewonnen hebben. Gedurende de voorbije 13.000 jaar, tot en met de Tweede Wereldoorlog, was het altijd onzeker wat het komende jaar zou brengen. Misschien mislukte de oogst, braken er plagen uit of kwam er weer oorlog. Misschien zou je weer één van je kinderen moeten begraven. Mensen ploeterden voort en bereidden zich bij relatieve welvaart voor op de miserie die hen onvermijdelijk weer wachtte. Het ontstaan van de landbouw had ons, paradoxaal genoeg, niet gezonder gemaakt maar zieker. Landbouw leidde tot een bevolkingsexplosie, wat minder calorieën betekende per te voeden mond. Samenleven met landbouwdieren deed hun ziektekiemen op ons overslaan, met dodelijke infectieziekten zoals mazelen, griep en pokken tot gevolg. Een toenemende bevolkingsdichtheid leidde tot epidemieën. Nog in het derde kwart van de negentiende eeuw raasden zware golven van pokken en cholera door de Lage Landen. Mensen waren toen kleiner dan ooit, verschrompeld door honger en ziekten.
Aan het begin van de eenentwintigste eeuw zijn we weer even groot als onze prehistorische voorouders die van jagen en verzamelen leefden en kerngezond waren. We kunnen bogen op een onwaarschijnlijk hoge levensverwachting, dankzij toenemende welvaart, hygiëne, vaccinatie en het ontstaan van de moderne geneeskunde. Toch waren we nooit bezorgder over onze gezondheid dan vandaag. Dat heeft voor een stuk met verwachtingen te maken: als je mag hopen op een lang leven, is een vroege dood des te erger. Maar de voornaamste oorzaak, zegt Bonneux, ligt bij de gezondheidsindustrie. Aan gezonde, tevreden mensen valt weinig te verdienen. Er moeten dus behoeften geschapen worden. Je moet mensen bang maken, zodat ze hun heil zoeken bij jouw producten of diensten. De medische, de farmaceutische en de voedingsindustrie hebben zo de handen in elkaar geslagen om ons van vele niet-bestaande gezondheidsrisico’s te overtuigen.
Kanker, aldus de auteur, is bij uitstek het domein van de mythen. Het klinkt ontnuchterend, maar kanker is een volstrekt natuurlijk groeiproces. Het is de evolutionaire erfenis van celdeling, nodig om onze weefsels te verjongen. Celdeling houdt altijd een groot risico op wildgroei in, reden waarom we over zeer efficiënte verdedigingssystemen tegen rebellerende cellen beschikken. Dat betekent dat we allemaal altijd wel ergens kanker hebben, maar ook dat dit zich meestal vanzelf oplost of beperkt tot een goedaardig gezwel. Het betekent ook dat we best wel tegen een stootje kunnen. Alarmistische berichten over kankerverwekkende milieu-invloeden worden meestal niet gesteund door degelijk onderzoek. Dat roken en asbest kanker veroorzaken staat onomstotelijk vast, net zoals we weten dat zwaarlijvigheid en zwaar alcoholgebruik het risico sterk vergroten.
Maar de belangrijkste oorzaak van kanker blijft vooralsnog toeval. Vergeet dioxines, gsm-straling, lage doses radioactiviteit en fijn stof: gevonden verbanden – zo die er zijn – blijken op andere factoren te berusten. Natuurlijk moeten wij ijveren voor een schoon milieu, benadrukt Bonneux, maar liefst niet via een strategie van de angst. Ingebeelde gevaren kunnen je namelijk echt ziek maken. Kankerscreening, de voedingsindustrie, de grieppaniek van de voorbije jaren, het rekken van de levensduur, gsm-straling, de impact van radioactiviteit, luchtvervuiling, mythes omtrent aids, aidsbestrijding in Afrika, de relatie van cholesterol met ziekte en sterfte: Bonneux heeft een expertise om u tegen te zeggen. Hij is dan ook, zoals hij het zelf noemt, een ‘klonteraar’.
“In het wetenschapsbedrijf kun je splitters en clotters onderscheiden, splitsers en klonteraars. Het overgrote deel van de moderne wetenschap bestaat uit splitsen, het opdelen van processen in steeds kleinere onderdelen. Vroeger bestonden er alleen maar chirurgijns, in mijn jeugd had je een huisarts, internist, chirurg en kinderarts. Tegenwoordig kweekt de geneeskunde meer specialismen dan konijnen jongen. Een deel van de internisten werd endocrinoloog (specialist van klieren), een deel van de endocrinologen werd diabetoloog (specialist in suikerziekte), een deel van de diabetologen werd kinderdiabetoloog. Kennis wordt steeds verder opgesplitst in kleine onderdelen, die dan weer verder onderzocht worden. Splitsen is de manier om kennis te verdiepen, maar het grote gevaar is dat het overzicht verloren gaat. Klonteraars trachten betekenis te geven aan de informatiestroom door de vele kleine eenheden weer bij elkaar te klonteren tot grotere verbanden.
En ze leefden nog lang en gezond is een magnifiek bij elkaar geklonterd boek. Wie al langer lid is van SKEPP, zal in de tweede helft stukken herkennen die al eerder in dit tijdschrift verschenen, maar nu verder uitgewerkt of geüpdatet werden. Ook los daarvan blijven ze de moeite van het herlezen waard, omdat ze zo rijk zijn aan informatie. Wetenschappelijk onderbouwde gezondheidsinformatie is schaars, vanwege de vele belangen die spelen. Dit boek zorgt voor een welkom tegengewicht.
Recensie door Griet Vandermassen
-------------------------------------
Luc Bonneux, En ze leefden nog lang en gezond. Hoe gezondheid een industrie werd, Lannoo, 2011, 22,99 euro, 351 pag.
Naast een intentieproces in drie bedrijven van Robrecht Vanderbeeken, dat ik hier grotendeels ongemoeid laat, en enkele tribunes van Rogier De Langhe, waarop ik later terugkom, heeft nu ook een Gents consortium van 22 filosofen onze (vermeende) standpunten over wetenschap en pseudowetenschap op de korrel genomen.
Mijn filosofische collega’s verdenken ons van verificationisme, naïef falsificationisme en andere onwelvoeglijke -ismen. We zouden een achterhaald beeld van wetenschap hooghouden en wetenschappers in een filosofisch keurslijf steken, waarbij gezond pluralisme en speculatie in de kiem worden gesmoord. Merkwaardig genoeg verwijzen ze nergens naar het boek dat Johan Braeckman en ik recent en uitgerekend over deze kwesties publiceerden (De ongelovige Thomas heeft een punt. Houtekiet, 2011, zie in het bijzonder hoofdstuk acht over de afbakening van wetenschap en pseudowetenschap).
Maar geen nood, want misschien zijn de ondertekenaars, die pleiten voor “gerichte speculatie” en “informed guesses” in de wetenschap, in staat om onze filosofische standpunten, incluis alle vooronderstellingen en verborgen valluiken, op trefzekere wijze af te leiden uit een opiniestuk en een flard van een radio-interview. On verra. De omvang van een betoog is omgekeerd evenredig aan het gemak om er een stropop uit te puren.
De ondertekenaars beginnen met me een standpunt over wetenschappelijke concepten toe te schrijven – de eis tot directe en liefst experimentele confirmatie – dat nergens in mijn gewraakte opiniestuk in De Standaard te lezen valt. Een wetenschappelijke theorie, zo schreef ik aldaar, is een “systematisch en coherent geheel van opvattingen dat empirische toetsing doorstaat, kwetsbaar is voor weerleggingen, toelaat om voorspellingen te maken, causale mechanismen beschrijft en geïntegreerd is met andere wetenschappelijke disciplines.” Een pseudowetenschap is een theorie of cognitieve onderneming die systematisch en ernstig afwijkt van deze standaarden, en toch als wetenschappelijk wordt gepresenteerd. In De Standaard argumenteerde ik dat psychoanalytische concepten als het oedipuscomplex of de verdringing, in de mate dat ze zich tot empirisch onderzoek lenen (die mate is zeer gering), geen enkele ondersteuning genieten.
Mijn collega’s lezen daarin dat ik op directe empirische verificatie van concepten hamer, en werpen me tegen dat ook het Higgs-boson slechts indirect waarneembaar is, middels complexe theoretische veronderstellingen. Dat klinkt alsof ik van Freudianen had geëist dat het oedipuscomplex als neurologisch construct op een hersenscan zou oplichten, of post mortem vaststelbaar is bij een lijkschouwing. Men vraagt zich af waarom ik niet net zo goed de paleontologie als pseudowetenschap verwerp (wie heeft de meteoriet gezien die de dinosauriërs uitroeide op het einde van het Krijt?), of de spectroscopie in de sterrenkunde, die de chemische samenstelling van sterren afleidt uit hun karakteristieke lichtspectrum.
Mijn Gentse collega’s leveren hier strijd tegen een opvatting die zowel mij als Griet Vandermassen volkomen vreemd is. Mijn kritiek luidde niet dat het oedipuscomplex niet met het blote oog verifieerbaar is, maar dat een psychoanalyticus onder elke steen een oedipale wens weet te vinden. Met andere woorden, geen enkele observatie, of geheel van indirecte waarnemingen, kan de psychoanalyticus van de afwezigheid van een oedipuscomplex overtuigen, een euvel dat voortkomt uit de inbedding van dat concept in een incoherente psychoanalytische theorie en de verregaande methodologische vrijgeleiden (zie hoofdstuk acht in ons boek). Deze onkwetsbaarheid voor empirie in de brede zin – niet voor directe experimentele weerlegging, zoals de ondertekenaars me in de schoenen schuiven – is het echte pijnpunt van psychoanalytische constructen, een ziekbed waarin bona fide psychologische concepten zich niet bevinden.
De ondertekenaars verbeelden zich dat wij een uniform “ideaal” van wetenschap opleggen aan alle wetenschappelijke disciplines. Achter de stroman lonkt onvermijdelijk de open deur: geschiedschrijving leent zich niet tot experimenten en “rechtstreekse empirisch bewijs”, zo leren ons de ondertekenaars. Dat treft, want in ons boek valt te lezen:
“Omwille van hun specifieke studieobject zijn geschiedkundigen echter aangewezen op een andere methodologie en bewijsvoering. In plaats van experimenten uit te voeren, wat vrij moeilijk ligt bij complexe en eenmalige gebeurtenissen uit het verleden, moeten historici afgaan op geschreven bronnen, artefacten en getuigenissen die uit die tijd stammen.” (p. 242)
Vanaf dat punt begint het opiniestuk evenveel open deuren te tellen als ondertekenaars. “Theorieën die in tegenspraak zijn met waarnemingsgegevens”, zo vermanen ze ons iets verder, “worden niet zomaar opgegeven.” Nergens in mijn opiniestuk heb ik het tegendeel beweerd of gesuggereerd: de wortels van het psychoanalytische failliet reiken heus dieper dan enkele tegenstrijdige waarnemingen. De briefschrijvers formuleren een terechte correctie op het naïeve falsificationisme van Karl Popper, maar wat een gelukkig toeval, want in ons boek staat ook:
“Wetenschappelijke hypothesen, zo zag Duhem, worden nooit getest in isolatie, maar in ‘bundels’. […] De logische consequentie van Duhems inzicht houdt in dat we onze favoriete theorie altijd kunnen redden door aan één of meerdere van haar hulphypothesen te sleutelen. In de praktijk is dat ook wat wetenschappers doen. Vooral wanneer een theorie haar strepen verdiende in het verleden, zullen wetenschappers haar niet licht opgeven bij het opduiken van een anomalie.” (p. 250-251)
In plaats van de discussie aan te gaan over psychoanalyse en pseudowetenschap, vervallen de ondertekenaars vervolgens in een aantal vrijblijvende platitudes, die op zich geheel onschadelijk zijn, ware het niet van de suggestie dat wij ze ergens (waar?) zouden betwist hebben. “Niet elke tak van dé wetenschap streeft hetzelfde doel na” en elke discipline in de wetenschap heeft zijn “eigenheid”. Horresco referens inmiddels, maar op pagina 253 van ons boek lezen we:
“Wetenschap bestrijkt een breed veld en is een complexe aangelegenheid. De methodologische diversiteit van wetenschap in acht genomen, is het onwaarschijnlijk dat we één universeel geldig en formeel criterium kunnen opstellen, dat in alle domeinen goede wetenschap van pseudowetenschap onderscheidt.”
Mijn co-auteur Johan Braeckman, die eveneens het verwijt krijgt een te enge visie op wetenschap te verdedigen, werkte reeds in 1994 onder begeleiding van Leo Apostel mee aan een lijvige studie over de waarde en de eigenheid van de humane wetenschappen (Wetenschap als Cultuur, Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, 1994). Die studie is nog steeds leerzaam voor wie wil weten hoe men genuanceerd kan nadenken over het belang van de cultuur- en gedragswetenschappen, en over de specifieke methodes die zij hanteren.
De argumenten waarmee mijn filosofische collega’s komen aandraven zijn, hoewel belangrijke correcties op het logisch positivisme en falsificationisme van begin 20e eeuw, ondertussen gemeenplaatsen onder wetenschapsfilosofen. De mogelijkheid dat iemand, na al deze technische complicaties in rekenschap te brengen, desondanks tot het oordeel komt dat psychoanalyse een pseudowetenschap is, lijkt bij deze ondertekenaars een ongerijmdheid. Aangezien wij de term pseudowetenschap niet schuwen, zo redeneren ze, moet dat wel liggen aan het feit dat een halve eeuw wetenschapsfilosofie aan ons is voorbijgegaan.
Moeten we het bestaan van grijze zones dan niet erkennen, aldus onze collega’s? Natuurlijk, maar in een dynamische wetenschapsopvatting worden die zones bevolkt door telkens weer andere theorieën (tegenwoordig bijvoorbeeld de snaartheorie in de fysica). Sommige onderzoeksprogramma’s “degenereren” gaandeweg tot een grijstint die nauwelijks nog van zwart is te onderscheiden, om een concept te gebruiken van één van de wetenschapsfilosofen (Imre Lakatos) wiens werk ons volgens de ondertekenaars ontgaan is.
Na meer dan honderd jaar theoretische versnippering en vruchteloos wetenschappelijk onderzoek, kan je volgens ons bezwaarlijk volhouden dat de psychoanalyse nog ergens in limbo zweeft. Indien we daarover van mening verschillen, laten we dan ten gronde een discussie voeren over de merites van de psychoanalyse, in lijn met de meest actuele inzichten in de wetenschapsfilosofie. Maar dan moeten we wel onze kaarten op tafel leggen. De ondertekenaars houden zich jammer genoeg zorgvuldig op de vlakte over Freuds geesteskind. Nergens betwisten of beamen ze de kritiek van Griet Vandermassen en ikzelf op het epistemologische drijfzand van de theorie, de therapeutische tekortkomingen, de wetenschappelijke marginalisering, laat staan de Lacaniaanse absurditeiten over autisme (zie in het bijzonder voor het laatste punt de onthullende documentaire Le Mur van Sophie Robert). Liever houden ze een achterhoedegevecht met een resem filosofische stromannen.
Miskent ons oordeel over de psychoanalyse de “eigenheid” van verschillende wetenschappen? Hanteren we criteria die “niet van toepassing zijn” op de psychoanalyse? Indien wel, wat belet aanhangers van astrologie of homeopathie om zich achter hetzelfde generieke argument te verschansen? Indien niet, waarom komen de ondertekenaars dan met gemeenplaatsen aanzetten die we nergens hebben betwist en waarover we het enkel roerend eens kunnen zijn? Mijn collega’s trappen één deur in die zo wijd open staat dat we ze in ons boek over het hoofd hebben gezien: “niet alles van waarde is wetenschappelijk”. Mocht daar nog twijfel over bestaan, bij deze trap ik nog even na: natuurlijk niet.
De ondertekenaars pleiten ten slotte voor een wetenschapsfilosofie die in “overeenstemming tracht te zijn met de wetenschappelijke praktijk”, een kwaliteit die, dat hoeft geen betoog, de filosofie van ondergetekende zou ontberen. In hetzelfde stuk schrijven ze echter dat het zeer onwaarschijnlijk zou zijn om organismen “direct te zien evolueren”. Dat komt ongetwijfeld als een verrassing voor de talloze evolutiebiologen die de evolutie van bacteriële resistentie in flagrante delicto onderzoeken, laat staan de farmaceutische bedrijven die winst blijven maken met de ontwikkeling van steeds nieuwe antibiotica. Met welke wetenschappelijke praktijk zijn de 22 ondertekenaars precies in overeenstemming?
In zijn persoonlijke bijdragen neemt mijn collega Rogier De Langhe nog een breder loopje met onze gepubliceerde standpunten. In vele opzichten is het stuk van De Langhe de overtreffende trap van wat het filosofische collectief presteert: de stromannen worden grotesk, de open deuren gapen wijder. De Langhe verbeeldt zich een ander opiniestuk dan hetwelk ik geschreven heb, waarin ik een "messcherp onderscheid" vooronderstel tussen wetenschap en pseudowetenschap en over "ultieme standaarden van kennis" en “absolute autoriteit” meen te beschikken. De Langhe heb ik ondertussen herhaaldelijk uitgenodigd om de relevante passages uit ons boek te lezen, zelfs met het aanbod om ze elektronisch door te sturen, maar hij koos manhaftig voor de strijd tegen de stropop. Voor wat het waard is, in datzelfde hoofdstuk acht van ons boek valt te lezen:
“In de sceptische literatuur vindt men een waaier aan concepten om de verschillende gradaties van zin en onzin te onderscheiden: randwetenschap, parawetenschap, pathologische wetenschap, voodoowetenschap, anomalistische wetenschap, junk science, crank science of zelfs kwak en bunk.” (p. 254)
“Een wetenschappelijke theorie is nooit absoluut waar of definitief bevestigd. In het beste geval overleefde ze een lange reeks van falsificatiepogingen en is ze vruchtbaar gebleken om diverse wetenschappelijke problemen mee op te lossen. Precies de kwetsbaarheid en feilbaarheid van wetenschappelijke kennis, het feit dat ze altijd op onverwachte weerleggingen kan botsen, maakt haar grootste kracht uit.” (p. 249)
Een haarscherpe scheidingslijn tussen wetenschap en pseudowetenschap is een schim die al geruime tijd enkel in de hoofden van onze critici rondwaart, en waarop geen enkele gesofistikeerde falsificationist zich laat betrappen. Net zoals veel complexe categorieën, komt ‘wetenschappelijkheid’ voor in gradaties. Maar het is niet omdat het concept ‘kaalheid’ met grensgevallen kampt, dat er niet ontegensprekelijk kale en behaarde mensen zijn. Hetzelfde geldt voor het niemandsland tussen wetenschap en pseudowetenschap. De drogreden van De Langhe staat bekend als Loki’s waagstuk, naar de Noorse god Loki, die zijn eigen hoofd dreigde in te schieten bij een verloren weddenschap met de dwergen. Toen de dwergen kwamen om hem te onthoofden, opperde Loki dat ze weliswaar recht hadden op zijn hoofd, maar zijn nek onder geen beding mochten aanraken. Beide partijen redetwistten tot in der eeuwigheid over de precieze scheidingslijn, en Loki heeft zijn dierbare hoofd nog steeds.
De Langhe, die het demarcatieproject resoluut als een oudbakken schijnprobleem van “pseudofilosofen” wegwuift, zal op zijn boekenplank veel dergelijke pseudofilosofen aantreffen. In een filosofisch volume over het demarcatieproject, dat kortelings verschijnt bij Chicago University Press en waarvan ik co-redacteur ben, voeren dertig internationaal bekende filosofen, historici, wetenschappers en sociologen een vruchtbare en constructieve discussie over het demarcatieprobleem, dat alle voorbarige doodverklaringen in die zin logenstraft.
Tot slot trekt De Langhe de wildcard van het perspectivisme. Gevangen zouden we zijn in ons eigen perspectief, blind voor onze politieke bedoelingen en vooronderstellingen, gesloten voor andere perspectieven, etc. Onze filosofische opstelling heet bij De Langhe “a priori blind voor bepaalde aspecten van het denken van de ander omdat het eigen perspectief wordt voorondersteld bij het evalueren van andere perspectieven.” In deze uitgeklede versie is het perspectivisme een passe-partout waarmee je zowat elke discussie kan lamleggen. De Langhes gemakzuchtige verdediging toont aan dat de inktvlek van het postmoderne relativisme, die we in hoofdstuk 9 van ons boek bespreken, zich nog verder heeft verbreid dan we vreesden. Past de astrologie ook binnen een perspectief dat we vanuit onze denkvoorwaarden niet zinvol kunnen bekritiseren, omdat we onze eigen maatstaven dan zouden opleggen? Zijn evolutiebiologen blind voor hun eigen perspectief als ze het creationisme verwerpen? En hoe zit het met alternatieve kankerbehandelingen? Complottheorieën? Negationisme?
Nog het meest vermoeiend bij De Langhe, alsook bij Robrecht Vanderbeeken, zijn de gratuite beschuldigingen van politieke en ideologische drijfveren, waarin mijn 22 filosofische collega’s gelukkig nergens vervallen. Merkwaardig genoeg lijken deze insinuaties noch voor de vingerwijzers noch voor vele toehoorders (zie de reacties op deze site) een betoog te behoeven. Een vereniging als SKEPP zou ideologisch gekleurd zijn precies omdat ze pretendeert politiek neutraal te zijn, een typisch staaltje van postmoderne volte-face dat bijna geloofwaardig wordt als je het maar vaak genoeg herhaalt. De boutade van de onlangs overleden publicist Christopher Hitchens komt nog eens van pas: “What can be asserted without evidence can be dismissed without evidence”. Ik ben benieuwd of men één concreet voorbeeld kan aangeven waaruit blijkt dat de standpunten van SKEPP waren ingefluisterd door politieke in plaats van wetenschappelijke overwegingen.
Op het einde van hun gezamenlijke stellingname benadrukken mijn collega’s de diepe kloof die tussen ons beider filosofische posities gaapt. Aan onze vakgroep is gelukkig ruimte voor grondige meningsverschillen (ik kan er alvast een paar bedenken), maar in dit partijtje schaduwboksen, in feite een oponthoud bij filosofische gemeenplaatsen en open deuren, blijven de echte splijtzwammen alvast goed verborgen. Niet verwonderlijk, want met 22 ondertekenaars wordt de grootste gemene deler wel erg klein, en de verleiding tot stropoppen navenant groot. Is deze collectieve distantiëring van de “groep SKEPP filosofen” een krampachtige poging om de loze beschuldigingen van pensée unique aan onze vakgroep, de laatste weken niet van de lucht op deze nieuwssite, het hoofd te bieden? Mocht ik een Freudiaan zijn, ik zou gewagen van het “narcisme van het kleine verschil”. Teneinde mijn oproep om niet langer bij open deuren te verwijlen kracht bij te zetten, bied ik mijn collega’s, samen met mijn co-auteur Johan Braeckman, tien exemplaren van ons boek aan. Die belofte is direct empirisch verifieerbaar in de koffiekamer van de vakgroep. Te herkennen aan het mooie inpakpapier, en binnenin aan het prachtige schilderij van Caravaggio op de kaft -- omdat niet alles van waarde wetenschappelijk is.
Tot slot, in alle oprechtheid: aan allen mijn beste wensen voor 2012.
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=VD3JEM7L
https://sites.google.com/site/maartenboudry/teksten-1/how-convenient
http://www.youtube.com/watch?v=TBUFMYythJQ
http://www.ongelovigethomas.be
Ik stel geen extreem hoge eisen aan mensen die zich wetenschapsfilosofen noemen. Wel veronderstel ik dat ze kunnen lezen en dat ze ‘Mensch’ zijn (Jiddisch voor een integer en eervol mens). In verband met intellectuele discussies veronderstelt zoiets dat men de relevante teksten van de opponent gelezen heeft en dat men duidelijk maakt waarmee men het oneens is, en waarom.
In 1966 heb ik in mijn doctoraat (gepubliceerd in 1967) duidelijk gemaakt wat er waardevol bleef in het Logisch Empirisme en waarin het tekort schoot. Als iemand mijn stellingen van toen wil ontkrachten, mag hij/zij het altijd proberen; liefst voor een vol auditorium. In 1969 heb ik twee artikels over het ontstaan van de experimentele methode geschreven, samen ongeveer 60 blz.; wie ze wil verbeteren, is welkom. Zowel in de thesis, als in het boek dat ik samen met Johan Braeckman geschreven heb, zijn de naïeve opvattingen die de pléiade ons toeschrijft, van de tafel geveegd. In het boek staat uitdrukkelijk: “Dit in relatie brengen (van termen of zinnen met empirische gegevens) verwijst dan naar de praktijk volgens dewelke wetenschapsmensen hun taal in relatie brengen met de empirische feiten.” (‘praktijk’ onderstreept in de tekst).
De pléiade beledigt mij zelfs door te suggereren dat ik Lakatos en Laudan niet zou kennen. Ze zouden beter zelf eens proberen de inzichten van die mensen op de psychoanalyse toe te passen. In verband met Kuhn was ik de begeleider van de schitterende thesis van Freddy Verbruggen (2500 blz.) over de phlogistoncontroverse. Hieruit bleek dat Kuhn’s vage analyses geen stand houden bij nauwkeurig onderzoek van de historische feiten. Helen Longino, ten slotte had een en ander kunnen leren uit mijn artikels: “ Wissenschaft, Technik und Gesellschafskritik” (1973) en “La crédibilité des experts” (1976).
Onze ‘wetenschapsfilosofen’ vinden dat ik één enkel ideaal van wetenschap heb. Ik daag hen uit mij een meer genuanceerde studie van de verschillende types van wetenschap voor te leggen dan mijn artikel “Enkele bijzondere aspecten van menswetenschappen” (1987). Ik eis uiteraard niet dat ze het zelf geschreven hebben.
Overigens gaan ze van de aantoonbaar verkeerde opvatting uit dat wij de pseudowetenschappen vooral bestrijden vanuit wetenschapsfilosofische uitgangspunten. Wij wijzen homeopathie af op basis van strikt fysische en scheikundige wetten. Wij bestrijden astrologie op basis van hedendaagse astronomie, psychologie en genetica en hetzelfde geldt voor de ‘paranormale’ fenomenen. Degenen die deze onzin willen verdedigen, op basis van hun ‘wetenschapsfilosofie’, mogen dat ook eens, weer voor een eivol auditorium, proberen.
Ik wil andermaal beklemtonen dat wij bepaalde stellingnamen gemeenschappelijk hebben, maar dat je de boeken en artikels van de leden van SKEPP niet zomaar aan de hele groep kunt toeschrijven. Wat ik bvb. over Jezus, of over het onsterfelijkheidsgeloof schrijf, daarvoor ben ik alleen verantwoordelijk.
Sommige leden van de pléiade zullen misschien zeggen: “Moeten wij dan de teksten van Vermeersch lezen?”. Voor mij hoeft dat niet. Maar als men mijn opvattingen bestrijdt, behoort het wel tot een elementair fatsoen daar eerst kennis van te nemen. Zelfs een opdracht aan een universiteit, of het lidmaatschap van een geleerd genootschap, biedt geen vrijbrief om zo inauthentiek te zijn dat je een tekst ondertekent over zaken waarvan je geen kennis genomen hebt.
Ggo staat voor ‘genetisch gemodificeerd organisme’ en is eigenlijk een verzamelnaam waar ook ‘genetisch gewijzigde gewassen’ toe behoren. Wetenschappelijk gezien zijn beide echter misleidende termen omdat elke nieuwe gewasvariëteit - dus ook deze bekomen via klassieke veredelingsmethoden - het resultaat is van wijzigingen op genetisch niveau. In de vakliteratuur gebruiken genetici dan ook eerder de term ‘transgene gewassen’, verwijzend naar transformatie, het biotechnologisch proces dat genen binnenbrengt in planten. ‘Biotech-gewassen’ is een eerder populariserende term, afgeleid van ‘biotech crops’, een benaming die in de internationale literatuur echter steeds meer ingang vindt.
De vernielende actie van de ‘Field Liberation Movement’ aan het aardappelveld in Wetteren op 30 mei 2011 zit wellicht nog vers in het collectief geheugen. Minder bekend is dat de week ervoor ‘Les Faucheurs Volontaires’, eveneens van de partij in Wetteren, laboratoria bezet hielden van het INRA (Institut National de la Recherche Agronomique) in Angers (Frankrijk), waar experimenten met biotech-perenbomen van start zouden gaan.
Begin juni 2011 blokkeerden aanhangers van Greenpeace de aanplanting van de biotech-aardappel Amflora, eigendom van de chemiereus BASF, in Nedre Vojakkala (Zweden). Een maand later was Greenpeace opnieuw verantwoordelijk voor de vernietiging van het eerste proefveld met biotech-tarwe in Canberra (Australië). Op 24 juli protesteerden een groep bioboeren dan weer tegen veldproeven met biotech-aardappelen in Norwich (Groot-Brittannië). Het signaal is duidelijk: waar de voorbije jaren de anti-ggo-kritiek in de publieke media enigszins was afgenomen, beleven we momenteel een revival en rijst, althans in Vlaanderen, de vraag tot een heropening van het maatschappelijk debat.
Nochtans wierp de biotech-industrie dit jaar ook een terugblik op precies vijftien jaar commercialisering van biotech-gewassen en op hun impact vanaf de start van die commercialisering in 1996. ZIE: http://argenbio.org/adc/uploads/isaaa_2010/ISAAA_Briefs_42-Executive_Summary_Feb_2011.pdf.
Wereldwijd werden sindsdien één miljard hectare biotech-gewassen aangeplant, een oppervlakte vergelijkbaar met de totale landmassa van de VS of China of een kleine 1000 keer het teeltareaal van België. Op onze wereldbol is 10% van het globale teeltareaal bedekt met biotech-gewassen en dat aandeel neemt jaarlijks toe. Continentsgewijs ligt meer dan 80% van dit biotech-areaal op het Amerikaanse continent, een kleine 10% ligt in Zuidoost-Azie en een paar procent in Oceanië en Afrika samen. Europa bezit met een luttele 0,1% het kleinste biotech-areaal, waarvan de overgrote meerderheid op Spaanse bodem te vinden is. In België worden – behalve in enkele veldproeven – geen biotech-gewassen in open lucht geteeld. Wel kennen we de import van ggo-afgeleid veevoer en vlees van dieren die ermee werden gevoerd. Het zeer beperkte ggo-areaal in Europa en het compleet ontbreken ervan in Vlaanderen valt des te meer op aangezien Europa, en de Universiteit Gent in het bijzonder, mee aan de bakermat liggen van de plantenbiotechnologie --- Chilton M. (2001) Agrobacterium: A memoir. Plant Physiol. 125 (1), 9-14.--- en er tot op heden een internationaal gerenommeerde en sterk uitgebouwde onderzoekstraditie heerst. Deze situatie is paradoxaal te noemen. De belastingbetaler ondervindt immers nauwelijks return van deze investering in kennisontginning. Hoe het zover is kunnen komen, ligt zoals vaak aan een complexe samenloop van omstandigheden. Een factor waar we echter niet omheen kunnen, is de hardnekkige perceptie dat de Europese consument biotech-gewassen als een bedreiging ziet, eerder dan een opportuniteit. Volgens de grootste tegenstanders, die steeds een bepalende rol hebben gespeeld in dit verhaal, biedt Europa zelfs geen plaats voor de noodzakelijke veldproeven om nieuwe toepassingen uit te testen.
De vraag die we hier behandelen, is wat de drijfveren zijn van de tegenstanders die de Europese consument – en onrechtstreeks de partijpolitiek – op sleeptouw nemen in hun strijd tegen de teelt van biotech-gewassen. In grote lijnen lijkt die strijd vooral een afwijzing in te houden van een industrieel-wetenschappelijk landbouwmodel dat aangedreven wordt door machtige multinationals. In de plaats hiervan zweren zij bij biologische of agro-ecologische landbouw. Maar er valt uit hun betoog ook af te leiden dat hun afwijzing van biotech-gewassen fundamentalistisch van aard is. Bovendien is hun ideologie ver kunnen doordringen tot in het machtscentrum van de Europese regelgeving onder de vorm van een doorgedreven voorzorgsprincipe dat een rationele en op wetenschappelijk denken gebaseerde logica negeert. Met andere woorden, het ggo-dossier wordt niet enkel gebruikt als symbool van de verhouding tussen groot- en kleinkapitaal, maar evenzeer om een visie op natuur en wetenschap door te drukken.
Laat ons de argumenten van de tegenstanders eens nader bekijken. Hun kritiek draagt doorgaans drie aspecten: (voedsel)veiligheid, milieu-impact en een socio-economisch aspect. Vanaf de eerste commercialisering van biotech-gewassen waren al deze aspecten reeds aanwezig. Opvallend is echter dat sindsdien het zwaartepunt van de anti-ggo-kritiek sterk is verschoven. Onder invloed van de voedselschandalen die plaatsvonden – herinnert u zich nog de BSE-epidemie in Groot-Brittannië en de dioxine-affaire hier in Vlaanderen? – werd aanvankelijk sterk ingezet op het zaaien van twijfel omtrent voedselveiligheid. Dit werd versterkt door de Pusztai-affaire --- Ewen S.W.B. & Pusztai A. (1999) Effect of diet containing genetically modified potatoes expressing Galanthus nivalis lectin on rat small intestine. Lancet 354, 1353-1354.--- in Groot-Brittannië in 1998, toen Dr. Pusztai van het Rowett instituut in Schotland in de publieke media verklaarde dat bij experimenten in zijn lab afwijkingen waren vastgesteld in het verteringskanaal van proefdieren die met ggo-aardappelen werden gevoerd. Volgens Pusztai konden bepaalde van deze afwijkingen niet verklaard worden door de aanwezigheid van het soortvreemde transgene genproduct --- in dit geval hadden de ggo-aardappelen een soortvreemd gen ontvangen uit sneeuwklokje, dat instaat voor de productie van een lectine. Lectines zijn suikerbindende eiwitten die ondermeer ingezet worden om planten beter bestand te maken tegen insecten --- in de aardappelen, en moesten ze dus te wijten zijn aan het proces van genetische modificatie zelf. --- Smith J.M. (2003) Seeds of deception. Totnes: Green Books, p. 19. --- De conclusie die al snel volgde, luidde dat geen enkel ggo-afgeleid product – waarvan sommige tot dan toe een commercieel succes waren gebleken – nog betrouwbaar kon zijn. Kort daarna werden deze producten dan ook uit de Europese winkelrekken gebannen. Tot op de dag van vandaag heeft echter geen enkel wetenschappelijk onderzoek kunnen bevestigen dat het proces van genetische modificatie op zich gevaarlijker zou zijn dan andere veredelingsmethoden zoals kruisingsveredeling of mutagenese.
De vijandige perceptie op ggo’s die de Pusztai-affaire in Groot-Brittanië had uitgelokt, sloeg over naar het Europese continent. Kort na de nefaste reactie van de consument en ook omdat de lidstaten niet overeenkwamen in hun risico-analyses en de wetgeving rond ggo’s, besloot Europa de import of teelt van nieuwe biotech-gewassen voor onbepaalde tijd te blokkeren. In 1998 werd dan ook een de facto moratorium afgekondigd. Sindsdien werd het wetgevend kader rond ggo’s in Europa en de lidstaten grondig herzien. --- Devos Y., Reheul D., De Waele, D., & Van Speybroeck L. (2006) The interplay between societal concerns and the regulatory frame on GM crops in the European Union. Environ. Biosafety Res. 5: 127-149. --- In 2002 werd in het Italiaanse Parma ook het Europees voedselagentschap EFSA opgericht, dat vandaag als onafhankelijk orgaan aanvragen voor het importeren of telen van biotech-gewassen onder de loep neemt en in niet-Europese landen gezien wordt als het strengste orgaan bij uitstek in de evaluatie van ggo-dossiers. EFSA publiceerde onlangs een omvangrijk wetenschappelijk rapport --- EFSA GMO Panel Working Group on Animal Feeding Trials (2008) Safety and nutritional assessment of GM plants and derived food and feed: The role of animal feeding trials. Food Chem Toxicol. 46 Suppl 1:S2-70.---, waarin het stelt dat alle huidige gecommercialiseerde biotech-producten bij uitgebreide voedseltesten veilig zijn bevonden voor de volksgezondheid. Dit bevestigt wat de veiligheidsinstanties al jaren terug in de VS hadden geconcludeerd. Ondertussen zijn in Europa proefdiertesten nagenoeg standaard geworden in de evaluatieprocedure van nieuwe ggo-variëteiten (www.gmo-compass.org/eng/safety/human_health/41.evaluation_safety_gm_food_major_undertaking.html) en beraadt de Europese Commissie zich momenteel over de verplichting ervan. Op zich zijn evaluatieregels geen probleem. Het valt echter langs geen kanten te begrijpen dat ze niet gelden voor andere veredelingstechnieken, zeker aangezien er geen wetenschappelijke basis is om aan te nemen dat veiligheidsgaranties daar hoger zouden liggen dan bij genetische modificatie.
De ggo-aardappelen van de veldproef in Wetteren illustreren bovenstaande problematiek. Deze ggo-aardappelen zijn bestand tegen aardappelrot, wat veroorzaakt wordt door de schimmel Phyto-phthora infestans. De aardappelen verkregen hun resistentie doordat genen uit wilde aardappelvariëteiten via gentechnologie ingebracht werden, daar waar men vroeger genen uit dezelfde genfamilie inkruiste via klassieke veredeling. Enkele variëteiten van de klassiek veredelde aardappel worden nog steeds voor biologische teelt verkocht. Toch moeten dergelijke klassiek veredelde variëteiten helemaal niet de strenge EFSA procedure doorlopen die wel voor biotech-variëteiten geldt. Zijn er dan wetenschappelijke gronden om enkel en alleen de biotech-aardappel te testen? In het geheel niet. Integendeel zelfs, want van de biotech-aardappelen is immers exact geweten welke genen worden binnengebracht én op welke locatie in het genoom ze belanden. Bij kruisingsveredeling daarentegen gaat het eerste criterium niet op, en ook het tweede criterium geldt slechts in bepaalde gevallen. Tijdens het kruisen kan men immers niet verhinderen dat, samen met het gen dat men wil inbrengen, ongewild ook een reeks andere ‘wilde’ genen achterblijven. Bovendien is van deze ‘wilde’ genen vaak nog geen wetenschappelijke kennis voorhanden. Dit betekent niet dat wij pleiten tegen veiligheidstesten. We stellen wel dat niet zozeer de gebruikte technologie, maar de karakteristieken van de genen die men inbrengt of de aard van de eigenschap die men in een gewas wijzigt, dienen te bepalen welke veiligheidstesten worden uitgevoerd. Op het Amerikaanse continent is dit reeds het geval, daar waar Europa sukkelt met een extreem gecompliceerde regelgeving die ggo’s – vaak onnodig – binnenstebuiten draait, terwijl andere niet-ggo-gewassen nagenoeg een vrijgeleide naar de markt krijgen.
Al is het moratorium sinds 2004 niet meer van kracht, het evaluatieproces van de meer dan 40 ggo-dossiers die nu in de pijplijn zitten, verloopt tergend traag. En dat is niet omdat het EFSA haar werk niet doet. Zoals wetenschappers recent in het tijdschrift Nature Biotechnology aangaven --- Sabalza M., Miralpeix B., Twyman R.M., Capell T., & Christou P. (2011) EU legitimizes GM crop exclusion zones. Nat Biotechnol. 29(4):315-7.---, ligt de oorzaak bij de EU-lidstaten die nog steeds een sterk verdeelde positie innemen in het ggo-debat, waardoor er bij stemming over wetenschappelijk goedgekeurde dossiers geen vereiste politieke meerderheid wordt gehaald. Mede onder invloed van de anti-ggo-lobby, die haar kritiek stelselmatig verschoof naar vermeende gevaren van biotech-gewassen voor de natuur, is er sinds de ophef van het moratorium een pro- en contra-kamp ontstaan. Oudere, maar beklijvende metaforen, zoals ‘ggo’s zijn Frankensteinvoedsel’, werden nieuw leven ingeblazen. Ze symboliseren de angst voor controleverlies tijdens de teelt van ggo’s in open natuur en de ecologische rampen die daarop zouden kunnen volgen. Ecologische rampen bleven weliswaar uit, maar de verwarring bij leek én regelgever waren een feit. Getuige daarvan de beslissing enkele jaren geleden van de lidstaten Duitsland en Frankrijk om het telen van de insectenresistente biotech-mais MON810 stop te zetten (www.truthistreason.net/germany-bans-genetically-modified-corn-dangerous-to-environment-and-human-health). Dit gebeurde onder het voorwendsel dat deze gewassen een gevaar betekenen voor de biodiversiteit. Dit voorwendsel was duidelijk niet wetenschappelijk gefundeerd: een indrukwekkende metastudie van niet minder dan 40 onafhankelijke en wereldwijd georganiseerde veldproefexperimenten toonde immers aan dat de biodiversiteit van insecten in de afgekeurde biotech-gewassen gemiddeld hoger is dan op conventionele akkers waar klassieke insecticiden gespoten worden --- Marvier M., McCreedy C., Regetz J., & Kareiva P. (2007) A meta-analysis of effects of Bt cotton and maize on nontarget invertebrates. Science 8:1475-1477.---. De resultaten van deze metastudie hoeven niet eens te verwonderen. De aanwezigheid van het zeer gerichte Bt-toxine in biotech-planten zorgde er immers voor dat er tot dusver wereldwijd 300 miljoen kilogram actief breedspectrum insecticiden bespaard werden, wat overeenkomt met een reductie van ongeveer 10% van het wereldwijde pesticidenverbruik, wat positief is voor de biodiversiteit. De metastudie werd in het prestigieuze tijdschrift Science gepubliceerd, een tijdschrift dat hoge eisen stelt aan zijn auteurs en een strenge graad van wetenschappelijk onderzoek hanteert. Dat dergelijke spectaculaire resultaten in een toch sterk op sensatie belust medialandschap het brede publiek quasi niet bereiken, spreekt trouwens boekdelen.
Europa dreigt stilaan te verzanden in een regelgeving die lidstaten toelaat om hun landbouwers de toegang tot goedgekeurde biotech-gewassen te ontzeggen. Vandaag overtreden dergelijke lidstaten daarmee nog steeds de wet. Landen als Duitsland en Frankrijk, die de teelt van de goedgekeurde MON810-maïsvariëteit verbieden, zien zich dan ook bedreigd met rechtszaken, aangespannen vanuit de Amerikaanse zaadindustrie, die dit als broodroof ervaart. Een wijziging in de wetgeving die binnenkort ter stemming ligt bij het Europees Parlement wil dergelijke rechtszaken in de toekomst echter voorkomen door Europese lidstaten zelf te laten beslissen of zij biotech-gewassen accepteren. Deze wetgeving kan enerzijds het goedkeuren van nieuwe ggo-dossiers op het niveau van de Europese commissie bevorderen, omdat lidstaten op zichzelf nog een stok achter de deur zullen hebben. Maar het valt anderzijds te vrezen dat landbouwers in landen die tot het contra-kamp behoren, nauwelijks nog toegang zullen hebben tot de meest moderne ontwikkelingen in gewasveredeling. Wat dit aan verlies kan betekenen voor de Europese landbouwer, zien we geïllustreerd in Roemenië. Roemeense landbouwers waren kort voor de toetreding van hun land tot de EU overgeschakeld op de teelt van ggo-soja. Dit leverde hen een toename in inkomsten op van maar liefst 25% --- Brookes G. & Barfoot P. (2011) Global impact of biotech crops: Environmental effects 1996-2009. GM Crop. 2(1), 34-49.---. Ggo-soja staat echter nog altijd niet op de lijst van goedgekeurde gewassen voor teelt in de EU, waardoor de sojateelt na de toetreding tot de unie aan banden werd gelegd en in elkaar stortte. Als we kijken naar de teelt van herbicide-tolerante soja op het Amerikaanse continent, zien we dat dit een drastische toename van ‘non-tilling’ opleverde, wat betekent dat de landbouwer zijn veld niet meer hoeft te ploegen, met sterke vermindering van bodemerosie tot gevolg. Het is een niet onbelangrijke kanttekening dat, samen met de vermindering van zoetwaterbronnen, bodemerosie wereldwijd tot de zwaarste problemen van de huidige landbouw behoort en in sommige regio’s, zoals China, al een tikkende tijdbom vormt --- Brown L.R. (2011) World on the edge: How to prevent environmental and economic collapse. New York: W.W. Norton & Company, p. 38.---.
Ondertussen, nu het potentieel van plantenbiotechnologie om de ecologische voetafdruk van de landbouw te verlichten ook daadwerkelijk op het veld wordt gemeten, verschuift de antibeweging haar kritiek in de richting van socio-economische bekommernissen. Dat is niet slecht gezien in moeilijke socio-economische tijden, waarin het grootkapitaal onder vuur ligt. De antibeweging linkt de ggo-technologie dan ook graag aan grootschalige firma’s zoals het Zwitserse Syngenta en het Duitse BASF. Finaal wordt vooral het Amerikaanse Monsanto geviseerd. Doordat dit momenteel niet enkel de grootste speler in de ggo-zaadindustrie is, maar tevens een verleden met zich meedraagt van groen protest tegen zijn ontwikkeling van het insectenbestrijdingsmiddel DDT in de jaren zestig, vormt Monsanto vandaag een ideaal doelwit voor een nieuwe anti-ggo-campagne. Die campagne is niet in de eerste plaats bedoeld om de zaadindustrie schade te berokkenen. De anti-ggo-lobby heeft haar pijlen immers nooit gericht op de teelt van door kruising voortgebrachte F1-hybriden, waarvan de zaden jaarlijks opnieuw bij de firma moeten aangekocht worden. Nochtans is het overgrote deel van ondermeer de maïs die overal in Vlaanderen en in de rest van de westerse wereld op uiterst grote schaal wordt geteeld, van dat kaliber. Het zijn ook diezelfde F1-hybriden die (lang voor er sprake was van biotech-gewassen) de macht van de grote zaadbedrijven in de landbouw definitief hebben gevestigd. Vóór de overname door de grootindustrie was klassieke veredeling een interessante investering voor kmo’s en de publieke sector. In minder ontwikkelde landen zoals China en India is dat trouwens nog altijd het geval. Ook gentechnologie hoeft in principe geen monopolie voor zaadbedrijven te zijn, getuige daarvan het redden van de papayateelt ruim tien jaar geleden in Hawaï. Ggo-papaya, bestand tegen het papaya ringspot virus, werd ontwikkeld aan de Cornell University in New York met een uiterst beperkt budget van 60.000 dollar en herstelde na zijn release in 1998 de papaya-oogst op Hawaï. --- Gonsalves D. (2006) Transgenic papaya: Development, release, impact and challenges. Adv Virus Res. 67:317-54.--- De laatste decennia is in het Westen de publieke financiering van landbouwkundig onderzoek echter stelselmatig gedaald. De uiterst strenge regelgeving omtrent ggo-gewassen brengt ook nog eens ontzaglijke kosten met zich mee. Het resultaat is dat enkel grote kapitaalkrachtige bedrijven, die hun aandacht normaliter richten op bulkgewassen zoals maïs, soja, koolzaad en katoen, dit nog aankunnen. Mocht de irrationele angst voor ggo-technologie minder spelen in het Westen, dan zou de regelgeving in Europa kunnen aangepast worden aan de socio-economische realiteit en aan de kennis die we de afgelopen vijftien jaar hebben opgebouwd. Dit is wellicht de grootste uitdaging voor het komende decennium, en niet in het minst in het belang van ontwikkelingslanden die sterk inzetten op biotech-gewassen en nu al meer dan 100 nieuwe variëteiten in de pijplijn hebben, vele daarvan bekomen op kracht van publieke financiering. Plantenbiotechnologie is vandaag niet langer een westerse aangelegenheid. Nu al is 90% van de boeren die biotech-gewassen telen, afkomstig uit ontwikkelingslanden7. Daar zitten miljoenen boeren bij uit India of Burkina Faso die de voordelen ervaren van Bt-katoen. Velen daarvan telen een klein aantal hectaren met spectaculaire opbrengstverhoging en minder onkosten voor pesticiden tot gevolg. Dat heeft een rechtstreekse impact op de welstand van hun familie, niet alleen financieel maar ook op vlak van levenskwaliteit. Alleen al minder tijd moeten investeren in het besproeien van velden, geeft deze mensen een ander leven. ---Qaim M. (2010) Benefits of genetically modified crops for the poor: Household income, nutrition, and health. N Biotechnol. 27(5):552-557. ---
Samenvattend: ondanks de aangetoonde veiligheid voor de volksgezondheid, ondanks het bewezen potentieel om de milieulasten van conventionele landbouw terug te dringen en ondanks het toenemend aantal voorbeelden waarbij de socio-economische toestand van (arme) landbouwers wordt verbeterd, blijven tegenstanders ongenuanceerd deze positieve en interessante ontwikkelingen in de plantenbiotechnologie afzweren en zoeken zij nieuwe invalshoeken om het gelijk (of in dit geval minstens het grote publiek) aan hun kant te krijgen. Dat suggereert een redenering die niet gebaseerd is op rationeel-wetenschappelijk denken, maar op een ideologisch denken dat zo goed als geen hoogtechnologische inmenging van de mens in de natuur wenst te tolereren en zeker niet in het genetisch materiaal dat als de essentie van een organisme wordt gezien. De echte drijfveer van deze antibeweging is dan ook de toepassing van gentechnologie in de landbouw ten stelligste te blokkeren. Dit is niet zomaar een onschuldig randverschijnsel. Het heeft zich via een sterke groene lobby een weg gebaand – zelfs ‘geïnstitutionaliseerd’ – in de Europese regelgeving. Op langere termijn dreigt het gevaar dat de Europese boer niet langer toegang zal hebben tot de meest recente ontwikkelingen in de landbouw en dat boeren uit ontwikkelingslanden niet ten volle zullen kunnen profiteren van hun producten omdat ze niet op de Europese markt geraken. Op die manier dreigt ons continent de mogelijkheden van technologie niet langer te erkennen of te verkennen en dreigt het verder geïsoleerd te geraken van de rest van een minder technofobe wereld.
Geert De Jaeger en Linda Van Speybrouck zijn respectievelijk verbonden als hoofddocent aan de Vakgroep Plantenbiotechnologie en Bio-informatica en als postdoctoraal onderzoeker aan de Vakgroep Moraalwetenschap en Filosofie van de Universiteit Gent.
Waarom gsm’s (hoogstwaarschijnlijk) niet schadelijk zijn
De gezondheidseffecten van gsm-straling werden onderzocht in talloze studies, zowel door de industrie als door onafhankelijke onderzoekers. De overgrote meerderheid van deze studies wijst uit dat gsm-straling geen enkel meetbaar effect heeft op onze gezondheid. Studies die wel een effect wisten vast te stellen, vertonen veelal belangrijke methodologische beperkingen (bijvoorbeeld omdat ze gebaseerd zijn op zelfrapportage) en zijn bijgevolg onbetrouwbaar. Door de grote hoeveelheid onderzoek kan je op statistische gronden sowieso verwachten dat een aantal studies een positief resultaat zullen opleveren, zelfs als gsm-straling volkomen veilig is. In de meeste studies wordt een significantiedrempel van 0.05 gehanteerd. Dat wil zeggen dat, als je twintig studies uitvoert, er gemiddeld één zal zijn met een significant positief resultaat, zelfs als je hypothese niet klopt. Daarnaast moeten we ook rekening houden met het ‘file drawer’ effect: studies die niets opleveren, belanden sneller in de onderste lade van de onderzoekers, worden minder snel gepubliceerd en hebben minder kans om opgepikt te worden door de media. In het alarmistische boek Stralingsgevaar! – met uitroepteken – van Patrick Vanden Berghe is hun kans op vermelding quasi nihil. In elk geval is er, ondanks het sterk toegenomen gsm-gebruik, geen toename van kankers die aan gsm-straling kunnen gelinkt worden.
Bijkomende fysische argumenten tegen de gezondheidseffecten van gsm-straling zijn ondertussen genoegzaam bekend onder skeptici. De straling afkomstig van gsm’s, wifi-netwerken en andere draadloze communicatie behoort tot het niet-ioniserende deel van het elektromagnetische spectrum, wat betekent dat de straling onvoldoende energie bezit om chemische verbindingen te breken. Mutaties in het DNA of de afbraak van proteïnen als gevolg van deze straling zijn bijgevolg uitgesloten. Straling wordt pas krachtig genoeg om te ioniseren vanaf het ultraviolet-spectrum (net voorbij zichtbaar licht), vandaar dat zonlicht huidkanker kan veroorzaken. Niet-ioniserende straling daarentegen heeft enkel thermische effecten. Lichaamswarmte betekent altijd meer moleculaire beweging: de moleculen in ons lichaam gaan een tikkeltje onstuimiger trillen dan ze reeds van nature doen. Een muts dragen, een sauna bezoeken of een kwartiertje joggen heeft precies hetzelfde effect, maar dan vele malen intenser. Een hoger vermogen (uitgedrukt in Watt) zorgt trouwens niet voor ionisering, die hangt enkel af van de stralingsfrequentie (energie). Het is alsof je stenen over een rivier probeert te gooien die 100 meter breed is. Als je maar 10 meter ver kan gooien (energie), dan maakt het niet uit hoeveel stenen je gooit (vermogen).
Door de natuurlijke warmteregulerende mechanismen in ons lichaam wordt een temperatuurstijging meteen afgedreven en kan gsm-straling nooit accumuleren tot een niveau dat biologisch schadelijk is (dit in tegenstelling tot levenloos voedsel in een microgolfoven, dat bestraald wordt met een vermogen dat duizend keer hoger ligt dan dat van een gsm-toestel).
Er is dus geen reden om aan te nemen dat de niet-ioniserende straling, naast de tijdelijke thermische effecten, ook langdurige biologische effecten kan veroorzaken. Tegenstanders vrezen echter schade door andere, nog onbekende mechanismen. Maar zoals reeds vermeld werd dergelijke schade nooit ondubbelzinnig vastgesteld, ondanks veelvuldig en duur onderzoek. Een schadelijk effect van gsm-straling, voor zover dat al biologisch plausibel is, kan niet anders dan bijzonder klein zijn. Om aan te tonen dat tabak kankerverwekkend is, heb je geen 10.000 mensen en 20 jaar onderzoek nodig. Het causaal verband is meteen duidelijk van zodra je erop begint te letten. Bij gsm-straling daarentegen is verwarring na ettelijke jaren nog altijd troef: de meeste onderzoeken leveren niets op, sommige lijken een klein maar significant effect aan te tonen, meta-analyses zijn dubbelzinnig en worden betwist.
Belabberd rapport
Geheel in contrast hiermee raadde de Raad van Europa (niet te verwarren met de organen van de Europese Unie, waarmee de Raad van Europa niets te zien heeft) in een resolutie van 27 mei 2011 aan om gsm’s, wifi en WLAN-netwerken uit scholen te bannen, uit voorzorg voor de gezondheidsrisico’s die met de technologieën verbonden zouden zijn. De resolutie was gebaseerd op een rapport van Jean Huss, lid van de Luxemburgse ecologische partij ‘Les Verts’, waarop nochtans sterke kritiek was geuit vanuit wetenschappelijke hoek. Patrick Vanden Berghe, auteur van de langgerekte alarmkreet Stralingsgevaar!, een boek dat eerder in dit tijdschrift op de korrel werd genomen, schrijft op de nieuwswebsite DeWereldMorgen.be dat de media te weinig positieve aandacht besteedden aan het rapport en dat het té kritisch werd benaderd. --- http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/06/02/raad-van-europa-gsm-straling-gevaarlijk ---. Vanden Berghe is blijkbaar geabonneerd op andere kranten dan wij.
Staat er iets in het rapport van de Raad van Europa dat onze positieve aandacht verdient? Neen. Jean Huss komt aanzetten met lang achterhaalde studies uit de USSR over het gevaar van radargolven, het dubieuze onderzoek van Ulrich Warnke naar het schadelijke effect van radiogolven op bijenkolonies, en het onvermijdelijke Bio-Initiative rapport, een document dat in 2007 zonder peer review op het internet werd gezwierd door een los collectief van wetenschappers en onderzoekers. Ondertussen is dat rapport door zowat elk onafhankelijk en wetenschappelijk expertpanel verworpen als misleidend en selectief, inclusief het EMF-NET van de Europese Commissie, iets wat Jean Huss in zijn rapport zorgvuldig nalaat te zeggen. De ICNIRP, een internationaal gerespecteerde instantie die zich bezighoudt met de veiligheid van elektromagnetische straling, wordt door Huss weggewuifd als een ‘kleine NGO nabij München’ en verdacht van allerlei onzalige banden met de telecom-industrie. Tekenend voor de objectiviteit van Dhr. Huss is dat hij de uitspraken van vertegenwoordigers van de telecom-industrie, die voor dit rapport klaarblijkelijk gehoord werden, consequent afdoet als ‘emotioneel’, ‘geïrriteerd’ en ‘passioneel’, zonder ooit hun argumenten weer te geven. Dat is de klassieke cui bono-vraag die alle andere overtroeft: de telecom-industrie zou er niet bij gebaat zijn indien de stralingsnormen worden teruggeschroefd of de verspreiding van gsm-masten aan banden wordt gelegd, dus al hun argumenten ter zake zijn bij voorbaat verdacht en maken deel uit van een complot. En schijnbaar onafhankelijke commissies zijn eigenlijk ‘overschaduwd door gelobby van de communicatiesector’, zoals Maarten Weyters op DeWereldMorgen.be schrijft. Het is niet omdat Rolex niet graag zou horen dat polshorloges kankerverwekkend zijn, dat ze kankerverwekkend zijn en dat Rolex een complot heeft opgezet om dat geheim te houden. Wie met dat soort argumenten aankomt, zoals Dhr. Huss tijdens zijn hoorzittingen, zal begrijpelijkerwijs enige ‘ergernis’ opwekken.
Nog zo’n schoolvoorbeeld van begging the question vinden we in Huss’ aanbeveling om ‘early warning scientists’ bescherming te bieden. Mensen die met belabberde waarnemingsstudies uitpakken over uitstervende bijenkolonies en misvormde kalveren in de buurt van hoogspanningsmasten zouden dus onze speciale aandacht en bescherming verdienen. Maar bescherming waartegen? Wetenschappelijke kritiek? Hoe maakt Huss dan het onderscheid tussen een echte klokkenluider en een paniekzaaier? De redenering van Huss doet denken aan de fabel van Aesopus over een herder die de slechte gewoonte heeft om alarm te slaan voor de boze wolf en daarmee het hele dorp de stuipen op het lijf te jagen. De schelm slaat zo vaak vals wolvenalarm dat, wanneer de wolf op een dag echt aan de deur staat, niemand de herder nog gelooft.
Een belangrijk maar vaak misbruikt concept in dit verband is het ‘voorzorgsprincipe’. Wanneer er geloofwaardige aanwijzingen zijn dat een bepaalde stof substantiële schade kan veroorzaken bij mens of milieu, en zo’n verband biologisch of fysisch gezien niet onwaarschijnlijk is, dan nemen we beter het zekere voor het onzekere en vermijden we het gebruik van die stof. In dat geval zijn de kosten van een vals positief (een verband zien waar er geen is) kleiner dan die van een vals negatief (geen verband zien waar er wel één is). Maar die redenering gaat enkel op binnen bepaalde grenzen van waarschijnlijkheid. Een goede rookdetector slaat wel eens alarm als er geen brand is, wanneer iemand bijvoorbeeld een sigaret opsteekt, maar we zouden niet tolereren dat hij afgaat telkens wanneer we het raam openzetten. Bovendien moet men bij de afweging van een eventuele toepassing van het voorzorgsprincipe steeds een kosten-batenanalyse maken. Elke technologie zal wellicht op de één of andere manier wat schade veroorzaken, bijvoorbeeld door schade aan het milieu bij de ontwikkeling, de productie en eventueel het gebruik, maar die moet uiteraard afgewogen worden tegen de voordelen die met de technologie verbonden zijn. Er bestaat niet zoiets als ‘het voorzorgsprincipe’ zoals Huss het definieert, als ware het een universeel geldig en in steen gebeiteld preventiecriterium. Ironisch is ook dat Huss op het einde van het rapport voor draadloze technologie met zichtbaar en infrarood licht pleit, licht dat nota bene een veel hogere energie heeft dan microgolfstraling (hoewel nog steeds niet ioniserend). Waarom denkt Huss dat zo’n technologie ‘minder problematisch [is] in termen van gezondheid en milieu’? Als het over ‘natuurlijke’ straling gaat (maar radioactieve straling is ook natuurlijk), dan gaat het voorzorgsprincipe plots overboord.
De blunders van Huss houden niet op: hij vermeldt de voorlopige en gedeeltelijke conclusies van de Interphone-studie, zonder de bekende problemen in verband met zelfrapportering te vermelden (Aan welk oor belde u het meest? Is dat de kant waar de tumor zich ontwikkelde?) die de Interphone-studie intern hebben geblokkeerd, waardoor een finale conclusie al jaren uitblijft. Klap op de vuurpijl is de bewering dat het elektrogevoeligheidssyndroom een erkende medische conditie zou zijn. Daarbij verwijst Huss enkel naar het dubieuze onderzoek van Dominique Belpomme, grotendeels in eigen beheer en zonder wetenschappelijke peer review gepubliceerd, en naar het ‘argument’ dat het syndroom ondertussen door de Zweedse regering is erkend. Nochtans zijn er verschillende gecontroleerde en dubbelblinde studies uitgevoerd waaruit ondubbelzinnig blijkt dat zogenaamde elektrogevoelige personen niet in staat zijn om te achterhalen wanneer ze met gsm- of wifi-straling bestookt worden en wanneer niet. Sommigen melden negatieve symptomen wanneer er geen straling is, anderen voelen zich kiplekker terwijl ze volop bestraald worden. --- Zie bijvoorbeeld Rubin, G. J., G. Hahn, B. S. Everitt, A. J. Cleare, and S. Wessely. 2006. ‘Are Some People Sensitive to Mobile Phone Signals? Within Participants Double Blind Randomised Provocation Study’, BMJ 332 (7546): 886-891.--- Dat wil niet zeggen dat mensen die symptomen verzinnen, wel dat ze het gevolg zijn van het nocebo-effect, de kwalijke tegenhanger van het placebo-effect. Mensen zijn bang dat een nieuwe gsm-mast schadelijk is, ze lezen de alarmerende onzin van pakweg Patrick Vanden Berghe (‘kankerverwekkend, hersenvernielend, zelfs DNA-breuken veroorzakend’) en diens talloze getuigenissen, en ze gaan daadwerkelijk bepaalde symptomen ontwikkelen en toeschrijven aan straling. Die studies over het nocebo-effect van gsm-straling zijn overal beschikbaar. Jean Huss heeft geen enkel excuus om ze te verzwijgen.
Zelfs niet-ioniserende straling met de intensiteit van een magnetron is compleet ongevaarlijk, in tegenstelling tot de broodjeaapverhalen over de gruwelijke brandwonden en gekookte hersenen van roekeloze keukenhelden. De fysicus Eleanor Adair voerde een hele reeks experimenten uit waarbij ze dieren en (zich vrijwillig aandienende) mensen in een kamergrote microgolf opsloot om ze langdurig en stevig te bestralen. ---Zie het interview in The New York Times van 16 januari 2001. http://www.nytimes.com/2001/01/16/health/a-conversation-with-eleanor-r-a... --- Nooit is ze erin geslaagd om een meetbaar gezondheidseffect vast te stellen, zelfs geen cataract of verminderde vruchtbaarheid. De meeste proefpersonen vonden de warme gloed van de straling zelfs aangenaam.
Sommige alarmisten, zoals Patrick Vanden Berghe en onze Skeptische Put-winnares Chris Vermeire, menen dat het gevaar van gsm-straling schuilt in het pulserende karakter ervan, waarbij ze die straling zelfs vergelijken met kogels uit een mitrailleur. Dat is een schandalig staaltje van bangmakerij en getuigt van een compleet gebrek aan wetenschappelijke kennis. Bij gsm-straling worden laag-frequente microgolfsignalen gemoduleerd op een microgolf met een relatief hogere frequentie, de zogenaamde draaggolf, om interferentie te voorkomen. Die lage golven ‘pulseren’ bij gsm inderdaad op een frequentie van 217 Hz. Fysisch en biologisch gezien is daar echter niks bijzonders aan. In plaats van onafgebroken straling, is er nu een onderbroken signaal, dat toelaat om meer informatie op een bepaalde golflengte te versturen (meerdere gebruikers). Men kan net zo goed beweren dat zonlicht op zich ongevaarlijk is, zolang men maar niet onder een bladerdek fietst, want dat wordt ‘gemitrailleerd’ door gepulseerde straling! Of denk aan de natuurlijke pulserende straling afkomstig van pulsars: snel ronddraaiende neutronensterren die elk met hun frequentie pulserende elektromagnetische straling op de aarde ‘afvuren’.
Voorzorgsprincipe of paranoia?
De Raad van Europa is geen wetenschappelijk maar een politiek orgaan, dat volledig losstaat van de Europese Unie. Het rapport is zorgwekkend, niet omdat het de gevaren van gsm-straling aantoont, maar omdat het een pijnlijke illustratie is van wat er zoal kan foutlopen als politici zich met wetenschappelijke besluitvorming gaan bemoeien. Terwijl hij de banden met drukkingsgroepen aan de andere kant aanklaagt, pleit Huss in zijn eigen rapport schaamteloos voor nog meer politieke bemoeizucht: ‘politieke besluitvormers zijn helaas nog altijd weinig betrokken bij de evaluatie van technologische risico’s voor het milieu en de gezondheid’. Een zekere scheiding tussen wetenschappelijke en politieke besluitvorming is nochtans niet meer dan normaal en dat zal hopelijk ook zo blijven. Politici hebben de taak om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek in beleidsmaatregelen om te zetten. Ze mogen wetenschappers gerust ter verantwoording roepen voor hun activiteiten, maar de wetenschappelijke besluitvorming zelf moet op volstrekt onafhankelijke wijze kunnen plaatsgrijpen.
In het huidige klimaat van sensatiezucht en stralingsangst heeft het rapport van de Raad van Europa al meer dan voldoende aandacht genoten. Verschillende media pakten ermee uit alsof het een wetenschappelijk rapport betrof, terwijl het op een puur politieke wijze tot stand is gekomen. Maar ook wetenschappelijke rapporten moeten steeds met een kritische blik worden bekeken. Zo is de recente conclusie van de WHO, op basis van een rapport van het IARC, dat gsm-gebruik ‘mogelijk kankerverwekkend’ is erg vaag en twijfelachtig. Het IARC verdeelt stoffen in ruwweg vijf mogelijke categorieën: kankerverwekkend, waarschijnlijk kankerverwekkend, mogelijk kankerverwekkend, waarschijnlijk niet kankerverwekkend en niet classificeerbaar. Aantonen dat iets niet kankerverwekkend is, is nagenoeg onmogelijk. Je kan hooguit concluderen dat er geen bewijs voor is. Het resultaat spreekt voor zich. Op de lijst met ‘mogelijk’ kankerverwekkende stoffen prijken 250 substanties, waaronder koffie; op de lijst ‘waarschijnlijk niet kankerverwekkend’ op dit ogenblik slechts één stof (caprolactam).
Hermes Sanctorum van Groen! probeerde ons er evenwel van te overtuigen dat de WHO zich altijd zeer ‘voorzichtig’ uitlaat, waardoor ze de mogelijke gezondheidsproblemen van gsm-straling ongetwijfeld nog onderschat. Maar de voorzichtigheid van de WHO is een tweesnijdend zwaard. Vanuit het voorzorgsprincipe waar Sanctorum en anderen hoog mee oplopen, zou het net ‘onvoorzichtig’ zijn om de schadelijke gevolgen van gsm-straling helemaal uit te sluiten. Wie zegt dat gsm’s heel misschien kanker veroorzaken, is ‘voorzichtiger’ dan wie dat uitsluit. Tussen de begrijpelijke voorzichtigheid van de WHO en ongefundeerde paranoia – moeten gsm’s en draadloze netwerken gebannen worden uit scholen? – bestaat een dunne lijn. Er is geen enkel plausibel mechanisme waardoor niet-ioniserende straling langdurige biologische effecten kan teweegbrengen en geen enkel degelijk onderzoek dat zo’n effecten reproduceerbaar aantoont. Er is enkel een onaflatende stroom aan onderzoeksgeld, veel kwalijke sensatiezucht en misbruik van het voorzorgsprincipe, wat resulteert in een opbod aan stralingshysterie.
Maarten Boudry is filosoof en verbonden aan de Universiteit Gent, waar hij onderzoek doet naar pseudowetenschappen.
Cliff Beeckman is licenciaat informatica en master in de wijsbegeerte.
Na een openingswoord van voorzitter Hans Gerding, dat ondergetekende door onvoorziene en onvoorvoelde omstandigheden niet kon bijwonen, beklimt Drs. Eva Lobach, onderzoekster aan het Onderwijsinstituut Psychologie in Amsterdam, als eerste het spreekgestoelte. In haar lezing ‘Psi en psi is twee?’ stelt ze de vraag of psi niet uiteenvalt in een cognitieve en een emotionele component. Daarbij doet ze kond van een reeks experimenten die ze met haar collega’s uitvoerde in navolging van de inmiddels beruchte precognitiestudie van Daryl Bem. --- Bem, D. J. (2011). Feeling the future: Experimental evidence for anomalous retroactive influences on cognition and affect. Journal of Personality and Social Psychology, 100(3): 407. Zie hierover ook ‘Kun je van porno paranormaal worden?’, M. Bier, Wonder en is gheen Wonder 01/2011.---
Nadat die laatste studie begin dit jaar tot het nieuwe paradepaardje van de parapsychologie werd gebombardeerd (het zoveelste in een lange praalstoet), namen skeptici Bem op de korrel voor zijn ingewikkelde methodologie, het kwistig loslaten van verschillende tests op de verkregen data en de bedenkelijke statistische analyses. --- Alcock, J. (2011). Back from the future: Parapsychology and the Bem affair. Skeptical Enquirer, 35(2): 31-39.---
In zijn studie draaide Bem de normale volgorde van enkele standaard psychologische testen om: de stimulus komt na het verwachte effect waarop het verondersteld wordt een retroactieve invloed uit te oefenen. De studie van mevrouw Lobach en haar collega’s is op dezelfde leest geschoeid, zowel wat betreft de opzet als – helaas – wat betreft de methodologische tekortkomingen. Waar de studie van Bem zich concentreerde op precognitie – de herinnering aan een stimulus die pas later wordt aangeboden – wilde Lobach ook het effect onderzoeken van presentiment, het emotioneel voorvoelen van positieve of negatieve stimuli. De opstelling is nogal omslachtig, maar het loont de moeite om de redenering even te volgen. In fase 1 krijgen de proefpersonen een reeks woorden te zien, waarbij ze moeten aangeven of die meer of minder dan twee klinkers bevatten. In fase 2 krijgen ze een nieuwe reeks woorden en moeten ze aangeven welke woorden ze al eerder zagen tijdens fase 1. De hypothese luidt nu dat de proefpersonen vooral die woorden zullen herkennen die ze daarna pas, in de derde en laatste fase van het experiment, uit het hoofd moeten leren (bent u nog mee?). Kort samengevat is het idee dus dat mensen kennis kunnen reproduceren die ze pas later moeten leren – een gedroomde methode voor luie studenten die last hebben van procrastinatie.
Ergens tussen deze verschillende fasen moeten de proefpersonen ook een deurentaak oplossen: een deur verschijnt op het scherm en verbergt een negatieve of positieve score (een geldbedrag van +50, +100, -50 of -100 euro). Als de proefpersonen een slecht voorgevoel krijgen, mogen ze een deur overslaan en krijgen ze een nieuwe te zien, desnoods twintig deuren, net zolang tot hun zesde zintuig groen licht geeft. Om het presentiment te testen en te onderscheiden van de precognitie, meten de onderzoekers de hartslag van de proefkonijnen, waarbij een lagere hartslag zou wijzen op een negatief voorgevoel.
Natuurlijk kunnen we volgens de onderzoekers niet zomaar aannemen dat iedereen even presentimenteel is. Een slecht voorgevoel maakt zich van de aanwezige skepticus meester wanneer bijkomende experimenten worden voorgesteld. Lobach en haar collega’s wilden achterhalen of precognitie dan wel presentiment correleerden met openheid voor nieuwe ervaringen, met neuroticisme en met muzikaliteit, gemeten aan de hand van standaard vragenlijsten. Het was immers ‘algemeen geweten’ dat muzikale mensen meer met psi begiftigd zijn. Een gelijkaardig deurenexperiment, met positieve, negatieve en neutrale afbeeldingen, moet uitsluitsel bieden.
De harde resultaten dan: de experimenten met de letterherkenning en de deuren leveren niets op (presentiment noch precognitie), net zomin als de muzikale link en het verband met neuroticisme, maar voor ‘openheid’ wordt een klein maar statistisch significant resultaat gevonden. Mensen met een open geest zouden dus meer vatbaar zijn voor psi. Niet verwonderlijk, zou de Britse auteur Terry Pratchett zeggen: ‘Het probleem met een open geest is natuurlijk dat mensen zullen willen langskomen om er van alles in te proberen steken.’ De eerlijke biecht over de mislukte proeven voor een tot mislukking gedoemde hypothese is bijna aandoenlijk, maar wat zich vervolgens afspeelt in de nabespreking met het publiek is kenmerkend voor de sociologische dynamiek van dit soort verenigingen. Het publiek en de aanwezige experts geven bepaald de moed niet op: is er geen correlatie met mensen die minder of meer belang hechten aan geld? Waren sommige proefkonijnen dyslectisch? Waren het misschien de verschillende proefleiders die neurotisch waren en voor een experimentator psi-effect zorgden? Veroorzaakt een slecht voorgevoel misschien een hogere in plaats van een lagere hartslag? Zijn er behalve muziek geen andere kunstvormen die iemand psi-gevoelig maken? En sport is toch ook een activiteit die iemand in een ‘flow’ brengt, dus misschien hadden de beste scoorders wel een sportieve aanleg? Of zijn enkel sommige muzikanten begiftigd? Neurotische fluitisten misschien, of altviolisten met één been?
Deze wildgroei aan alternatieve hypothesen (enkel de laatste twee waren verzonnen) is merkwaardig, maar anderzijds ook niet verwonderlijk. Na honderd jaar speculatie in de parapsychologie heeft men nog altijd geen uitgewerkte hypothese over de verantwoordelijke psi-kracht, de mensen die ervoor ontvankelijk zijn, de omstandigheden waarin men psi-fenomenen aantreft en de mechanismen die erachter schuilen. Dat gebrek aan consensus laat de onderzoekers toe om ongebreideld te fantaseren over mogelijke verbanden en de datapool net zolang dooreen te schudden tot er een resultaat uit de lucht komt vallen. Het is al bij al verwonderlijk dat niemand met het ‘displacement effect’ kwam aanzetten, waarbij proefpersonen geneigd zijn om het vorige dan wel het volgende plaatje in de reeks correct te raden, in plaats van het bedoelde plaatje. Het is een beetje alsof je scheel ziet met je derde oog. Skeptici merkten op dat Daryl Bem zodanig veel statistische tests op zijn datapool losliet en dat er zodanig veel manieren zijn waarop de nulhypothese naar zijn maatstaven kon weerlegd worden (dus een bewijs voor psi), dat de positieve resultaten lang niet zo significant zijn als Bem laat uitschijnen (in statistische termen zou Bem eigenlijk een veel lagere p-waarde moeten kiezen voor elke test). In de kersentuin van de parapsychologie is veel laaghangend fruit te plukken.
De sociologie van de parapsychologie
Na de uiteenzetting van Lobach geeft Ingrid Kloosterman van het Descartes Centre aan de universiteit van Utrecht een lezing over haar doctoraatsonderzoek, over de geschiedenis van de parapsychologie in Nederland. Kloostermans vraagt zich onder meer af waarom parapsychologie ooit wetenschappelijk respectabel was, maar ondertussen een marginale discipline is geworden waar de meeste wetenschappers minachtend tegenover staan. Waar is de tijd gebleven dat parapsychologie nog een wetenschap was, en waarom wordt ze tegenwoordig als pseudowetenschap afgeschilderd? Als historica wil Kloostermans de onpartijdigheid bewaren en haar oordeel over de wetenschappelijke waarde van de parapsychologie opschorten, maar valt die positie aan de zijlijn wel vol te houden? De sociaalconstructivistische stroming binnen de wetenschapsfilosofie, waar Kloostermans terloops naar verwijst, wil zich enkel met historische en sociologische determinanten van wetenschap bezighouden en vindt dat we de vraag naar de waarachtigheid van wetenschappelijke kennis tussen haakjes moeten zetten. In de meest radicale variant ervan, zoals in de Edinburgh school van de sociologie van wetenschappelijke kennis, gaat men ervan uit dat de natuur zelf – het object van wetenschappelijk onderzoek – een onbeduidende of zelfs onbestaande rol speelt in de totstandkoming van wetenschappelijke kennis. Deze benadering komt duidelijk tot uiting in het methodologische ‘symmetriebeginsel’ van de socioloog David Bloor, dat soms ook ‘methodologisch relativisme’ wordt genoemd --- Bloor, D. (1991). Knowledge and social imagery. Chicago: University Of Chicago Press.--- : een goede socioloog van de wetenschap behoort hetzelfde type verklaringen te zoeken voor zowel ware en onware als voor rationele en irrationele overtuigingen, en die verklaringen moeten verwijzen naar sociale omstandigheden, materiële condities, ideologische invloeden, etc.
Kritische wetenschapsfilosofen hebben terecht opgemerkt dat een dergelijke methodologie resulteert in een compleet verwrongen geschiedenis van de wetenschappen. De absurditeit van het sociaalconstructivisme wordt met name duidelijk wanneer het zich over pseudowetenschappen buigt. Hoe verklaren we dat de wetenschappelijke gemeenschap de kwantumfysica en de evolutietheorie vrij snel heeft omarmd (en sindsdien nooit meer verlaten), maar dat ze de parapsychologie en de frenologie bijna unaniem heeft verworpen? Wie hier het symmetriebeginsel huldigt en enkel aandacht besteedt aan sociale factoren, zet zichzelf moedwillig paardenkleppen op. Hoe complex de sociale werking van wetenschap en de mechanismen van sociale acceptatie in een discipline ook zijn, het ligt voor de hand dat empirische argumenten (of het gebrek daaraan) op bepaalde momenten doorslaggevend zijn geweest. Met andere woorden, de wijze waarop de wereld daadwerkelijk in elkaar zit heeft een belangrijke invloed op hoe wetenschappers denken dat ze in elkaar zit. In die zin is de symmetrie gebroken: acceptatie van goede wetenschap gebeurt (ten dele) op rationele gronden en op basis van empirisch bewijs, terwijl de populariteit van een pseudowetenschap als parapsychologie louter een samenspel is van psychologische, sociologische of cognitieve factoren. ---Boudry, M. & F. Buekens (2011). The epistemic predicament of a pseudoscience: Social constructivism confronts Freudian psychoanalysis. Theoria, 77(2): 159-179.--- En dat, zal het u verbazen, vloeit natuurlijk voort uit het gegeven dat telepathie, geesten, precognitie, telekinese e tutti quanti eenvoudigweg geen enkele realiteit hebben. Zoals de sciencefictionauteur Philip K. Dick het ooit verwoordde: ‘De werkelijkheid is wat weigert weg te gaan als ik stop met erin te geloven.’ We zouden kunnen aanvullen: en als iets weigert zich voor te doen, hoe hard ik er ook in geloof, dan is het waarschijnlijk mijn eigen hersenspinsel.
Het onderzoek van Kloostermans bevindt zich nog in een prille fase, en haar lezing gaf best een interessant overzicht van de geschiedenis van de parapsychologie, maar op een bepaald moment zal ze haar voornemen van neutraliteit toch beter laten varen. Wie wil begrijpen waarom de parapsychologie sociologisch gezien in het verdomhoekje van de pseudowetenschap terechtkwam, zonder het waarheidsgehalte van de theorie in overweging te nemen, bindt zichzelf de handen om de rug. Men kan net zo goed een geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog schrijven en doen alsof het Derde Rijk niet bestond.
Dat de netelige kwestie van het bestaan van psi zich onvermijdelijk opdringt, blijkt ook uit het feit dat de verklaringen die parapsychologen zelf aandragen voor hun marginalisering de correctheid van hun theorie vooronderstellen. Men wijst dan met een beschuldigende vinger naar de ideologische vooroordelen van de wetenschap en het conservatisme van de materialistische orthodoxie als voornaamste hindernissen voor de erkenning van de parapsychologie. --- Zie bijvoorbeeld Van Praag, H. (1973). Inleiding tot de parapsychologie. De stand van het parapsychologisch onderzoek. Baarn: H. Meulenhoff.--- Naast deze gecultiveerde zelfrechtvaardiging beschikken parapsychologen ook over theoretische concepten die het problematische karakter van hun discipline moeten verklaren. Een voorbeeld kan dit illustreren. Tijdens de nabespreking van het congres met enkele ingewijden komt het gesprek op de experimenten naar de paranormale gaven van kinderen, die in de eerste helft van de twintigste eeuw als een beloftevol spoor werden beschouwd. Men vertrok daarbij van de hypothese dat de psychische ontwikkeling van een kind de opeenvolgende fasen in de evolutie van de mens herhaalt, een idee dat voortkomt uit de recapitulatiethese van de Duitse bioloog Ernst Haeckel en ondertussen achterhaald is. In ieder geval, telepathie werd door sommigen (onder anderen door Sigmund Freud) gezien als een primitieve vorm van communicatie, dus men speculeerde dat kinderen over een sterker ontwikkeld zesde zintuig zouden beschikken, dat later overwoekerd wordt door een meer complexe cognitieve bovenbouw. Aanvankelijk leverden de experimenten positieve resultaten op, maar helaas bleken die bij nader inzien als sneeuw voor de zon te verdwijnen. ‘Een voorbeeld van het decline effect dus’, zo durfde ik te opperen, waarop instemmend werd geknikt: ‘Inderdaad, dat effect zien we telkens opnieuw in ons domein.’ De parapsycholoog John Beloff introduceerde de term decline effect om de merkwaardige neiging van psi-effecten te beschrijven om steeds zwakker te worden naarmate er meer onderzoek naar wordt verricht. --- Beloff, J. (1994). Lessons of history. Journal of the American Society for Psychical Research, 88(7): 7-22.--- Veel parapsychologen zijn ervan overtuigd dat psi een intrinsiek ongrijpbaar en schuw fenomeen is, dat daarom telkens opnieuw aan onze speurende blik ontsnapt. Een kruidje-onderzoek-mij-niet als het ware. Ook dit, laat ons welwillend wezen, is een logisch mogelijke verklaring van het schijnbare failliet van de parapsychologie. Ofwel heeft de parapsycholoog gelijk, ofwel de skepticus, maar in ieder geval heeft het voor de socioloog weinig zin om die kwestie te omzeilen.
Psi Redux
De derde lezing van de dag wordt verzorgd door Prof. Dick Bierman, die tot 2010 de Heymans leerstoel voor bijzondere menselijke ervaringen aan de Universiteit Utrecht bekleedde. Bierman heeft de meest ernstige wetenschappelijke onderscheiding, maar zijn presentatie is weinig meer dan flauwe spielerei. In een collectief ‘experiment’ met de zaal wil Bierman op zoek gaan naar de beste toekomstvoorspeller. De proef, een afvallingskoers waarbij aanwezigen de uitkomst van een online roulettespel moeten voorvoelen, is een klassiek voorbeeld van het selectie-effect: keuze tussen rood of zwart, 50% kans op succes, wie goed gokt stoot door naar de volgende ronde. Na een rondje of zeven blijft er dan met enig geluk een winnaar over. Niet dat Bierman die winnaar vervolgens aan een beslissende test onderwerpt of de rol van het selectie-effect in de totstandkoming van paranormaal geloof aan het publiek uitlegt, want het moet tenslotte ‘ludiek’ blijven. Niettemin blijkt terloops dat een volle 60% van de (stemmende) aanwezigen daadwerkelijk gelooft dat je met je zesde zintuig een roulette kan voorspellen. Of de vraag aan de winnares naar haar ‘geheime strategie’ wel zo tongue-in-cheek was als Bierman laat uitschijnen, vooral in de geesten van het publiek, blijft dan ook in het ongewisse. Haar antwoord, mocht het u interesseren, was volstrekt voorspelbaar: ‘Niet lang nadenken, gewoon je intuïtie volgen.’
Na dit staaltje van ondraaglijke lichtheid is Dr. Hein van Dongen aan de beurt, een filosoof en parapsycholoog die zich in zijn lezing buigt over de rol van het reductionisme in de parapsychologie. Van Dongen heft de bekende litanie aan tegen het reductionisme in de wetenschappen, dat volgens hem de ogen sluit voor bijzondere ervaringen en de complexe fenomenen van het menselijk bewustzijn miskent. Opvallender is dat Van Dongen ook kritisch is voor een vorm van ‘reductionisme’ binnen de parapsychologie, die geneigd is om niet-magische verklaringen voor bijzonder ervaringen bij voorbaat van de hand te wijzen en enkel vrede neemt met een bovennatuurlijk mysterie. Als parapsychologen bijvoorbeeld xenoglossie onderzoeken (het vermeende vermogen om talen te spreken die men nooit geleerd heeft), denken ze meteen aan reïncarnatie en sporen van vorige levens, terwijl ze interessante wetenschappelijke verklaringen over de werking van het geheugen als een onttovering aanvoelen. Eén zo’n verklaring is cryptomnesie, een psychologisch fenomeen waarbij ervaringen sporen in het geheugen nalaten zonder dat de patiënt zich de gebeurtenis zelf herinnert.
Van Dongen betreurt de ‘armzalige retoriek’ waarbij ernstige parapsychologen zich de rol van believers aanmeten en zich tot een vruchteloos welles/nietes steekspel met skeptici laten verleiden. Hij pleit ervoor om parapsychologie te identificeren met haar onderzoeksdomein (buitengewone ervaringen, volgens hem), in plaats van zich te laten vastpinnen op een specifieke opvatting over de oorsprong van zo’n ervaringen. Het voorstel doet denken aan de tredmolen van eufemismen waarmee de creationistische beweging haar identiteit blijft herdefiniëren (in die volgorde: creationisme – creation science – intelligent design – critical thinking about evolution). Het staat Van Dongen vrij om zijn métier te definiëren zoals hij wil, maar men kan niet zomaar met een term aan de haal gaan en verwachten dat iedereen in de pas loopt. Als we zijn definitie doortrekken, dan lopen er ‘parapsychologen’ rond die er vreemd van zouden opkijken als je hen zo aansprak. De Britse psycholoog Richard Wiseman, bijvoorbeeld, is al jaren gefascineerd door de psychologie van paranormale ervaringen. In zijn laatste boek Paranormality betoogt hij dat, als we de bijzondere ervaringen van mensen ernstig nemen in plaats van ze als verzinsels weg te wuiven, dat vaak interessante kennis oplevert over de werking van ons brein. Zo bestudeerden Wiseman en anderen de rol van pareidolia --- Pareidolia is de neiging om patronen te herkennen in vage of onduideljke stimuli, zelfs wanneer die enkel in onze verbeelding bestaan.--- en ultrasone geluiden in spookervaringen, het ideomotorisch effect. (Het ideomotorisch effect is een fenomeen waarbij iemand betekenisvolle spierbewegingen maakt zonder zich daarvan bewust te zijn.) in het fenomeen van ouija-borden, de rol van bepaalde hersengebieden in de opwekking van buitenlichamelijke ervaringen, enzovoort.
Niet alleen bestaat dat soort psychologie van het paranormale al lang – in tegenstelling tot wat Van Dongen laat uitschijnen – maar het valt ook sterk te betwijfelen of de aficionado’s die onderhavige bijeenkomst bijwoonden zo’n radicale ontzenuwing van de discipline zomaar zullen opvolgen. Dat bleek meteen uit de publieksvragen: moeten parapsychologen niet gewoon de blindheid van de gevestigde wetenschap aan de kaak stellen en blijven ijveren voor de erkenning van het paranormale? Wij – zij dus – zijn toch niet vrijblijvend met bijzondere ervaringen bezig, maar ook met bijzondere verklaringen van die ervaringen? Sommige vraagstellers zien het nog ambitieuzer: hebben we geen nood aan iets als een parafysica en een parabiologie, een soort overkoepelende parawetenschap die haar kritisch licht laat schijnen over de gevestigde wetenschap?
Wat alle deelnemers aan de discussie verbindt – ondergetekende uitgezonderd – is een bezorgdheid over het marginale karakter van de parapsychologie in de media en de publieke opinie. In skeptische oren zal dat vermoedelijk verwondering wekken: spat de paranormale prietpraat dan niet van de beeldbuis, met kampioenschappen voor zesde zintuigers, astrorubrieken, mediums die met de doden praten, magazines over babyfluisteraars en meer van zulks fraais? Maar, zo klinkt het in deze kringen, dat is slechts vertier voor het plebs, dat bezwaarlijk als ernstige parapsychologie kan doorgaan. De ironie wil dat deze mensen het roerend eens met de skeptici dat tv-makers ‘enkel belust zijn op kijkcijfers’ en ‘niet geïnteresseerd in wetenschappelijke integriteit’. Skeptici merken op dat al wat naar paranormaliteit zweemt kritiekloos wordt opgepikt en uitgesmeerd in de media, omdat het publiek er nu eenmaal blijft van smullen, maar merkwaardig genoeg klagen ook parapsychologen steen en been over hun ondervertegenwoordiging in de media. Een man uit het publiek doet zijn beklag over het optreden bij Pauw en Witteman van Gili, die ongehinderd de draak mag steken met paragnosten, terwijl aan nota bene het nieuwe onderzoek van Daryl Bem geen enkele aandacht wordt besteed! Die krampachtige en zelfverklaarde underdogpositie is een interessant sociologisch fenomeen dat men in veel groepen aantreft, omdat het een gezamenlijk vijandbeeld creëert en toelaat om zich in een verongelijkte slachtofferrol te wentelen. Hoe graag trekken pseudowetenschappers de sandalen aan van de kleine en sympathieke David die tegen Goliath moet optornen? Op de receptie na de lezingen laten de meeste parapsychologen zich kennen als aimabele mensen, die een discussie met een onverbeterlijke skepticus best kunnen appreciëren, maar hun verontwaardiging over de miskenning door de bekrompen wetenschap is er niet minder om. Ook wij skeptici moeten ons trouwens hoeden voor die verongelijkte reflex. Hoewel pseudowetenschap en het paranormale nog altijd welig tieren in de media en via allerlei kanalen, moeten we erkennen dat we, ondanks ons geringe ledenaantal en onze vrijwillige inzet voor de goede zaak, een bescheiden maar significante invloed uitoefenen op het publieke debat. Ons oneerlijk concurrentievoordeel is natuurlijk – hoe zelfgenoegzaam – dat we keihard gelijk hebben!
Maarten Boudry is filosoof en verbonden aan de Universiteit Gent, waar hij onderzoek doet naar pseudowetenschappen.
Toch houd ik mij hier ver van persoonlijke aanvallen en laatdunkende uitspraken: ik preciseer alleen enkele standpunten. Wie het daar niet mee eens is, wordt verzocht aan te tonen dat de stellingnamen zelf onhoudbaar zijn; beledigingen zijn een bewijs dat men dit niet kan.
1. Vooreerst het volgende
Het 'skepticisme' dat wereldwijd door een vrij groot aantal verenigingen wordt verdedigd, is wars van elke vorm van dogmatiek. De basisstelling luidt immers: "Wij zijn bereid de geloofwaardigheid van elke bewering te onderzoeken, maar hoe meer onwaarschijnlijk een uitspraak is, op basis van de betrouwbare kennis die we bezitten, des te meer verpletterend moet het bewijsmateriaal voor die uitspraak zijn."
Wij noemen 'pseudowetenschappen', die verzamelingen van beweringen die a priori zo onwaarschijnlijk lijken, dat materiaal van die aard nodig is vooraleer men er geloof aan kan hechten. Er bestaan echter gradaties in onwaarschijnlijkheid (de psychoanalyse is minder onwaarschijnlijk dan de astrologie). De grens tussen wetenschap en pseudowetenschap valt dus niet scherp te trekken. Desalniettemin blijft het onderscheid zinvol. Ook de grens tussen volwassenheid en onvolwassenheid is niet scherp; toch is dat onderscheid nuttig.
2. Hierna poog ik de termen van dit debat enigszins te preciseren
In de wetenschappen streeft men ernaar betrouwbare kennis te bereiken en men beseft dat men hiertoe aan een aantal strenge voorwaarden moet voldoen.
2.1. Ondubbelzinnige vastlegging van de betekenis van de termen en van de zinnen die ermee worden opgebouwd. Dat heeft als voordeel dat men interne contradicties zonder moeite kan opsporen, en dat men zinnen uit andere zinnen kan afleiden. Aan deze voorwaarde is het best voldaan in wetenschappen die in een logische of wiskundige taal worden geformuleerd, maar in andere wetenschappen streeft men ernaar dit ideaal zo goed mogelijk te bereiken.
2.2. Zinnen die naar ervaarbare gegevens verwijzen, worden op basis van streng gecontroleerde observatie en experiment getoetst.
2.3. Door combinatie van deze eigenschappen kan men uitspraken over afzonderlijke waargenomen gegevens combineren tot wetten en theorieën, die door hun onderlinge samenhang een nog grotere betrouwbaarheid garanderen.
2.4. Deze samenhang in theorieën biedt bovendien als voordeel dat het volstaat één contradictie in het geheel te ontdekken, of één onmiskenbare weerlegging in de feiten, om de hele theorie op de helling te zetten. Omgekeerd biedt het telkens weer mislukken van zulke 'falsificatiepogingen' een steeds grotere betrouwbaarheid aan het geheel.
2.5. Het proces van wetenschapsontwikkeling bevat dus een 'democratisch' element: controle op de helderheid van definities, niet-contradictie en toetsing door observatie en experiment gebeuren binnen elk domein door een groot aantal wetenschapsmensen en hoe langer dit verificatieproces heeft geduurd, hoe betrouwbaarder de uitspraken of theorieën zijn.
3. Nuanceringen
3.1. Je kunt het bovenstaande ideaalmodel niet in alle wetenschappen op dezelfde wijze realiseren: de evolutietheorie van Darwin is geen geaxiomatiseerde theorie zoals de analytische mechanica. Belangrijk is wel dat je die eisen zo goed mogelijk poogt te benaderen en contradictie en manifeste weerlegging door observatie en experiment vermijdt.
3.2. Zelfs binnen de sterkst bekrachtigde theorieën en verzamelingen van feitelijke uitspraken zijn er domeinen die meer bekrachtigd zijn dan andere. Hoewel we binnen de fysica heel wat met grote zekerheid weten, zijn er op randgebieden voorlopige hypothesen of zelfs verregaande onzekerheden; zal men het Higgs boson ontdekken en welke consequenties zullen daaruit voortvloeien? Vergelijkbare onzekerheden bestaan ook in de biologie en andere wetenschappen: zal de theorie van Gould het halen op die van Dawkins? Bestaat er echte groepsselectie? Enz. Het bestaan van dergelijke omstreden randgebieden in veel wetenschappen leidt vaak tot een noodlottige misvatting: men veralgemeent deze situatie naar de wetenschappelijke theorieën en wetten in hun geheel. Nochtans bestaat op het stuk van betrouwbaarheid een onmiskenbare hiërarchie tussen (a) theorieën en wetten waaraan geen redelijk mens twijfelt, (b) andere die een groot aantal geleerden als nagenoeg vaststaand beschouwen en (c) nog andere die velen, of de meesten, slechts als werkhypothesen beschouwen.
3.3. Een relatief gemakkelijke methode om een theorie als pseudowetenschappelijk te beschouwen, doet zich voor zodra duidelijk wordt dat ze beweringen inhoudt die radicaal in strijd zijn met die kerngebieden van de hierboven vermelde wetenschappen die alle specialisten betrouwbaar achten. Zo is de homeopathie pseudowetenschappelijk omdat ze strijdig is met een kernaspect van de scheikunde, nl. de constante van Avogadro.
3.4. Een tweede eigenschap van pseudowetenschappen is dat ze immuun zijn tegen weerlegging. In de gewone wetenschappen is het al vaak gebeurd dat men een theorie geheel of gedeeltelijk heeft gewijzigd omdat ze door nieuwe feiten werd weerlegd. Op pseudowetenschappers hebben weerleggingen geen effect: doe duizend experimenten over astrologie, die alle mislukken: dat zal de astrologie niet uit de wereld helpen.
3.5. Een derde eigenschap is dat ze niet vooruitgaan op het stuk van theorievorming en bewijsvoering. Soms worden wel nieuwe zogezegde paranormale fenomenen 'ontdekt'. Na de ontdekking van de fotografie ontstonden paranormale foto's met de afbeelding van overledenen op; na de ontwikkeling van de geluidsbanden ontstonden boodschappen uit het hiernamaals op die banden; maar de bewijskracht van al die fenomenen gaat nooit een stap vooruit (en een theoretische samenhang wordt er niet door verbeterd).
3.6. Een vierde, heel gemakkelijk, criterium is de vaststelling dat veel pseudowetenschappen hun oorsprong vinden in mythische, magische of heel simpele verklaringsschema's: astrologie heeft duidelijk een mythische oorsprong, spiritisme een magische en homeopathie een simpele ('het gelijke genezen door het gelijke': soms klopt dat toevallig bijvoorbeeld bij vaccinatie, maar dat heeft de wetenschap ontdekt; dat zo'n mechanisme altijd zou werken, is natuurlijk te mooi om waar te zijn, en is ook niet waar).
4. Nog een paar opmerkingen over misverstanden
4.1. Men moet een onderscheid maken tussen de ontdekking van een theorie en de bewijsvoering ervoor. Wij weten dat een theorie de gekste oorsprongen kan hebben: iemand kan een theorie voorhouden omdat zijn vader het tegendeel beweerde en toevallig gelijk hebben. Daaruit volgt niet dat het in algemene regel een goede methode is het tegenovergestelde te geloven van wat je vader dacht. Er zijn enkele belangrijke doorbraken gebeurd door mensen die ingingen tegen de gangbare meningen. Zij deden dat echter door een nieuwe theorie te ontwikkelen waarvan ze wisten dat die geverifieerd moest worden. De theorieën van de pseudowetenschappers zijn meestal zo oud als de straat, en de enkele andere (bv. Velikovsky) trekken zich van verificatie nauwelijks iets aan.
4.2. Dat wij zouden beweren dat de wetenschap definitieve bewijzen levert, is een misverstand. Wij beschouwen het wetenschapsbedrijf als een proces waarbij zowel de uitbreiding van het geheel van onze kennis van de wereld vooruitgaat, alsook de betrouwbaarheid van die kennis. Betrouwbaarheid is geen alles-of-niets-begrip. Er zijn graden van betrouwbaarheid en naarmate wetten en theorieën meer en meer de toets van de controle op de feiten doorstaan hebben, stijgt hun betrouwbaarheid tot die een niveau van nagenoeg zekerheid bereikt. Als iemand 'niet helemaal zeker' is dat het produceren van een stevige elektrische vonk bij een blok TNT, op grond van scheikundige wetten een ontploffing tot gevolg heeft, dan moet hij het maar eens van dichtbij uittesten ...
5. In verband met de psychoanalyse geldt het volgende
De basisstellingen ervan, bij Freud, waren bij hun ontstaan niet manifest met de harde kern van de wetenschappen in strijd (wat wel het geval is met de astrologie en de homeopathie). De leer over de 'verdringing', als afweermechanisme en als oorzaak van psychische storingen, kon correct zijn; hetzelfde geldt voor de stadia in de ontwikkeling, de structuur van de menselijke persoonlijkheid, en de klinische benadering via vrije associatie en droomanalyse. Een eerste aantasting inzake geloofwaardigheid was echter dat meerdere leerlingen van Freud een eigen weg insloegen (Adler, Jung, Rank, Reich, ...), wat de betrouwbaarheid van de basisinzichten aan het wankelen bracht. Een tweede aantasting was het ontstaan van immunisatiestrategieën (uitleg voor onverwachte fenomenen); iets wat op fijnzinnige wijze door Popper werd geanalyseerd in het geval van Adler. Ten derde zijn er de recente onderzoekingen die kernbegrippen zoals de Freudiaanse verdringing, het Oedipuscomplex, de castratievrees; enz. op de helling plaatsen. En vooral is er de interpretatie van Lacan, waarvan het pseudowetenschappelijk karakter voor de hand ligt. Wie heeft er enige zin voort te lezen als hij verneemt dat de penis in een zekere zin gelijkgesteld wordt aan het imaginair getal i (de vierkantswortel uit -1)? Wie dat toch doet, leert even verder dat het imaginaire getal als prototype geldt van een irrationaal getal! Hier wordt een totaal onbegrepen wiskundige taal gebruikt om duistere psychologische fenomenen te 'verhelderen'. Nochtans is een duidelijke taal de minimale voorwaarde om een theorie te verifiëren of te falsifiëren: waar dat ontbreekt, kan geen sprake zijn van wetenschap. Ik wil herhalen dat ik hier geen (nog levende) personen op het oog heb. Ik ken mensen die in een psychoanalytisch kader therapeutisch werken en dat blijkbaar tot bevrediging van hun patiënten doen. Ik wijt dat echter vooral aan hun menselijke kwaliteiten.
Etienne Vermeersch
--------------------------
Etienne Vermeersch is filosoof en was jarenlang als hoogleraar verbonden aan de UGent.
Bron: http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/12/20/etienne-vermeersch-over-pseudowetenschappen
De psychoanalyse, bijna een eeuw later ontwikkeld door Sigmund Freud en verder uitgewerkt door zijn acolieten, lijkt eenzelfde lot beschoren. Freuds theorieën waren tot in de jaren 60 ongenaakbaar in de psychologie, maar sindsdien is hun dominantie traag maar onmiskenbaar tanend. Vandaag komt de psychoanalyse aan de meeste Angelsaksische universiteiten alleen als een historisch curiosum aan bod, een soort zeppelin in de ideeëngeschiedenis, zoals de bioloog Peter Medawar het uitdrukte: een indrukwekkend maar tot neergang gedoemd luchtkasteel.
De aanwezigheid van een vakgroep psychoanalyse aan de UGent is dan ook stilaan een anachronisme, een schaduw die Frankrijk, een van de laatste psychoanalytische vrijhavens, op onze universiteiten werpt. De Gentse psychoanalyticus Stijn Vanheule (DS 10 december) schreef in deze pagina's een opmerkelijk bedaard en vrij genuanceerd pleidooi voor de psychoanalyse, wat lang niet vanzelfsprekend is wanneer een groeiend aantal wetenschappers en filosofen – onder wie ondergetekende – de wetenschappelijke legitimiteit van je discipline fundamenteel betwisten.
Net zoals de evolutieleer is de psychoanalyse een ‘theorie', stelt Vanheule, een denkkader om een deel van de werkelijkheid – in dit geval psychisch lijden – te benaderen. Dat klopt, maar is een zwaktebod. In de wetenschappen is een theorie een systematisch en coherent geheel van opvattingen dat empirische toetsing doorstaat, kwetsbaar is voor weerleggingen, toelaat om voorspellingen te maken, causale mechanismen beschrijft en geïntegreerd is met andere wetenschappelijke disciplines. Darwins evolutieleer voldoet met glans aan al deze voorwaarden, terwijl de psychoanalyse op alle vlakken schromelijk tekortschiet.
Na meer dan honderd jaar onderzoek is er geen enkele specifiek psychoanalytische hypothese – verdringing, oedipuscomplex, orale en anale fasen, universele penisnijd, manifeste en latente droominhouden, overdracht, enz. – die empirische ondersteuning geniet. De methode waarmee psychoanalytici de menselijke geest trachten te doorgronden – vrije associatie en symbolische interpretatie – bleek fundamenteel onbetrouwbaar, een soort epistemologisch moeras waarin elke theoretische constructie wegzinkt. Voorspellingen laat de psychoanalyse nauwelijks toe, een euvel dat de filosoof Karl Popper al aankaartte. Integratie met de moderne psychologie is er nauwelijks. Een psychologisch standaardwerk over cognitie en emotie bevat meer dan 1.300 referenties, waarvan één schamele naar Freud en geen enkele naar Jacques Lacan.
Natuurlijk is de psychoanalyse niet gestopt bij Freud, zoals Vanheule opmerkt. Door het onweerlegbare karakter van de psychoanalytische kerngedachte – een onbewust mentaal reservoir vol verdrongen herinneringen en emoties – heeft psychoanalyse een middelpuntvliedende sociologische dynamiek. Elke theoreticus kan een nieuw concept aan het onbewuste toeschrijven – geboortetrauma bij Rank, onbewust minderwaardigheidscomplex bij Adler, anima en persona bij Jung – en met dezelfde schijnmethode evengoed ‘bevestigingen' genereren. Theoretische geschillen zijn niet rationeel te beslechten, getuige de onophoudelijke schisma's en bittere conflicten in de psychoanalyse. Volgens Vanheule bijvoorbeeld is de ‘belangrijkste vernieuwer' in de psychoanalyse ‘zonder twijfel' Jacques Lacan. Dat ligt eraan. De invloedrijke Amerikaanse psychoanalyticus Morris Eagle rept in zijn overzicht van theoretische ontwikkelingen binnen de psychoanalyse met geen woord over Lacan, vermoedelijk omdat hij diens moedwillige obscurantisme en hooghartige onwetenschappelijkheid nauwelijks serieus kan nemen.
De populariteit van Lacan in deze contreien is, net zoals 's mans geschriften zelf, volstrekt onbegrijpelijk. In de recente documentaire Le Mur van Sophie Robert, die misnoegde lacanianen nu willen verbieden, zien we dat Lacans theorie een voedingsbodem is voor gevaarlijke absurditeiten over psychisch lijden. Autisme, een neurologische aandoening met een sterke genetische component, wordt door een bonte stoet lacanianen verklaard in termen van verdrongen trauma's in utero, moordzuchtige en incestueuze moeders (en dito baby's), impotente en ziekmakende vaders, en onbewuste oedipale drama's met bemiddelende placenta's.
De verklaringen zijn orthodox lacaniaans, en connoisseurs herkennen de mystieke en allerwegen inzetbare concepten als de Vader, jouïssance, de Symbolische orde, de grote Ander en het talige onbewuste. Vanheule zwijgt zedig over deze ophef, niet geheel onbegrijpelijk, want hij heeft geen enkele stok om de theoretische hond mee te slaan. Gevraagd naar de onthutsende documentaire, haastte Paul Verhaeghe zich in deze krant te zeggen dat autisme ‘zijn specialiteit niet is'. Merkwaardig, want in een recent essay duidt hij de toenemende diagnose van autisme in onze maatschappij als een ‘vorm van sociale isolatie, weg van de al te bedreigende ander' en als een resultaat van ‘faalangst tot ruimere sociale angst', een typisch voorbeeld van gratuite en dubbelzinnige lacaniaanse speculatie.
Rest ons nog de vermeende werking van psychoanalytische therapie. Zowel Verhaeghe als Vanheule verkondigt in deze pagina's een merkwaardige stelling: ‘dé psychoanalyse bestaat niet', maar ze werkt wel. Beide heren verwijzen echter systematisch naar onderzoek omtrent psychodynamische therapie, een eclectische term die in feite twintig verschillende therapieën omvat en elementen uit diverse stromingen integreert. Psychodynamische therapie is precies ontwikkeld uit onvrede over de belabberde resultaten verkregen door orthodoxe psychoanalyse. Met die semantische kunstgreep, die de Gentse lacanianen de laatste jaren verfijnd hebben, laten ze elke glimp van een empirisch bewijs op de psychoanalyse afstralen. Bovendien bevatten de meta-analyses waarmee Verhaeghe en Vanheule zwaaien, in vele gevallen geen controlegroepen, wat het onmogelijk maakt om de effectiviteit aan therapie-specifieke, laat staan psychoanalytische, elementen toe te schrijven.
Psychoanalyse helpt soms mensen, zoals elke psychotherapie generieke effecten en placebo-effecten opwekt (een luisterend oor, het hart kunnen luchten). Niettemin zijn intellectuele luchtkastelen nooit vrijblijvend en zelden onschuldig, zoals de controverse over autisme aangeeft. De theorie zelf is een dood gewicht waarvan de moderne psychologie zich gelukkig steeds meer heeft losgeschud. Naarmate de moderne criteria van degelijk academisch onderzoek ook in de Gentse vakgroep psychoanalyse ingang vinden, zal de theorie zelf gaandeweg verdampen. Net zoals de frenologie is de psychoanalyse gedoemd om in de plooien van de ideeëngeschiedenis te verdwijnen.
Vleeseters zijn egoïstischer en hufteriger dan vegetariërs.' 'Zwerfvuil op straat maakt mensen racistisch.' 'Hoe meer macht mensen hebben, hoe groter de kans dat ze vreemdgaan.' 'Seks in reclame werkt lang niet altijd.' Het zijn beweringen die klinken alsof ze bedacht zijn door Data Driven, het nepbureautje waarmee de jongens van 'Basta' niet zo lang geleden de Vlaamse media een loer draaiden, maar het zijn enkele van de opmerkelijke studieresultaten waarmee de gerenommeerde Nederlandse sociaal psycholoog Diederik Stapel (Universiteit Tilburg) de voorbije jaren in het nieuws kwam. Hij bouwde zich er een ijzersterke internationale reputatie mee op, en kon met de regelmaat van een klok artikels over zijn onderzoeken kwijt aan de meest prestigieuze wetenschappelijke tijdschriften, waaronder Science en Nature. De kans is erg groot dat hij ze allemaal verzonnen heeft.
In september kwam aan het licht dat alvast één van die studies, die over het sociale gedrag van de vleesetende medemens, nergens op sloeg. Toen hij met aantijgingen daaromtrent werd geconfronteerd, gaf Stapel toe dat hij de gegevens voor zijn onderzoek deels uit zijn duim had gezogen, en deels had aangepast om zijn stelling te onderbouwen. Hij werd meteen geschorst en al zijn publicaties werden van de website van de universiteit gehaald.
Allemaal verzonnen
Diederik Stapel is een van de bekendste wetenschappers in Nederland, en hij was tot voor kort ook een van de meest gewaardeerde. Een begeesterend spreker, een enthousiaste promotor, een graag geziene gast op lezingen over heel de wereld. Hij werkt sinds 2006 voor de universiteit in Tilburg; daarvoor was hij actief aan de universiteiten van Amsterdam en Groningen. Zeker in Groningen bezondigde hij zich naar alle waarschijnlijkheid ook aan onderzoeksfraude.
Uit het eerste rapport van de onderzoekscommissie die de fraude in kaart moet brengen, blijkt dat er wellicht nog veel meer naar boven wordt gespit. De voorzitter van de commissie, emeritus hoogleraar Pim Levelt, zei maandag op een persconferentie 'van de ene verbazing in de andere te zijn gevallen toen hij het werk van Stapel controleerde. Niet alleen zijn artikel in Science over het verband tussen zwerfvuil en discriminatie bleek op compleet verzonnen gegevens te zijn gebaseerd, bij minstens dertig andere onderzoeken was het niet anders.
Het lijkt nauwelijks te bevatten dat iemand zo lang op dergelijke schaal bedrog kan plegen in een academische omgeving zonder tegen de lamp te lopen. Uit het rapport van Levelt bleek maandag ook hoe doortrapt de man te werk ging, zonder ook maar iemand bij zijn bedrog te betrekken. Eerst bedacht hij samen met een medewerker een onderzoekscasus en een methodologie om het onderzoek uit te voeren. Daarna gaf Stapel te kennen dat hij zelf het 'veldwerk' zou doen, omdat hij uitstekende contacten had bij allerlei instanties, scholen en universiteiten. Enkele weken lang liet hij dan niets van zich horen, waarna hij terugkwam met al goeddeels verwerkte gegevens die zijn assistenten alleen nog hoefden te implementeren. Allemaal verzonnen gegevens, zo is intussen gebleken.
Was er dan niemand die iets in de smiezen had? Toch wel. Medewerkers van Stapel vroegen geregeld of ze de oorspronkelijke, door de respondenten ingevulde vragenlijsten niet mochten inkijken. Dat vond Stapel dan overbodig, bovendien gaf hij altijd te kennen dat hij al die spullen niet bijhield. Assistenten die voet bij stuk hielden en kritische bedenkingen uitten, probeerde hij eerst te vriend te houden door ze mee uit eten te nemen, bij hem thuis uit te nodigen of door op andere manieren een hechte vertrouwensband te smeden. Lukte dat niet, dan was er nog altijd de omgekeerde aanpak: lastige medewerkers maakte hij duidelijk dat hun academische carrière wel eens voorbij zou kunnen zijn voor ze goed en wel begonnen was.
Klokkenluiders
Toch waren het die ondergeschikten die de kat de bel aanbonden. Drie 'klokkenluiders' van de universiteit Tilburg klaagden dit voorjaar zijn werkwijze aan bij de rector magnificus, de persoon die aan de universiteit moet waken over de integriteit van zijn collega-hoogleraren. Daar was moed voor nodig, want Stapel was decaan van de faculteit psychologie, geliefd bij en geacht door zijn collega's. Hij had door zijn positie beslissingsrecht over de besteding van de onderzoekssubsidies in zijn vakgebied, en kon daardoor de loopbaan van veel collega's maken of kraken. En hij beschikte over een uitgebreid netwerk aan de universiteit, ook in het bestuurscollege, waarin onder meer de rector magnificus zitting heeft.
'Als er één lichtpuntje is aan deze hele onverkwikkelijke affaire, dan is het dat de sector zelfregulerend werkt', zegt Johan Braeckman, hoogleraar wijsbegeerte en moraalwetenschap aan de UGent en medeauteur van De ongelovige thomas heeft een punt. 'We kunnen niet zeker weten hoeveel van dergelijk bedrog nooit aan het licht komt, maar de wetenschappelijke wereld heeft een aantal filters ingebouwd, de interne controle is erg streng, waardoor dit soort uitwassen uitzonderlijk is.'
Peer review
Dat kan best zijn, maar Stapel is er toch maar in geslaagd jarenlang de hele kluit te belazeren. En ook aan de universiteiten van Amsterdam en Groningen werden al eens de wenkbrauwen gefronst bij zijn onderzoeksresultaten, die steevast te mooi waren om waar te zijn. Maar meer nog dan argwaan wekte zijn werk afgunst op bij collega's, vooral omdat hij er zo vaak internationale wetenschappelijke publicaties mee haalde. De filter van de peer review bleek daar alvast niet te werken.
'Dat klopt, maar peer reviewers houden vooral de methodologie en de relevantie van een onderzoek tegen het licht', zegt Braeckman. 'Tijdschriften als Science laten ingestuurde artikels altijd nalezen door een vijftal collega's uit hetzelfde vakgebied. Ik krijg ook bijna wekelijks de vraag om advies te geven over ingediende publicaties. Dat zijn arbeidsintensieve opdrachten die je bovenop je al zware academische takenpakket moet aanvaarden. Als je je over zo'n artikel een mening moet vormen, moet je van één premisse uitgaan: dat de onderzoeker eerlijk te werk is gegaan. Het is gewoon onmogelijk om van elk onderzoek ook de oorspronkelijke data op te vragen, alleen al om praktische redenen: tijdsdruk, om te beginnen. Bovendien krijg je de artikels anoniem toegestuurd, je weet niet wie de wetenschapper in kwestie is.'
De druk om te scoren
Rest de vraag waarom een man als Spatel zich tot zulke praktijken verlaagt. 'Ik heb de druk om te scoren, te publiceren, de druk om steeds beter te moeten zijn, niet het hoofd geboden', schreef hij zelf in een brief die maandag in de Volkskrant verscheen.
'De druk om te publiceren is inderdaad hoog', zegt Braeckman. 'De universiteiten leggen die druk deels zelf op, omdat publicaties in wetenschappelijke tijdschriften geld in het laatje brengen voor meer onderzoek. Let wel: de onderzoekers worden daar zelf niet rijk van, hen is het te doen om aanzien en macht. Wetenschappers zijn ook maar mensen. Wie veel publiceert, maakt sneller carrière en geniet meer respect in academische kringen.'
Voor Stapel is het in ieder geval afgelopen met die carrière, en met het respect. De universiteiten waar hij heeft gewerkt, dagen hem voor de rechtbank wegens schriftvervalsing, wellicht wordt zijn doctorsgraad ingetrokken.
De commissie-Levelt zegt intussen nog maanden nodig te hebben om de volledige fraude in kaart te brengen: ze moet nog meer dan 150 onderzoeken van Stapel doorworstelen. Houd de rubriek 'Correcties & aanvullingen' in de gaten.
© 2011 Corelio
Artikelinformatie
Bron: De Standaard
Auteur: Tom Heremans
Datum publicatie: 02 november 2011
Het is niet mogelijk!
Binnen het bestek van dit boek kunnen we onmogelijk alle beweringen bespreken die volgens ons onwaarschijnlijk zijn. We stellen wel een arsenaal aan middelen ter beschikking waarmee iedereen buitengewone beweringen van uiteenlopende aard kritisch onder de loep kan nemen. Bovendien geven we de kenmerkende patronen van het pseudowetenschappelijk denken aan, evenals de systematische denkfouten die tot irrationele overtuigingen leiden, zodat de lezer ze in nieuwe gevallen kan herkennen. Het kan relatief onschuldige vormen van bijgeloof betreffen, zoals triskaidekafobie (angst voor het getal dertien), maar ook potentieel gevaarlijke claims over geheime genootschappen die door middel van biologische oorlogsvoering op wereldheerschappij azen. Steeds moet de kritische denker in staat zijn de juiste vragen te stellen. Hij of zij moet weten hoe waarschijnlijke van minder waarschijnlijke beweringen te onderscheiden, waar betrouwbare informatie te vinden en hoe drogredenen te herkennen en te vermijden.
Wat dat laatste betreft, moeten we een belangrijke kaart op tafel leggen. Gezien de eindigheid van het leven is de tijd voor onderzoek beperkt. In specifieke gevallen kan een bewering zo onwaarschijnlijk zijn dat het niet zinvol is om er tijd en energie aan te besteden. Dat klinkt ongetwijfeld alsof we geen openheid van geest hebben en dogmatisch aan onze opvattingen vasthangen. Daarom moeten we ons standpunt even toelichten. Het inzicht dat bepaalde problemen onoplosbaar zijn, ontstond in de wiskunde.
De Griekse meetkundigen in de oudheid waren reeds vertrouwd met bepaalde constructieproblemen, zoals de kwadratuur van de cirkel. Zij formuleerden het probleem als volgt: ‘Construeer, met behulp van passer en liniaal, in een eindig aantal stappen, een vierkant met exact dezelfde oppervlakte als een gegeven cirkel.’ Over de eeuwen heen zijn vele pogingen ondernomen om dit probleem op te lossen, maar onderzoek wees telkens uit dat ze tekortschoten. Uiteindelijk bewees de Duitse wiskundige Ferdinand von Lindemann in 1882 dat het probleem onoplosbaar is. Dat betekent dat hij, vertrekkende van een aantal universeel aanvaarde of onweerlegbare premissen (uitgangspunten), via een klein aantal logische stappen, tot de onwrikbare conclusie kwam dat de kwadratuur van de cirkel onmogelijk is.
Voor wie niet vertrouwd is met wiskundige bewijsvoering, is het moeilijk om de kracht en de elegantie ervan te waarderen. Uit het resultaat van von Lindemann volgt dat, als iemand toch beweert een cirkel te kunnen kwadrateren, het geen zin heeft om zijn bewijs te onderzoeken (tenzij misschien als intellectuele oefening, om te zien waar het fout loopt). Het is a priori al duidelijk dat het niet juist kan zijn. Dat kan als een dogmatische of gesloten houding overkomen, maar eigenlijk is het een volstrekt redelijk positie, in acht genomen het sluitende karakter van het bewijs van Ferdinand von Lindemann. Volgens ons is het eerder dogmatisch om tegen beter weten in te blijven zoeken naar een methode om de cirkel te kwadrateren, zoals sommige amateurwiskundigen tot op vandaag doen.
Met betrekking tot empirische kwesties kan men nooit dezelfde graad van zekerheid verwerven als in de wiskunde of de formele logica. Toch geldt ook hier dat bepaalde opvattingen, gegeven de beperkte tijd en middelen waarover we beschikken, geen verder onderzoek verantwoorden, omdat ze radicaal indruisen tegen de meest fundamentele en beste wetenschappelijke kennis die we hebben en omdat alle vorige pogingen om ze te staven faalden.‹ Zie hiervoor ook Etienne Vermeersch: ‘Wetenschappelijke apriori’s tegenover het paranormale’, in Van Antigone tot Dolly (Hadewijch, 1997), pp. 95-104.› Een goed voorbeeld is de constructie van een perpetuum mobile (‘eeuwig bewegend’). Men onderscheidt hierbij twee soorten.
Een perpetuum mobile van de eerste soort is een (denkbeeldig) apparaat dat voor altijd blijft werken, zonder aanvoer van energie. Het wekt dus energie op vanuit het niets. Van een perpetuum mobile van de tweede soort veronderstellen de uitvinders dat het warmte volledig, dat wil zeggen zonder energieverlies, kan omzetten in mechanische arbeid. Dat klinkt intuïtief minder onwaarschijnlijk dan het eerste apparaat, maar wie er één tracht te ontwerpen, verspilt net zo goed zijn tijd. Zowel een toestel van de eerste als van de tweede soort zou de mensheid voor altijd verlossen van alle energieproblemen.
De eerste wet van de thermodynamica toont aan dat het eerste soort perpetuum mobile niet kan bestaan, terwijl de tweede wet de andere soort onmogelijk maakt. In 1586 al toonde de Vlaamse natuurkundige Simon Stevin met zijn ‘Clootkransbewijs’ (cloot betekent kogel) aan dat een perpetuum mobile zeer onwaarschijnlijk is. In 1775 vaardigde de Franse Académie des Sciences een edict uit waarin ze stelde niet langer aandacht te zullen besteden aan octrooiaanvragen voor een perpetuum mobile. Keer op keer bleken de talloze ontwerpen immers te falen. Gezien de tijd en energie (!) die de studie van zulke aanvragen opslorpte, was het beleid van de Académie gerechtvaardigd. De ontwikkeling van de thermodynamica in de negentiende eeuw bezegelde definitief het lot van alle pogingen.‹ Er zijn tal van pogingen gedaan, zie Arthur W.J.G. Ord-Hume: Perpetual Motion. The History of an Obsession (Adventures Unlimited Press, 2005).› Sindsdien beschikken we ook over solide theoretische argumenten om het bestaan van een perpetuum mobile uit te sluiten.
Niettemin doen sommigen ook nu nog pogingen. Nu en dan worden er zelfs nog octrooiaanvragen ingediend, die in het merendeel van de gevallen onbestudeerd in de prullenbak belanden. Deze weigering om een perpetuum mobile te bestuderen is volgens ons rationeel te verantwoorden, gezien de enorme betrouwbaarheid van onze wetenschappelijke kennis over energie, warmte en arbeid, de onderlinge samenhang van de thermodynamica met andere wetenschapstakken en de lange geschiedenis van gefaalde pogingen. Van alle bestaande toestellen die door hun voorbarige uitvinders tot perpetuum mobile werden uitgeroepen, bleek steevast dat er op een subtiele manier energie uit de omgeving werd geput of dat het apparaat na verloop van tijd stilviel.‹ Zie hoofdstuk 6 over de vruchteloze zoektocht naar een perpetuum mobile in Robert L. Park, Voodoo Science: The Road from Foolishness to Fraud (Oxford University Press, 2002).› Een louter theoretisch ontwerp verdient niet langer onze aandacht. Pas wanneer iemand daadwerkelijk een toestel in elkaar steekt dat blijft werken zonder energietoevoer, zijn we bereid om onze wetenschappelijke kennis te herzien.
Een ander voorbeeld betreft het onderzoek naar telepathie, dat men al verricht sinds de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Telepathie duidt op de overdracht van informatie buiten de gekende zintuiglijke kanalen om, op een wijze die de huidige wetenschap onbekend is. Ruim een eeuw van dergelijk onderzoek, als het methodologisch en statistisch goed is uitgevoerd en er geen mogelijkheid is tot bedrog, toont boven elke redelijke twijfel aan dat telepathie niet bestaat (we komen hier nog op terug in hoofdstuk twee en acht). Dat betekent niet dat telepathie volstrekt onmogelijk is, zoals de cirkelkwadratuur of de constructie van een perpetuum mobile, maar wel dat verder onderzoek weinig zin heeft. Omwille van het wijdverbreide geloof in het paranormale kan het allicht geen kwaad om hiernaar zo nu en dan een studie op te zetten. Na zoveel mislukte experimenten is de kans op toekomstig succes echter quasi nihil.
De fijnafstelling van het kritische denken
De talloze voorbeelden van menselijke lichtgelovigheid illustreren onze behoefte aan meer scepticisme. Toch kan het sceptische en kritische denken ook te scherp zijn afgesteld, waardoor het zijn doel voorbijschiet en opvattingen verwerpt die achteraf blijken te kloppen. Zoals Charles Mackay al aangaf, is het erg leerzaam om hiervan historische voorbeelden te bestuderen. Zo werd Don Marcelino Sanz de Sautuola door niemand geloofd toen hij in 1880, samen met professor Juan Vilanova y Piera van de universiteit van Madrid, zijn ontdekking bekendmaakte van prehistorische tekeningen en schilderijen in een grot in Altamira. Sautuola, een amateurarcheoloog, was eigenaar van de grond waarop de grot zich bevond. In 1878 had hij de wereldtentoonstelling in Parijs bezocht, waar hij gefascineerd raakte door een tentoonstelling van prehistorische werktuigen en kleine kunstvoorwerpen die in Frankrijk waren gevonden.
Terug thuis begon hij de grotten in de regio te verkennen, in de hoop iets te ontdekken dat op de aanwezigheid van prehistorische mensen wees. De grot in Altamira had hij al eerder verkend, zonder iets bijzonders te vinden, maar in november 1879 bezocht hij ze opnieuw. Zijn aandacht was op de grond gericht: misschien lagen er werktuigen, vuistbijlen of kralen? Zijn twaalfjarig dochtertje Maria vergezelde hem. Op een bepaald moment keek zij omhoog en zag ze de afbeeldingen van bizons op het plafond. Sautuola was stomverbaasd toen hij de scène in zich opnam. Over een lengte van twintig meter waren meerdere bizons te zien, bijna levensgroot geschilderd, verbluffend expressief en gedetailleerd. Sautuola moest achteraf lachen om de absurditeit van de situatie. Wat hij hoopte te vinden, hing vlak boven zijn hoofd, terwijl zijn blik naar beneden was gericht. Maar hij was ook diep ontroerd door de artistieke expressie van wat hij zag. In een mooi boek over prehistorische kunst schrijft Gregory Curtis: ‘Die dag in november 1879, toen Marcelino Sanz de Sautuola sprakeloos onder het beschilderd plafond van de grot in Altamira stond, was voor zover we weten de eerste keer dat een kunstenaar uit het stenen tijdperk de ziel beroerde van een modern persoon.’‹ Gregory Curtis: The Cave Painters. Probing the Mysteries of the World’s First Artists (Alfred A. Knopf, 2006), p. 50.›
Sautuola vermoedde terecht dat de schilderingen duizenden jaren oud waren en dus meer dan waarschijnlijk het werk van mensen uit de ijstijd, mensen die ook de artefacten hadden gemaakt die hij in Parijs had gezien. In Spanje kreeg hij enige bijval, maar het wetenschappelijk artikel van hem en Vilanova y Piera werd onmiddellijk de grond ingeboord door een groep Franse experts, in het bijzonder door Gabriel de Mortillet, gereputeerd antropoloog en specialist in prehistorische artefacten. Tijdens het internationaal congres voor antropologie en prehistorische archeologie in 1880 in Lissabon werden ze ronduit geridiculiseerd. Vilanova y Piera gaf een lezing en toonde tekeningen die ze hadden gemaakt van een aantal schilderingen. Het ongeloof in de zaal was voelbaar. De nog jonge maar gerespecteerde Franse archeoloog Emile Cartailhac verliet verontwaardigd de zaal. Omwille van de artistieke kwaliteiten en de uitzonderlijke staat waarin de kunstwerken zich bevonden, werd Sautuola zelfs van vervalsing beschuldigd. Een kunstenaar zou de schilderingen in zijn opdracht gemaakt hebben. Dat mensen uit het stenen tijdperk er verantwoordelijk voor waren, was gewoon onmogelijk.
Vilanova y Piera nodigde Cartailhac uit om zelf de schilderingen en de grot in Altamira te komen bekijken. Hij weigerde, maar stuurde niettemin een bevriend ingenieur om de grot te onderzoeken en verslag uit te brengen. Die bevestigde Cartailhacs opinie: de schilderingen waren duidelijk niet authentiek. De kwaliteit van de kunstwerken was gewoon te hoog. De meeste archeologen veronderstelden immers dat de anatomische en mentale evolutie van de mens weerspiegeld wordt door de culturele evolutie. Primitieve mensen maakten primitieve voorwerpen, meer ontwikkelde mensen maakten modernere voorwerpen. Nochtans waren er erkende voorbeelden van prehistorische beeldjes van eenzelfde kwaliteit. De geschilderde dieren waren bovendien anatomisch niet correct, zo meenden critici, in de foute veronderstelling dat het om koeien ging in plaats van om een uitgestorven bizonsoort. De verf zou van recente datum zijn, aangebracht met moderne borstels. Van fakkels en andere middelen voor verlichting was geen spoor te vinden. De zoldering had zwarte plekken moeten bevatten. Dergelijke bezwaren waren zinvol en werden pas later wetenschappelijk beantwoord.
De radicale verwerping door Cartailhac en anderen had ook te maken met de toenmalige debatten over evolutie. Het gerucht deed de ronde dat de kunstwerken in Altamira vervalst waren om de aanhangers van de evolutietheorie een hak te zetten. Die zouden immers opgetogen zijn over een dergelijke vondst, als een extra bewijs voor de oeroude afkomst van de mens. Door de vervalsing vervolgens openbaar te maken, kon men de evolutionisten voor schut zetten. Een ander standpunt dat enige aanhang verwierf, stelde dat de schilderingen door Romeinse soldaten waren vervaardigd. Nog anderen gaven aan dat ze het werk waren van ‘Keltische holbewoners’.
Pas in het begin van de twintigste eeuw, toen men al meerdere grotten in Frankrijk en Spanje had ontdekt met schilderingen die onbetwistbaar prehistorisch waren, veranderde de wetenschappelijke gemeenschap van opinie. Die zekerheid over de ouderdom verkreeg men door de ontdekking van grotten waarvan de ingang al zeer lang afgesloten was. De rotsen die de grotten afsloten, bevatten paleolithische afzetting. In Altamira waren ondertussen nog andere kunstwerken gevonden, evenals een paleolithische lamp. Emile Cartailhac, een van de scherpste critici van Sautuola en Vilanova y Piera, zag zich gedwongen om zijn opinie te wijzigen. Nadat hij meerdere grotten bezocht en zelfs enkele prehistorische vondsten deed, onderzocht hij uiteindelijk zelf de grot in Altamira.
Zijn ‘bekering’ leidde in 1902 tot de publicatie van een artikel over Altamira in het vakblad L’Anthropologie, met als ondertitel ‘Mea culpa d’un sceptique’. Cartailhac erkende de fouten die hij en zijn collega’s hadden begaan en bevestigde de prehistorische origine van de kunstwerken in Altamira. Sautuola overleed veertien jaar daarvoor, vroegtijdig en verbitterd. Hij had de wereld voor het eerst kennis laten maken met prehistorische kunst en men had hem voor leugenaar en vervalser uitgemaakt. Met behulp van moderne dateringstechnieken is vastgesteld dat Sautuola en Piera inderdaad op het juiste spoor zaten. De schilderingen zijn gemaakt in de periode tussen elf- en negentienduizend jaar geleden.
Wat te denken over Cartailhacs ommezwaai? Sommigen zouden stellen dat zijn oorspronkelijke afwijzing de dogmatische kant van wetenschap aantoont. Experts neigen ertoe om aan hun opinies vast te houden, vaak tegen beter weten in. Daar staat echter tegenover dat Cartailhac wel degelijk zijn mening wijzigde, ook al kon hij eigenlijk niet anders, gezien de toenemende aanwijzingen voor Sautuola’s opvatting. Het verhaal illustreert dus precies het zelfcorrigerende karakter van wetenschap. Had Cartailhac niet zelf zijn opinie herzien, dan hadden zijn collega’s, in het bijzonder de jongere generatie, in geen geval nagelaten om zijn ongelijk aan te tonen. Over Cartailhacs persoonlijke motieven zijn de meningen verdeeld. Sommigen bewonderen hem omdat hij zijn vergissing toegaf, anderen wijzen erop dat zijn ommezwaai niet alleen veel te laat kwam, maar wellicht ook een berekende zet was, bedoeld om respect af te dwingen voor zijn ‘liefde voor de waarheid’ en zijn ‘objectiviteit’. Hoe dan ook, de man wijzigde wel degelijk zijn vroegere mening. Hij zette zich de rest van zijn wetenschappelijke loopbaan in om het onderzoek naar prehistorische kunst te stimuleren.
Optimisme over kritisch denken: Balthasar Bekker en Charles Mackay
De scepsis van Cartailhac over de prehistorische vondst in Altamira was onterecht. Minstens even leerzaam echter is de studie van vroegere kritische denkers waarvan de geschiedenis hun gelijk uitwees. Dat nodigt uit tot gematigd optimisme. Hetzelfde brein dat ons zo vaak de mist instuurt en ontstellende vormen van lichtgelovigheid produceert, is ook in staat tot zorgvuldige argumentatie en redelijke inzichten (mocht dat niet zo zijn, dan had een boek ter bevordering van het kritische denken niet zoveel nut). De geschiedenis van de filosofie en de wetenschap biedt ons vele voorbeelden, maar het meest illustratief zijn die auteurs die zich expliciet kritisch opstelden tegenover het irrationalisme, het bijgeloof en de pseudowetenschap in hun tijd.
Zo schreef de Nederlandse theoloog Balthasar Bekker (1634-1698) een boek waarin hij het standpunt verdedigde dat kometen geen rampen aankondigen, zoals men toentertijd nog vrij algemeen aannam.‹ Ook de Franse theoloog en filosoof Pierre Bayle publiceerde in de zeventiende eeuw teksten waarin het bijgeloof over kometen werd bestreden.› Bekker was een volgeling van de Franse filosoof Descartes, die hem tot systematisch kritisch denken had aangezet. In Bekkers belangrijkste boek De betoverde weereld (1691) bestreed hij het geloof in de duivel, in bezetenheid, in spoken, geesten en heksen. Dat werd hem niet in dank afgenomen. De kerkelijke autoriteiten zetten hem af als predikant. Het verhinderde niet dat het boek een bestseller werd, naar zeventiende-eeuwse normen, en sterk bijdroeg tot de afschaffing van de heksenvervolging. Een andere verdienste van Bekkers boek is dat men individuen met afwijkend gedrag niet langer als door de duivel bezeten beschouwde, maar als geestesziek.
Bekker was natuurlijk niet de enige kritische geest in het zeventiende-eeuwse Nederland. Zoals de Britse historicus Jonathan Israël aantoont in zijn boek Radicale Verlichting (2005)‹ De volledige titel van Israëls boek luidt: Radicale Verlichting. Hoe radicale Nederlandse denkers het gezicht van onze cultuur voorgoed veranderden (Van Wijnen-Franeker). Oorspronkelijk in 2001 gepubliceerd als Radical Enlightenment: Philosophy and the Making of Modernity, 1650-1750.›, legden meerdere denkers in de zeventiende eeuw de basis voor het rationele denken zoals dat in de Verlichting tot bloei kwam. Een uitermate belangrijke rol hierin speelde de filosoof Spinoza, tijdgenoot van Balthasar Bekker. Ook Spinoza kreeg het aan de stok met de religieuze autoriteiten, in zijn geval Joodse rabbijnen. In zijn hoofdwerk Ethica, postuum gepubliceerd, betoogt hij dat alles in de wereld gedetermineerd is en dat God samenvalt met de natuur en bijgevolg geen mirakelen kan verrichten. Eerder al, in zijn Vertoog over de verbetering van het verstand (1660), schreef hij:
Iemand die nooit, op grond van zijn ervaringen of hoe dan ook, heeft nagedacht over de bedrieglijkheid van zijn zintuigen, zal ook nooit aan het twijfelen raken of de zon groter of kleiner is dan zij zich voordoet. Vandaar dat boeren er zich gewoonlijk over verbazen wanneer zij vernemen dat de zon veel groter is dan onze aardbol. Uit het besef van de bedrieglijkheid van de zintuigen echter ontspringt de twijfel (…).
Tot slot willen we hier nogmaals de Schotse journalist en schrijver Charles Mackay (1814-1889) onder de aandacht brengen. Diens lijvige boek Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds (1841) geldt als de negentiende-eeuwse klassieker bij uitstek in het sceptische genre. Mackay bespreekt en analyseert diverse gevallen van delusions, waanvoorstellingen of begoochelingen, waaraan de massa ten prooi kan vallen. Modern onderzoek wijst uit dat hij soms overdrijft en niet alles even accuraat weergeeft, maar Mackay beschikte niet over de huidige onderzoeksmogelijkheden. Evenmin had hij de inzichten van de moderne psychologie, sociologie en communicatiewetenschappen als referentiekader. Zijn boek is zonder meer een schitterende voorloper van de moderne massapsychologie (de studie van denkbeelden gedeeld door een hele groep) en van de sociale psychologie (de studie van sociale beïnvloeding). Zijn voorwoord bij de editie van 1852 zet meteen de toon:
Als we de geschiedenis van naties bestuderen, zien we, net zoals het geval is bij individuen, dat ze hun luimen en grillen hebben, hun perioden van opwinding en roekeloosheid, waarin het hen niet kan schelen wat ze doen. We stellen vast dat hele gemeenschappen plots hun aandacht op één ding vestigen, en gek lijken te worden terwijl ze het najagen. We zien dat miljoenen mensen gezamenlijk in de ban van een begoocheling komen en er achteraan gaan, tot hun aandacht door een nog grotere zotternij afgeleid wordt...‹ Onze vertaling uit de editie van Wordsworth, 1995, p. xv. Het boek is nog steeds in druk (in het Engels). De lectuur ervan is sterk aanbevolen. Voor een boek met een vergelijkbare betekenis voor de geschiedenis van het scepticisme is het wachten tot Martin Gardner in 1957 zijn boek Fads and Fallacies in the Name of Science publiceert. Een waardige opvolger van Mackays boek, waarin tal van latere negentiende-eeuwse en twintigste-eeuwse gevallen van massahysterie en irrationeel groepsgedrag worden besproken, is het werk van Hilary Evans en Robert Bartholomew: Outbreak! The Encyclopedia of Extraordinary Social Behavior (Anomalist Books, 2009).›
De klassieker van Mackay beslaat diverse onderwerpen, waaronder economische luchtkastelen die als zeepbellen uit elkaar spatten, alchemie en de alchemisten (de tot mislukken gedoemde zoektocht naar de ‘steen der wijzen’, een substantie om gewone metalen in goud te veranderen), wichelarij en waarzeggerij, de kruistochten, de heksenvervolging, spookhuizen en relieken (zie hoofdstukken vier en zeven).
De cruciale vraag voor ons, waarop we nog zullen terugkomen, is waarom Balthasar Bekker en Charles Mackay wel sceptisch waren, in tegenstelling tot vele andere, nochtans vaak zeer intelligente en hoog opgeleide mensen. Bekker en Mackay waren bovendien sceptisch op een evenwichtige manier: voldoende kritisch om onzin te ontmaskeren, maar voldoende open van geest om niet alle merkwaardige opvattingen dogmatisch te verwerpen. Met de beperkte kennis en middelen van hun tijd slaagden ze erin om de juiste vragen te stellen. Over welke bronnen beschikken we en hoe kunnen we hun kwaliteit inschatten? Bevat het verhaal tegenstrijdigheden of beweringen die radicaal ingaan tegen de huidige stand van de wetenschap? In de mate van het mogelijke voerden ze ook zelf onderzoek uit en probeerden ze beweringen te testen, zoals ook hedendaagse sceptici doen.
De Bijbelse en de ideale Thomas
De bovenstaande voorbeelden tonen aan hoe belangrijk het is voor een kritische denker om een goed evenwicht te vinden. Enerzijds mogen we niet zo kritisch zijn dat we nieuwe en deugdelijke inzichten verwerpen, anderzijds moeten we vermijden zo open van geest te zijn dat we de sluizen openzetten voor allerlei onzin. Ons ‘sceptisch vaccin’ tegen onzin moet ons op een goed gedoseerde wijze beschermen.
Een sceptische denker vertrouwt ook niet louter op zijn gezond verstand of zijn directe waarneming. Wetenschap brengt vaak opvattingen naar voren die intuïtief erg ongeloofwaardig lijken, maar die toch volstrekt betrouwbaar zijn. Inzien dat de aarde rond de zon draait is al niet evident, maar dat ze dat doet met een snelheid van bijna 30 kilometer per seconde lijkt al helemaal ongeloofwaardig. Daarnaast draait ze ook rond haar eigen as. Op de evenaar bedraagt die rotatiesnelheid ongeveer 1670 kilometer per uur. Directe zintuiglijke waarneming en ons zogenaamd gezond verstand zijn hierbij nutteloos of zelfs misleidend. Onze kennis steunt op wetenschappelijke experimenten en bevindingen of op de autoriteiten die deze experimenten uitvoerden.
Stel dat de ongelovige Thomas aan de oude Griek Eratosthenes zou zeggen: ‘Toon mij dat de aarde rond is en ik zal geloven’ – uiteraard nadat hij empirisch vaststelde dat Eratosthenes wel degelijk na twee eeuwen uit de doden was opgestaan. Eratosthenes zou zijn argument over de lengte van schaduwen op verschillende breedtegraden kunnen uiteenzetten, of wijzen op naderende schepen waarvan we eerst de mast en dan de romp aan de horizon zien verschijnen. Toch kan hij niet aan Thomas’ verzoek voldoen, omdat geen enkele directe waarneming de rondheid van de aarde aantoont. Een extreem ongelovige Thomas, die enkel op zijn eigen zintuigen vertrouwt, zou men nooit van de (imperfecte) bolvormigheid van de aarde kunnen overtuigen. Ook zijn gezond verstand vertelt hem dat, indien de aarde rond is, de mensen aan de andere kant eraf vallen.‹ Tot op vandaag zijn er Bijbelse fundamentalisten die zich als extreem hardnekkige Thomassen gedragen en volhouden dat de aarde plat is, zoals men uit bepaalde Bijbelverzen kan afleiden en zoals onze zintuigen suggereren.›
De ideale Thomas die we hier voor ogen houden, is dus iets meer ontwikkeld dan zijn Bijbelse evenknie. Op zijn gezond verstand of directe waarneming alleen zal hij nooit vertrouwen. Vele wetenschappelijke bevindingen zijn contra-intuïtief en stuiten daarom op ongeloof. Denk aan de snelheid van het licht, de platentektoniek, de ouderdom van het heelal, de kwantummechanica en de evolutietheorie, maar ook aan moderne bevindingen over de mens en zijn gedrag, onder meer ontwikkeld in de psychologie en de neurowetenschappen. Zo tonen steeds meer onderzoeken aan dat onze hersenprocessen net zo goed gedetermineerd zijn als de beweging van de hemellichamen, wat in strijd is met de intuïtieve overtuiging dat we over een zogenaamde vrije wil beschikken (dat we anders hadden kunnen handelen). Ook is het vanuit wetenschappelijk oogpunt bijzonder onwaarschijnlijk dat er zoiets bestaat als een geest in het lichaam. Onze mentale vermogens zijn in wezen even materieel als de vertering van voedsel of de samentrekking van spieren. Toch voelt het dualisme, de opvatting dat mensen zowel een materieel lichaam als een onstoffelijke geest hebben, als vanzelfsprekend aan (zie hoofdstuk zeven).
In de loop van de twintigste en de eenentwintigste eeuw hebben we kennis verworven die het kritische denken verder preciseert en verfijnt. De ongelovige Thomas ging nog niet ver genoeg. ‘Eerst zien en dan geloven’ is op zich een lovenswaardige kritische houding, maar decennia onderzoek van waarnemingspsychologen toont aan dat we onze zintuigen lang niet altijd kunnen vertrouwen. Iemand met de sceptische ingesteldheid van Thomas is bovendien niet opgewassen tegen goed uitgevoerde goocheltrucs of overtuigende visuele illusies (zie hoofdstuk twee). Zoals we verder in dit boek zullen bespreken, zal ons geheugen informatie vaak fout opslaan of verdraaien, zijn we spontaan geneigd om te onthouden wat we willen onthouden en te negeren wat ons niet bevalt, bedriegen we onszelf zonder het te beseffen, gebruiken we drogredenen om onze vooroordelen te verdedigen, kennen we betekenis toe aan willekeurige, toevallige gebeurtenissen, maken we onterecht veralgemeningen en trekken we vaak ongeoorloofde conclusies. Deze nieuwe en ontnuchterende inzichten over het menselijk brein maakt de opdracht om kritisch te denken niet eenvoudiger, maar ze bieden wel een grotere garantie op betrouwbare kennis en bescherming tegen onzin.
De uiteenzettingen in dit boek hebben tot doel om het kritisch denkvermogen van de lezer (en dat van onszelf) verder aan te scherpen. De meeste mensen, zo nemen we aan, zijn liever goed geïnformeerd dan rond te lopen met foute denkbeelden. Helemaal zeker zijn we daar niet van. Misschien hebben sommigen een andere waardenhiërarchie en wensen ze bijvoorbeeld geen kennis die hen ongelukkig maakt. Zoals we kunnen lezen in het boek Prediker (1:18): ‘Want in veel wijsheid is veel verdriet, en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart.’ Sinds het ontstaan van de filosofie, in de zesde eeuw voor onze tijdrekening, is waarheid gestaag geklommen in de waardenhiërarchie. Wij juichen dat toe. De waarheid maakt misschien niet altijd gelukkig, maar illusies en waanbeelden evenmin. In het evangelie van Johannes waarmee we dit boek begonnen, lezen we ook (al geven we toe dat we het enigszins uit de context lichten): ‘De waarheid zal u vrijmaken’ (8:32).
Johan Braeckman doceert filosofie aan de Universiteit Gent. U vindt zijn website op www.johanbraeckman.be.
Maarten Boudry is filosoof en verbonden aan de Universiteit Gent, waar hij onderzoek doet naar pseudowetenschappen.
Johan Braeckman & Maarten Boudry
De ongelovige Thomas heeft een punt. Een handleiding voor kritisch denken.
Antwerpen: Houtekiet
344 p., 22,50 EUR.
Onder: een tekening van het Clootkransbewijs van Simon Stevin (1548-1620), uit zijn boek De Beghinselen der Weeghconst (1586). Stevins bewijs toont de onmogelijkheid aan van een perpetuum mobile.
![]()
Een groot deel van de meer dan vierhonderd op alfabetische wijze behandelde onderwerpen gaat over methoden voor debunking, het ontmaskeren van onzin en de wijze waarop we door anderen of door onszelf bedrogen kunnen worden. Het betreft daarbij redeneerfouten (zoals vals dilemma of post hoc), trucs van charlatans (zoals koud lezen of het Barnum-effect), psychologische processen die ons op het verkeerde been zetten (autokinetisch effect, selectief denken) en dergelijke meer. Daarnaast komen er onderwerpen aan bod waarrond een geur van onzin hangt en waarvan de meeste ons goed gekend zijn, van alternatieve geneeswijzen over ufo’s tot paranormale verschijnselen. Tot slot zijn er nog een aantal meer filosofische onderwerpen, waartoe we ook religieuze opvattingen kunnen rekenen. Het woordenboek van de skepticus behandelt nogal wat religieuze thema’s, niet alleen die welke aanleunen bij pseudo-wetenschap, zoals mirakels en creationisme, maar ook de vraag naar het bestaan van God of goden, een vraag waaraan metafysische en zelfs ethische argumenten te pas komen. Carroll betoont zich een radicale atheïst, hoewel hij in zijn inleiding stelt dat een skepticus niet noodzakelijk atheïst moet zijn en hij regelmatig opmerkt dat het een kwestie is van al dan niet geloven.
Zeker de eerstgenoemde categorie lemma’s, over hoe je onzin ontmaskert, zijn uitermate nuttig en leerrijk voor wie zich wil wapenen in discussies en zijn kritische zin wil aanscherpen. Dat geldt ook voor de uitstekende Minicursus kritisch denken aan het begin van het boek. De lemma’s over de concrete pseudowetenschappelijke onderwerpen vormen het zwakste onderdeel, niet in het minst door de nogal chaotische en onoverzichtelijke aanpak. Een aantal belangrijke onderwerpen ontbreekt (bijvoorbeeld complottheorieën), terwijl we anderzijds lemma’s aantreffen over zaken die hier niet of nauwelijks passen (wat doet een onderwerp als Kosmologie hier?). Het is natuurlijk het recht van een auteur om te schrijven waarover hij wil, maar Carroll weidt snel uit of vervalt in anekdotes nog voordat hij het behandelde onderwerp heeft uitgelegd. Dat leidt tot disproporties. Zo is het lemma Ufo goed voor vijf pagina’s, terwijl Ontvoering door buitenaardse wezens meer dan het dubbele krijgt, hoewel dit onderwerp veel beperkter is en voor een deel inhoudelijk beter bij Ufo past. Het lemma Randi gaat maar voor de helft over James Randi en zijn werk. Zo ook wordt de helft van het lemma Conditionering besteed aan de veronderstelling dat het placebo-effect te wijten is aan conditionering door endorfines, een veronderstelling waar nog eens op teruggekomen wordt in Placebo-effect, zonder een verwijzing naar het vorige lemma. Onlogisch is het voorkomen van de afzonderlijke lemma’s Psychokinese en Telekinese, praktisch synonieme begrippen maar volkomen los van elkaar behandeld zonder onderlinge verwijzing.
Dit vrijwel volledig ontbreken van verwijzingen komt doordat de teksten van de gelijknamige website komen, maar dat verzuimd werd de daar aanwezige hyperlinks in gedrukte vorm over te nemen of te vervangen door een andere vorm van verwijzing. Ook de chaotische structuur gaat blijkbaar terug op de online teksten. Daardoor is het boek onhandig als naslagwerk, iets wat een goede eindredactie had kunnen vermijden.
Helaas zorgt de slordigheid ook inhoudelijk voor verwarring. Neem het vrij uitvoerige lemma Lijkwade van Turijn. In het begin staat er dat de eerste historische vermelding van die beruchte lijkwade ‘blijkbaar’ dateert uit de late zestiende eeuw, hoewel de wade ‘naar verluidt’ ontdekt werd in Turkije tijdens de kruistochten. De eerste bewering is onjuist, de tweede is een zeer betwistbare hypothese die door de ‘lijkwadedeskundigen’ is bedacht. Het is merkwaardig dat Carroll hier niet verder op ingaat. Meteen daarop zegt hij dat de C14-datering aantoont dat de lijkwade rond 1350 werd vervaardigd. Op het einde citeert hij terloops uit het (uitstekende) boek van Joe Nickell over de lijkwade ‘dat er geen historische vermeldingen zijn van de lijkwade voor het midden van de veertiende eeuw – toen een bisschop verslag uitbracht over de bekentenissen van de kunstenaar’. Niet alleen is dat in tegenspraak met het begin, maar de lezer krijgt ook niet te weten wie er met ‘de kunstenaar’ wordt bedoeld. De oudste vermelding van de lijkwade komt inderdaad van een bisschop die de lijkwade een vervalsing noemt, gemaakt door een handige kunstenaar, die daarover bekend heeft. Dit extreem belangrijke feit gaat blijkbaar aan Carrolls aandacht voorbij. Wel besteedt hij hele pagina’s aan de welles-nietesdiscussie of er al dan niet stuifmeel of bloed op de vermeende lijkwade te vinden is.
Dit geeft de indruk dat Carroll niet van alle behandelde onderwerpen goed op de hoogte is of er zich niet echt voor interesseert. In het lemma Astrologie geeft hij een verwarrende en niet zo correcte uitleg over het verschil tussen tropische en siderische astrologie, maar rept met geen woord over het uitvoerig empirisch onderzoek naar de astrologie, een onderwerp dat elke skepticus en wetenschapsfilosoof zou moeten interesseren, te meer daar de resultaten desastreus waren voor de astrologen.
Een ander probleem is Carrolls soms ongewoon scherpe toon. Hij waarschuwt er in zijn inleiding voor dat hij een ‘geharde skepticus’ is ‘die er niet aan twijfelt dat alle occulte onderwerpen fout of frauduleus zijn.’ Ik ga niet in op de vraag of dit een correcte houding is. In elk geval hoeft dat nog niet te betekenen dat men in zijn kritiek regelmatig in een heus requisitoir of een woede-aanval moet vervallen. De neutrale lezer zal zo’n rabiate houding misplaatst vinden, en niet altijd ten onrechte. In het lemma Piramidiotie schrijft Carroll minachtend dat pseudowetenschappers als von Däniken ‘menen dat de oude Egyptenaren te achterlijk waren om de piramiden te bouwen zonder de hulp van buitenaardse wezens.’ Maar von Däniken c.s. hebben dat niet gezegd. Ze gaan enkel uit van de niet zo onredelijke twijfel dat de Egyptenaren met alleen mankracht en beperkte technische middelen in staat waren zulke enorme bouwwerken te maken. Het is een twijfel die al eerder en ook nadien door min of meer serieuze geleerden werd geopperd.
Ook de manier waarop Carroll de parapsychologen aanpakt is niet echt fair. Hij definieert parapsychologie als ‘de zoektocht naar een bewijs voor paranormale fenomenen zoals ESP en psychokinese’, om er meteen aan toe te voegen dat parapsychologen, in tegenstelling tot de meeste wetenschappers, ‘proberen onverklaarbare fenomenen waar te nemen’ en dit te associëren met bijgeloof en magisch denken. De meeste ernstige parapsychologen en ook wel geïnformeerde skeptici stellen dat er op zijn minst waarnemingen van paranormale verschijnselen bestaan en dat de parapsychologie daar juist een verklaring voor wil zoeken.
Voor Carroll lijkt het dan ook overbodig om veel aandacht te besteden aan het empirisch onderzoek in de parapsychologie. Op de vele min of meer ernstig bedoelde gedane experimenten gaat hij niet of nauwelijks in. Het volstaat hem te zeggen dat er bij dit onderzoek twijfel was aan de correcte uitvoering, aan de eerlijkheid, enzovoort. Dat geldt ook voor de veelbesproken Ganzfeld-experimenten, die hij vermeldt zonder de lezer uit te leggen waaruit die bestaan. Hij herinnert er enkel aan dat de bij die experimenten gevonden correlaties geen oorzakelijk verband impliceren (wat correct is) en besluit met: ‘als er een oorzakelijk verband is, is dat daarom nog niet paranormaal van aard’ – een besluit dat niet bepaald duidelijk is. De onbevooroordeelde lezer krijgt de indruk dat Carroll liever niet wil ingaan op experimenten die misschien – misschien – toch iets interessants opleveren, terwijl hij wel hele pagina’s besteedt aan het in de grond boren van de charlatan Uri Geller.
Het minste wat je zou mogen verwachten, is dat Carroll zijn soms lapidaire beweringen toelicht. Als hij in verband met creationisme schrijft dat ‘wetenschap zich enkel bezighoudt met naturalistische verklaringen van empirische fenomenen en zich niet bezighoudt met bovennatuurlijke verklaringen van metafysische fenomenen’, dan is dat een interessante stelling, die echter om argumenten vraagt. Niet alle skeptici zijn het daar immers mee eens en creationisten zouden dit kunnen interpreteren als een a priori afwijzen van bovennatuurlijke verklaringen door de wetenschap.
Als het om religie gaat, en dan vooral over het katholicisme, wordt Carroll zo mogelijk nog heftiger. In het lemma Heksen zegt hij dat de (katholieke?) Kerk met de heksenvervolgingen een ‘Rijk van Terreur’ heeft opgezet ‘dat op vele vlakken erger was dan de terreur van Stalin of Hitler’, om eraan toe te voegen dat beruchte heksenprocessen in de Amerikaanse stad Salem (18de eeuw) niets te maken hadden met de terreur van de Kerk! Hij weet blijkbaar niet dat er meer heksen veroordeeld werden door wereldlijke dan door kerkelijke rechtbanken en dat de heksenvervolgingen bij de protestanten (zoals in Salem) minstens even hevig waren als bij de katholieken.
Die harde, polemische opstelling zal hoe dan ook menige lezer afschrikken, zelfs al schrijft Carroll dat hij zich ook tot de ‘gelovige twijfelaar’ richt. Maar ondanks deze tekortkomingen is Het woordenboek van de skepticus een boeiend en interessant boek. Zoals gezegd zijn de artikels rond debunking bijzonder nuttig. Ze zouden bijna verplichte lectuur moeten zijn voor strijdende skeptici. Ook veel lemma’s over de afzonderlijke pseudowetenschappen zijn interessant vanwege de vaak originele kritische opmerkingen, eerder dan door de concrete informatie over het behandelde onderwerp.
Globaal loont het boek zeker de moeite, net omdat de auteur over deze waaier van onderwerpen een uitgesproken mening heeft, die met een heel eigen stijl verkondigt en in sommige gevallen met bescheiden en genuanceerde opvattingen uit de hoek kan komen. In het lemma Wetenschap ontkent hij bijvoorbeeld stellig dat de wetenschap tot absolute zekerheid leidt, maar verwerpt hij evenzeer ieder relativisme over de waarde van wetenschap. Men moet Het woordenboek van de skepticus dan ook niet beschouwen als een echte skeptische encyclopedie, zoals het onvolprezen Tussen waarheid en waanzin van Nienhuys en Hulspas, maar meer als een bundel essays van een scherpzinnig en eigenzinnig denker, te vergelijken met de filosofische woordenboeken van Pierre Bayle en Voltaire uit de tijd van de verlichting. En dat laatste is natuurlijk als compliment bedoeld.
Tim Trachet is journalist en stichtend lid/erevoorzitter van SKEPP.
Robert T. Carroll & Herman Boel, Het woordenboek van de skepticus. Een overzicht van vreemde overtuigingen, grappige misleidingen en gevaarlijke waanideeën (vertaling van The Skeptic’s Dictionary, Wiley 2003)
Lannoo, 2010
512 pp., 29,95 EUR
Het boek vangt aan met Vanden Berghes negatieve ervaringen met zijn (eerste) appartement. Hij voelt er zich al meteen slecht. Omdat zijn klachten blijven aanhouden – hij krijgt last van een geblokkeerde nek, wat de artsen aan stress toeschrijven – besluit hij te verhuizen. Of hij dat doet nadat zijn schoonvader hem vertelt dat hij gek moet zijn om een woning vol gipskarton te hebben, is niet duidelijk, maar hij komt tot het besef dat gips in de muren gevaarlijk is. Gips zit vol gevaarlijke stoffen, zo leren we.
Intussen voelt de auteur ook een ‘druk op zijn hoofd’ van zodra hij zijn kantoor op de RJV binnenstapt. Als later zowat het hele personeel op dat kantoor zich voortdurend onwel voelt, merkt hij op dat de tussenpanelen in de kantoorruimten allemaal gipsplaten zijn. Vanden Berghe laat, als diensthoofd, een onderzoek instellen door de door hem op het internet gevonden firma VeBo. Die treft ‘sterke radioactiviteit’ aan in twee van de drie muren. Maar als Control-atom, een instelling die voor de overheid werkt, een officieel onderzoek verricht in de RJV-kantoren, vindt ze veel lagere waarden. Vanden Berghe laat vervolgens op eigen kosten metingen verrichten door nog een andere firma, die de resultaten van VeBo bevestigt.
En dat is nog niet alles. Volgens het ‘aanvoelen’ van Vanden Berghe is de radioactiviteit in de RJV ongelijk verspreid. ‘Op sommige plaatsen had ik meer last van hoofdpijn dan elders.’ Na twintig jaar dienst ontwaart hij de rookmelders aan het plafond. In zijn eigen kantoor hangt er nog wel één boven zijn hoofd! Blijkbaar ontdekt hij dat nadat een vriend, een leraar, hem vertelde dat zulke rookmelders radioactief zijn. Inderdaad gebruikt een bepaald soort rookmelder radioactief americium-214, dat in een smalle opening de lucht ioniseert en zo een zwakke stroom doorlaat. Komt er rook in die opening, dan vermindert dit het geleidend vermogen, zodat het toestel alarm slaat.
Vanden Berghe valt naar eigen zeggen van zijn stoel en roept er opnieuw Erik Verbeeck van de firma VeBo bij, die ter plekke gammastraling detecteert. Maar als Controlatom er opnieuw bij wordt geroepen, krijgt hij te horen dat ‘straling onder een rookmelder niet gemeten kan worden.’ Bizar, vindt Vanden Berghe, want hij zag bij de meting van VeBo met eigen ogen cijfertjes op het meettoestel verschijnen – wat een idee geeft van zijn kennis ter zake. Later vermeldt hij zelf, zijdelings, dat het americium veilig ingekapseld zit in die rookmelder, maar hoe dan ook vindt hij dat gevaarlijk. Hij merkt zelfs op: ‘Americium komt ook vrij bij de ontsteking van de atoombom’ (de logica van die opmerking is me niet geheel duidelijk).
Als later de ioniserende apparaten op zijn kantoor door optische rookmelders worden vervangen, heeft dat een ‘spectaculair effect’ op de gezondheid van Vanden Berghe. De ‘vervelende druk’ op zijn hoofd verdwijnt onmiddellijk.
De directie zwaait intussen met haar rapport om niets te doen. Als hij op een vergadering met de preventie-adviseur, de bedrijfsarts en Controlatom geroepen wordt, is volgens hem de enige bedoeling ‘mij te doen zeggen dat er geen problemen waren met het gebouw.’ Het woord ‘complot’ valt bij deze brave ambtenaar niet, maar toch merken we enig complotdenken in de achtergrond, bijvoorbeeld de opmerking dat Controlatom een monopolie heeft voor dergelijke veiligheidscontroles.
Vanden Berghe heeft duidelijk iets tegen de officiële instantie Controlatom en tegen het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC), waarvan deze afhangt. Opmerkelijk is ook dat Erik Verbeeck, na het verdwijnen van zijn firma VeBo, een eigen blad annex nieuwssite begonnen is, waarin hij zich als onderzoeksjournalist voordoet en voortdurend tegen het FANC uitvaart.
Pas na die verwarrende verhalen over radioactiviteit stapt Vanden Berghe over op radiostraling. Ook hier begint hij heel persoonlijk, want hij had in zijn (tweede) appartement regelmatig last van ondraaglijke hoofdpijn en viel zelfs eens ‘een paar minuten in zwijm.’ Hij schrijft dat toe aan de straling van het basisstation van zijn draadloze telefoon en de WiFi-antennes in het gebouw. Dit stelde hij vast met een elektrosmogdetector (gekocht bij Etudes et Vie, een Waalse organisatie die diensten voor ‘stralingsdetectie’ aanbiedt, maar ook aan geobiologie doet). Met dat toestel ontdekte hij een boel stralingsbronnen in zijn appartement. Uiteindelijk verhuist hij en kan hij rustig slapen, door een grote kooi van Faraday rond zijn bed te bouwen en zijn muren met speciale folies te beplakken.
De rest van het boek is grotendeels een opsomming van de mogelijke gevaren van gsm-antennes en aanverwanten. Hele lijsten van gruwelijke aandoeningen passeren de revue. Zo zouden er bewijzen zijn dat gsm-straling aan de oorzaak ligt van genetische schade, effecten op stressproteïnen, verstoring van het immuunsysteem, hersentumoren, leukemie bij kinderen, Alzheimer, borstkanker en nog veel meer. Waarna een overzicht volgt van acties, protestbewegingen en schandalen zowat overal ter wereld.
De aanpak van dit boek is ronduit dilettantisch. Patrick Vanden Berghe legt de lezer niet uit wat elektromagnetische straling of niet-ioniserende straling is. Hij maakt geen onderscheid tussen elektromagnetische straling en elektrische of magnetische velden (toegegeven, hij is niet de enige) en goochelt met grootheden en eenheden die hijzelf nauwelijks begrijpt. Als hij het over radioactieve straling heeft, vraagt hij zich af waarom daarbij zoveel verschillende eenheden worden gebruikt (REM, becquerel, gray, sievert…). Het is bijna alsof de experts het voor de gewone mens zo onduidelijk mogelijk willen maken. Ook officiële organismen krijgen regelmatig het stigma van partijdigheid. Zo lezen we dat de eerste voorzitter van de commissie voor niet-ioniserende straling van de Wereldgezondheidsorganisatie jaarlijks 150.000 dollar van de industrie zou ontvangen hebben.
Wat moeten we hier allemaal van denken? De in dit boek vermelde ‘bewijzen’ kloppen niet of bestaan niet (Vanden Berghe geeft ook geen duidelijke referenties). Steeds opnieuw worden de gevolgen van gsm-straling getest en steeds opnieuw blijken die mee te vallen. Dat is overigens te verwachten. Hoogfrequente radiostraling is net als alle straling met een golflengte langer dan ultraviolet een vorm van niet-ioniserende straling. In tegenstelling tot ioniserende straling is de energie niet sterk genoeg (volgens de formule van Planck neemt de energie van een elektromagnetische golf evenredig toe met zijn frequentie) om de elektronen uit de atoombanen te slaan en zodoende de stof zelf aan te tasten. Wel vertonen niet-ioniserende stralen thermische effecten (de microgolfoven is het bekendste voorbeeld), maar die zijn sterk afhankelijk van de intensiteit van de straling. Welnu, die intensiteit is relatief laag en neemt snel af met de afstand. Wie op enkele tientallen meters van een gsm-antenne woont, ontvangt maar weinig straling. Dat we dagelijks urenlang aan dergelijke straling worden blootgesteld is geen probleem. We zijn ook dagelijks urenlang blootgesteld aan de straling van kachels (met opzet!) en we lopen voortdurend in de zon.
De auteur is bijzonder beducht voor het pulserend karakter van gsm-straling. Om zoveel mogelijk telefoons te bedienen, zendt een gsm-antenne inderdaad niet continu op één frequentie uit, maar schakelt voortdurend voor korte tijd over op wisselende golflengtes. Vanden Berghe vergelijkt deze pulsen met herhaaldelijk ‘kloppen’ of zelfs een machinegeweer. Die vergelijkingen slaan nergens op: elektromagnetische golven die pulseren (i.e. regelmatig aan- en uitfloepen), zijn geen hamers of kogels. Is het geluid van een ambulance dat voortdurend van toonhoogte wisselt hinderlijker of gevaarlijker dan een continu loeiende sirene?
Blijven Vanden Berghes persoonlijke klachten. Hij rekent zichzelf tot de ‘stralingsgevoelige mensen’, die wanhopig ergens een veilig en rustig plekje in deze door straling vergeven wereld zoeken. Hij geeft voorbeelden van andere overgevoelige mensen, die soms ver weg van de bewoonde wereld in een eenzaam huisje in de bossen gingen wonen, maar geeft uiteindelijk toe: ‘Er is geen gemakkelijk aantoonbaar symptoom dat op elektromagnetische overgevoeligheid wijst.’
Inderdaad. Probleem is dat men straling meestal niet voelt, ook geen gevaarlijke zoals radioactiviteit. Radiostraling is gewoonlijk onmerkbaar, tenzij de warmte-effecten van een microgolfoven, maar dat is dan bij bijzonder hoge intensiteit. Het lijkt erop dat het grootste probleem tussen de oren van de betrokkenen zit. De slachtoffers voelen zich niet goed omdat ze weten (of denken) dat ze onder straling liggen. Dat wordt het nocebo-effect genoemd, het tegenovergestelde van placebo. Het is een nocebo-effect dat door publicaties als deze alleen maar uitbreiding kan vinden.
Tim Trachet is journalist en stichtend lid/erevoorzitter van SKEPP.
Patrick Vanden Berghe, Stralingsgevaar! Vervuiling in een gsm-maatschappij.
EPO, 2010
175 pp.,
15,00 EUR
Wat is radioactiviteit en wat doet het?
Bij radioactief verval veranderen instabiele atoomkernen. Daarbij komt straling vrij. De meest doordringende is gammastraling, een zeer energierijke ioniserende straling. Die vereist krachtiger beschermingsmaatregelen, in de vorm van beton of een dikke laag water. Ioniserende straling noemt men hoogfrequente elektromagnetische straling die vanwege haar hoge energie (hoe hoger de frequentie, hoe krachtiger de energie) weefsels kan verbranden of kanker kan veroorzaken door schade te berokkenen aan het DNA. Deze gevolgen kon u in de zeer zonnige aprilmaand van 2011 goed ondervinden: zonlicht, een gevolg van kernfusie, veroorzaakt zonnebrand en huidkanker.
Het meeste gevaar komt nog van laag radioactief stof dat je kan inademen en dat lokaal kanker kan verwekken. Radioactief jodium wordt opgenomen door de schildklier, nestelt zich daar en veroorzaakt schildklierkanker door lokaal ioniserende straling af te geven. Daarom verstrekt men rond kerncentrales jodiumpillen aan de bevolking: bij een ongeval wordt de schildklier dan verzadigd door een zeer hoge dosis medicinaal jodium, waardoor radioactief jodium niet kan worden opgenomen.
Radioactiviteit is een verschijnsel dat overal in de natuur voorkomt. De natuurlijke bronnen zijn van velerlei aard: In de aardkorst zitten relatief sterke radioactieve metalen als uranium en thorium, net als het gas radon ( vervalproduct van uranium), en vele andere. Zelfs ons lichaam en dat van alle levende wezens is licht radioactief, door de aanwezigheid van isotopen als koolstof-14 en kalium-40. Het biologische effect van straling wordt uitgedrukt in sievert (Sv). 1 Sv wordt onderverdeeld in duizend millisievert ( mSv) of 1 miljoen microsievert (μSv). De gemiddelde aardbewoner krijgt tussen 1,0 en 3,5 mSv per jaar binnen. Een gemiddelde Belg krijgt 4,4 mSv per jaar binnen (12 μSv per dag), met als belangrijkste bronnen radon (1,5 mSv) en een met straling wel erg vrijgevig medisch beroep (1,9 mSv). Het radioactieve gas radon komt in de Ardennen veel uit de bodem en is daar een beperkt maar reëel milieuprobleem dat vermoedelijk longkanker veroorzaakt. Let wel, als u leest over een toename van longkanker met 60%: dat klinkt veel, maar het is goed om weten dat longkanker bij niet-rokers een zeldzame aandoening is. 60% van weinig is nog minder. Radon zou interageren met roken, wat betekent dat het bij rokers wel een flink verhoogd risico zou betekenen. De concentratie van radon in huizen hangt mee af van de architectuur: vooral in te goed geïsoleerde huizen loopt de concentratie aan radon soms hoog op. In Nederland is de totale blootstelling heel wat minder: 2,5 mSv (7 μSv per dag). In de hoop modder en zand die een groot deel van Nederland uitmaakt, is er weinig natuurlijke straling door radon (0,6 mSv). Nederlandse artsen zijn opmerkelijk zuiniger met het toedienen van straling: 0,8 mSv (artsen uit Antwerpen of Limburg kunnen opmerken dat Nederland zijn patiënten over de grens stuurt, om daar goedkoop van het grote overaanbod aan dure medische beeldvorming te profiteren). Het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM), de verantwoordelijke Nederlandse overheidsinstelling, berekent dat deze natuurlijke straling ongeveer 2000 doden veroorzaakt, 1,5% van de totale sterfte. Doorgerekend is dat zowat het dubbele in België (3% of een 3000 doden). Geen paniek, het is maar statistiek. Dergelijke doden sneuvelen in rekenmodellen als een gevolg van omstreden aannames (zie verder). In bepaalde streken van de wereld wordt er 70 mSv per jaar gemeten aan achtergrondstraling, zonder enig meetbaar effect op de sterfte. Deze nonsens is illustratief voor de angstcultuur in het officiële milieu-adviesbeleid. De angstcultuur is een deskundigencultuur die problemen overdrijft in ‘worst case thinking’, om de hulpeloze burger te overtuigen van het nut van het bestaan van deskundigen om hen te behoeden voor al deze verschrikkingen. De wetenschappelijk correcte vaststelling is dat we geen flauw benul hebben wat de gevolgen zijn van straling aan een dergelijke lage dosis van omgevingsstraling.
Biologische gevolgen
Bij hoge straling worden diepe weefsels verbrand: dat is het principe van radiotherapie bij kanker. De biologische gevaren van lagere doses aan straling ontstaan vooral door de mogelijkheid DNA te beschadigen en zo mutaties te verwekken. Een gevreesd effect van die mutaties zijn genetische en overerfbare afwijkingen. In de praktijk bleef dit gevaar beperkt tot de scenario’s van B-films. Godzilla, een door straling gemuteerde en bijna onverwoestbare dinosaurus, is de meest bekende. Godzilla heeft zijn wortels in de angst voor straling na Hiroshima en Nagasaki. In Kazachstan (Semipalatinsk) werden de fauna, flora en mensen blootgesteld aan enorme hoeveelheden nucleaire fall-out door kernproeven in open lucht, een zeer groot veelvoud van de kernramp in Tsjernobyl. Daar zijn niet meer genetische afwijkingen aangetoond, evenmin als in Tsjernobyl.
Bestraling bij zwangerschap kan beschadiging van de daarvoor zeer kwetsbare vrucht veroorzaken. Daartoe zijn hoge doses noodzakelijk (500 mSv of meer). Na Tsjernobyl zijn er veel abortussen uitgevoerd. Dat kwam niet door radioactieve schade, maar door de angst voor radioactieve schade. In Tsjernobyl of Kazchstan zijn er niet meer aangeboren afwijkingen aangetoond dan elders in de ex-Sovjetstaten. Alcoholisme en een voeding arm aan foliumzuur, bekende oorzaken van aangeboren afwijkingen, zijn een gigantisch probleem in de ex-Sovjetstaten. Het is niet onmogelijk dat er meer aangeboren afwijkingen waren, maar dat deze werden ‘verdronken’ in deze veel grotere problematiek.
Het meest in de media opgemerkte effect is dat op kanker. Na Tsjernobyl is er veel schildklierkanker weergevonden, een gevolg van het inademen van radioactief jodium. Een belangrijke oorzaak was daarbij een voeding arm aan jodium: de uitgehongerde schildklieren van de jonge Sovjetkinderen vonden het Tsjernobyljodium heel lekker. Er zijn ‘slechts’ negen kinderen aan gestorven. Schildklierkanker komt zowat nooit voor bij kinderen (zie kaderstuk). Deze kankersterfte is met zekerheid veroorzaakt door het ongeval in Tsjernobyl. Er zijn weinig kinderen aan gestorven, omdat schildklierkanker zo goedaardig verloopt en zo goed behandelbaar is. Er zijn geen aanwijzingen weergevonden dat de kankersterfte door andere oorzaken dan schildklierkanker is toegenomen. Meer bepaald is er geen toegenomen sterfte aan leukemie bij kinderen waargenomen, een bloedkanker die veel voorkwam bij overlevenden uit Nagasaki en Hiroshima. Er wordt daarrond veel stemming gemaakt, mede door belanghebbende onderzoeksinstellingen uit de regio die belang hebben bij overdrijving, maar de medisch-wetenschappelijke consensus daarover is eenduidig: er is geen bewijs van een toename van leukemie. Dat betekent niet dat er bewijs is van geen toename. Een slechte gezondheidszorg, die nog verder instortte bij de implosie van het communisme, kan heel wat verhullen. Dat is echter speculatie, geen feit.
Onder de getroffen bevolking van Kazachstan of Tsjernobyl is wel veel angst aangetoond. Angst is het voor de volksgezondheid meest tastbare gevolg van radioactieve besmetting. Die angst is echter allesbehalve irrationeel: je ziet, hoort, voelt, smaakt of ruikt geen radioactieve straling, die evengoed dodelijk kan zijn op korte of lange termijn. Dat is bijzonder angstaanjagend. Wat de gevolgen van de fobische angst voor straling zijn geweest in Tsjernobyl, valt even moeilijk in te schatten als de fysieke gevolgen, wegens dezelfde weerkerende reden: de achtergrond van hopeloosheid en alcoholisme bij de ex-Sovjetvolkeren, wat gepaard gaat met hoge aantallen zelfdodingen.
De gezondheid in de Oekraïne, Wit-Rusland en Kazachstan is barslecht, maar die is barslecht in alle ex-Sovjetstaten. Mannen uit de ex-Sovjetstaten hebben na zwart Afrika de laagste levensverwachting van de wereld. De oversterfte in deze landen draagt echter de handtekening van alcohol, roken, hopeloosheid en een kreupele gezondheidszorg. Voor de artsen van de getroffen regio’s is alles de schuld van straling, en steeds hopeloos. Dat is handig als je je niet graag moe maakt of je inspanningen beperkt tot wie veel wil betalen. De medische sector in Sovjettijd was geen schoonheid, maar een parel in vergelijking met de postsocialistische puinhoop. Oversterfte door Tsjernobyl is mogelijk ‘verdronken’ in deze enorme problematiek.
Hormesis: een beetje straling is goed voor de gezondheid
De relatie tussen blootstelling aan straling en kanker is ontwikkeld op mensen die bloot stonden aan hoge tot zeer hoge doses straling, vooral overlevenden van Hiroshima en Nagasaki. Andere onderzoeksgroepen zijn arbeiders in de kernenergiesector, overlevenden van radiotherapie en de opruimers van Tsjernobyl. Daar is het verband duidelijk en wordt het weergegeven door een wiskundig model, bekend als het ‘lineair-kwadratisch model’. Straling aan deze doses geeft je een berekenbaar verhoogd risico op kanker voor de rest van je leven.
Wat gebeurt er bij lage doses aan straling? Daarvoor ontbreken de waarnemingen, omdat het verwachte effect te klein wordt om betrouwbaar weer te vinden. Wat men kan doen, is met dat lineair-kwadratisch model terugrekenen naar lage waarden. Op die wijze is berekend dat in Nederland jaarlijks 2000 mensen sterven door natuurlijke straling. Alternatieve modellen veronderstellen dat dergelijke lage doses niet uitmaken, maar mogelijk is het nog straffer. Mogelijk is een beetje straling goed voor je. Dat klinkt ver gezocht: een complot van de kernindustrie. Hormesis (uit het Grieks, waar het prikkel betekent) is in de toxicologie en de geneeskunde echter meer regel dan uitzondering. Er zijn ontzaglijk veel voorbeelden bekend waarbij middelen aan hoge dosis dodelijk zijn maar aan lage doses gunstig. Het alcoholisme in de ex-Sovjetbevolkingen is een ramp van de hoogste orde, maar matig gebruik van alcohol is beter voor de gezondheid dan geheelonthouding. Micronutriënten of sporenelementen zijn stoffen die je in kleine doses niet kan missen, waar die in hoge doses schadelijk of dodelijk zijn. Zeer veel medicijnen zijn dodelijk in overdosis, maar hebben bij de juiste dosis gunstige gevolgen. Immuniteit, een zeer complex systeem, zit vol paradoxen door hormesis. Vaccinatie is hormesis: het toedienen van een prikkel om het immuunsysteem te activeren. Contact met malaria houdt de weerstand tegen malaria (‘premunitie’) op peil. De ‘hygiënehypothese’, geen hypothese meer maar bevestigde theorie, is typische hormesis: de prikkeling van het immuunsysteem door allergieverwekkende stoffen op jonge kinderleeftijd voorkomt allergieën zoals astma en eczema. Kinderen die opgroeien op boerderijen, blootgesteld aan allerlei vogelpluimen en dierenhaar, hebben veel minder last van astma en atopisch eczeem dan hun leeftijdsgenootjes uit de stad. Zorgvuldig uitgebalanceerde laagcalorische diëten doen door hongerstress de levensduur van veel diersoorten toenemen, inclusief zoogdieren. Wie ernaar wil zoeken, vindt een handboek vol voorbeelden van hormesis.
Geldt dit ook voor straling? Er is veel weerstand tegen het idee van stralingshormese. Het is niet het standpunt van de meerderheid. De minderheid kan echter sterke argumenten aanvoeren, zowel uit laboratoriummodellen als uit lopende studies op mensen. Kort samengevat is dit de theorie: hogere doses straling beschadigen DNA onherroepelijk en veroorzaken kanker. Maar lagere doses straling prikkelen het DNA-herstel. Deze geprikkelde systemen zijn actiever in het opruimen van schade aan DNA door mutaties en beschermen zo het lichaam tegen kanker.
Kanker is een complex, niet-lineair proces, gevormd door natuurlijke evolutie. Cellen moeten kunnen groeien om schade te herstellen, maar moeten in de pas blijven lopen. Afweer tegen kanker is even oud als het complexe meercellige leven: zonder die afweer tegen rebelse cellen is meercellig leven onmogelijk. Natuurlijke evolutie heeft die afweer tegen kanker ontwikkeld tegen een achtergrond van alomtegenwoordige straling. In dergelijke complexe processen zijn vormen van terugkoppeling die leiden tot paradoxale reacties zoals hormesis de regel.
De enige correcte wetenschappelijk verantwoorde samenvatting blijft dat we de effecten van straling aan een lage dosis niet kennen, maar dat het zeker niet zo is dat die evident schadelijk zijn. We weten het niet.
Tsjernobyl
In 1986 ging een deel van de kerncentrale van Tsjernobyl spectaculair de lucht in, en daarmee ook de nucleaire droom. Het Sovjetregime was uitgeleefd, de kerncentrale was uitgehold door een tekort aan wisselstukken, een gevolg van de Amerikaanse boycot na de inval van de Sovjets in Afghanistan. Na een veiligheidsoefening vloog het dak van de kerncentrale, die meer dan tien dagen een fontein radioactieve nucleïden hoog de atmosfeer inspoot. Er wordt weinig aandacht besteed aan het feit dat Tsjernobyl ontplofte tijdens een veiligheidsoefening. De verantwoordelijke ingenieurs wisten heel goed dat de kerncentrale onveilig was. Rituele veiligheidsoefeningen vervingen een feitelijk beleid: het stilleggen van een onveilig geworden kerncentrale. De les is dat veiligheid van kerncentrales mensenwerk blijft en dat mensen gevoelig zijn voor druk.
Tweehonderdduizend mensen, bekend als ‘liquidators’, waren betrokken bij het opruimen van de ellende. Later werd dit aantal verder opgetrokken tot 800.000, maar zij werden vermoedelijk niet blootgesteld aan hogere doses. De objectiveerbare gevolgen van dit ongeval bleven echter relatief gering: 47 arbeiders stierven door acute straling en negen kinderen door schildklierkanker. De speculatie kende echter geen grenzen. Aan de ene kant van de ring stonden de internationale deskundigen van UNSCEAR (de Verenigde Naties), de WHO (de Wereldgezondheidsorganisatie) en de IAEA (het Internationale Atoomenergie-Agentschap). Deze deskundigen hebben per definitie belangstelling voor kernenergie, en daarmee ook belangen. Dat kan leiden tot onderschatting van het aantal slachtoffers. Zij berekenden mogelijk 4000 extra slachtoffers aan kanker, maar vonden dit later overdreven, wegens het uitblijven van leukemie in de getroffen kinderen. Aan de andere kant van de ring staan de milieubeweging en milieuonderzoekers. Zij hebben zeker rechtstreeks belang bij het overschatten van de gevolgen: ze leven ervan. Ze moeten geld uit de markt van donors en subsidiegevers trekken. Het zijn die onderzoekers die voortdurend worden opgevoerd door de media, ook al worden hun meningen door de wetenschapsmedia als bevooroordeeld beschouwd. Het onderzoek naar de gevolgen van Tsjernobyl is een bloeiende industrietak in Oekraïne en Wit-Rusland; 5 tot 7% van het BBP van Oekraïne wordt aangewend voor de opvolging van Tsjernobyl.
Het gevecht wordt gevoerd op het terrein van de speculaties en van mediaspin met rekenmodellen die de ideologie en belangen van de makers uitrekenen. Rekenmodellen zijn een noodzakelijk kwaad als waarnemingen ons in de steek laten. In de evidence based medicine tellen ze mee als expert opinion als er enige consensus bestaat over de aannames. De aannames zijn hier echter elkaars tegengestelde. Goede risicocommunicatie zou de nadruk leggen op onzekerheid en op de afwezige feiten die grote aantallen slachtoffers moeten ondersteunen. We kennen de aantallen slachtoffers niet, ook omdat het er onvoldoende zijn om ze weer te vinden.
Van Tsjernobyl naar Fukushima en demografie
Tsjernobyl ontplofte als werkende atoomcentrale tegen de achtergrond van het imploderende communisme. Als aanslag op de volksgezondheid was het in het geheel van de gezondheidsproblematiek van de omliggende ex-Sovjetvolkeren een fait divers. Dat deelt Tsjernobyl met Fukushima. In de Japanse prefectuur Fukushima, aan de rand van de oceaan, lag een centrale met zes kernreactoren. Na een zware zeebeving werden de reactoren stilgelegd, maar de vloedgolf van veertien meter hoog die tegen de centrale aanbeukte, hebben ze niet overleefd (of ten minste vier van de zes niet). Dat zijn dingen die gebeuren. Japan ligt niet sinds vandaag op de ‘ring van vuur’, de ring van geologische instabiliteit rond de Stille Oceaan. Zes kerncentrales aan de rand van de oceaan is de goden verzoeken: tsunami is een Japans woord. Maar in Japan is nergens anders voldoende koelingwater aanwezig. Evengoed als de onvermijdelijke angst voor straling zijn ongevallen met ontsnappende radioactiviteit deel van kernenergiewinning. In het geheel van de tsunami zijn de menselijke gevolgen van dit kernongeval beperkt. De grootste schade bij de overlevenden wordt zonder veel twijfel aangericht door de strategie van de angst die wordt gevoerd als gevolg van dit ongeval: belangenbehartiging door milieuactivisme en sensatiezucht van de media.
Het is zeker zo dat Fukushima een nieuwe klap heeft gegeven aan de herlevende kernenergie. De kern van het energieprobleem is demografisch: groeiende aantallen mensen met groeiende energiebehoeften. Schaarste van een goed ontstaat door meer vraag dan aanbod, en bepaalt de prijs. We zullen niet zonder energie vallen, maar schaarsere energie is duurdere energie. De Belgische vaudeville met de zonnepanelen toonde de burgers dat subsidies aan de enen kosten voor de anderen betekent. Zonne- en windenergie hebben hun plaats in een gezonde mix van energievormen, maar de hoge kostprijs vergt blijvende financiële ondersteuning en door hun variabele aard kunnen ze enkel meer betrouwbare energiebronnen aanvullen. Bij gebrek aan kernenergie zijn dat fossiele brandstoffen, en op halflange termijn is er enkel genoeg steenkool voor iedereen. Wie een toekomstvisie bouwt op technologische revoluties in hernieuwbare energiebronnen, waardoor die energie goedkoper wordt, moet aanvaarden dat de kernenergiesector hetzelfde belooft met kernafvalverwerking.
Kernenergie lijkt goedkoop, maar in de gezondheidseconomie is goed bekend dat de kosten en baten van een product in aanzienlijke mate worden bepaald door wie ze berekent. De kosten van het opruimen en opvolgen van Tsjernobyl zijn gigantisch, de opvolging van Fukushima zal ook niet van de poes zijn. Kernafval en de rommel van verongelukte kerncentrales die toxisch blijven over tienduizenden jaren zijn geen cadeau aan de generaties na ons. De kosten blijven eeuwenlang na-ijlen na de baten. De baten van de exploitatie vloeien toe aan de exploitant, maar de latere kosten: het opruimen van kernafval, afgeschreven installaties en onvermijdelijke, zij het zeldzame ongevallen, vallen bijna onvermijdelijk ten laste aan de gemeenschap. De aansprakelijkheid van kerncentrales bij schade is ook maar tot een bepaald maximum verzekerd. Het is onduidelijk wat er gebeurt als dat maximum wordt overschreden. Het grootste deel van dat bedrag wordt dan nog gegarandeerd door de staat en door een gemeenschappelijk fonds van nucleaire staten. Electrabel verzekert ongeveer een derde van dat bedrag bij commerciële verzekeringsmaatschappijen, de rest (vermoedelijk) bij de overheid.
De kern van het debat over kernenergie zijn demografische toekomstperspectieven. Gedurende deze 21ste eeuw zullen we met heel veel mensen leven op een warmer wordende planeet, en met meer mensen die ook een auto, centrale verwarming en een stukje vlees bij de warme maaltijd ambiëren. In de toekomst daalt de wereldbevolking, die, op basis van huidige trends, beter geschoold en welvarender dan ooit zal zijn. Mogen we deze delicate overgang, waarbij grote aantallen aardbewoners doorheen de 21ste eeuw worden geloodst naar een minder dichtbevolkte planeet, ondersteunen met goedkope kernenergie? Daarbij zullen we ons meer welvarend, hoger geschoold en technologisch kundiger nageslacht een giftig geschenk met hoge kosten nalaten. Of moeten we de energiebroekriem stevig aanhalen? Maar dat betekent meestal de factuur doorschuiven aan wie zwakker is.
Wordt vervolgd.
Dr. Luc Bonneux is arts-epidemioloog, geïnteresseerd in algemeen volksgezondheidbeleid.
(Met dank aan Tim Trachet voor behulpzaam commentaar)
Literatuur:
Editorial (2005). ‘Mental-health effects of the Chernobyl disaster live on.’ Lancet 366(9490): 958.
Davis, S., R. W. Day, et al. (2006). ‘Childhood leukaemia in Belarus, Russia, and Ukraine following the Chernobyl power station accident: Results from an international collaborative population-based case-control study.’ Int J Epidemiol 35(2): 386-96.
Furedi, F. (2006). Culture of fear revisited: risk-taking and the morality of low expectation, Continuum, New York.
Holt, E (2010). ‘Debate over health effects of Chernobyl re-ignited.’ Lancet 375(9724): 1424-5.
Kaiser, J. (2003). ‘Hormesis. Sipping from a poisoned chalice.’ Science 302(5644): 376-9.
Moysich, K. B., R. J. Menezes, et al. (2002). ‘Chernobyl-related ionising radiation exposure and cancer risk: an epidemiological review.’ Lancet Oncol 3(5): 269-79.
Parfitt, T. (2010). ‘Nuclear tests leave Kazakhstan still searching for answers.’ Lancet 376(9749): 1289-90.
Parfitt, T. (2006). ‘Opinion remains divided over Chernobyl’s true toll.’ Lancet 367(9519): 1305-6.
Stephan, V. (2005). ‘Chernobyl: poverty and stress pose ‘bigger threat’ than radiation.’ Nature 437(7056): 181.
Schildklierkanker in België
Luc Michel, hoogleraar in de heelkunde van het ziekenhuis van Mont-Godinne te Yvoir, meldde Soir Magazine (19 april) dat er ook in België meer schildklierkanker is geweest ten gevolge van de nucleaire fall-out van Tsjernobyl. Vooral jonge kinderen met zich nog ontwikkelende schildklieren, die melk dronken van koeien die met radioactief jodium besmet gras aten, liepen een hoog risico in het getroffen gebied. In België bleef de fall-out echter zeer beperkt. Volgens het SCK te Mol kon de extra stralingsdosis slechts in extreme gevallen oplopen tot 300 µSv, wat nog altijd minder is dan een tiende van de gemiddelde straling die elke Belg per jaar ontvangt.
Op televisie was er sprake van ‘een tiental’ kinderen met schildklierkanker die waren geopereerd in het begin van de jaren 1990. Dat zou extreem veel zijn. Op basis van het nationale kankerregister van Nederland is er in de bevolking van Wallonië minder dan één geval per jaar te verwachten. In 2001 publiceerden Blackburn, Michel en anderen een ‘case report’ in een laag scorend wetenschappelijk tijdschrift (Journal of Pediatric Endocrinology and Metabolism), waarin ze vier gevallen in drie jaar tijd beschreven, waarvan twee kinderen. Eén was een volwassene van negentien, die tien jaar was in 1986. Die valt buiten de risicogroep. Eén is een randgeval, een adolescent van zeventien die toen zes was (de hoogrisicogroep was tussen nul en vier in 1986). De gebruikte techniek staat in de epidemiologie bekend als boundary tightening, het post hoc bepalen van grenzen om het hoogste aantal te verkrijgen. De grenzen worden rond de waarnemingen geklemd. Zeventien en negentien jaar zijn technisch geen kinderen, er zijn drie jaar verlopen tussen het eerste en laatste geval van deze cluster, maar de jaren daarvoor en daarna worden genegeerd. Boundary tightening is verreweg de meest voorkomende oorzaak van (niet bestaande) ‘clusters’ van zeldzame kankers.
Vertaling van de oorspronkelijke tekst door Pieter Peyskens.
‘Analyseren, trans. ww., is afgeleid van analyse, wat wijst op het levendige gebruik van dit woord in de 17de eeuw, vooral in de scheikunde (1679), gebruik van het werkwoord in deze betekenis lijkt vooraf te gaan aan het substantief. Als abstract werkwoord wordt de term gebruikelijk in de 18de eeuw (1725), bijvoorbeeld in de psychologie (1746, Condillac), vandaar zich laten analyseren (1801).’ ’Analiticus, subst., afgeleid van analyse verschijnt (1638) in een wiskundige context, later in de betekenis van ’persoon die ideeën of gevoelens analyseert’ (1780) en ’criticus die een œuvre analyseert’ (1829). Concreet gebruik komt voor in de scheikunde (1875). In de 20ste eeuw wordt het woord toegepast bij economische en financiële analyse, later in de informatica, vandaar ’analyst-programmeur’ (vanaf 1960). Ander gebuik van analyse, analytisch, analyseren en analyticus heeft betrekking op psychoanalyse.’
Psychologische analyses
Het is dus op deze manier dat de uitdrukking ’psychologische analyse’ vanaf de achttiende eeuw op het voorplan treedt, meer bepaald in het Essai sur l’origine des connaissances humaines (1746) van Condillac. In de negentiende eeuw zou de term in verschillende betekenissen gebruikt worden door een hele reeks auteurs, waaronder Maine de Biran, Taine, Laromiguière en Wundt.
Pierre Janet gebruikte de uitdrukking vanaf het einde van de jaren 1880, weliswaar zonder er een eigen concept van te maken, dit in tegenstelling tot wat Freud zou proberen met zijn Duitse versie ’psychoanalyse’. Janet verwees ermee naar een gedetailleerde studie van de geestesgesteldheid van een persoon. Vaak ging het om patiënten die men toen als ’hysterisch’ of ’neuropathisch’ beschreef, en Janet ging op zoek naar ’onderbewuste denkbeelden’ die voortvloeiden uit ’traumatiserende herinneringen.’
Psychoanalyses
In 1886 start Freud zijn praktijk als neuroloog. Gedurende een tiental jaar gebruikt hij hypnose als voornaamste behandelwijze. Vanaf 1895 maakt hij gebruik van vrije associatie, waarbij de patiënt wordt uitgenodigd alles wat hem door het hoofd schiet luidop aan de therapeut toe te vertrouwen. In zijn publicaties omschrijft Freud zijn therapeutische praktijk aanvankelijk met de termen ’psychische behandeling’ (psychische Behandlung) of ’behandeling van de ziel’ (Seelenbehandlung). Vervolgens praat hij enkel nog over ’psychische analyse’, ’psychologische analyse’, ’cathartische analyse’ of ’cathartische psychotherapie.’ In deze periode laat hij niet na hommage te brengen aan Janet, ’waaraan de doctrine van de hysterie zo uitzonderlijk veel verschuldigd is en waarmee we op de meeste punten akkoord gaan’, zo schrijft hij.
In 1896 gebruikt Freud voor het eerst het woord ’psychoanalyse’, in de volgende passage: ’Ik dank mijn resultaten aan het gebruik van een nieuwe psychoanalytische methode, aan de experimentele behandelwijze van J. Breuer, nogal subtiel maar nu reeds onvervangbaar, zo vruchtbaar is deze gebleken bij het ontsluieren van de duistere wegen van de onbewuste ideeënvorming. Door middel van deze behandelwijze – die hier niet in detail beschreven dient te worden – kan men hysterische symptomen terugvolgen tot hun oorsprong, die steeds blijkt te liggen in een pijnlijke emotionele gebeurtenis tijdens het seksuele leven van de patiënt.’
Met andere woorden: Freud verwijst met ’psychoanalyse’ naar een methode van psychologische analyse, namelijk die van Joseph Breuer, verschillend van die van Janet en anderen. De methode bestaat uit het terugvinden van geblokkeerde emoties (eingeklemmten Affekte) die gerelateerd waren aan vergeten gebeurtenissen, en uit het helpen van de patiënt om deze onder woorden te brengen (die Affekte Worte geben) om ze te ’ontladen’ (Entladung, ’catharsis’, ’afreageren’).
Freud houdt deze versie aan tot het begin van de jaren 1910. Hij schrijft in 1910 bijvoorbeeld: ’Het is niet mijn verdienste – als het er al een is – om de psychoanalyse ter wereld gebracht te hebben. Ik had geen deel aan haar begin. Ik was nog student, volledig in beslag genomen door mijn laatste examens, toen een Weense arts, dokter Joseph Breuer, dit procédé voor de eerste keer toepaste op een jong meisje dat aan hysterie leed (1880-1882). We moeten ons dus in de eerste plaats richten op de voorgeschiedenis van deze ziekte en de behandeling ervan.’
In het begin van de twintigste eeuw gebruiken verschillende auteurs de term ’psychoanalyse’ om te verwijzen naar psychotherapieën die opgebouwd zijn rond het praten van de patiënt en, meer specifiek, naar de methode die aan Breuer wordt toegeschreven. Zo publiceert in 1910 bijvoorbeeld ook de Zwitserse psychiater Ludwig Frank in München een werk met als titel Die Psychanalyse, waarin hij de ’dwaalweg’ aanklaagt die de pychoanalyse van Freud inhoudt ten opzichte van de ware psychoanalyse, namelijk die van Breuer. Frank verwijt Freud vooral het grote belang dat hij hecht aan de factor seksualiteit.
Merken we op dat Frank en andere Duitstalige Zwitserse psychiaters zoals Auguste Forel en Dumeng Bezzola ’psychanalyse’ schrijven zonder ’o’ en dat ze zich nogal vrolijk maken over Freud, die blijkbaar geen notie heeft van de woordvormingsregels bij samenstellingen vanuit het Grieks. Men zegt in het Duits evenmin als in het Frans of Nederlands immers ’psychoiater’ maar ’psychiater’, men zegt niet ’psychoasthenie’ maar ’psychasthenie’. In al deze talen hoort men dus eigenlijk ’psychanalyse’ te schrijven en niet ’psychoanalyse’.
Tot aan het begin van de jaren 1910 had Freud geen bezwaar tegen het gebruik van het woord ’psychanalyse’ – met of zonder ’o’ – door andere psychotherapeuten dan hemzelf. Als hij op dit moment nog verklaarde dat Breuer de uitvinder was van de psychoanalyse, dan is dat omdat dit de overtuiging was van al zijn collega’s en waarschijnlijk ook van hemzelf.
We wijzen er ook nog op dat Freud in deze periode soms ook andere uitdrukkingen gebruikte dan ’psychoanalyse’ om naar zijn methode te verwijzen, bijvoorbeeld ’analytische methode van psychotherapie’ of ’analytische psychotherapie’.
De poging om van ’psychoanalyse’ een kwaliteitslabel te maken
Tijdens de jaren 1910 zal Freud steeds bekender worden… en steeds beruchter, ook bij zijn naaste collega’s en vrienden zoals Adler, Jung en Stekel. Het is in deze periode dat hij erop gericht is zich de term ’psychoanalyse’ toe te eigenen en op het voorplan te treden als de souvereine meester van een nieuwe discipline, als de enige die kan uitmaken wat die al dan niet inhoudt. Daar waar hij in 1910 nog verklaarde : ’Het is niet mijn verdienste de psychoanalyse ter wereld gebracht te hebben’, schrijft hij in 1914, na de breuk met Adler, Stekel, Jung en enkele anderen: ’De psychoanalyse is mijn creatie. Gedurende 10 jaar was ik de enige die er mee bezig was. (…) Niemand is beter dan ik in staat om uit te maken wat psychoanalyse is, waarin ze verschilt van andere manieren om het geestesleven te verkennen, en wat er met die term benoemd moet worden.’
Hoewel hij enkele jaren eerde nog vertelde dat de behandeling van Anna O. door Breuer de eerste toepassing van de psychoanalyse was, legt Freud van nu af aan nadruk op de verschillen tussen zijn methode en die van Breuer. Hij poneert dat de essentie volgens hem ligt in het terug naar het bewustzijn brengen van seksuele gebeurtenissen waaraan de herinnering verdrongen was, terwijl Breuer meende dat de essentie erin bestond een ontlading van geblokkeerde emoties teweeg te brengen. In gesprekken met collega’s die hij betrouwbaar achtte, zoals Sandor Ferenczi, laat Freud ook niet na om Breuer in diskrediet te brengen. Hij gaat zelfs zo ver hen toe te fluisteren dat Anna O. niet genezen was!
In 1914, op het moment dat Freud met stelligheid de specificiteit van zijn methode van psychologische analyse naar voor schuift, verduidelijkt hij: ’Elke richting die overdracht en weerstanden erkent en deze als uitgangspunt van het onderzoek beschouwt, mag zich met de titel psychoanalyse tooien.’
We herinneren eraan dat hij met ’overdracht’ doelt op het verschijnen van vroegere relationele verhoudingen in de huidige context. Het prototype is de herhaling tijdens de therapeutische sessie van reacties jegens de moeder of de vader. Weerstand in de freudiaanse betekenis bestaat uit ’alles wat de voortgang van het psychoanalytische werk onderbreekt.’ Anders gezegd, elke uitspraak die de freudiaanse doctrine tegenspreekt, is een weerstand die voortkomt uit een onbewuste verdediging (het aanhangen van een dergelijke ’dialektiek’ maakt van de psychoanalyse een ’onfalsifieerbaar’ systeem, in de popperiaanse betekenis).
De ’klassieke’ definitie van de freudiaanse analyse dateert van 1923: ’Psychoanalyse is de benaming voor: 1) een onderzoeksmethode naar psychische processen die op een andere manier nauwelijks toegankelijk zijn; 2) een behandelingsmethode van neurotische problemen die zich op deze onderzoeksmethode baseert; 3) een psychologisch begrippenapparaat dat hieruit verworven wordt en in toenemende mate uitgroeit tot een nieuwe wetenschappelijke discipline.’
Aan het einde van zijn lange carrière verduidelijkt Freud dat ’de belangrijkste peilers waarop de psychoanalytische doctrine steunt de principes van weerstand en verdringing, het onbewuste, het etiologische belang van de seksualiteit en het belang van ervaringen uit de kindertijd zijn.’
Zoals gezegd, vanaf 1914 gaan Freud en de hem trouw gebleven volgelingen alles in het werk stellen opdat het woord ’psychoanalyse’ enkel nog naar de freudiaanse doctrine zou verwijzen. De twee belangrijkste dissidenten zullen trouwens eenzelfde weg bewandelen! Adler zal zijn methode ’individuele psychologie’ noemen en Jung noemt zijn methode ’analytische psychologie’. Dit kon echter niet verhinderen dat de term door andere psychiaters gebruikt zou worden om te verwijzen naar allerhande psychologische analyses van gedragspatronen, sociale fenomenen en culturele producten. In die mate zelfs dat Ernest Jones, één van de onvoorwaardelijk trouwe leerlingen van Freud, er in 1920 wanhopig van wordt en het volgende schrijft naar het geheim Comité (opgericht om te waken over de freudiaanse orthodoxie en samengesteld uit vijf trouwe discipelen van Freud): ’Op basis van verschillende rapporten die ik recent uit Amerika ontving en op basis van het nalezen van de recente literatuur, spijt het me te moeten melden dat ik een heel slechte indruk heb over de situatie ginds. Alles en niets gaat er door voor psychoanalyse, niet enkel adlerisme en jungisme, maar ook om het even welk soort populaire of intuïtieve psychologie. Ik betwijfel of er in Amerika zes personen zijn die me het essentiële verschil tussen Wenen en Zürich kunnen duidelijk maken.’
In 1926 ergert Jones zich nog steeds aan het ’psychoanalytische’ rommelkabinet: ’Indien er werkelijk zoveel verschillende zaken onder de naam psychoanalyse de ronde doen, dan moet ons parate antwoord aan zij die hier vragen bij hebben gewoon zijn: ‘De psychoanalyse? Dat is Freud!’.
Ondanks de inspanningen van Freud en zijn orthodoxe leerlingen om van ’psychoanalyse’ een beschermde term te maken, verwijst het woord ondertussen naar concepten die steeds verder af komen te staan van de visie van Breuer en Freud (herinneren we ons dat Freud de term voor het eerst gebruikte om te verwijzen naar de methode van eerstgenoemde en dat hij dit nog jarenlang zou blijven doen).
Zeventig jaar na de protesten van Jones schreef de voorzitter van de Internationale Vereniging Voor Psychoanalyse, Robert Wallerstein, in zijn werk The Psychoanalyses and the Psychotherapies: ’We leven in een wereld van groeiende psychoanalytische diversiteit, een wereld van meerdere (en divergente) psychoanalyses, met afgetekende grenzen tussen verschillende conceptuele benaderingswijzen, wat het natuurlijk moeilijk maakt een gemeenschappelijk verschil te vestigen tussen psychoanalyse en psychotherapie.’
De wettelijkheid van de titel ‘psychoanalyticus’
In geen enkel land ter wereld is de titel van psychoanalyticus legaal voorbehouden aan personen die een opleiding ter zake voltooiden. Vanuit juridisch oogpunt kan iedereen zeggen aan ’psychologische analyse te doen, ’analyticus’ of ’psychoanalyticus’ te zijn, net zoals iedereen kan zeggen geschiedschrijver, astroloog of grafoloog te zijn. Niets verhindert ’autodidactische’ of ‘zelfverklaarde’ psychoanalytici zich professioneel te vestigen, ook al volgden ze geen enkele ’psychoanalytische’, ’psychologische’ of ’psychiatrische’ cursus.
Er bestaan natuurlijk Psychoanalytische Scholen die opleidingen aanbieden. Zij beschikken over criteria voor de selectie van hun leden en erkenning van hun titel, criteria die onderling aanzienlijk kunnen variëren. Sinds 1925 werden twee regels voor opleidingen aangehouden door de Internationale Vereniging voor Psychoanalyse en vervolgens ook door het merendeel van de Scholen: het bestuderen van de canonische geschriften van de stichter (Freud, Jung, Adler, Klein, Lacan e.a.) en het zelfstandig uitvoeren van een ’didactische’ analyse onder toezicht van een door de School erkende analyticus.
Nauwelijks een maand na afkondiging van deze didactische regel op het congres van Bad Homburg wist Freud het belang ervan al meteen te relativeren, ondanks het feit dat zijn eigen professionele carrière er hoofdzakelijk in bestond leerlingen op te leiden. In een omzendbrief aan zijn belangrijkste discipelen schreef hij op 20 oktober 1925: ’Ik zou graag het vrije onderwijs van de analyse toegankelijk maken voor alle personen die hierom vragen, zelfs als ze zich niet kunnen onderwerpen aan de rigoureuze voorwaarde een volledige cursus te volgen.’ De voornaamste bekommernis van Freud bestond erin zijn invloed uit te breiden en een maximum aan adepten rond zich te verzamelen.
Jacques Lacan, die er ook heel sterk op gericht was school te maken en gevolgd te worden door een zo groot mogelijk aantal getrouwen, heeft in grote mate bijgedragen aan de verveelvuldiging van analytici zonder psychiatrische of psychologische opleiding van enig academisch niveau. Bij het installeren van zijn eigen School ging hij zelfs zo ver een principe te poneren dat alle zelfverklaarde analytici van elk restje scrupule zou verlossen: ’Eerst een grondbeginsel: de psychoanalyticus ontleent zijn autoriteit enkel aan zichzelf. Dit principe is ingeschreven in de originele teksten van de School en zegt meteen alles over haar positie. Dit sluit niet uit dat de School een garantie kan leveren dat een analyticus de vruchten van haar opleiding genoten heeft. Ze kan dit zelfs op eigen initiatief doen. En de analyticus kan baat hebben bij deze garantie.’
Wat te besluiten over het gebruik van het woord ’psychoanalyse’?
1. Bij het grote publiek, maar ook bij een aantal psychiaters en psychologen, verwijst het woord naar zowat elke psychotherapeutische praktijk of psychologische analyse. In een meer beperkte betekenis verwijst het naar alle denkrichtingen waarin het innerlijke door een Ander bewoond wordt, een Ander die enkel door zelfbenoemde psychoanalysten ontrafeld kan worden. Voor orthodoxe Freudianen verwijst ’psychoanalyse’ enkel naar de theorie en praktijken die gebaseerd zijn op freudiaanse teksten, waarbij al de rest niets dan ontaarde denkbeelden en dwaalwegen zijn.
2. Gezien de meerduidigheid van het woord ’psychoanalyse’ geniet het stilaan de voorkeur om termen als ’freudisme’, ’lacanisme’, ’jungisme’, ’kleinisme’ etc. als soortnamen te gebruiken. De interpretaties van Jung, Adler, Stekel, Rank, Ferenczi, Reich, Fromm, Sullivan en anderen kunnen zich zonder moeite ’psychoanalyse’ noemen, zelfs wanneer ze in mindere of meerder mate afwijken van de interpretatie van Freud. Al die auteurs stellen ’psychologische analyses’ en poneren dat er’ iets meer’ in ons schuilt dat enkel zij kunnen ontcijferen en ontsluieren.
Anderzijds, ook auteurs die geen psychiater of psycholoog zijn maken evenzeer gebruik van deze term, zonder dat men daar het minste tegen in kan brengen. Gaston Bachelard gebruikte de term om te verwijzen naar zijn epistemologie van de wetenschappen. In zijn beroemde werk La formation de l’esprit scientifique. Contribution à une psychanalyse de la connaissance objective (1947), citeert hij Freud slechts één keer: op pagina 178, met betrekking tot het belang dat sommige individuen hechten aan uitwerpselen. Jean-Paul Sartre gebruikte het woord ’psychoanalyse’ vanaf 1943 om te verwijzen naar de ontcijfering van de ’fundamentele keuze’ van een individu, afleesbaar op basis van het geobserveerde gedrag. Bij de presentatie van zijn ’existentiële psychoanalyse’ schreef hij dat ’de uitmuntende première van deze methode ons werd bezorgd door de psychoanalyse van Freud en zijn aanhangers’, maar dat ’ze er op meerdere punten toch radicaal van verschilt.’ Onder deze verschillen: er is niet a priori bij alle mensen sprake van een Oedipus-complex, een complex waar de patiënten zich niet van bewust zijn en dat door de freudiaanse psychoanalyticus onthuld kan worden. In 1943 betreurde Sartre dat deze ’psychoanalyse haar Freud nog niet gevonden heeft.’ Hijzelf zou de werking ervan illustreren in zijn psychoanalyses van Baudelaire, Genet, Flaubert en van zichzelf (Les Mots).
‘Psychoanalyse’ en ’freudisme’ zijn niet méér synoniem van elkaar dan ’christendom’ en ’rooms-katholicisme’. De uitgever van de collectie ’Que sais-je ?’heeft er dus goed aan gedaan om naast een volume over La psychanalyse een apart volume over Le freudisme uit te brengen. Het freudisme is inderdaad slechts één van de ontelbare vormen van psychologische analyse.
Jacques Van Rillaer is psycholoog en emeritus-hoogleraar aan de universiteit van Louvain-la-Neuve. Hij doctoreerde over agressie bij Freud maar staat sindsdien bekend als spijtoptant en scherpe criticus van de psychoanalyse.
Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Science et pseudo-sciences, 2010, n° 293, p. 4-11 en op http://www.pseudo-sciences.org/spip.php?article1538.
Vertaling : Pieter Peyskens
Samen met uw collega’s Steven Jay Lynn, John Ruscio en Barry Beyerstein publiceerde u vorig jaar De 50 grootste misvattingen in de psychologie. U hebt ook een blog genaamd ‘The skeptical psychologist’. Wat bracht u tot het onderzoek naar mythes in de psychologie?
Ik heb altijd interesse gehad in skepticisme en wetenschappelijk denken. Die interesse werd enorm aangescherpt toen ik zo’n twintig jaar geleden Skeptical Inquirer ontdekte, het tijdschrift van de Amerikaanse skeptische beweging. Het groeiende inzicht dat de populaire psychologie doordrongen is van misvattingen en dat wetenschappelijk denken veel minder aanwezig is in de academische psychologie dan ik aanvankelijk dacht, zette me aan het schrijven. Ik vind het een van de taken van een wetenschapper om een breed publiek correct te informeren. Helaas zijn slechts weinig academici bereid daar tijd in te steken. Het schrijven van populariserende werken loont carrièregewijs immers niet.
U hebt zelf dus ook een groeiproces doorgemaakt?
Inderdaad. Ik heb tot mijn schade en schande ervaren dat kritisch denken niet vanzelf komt. Als universiteitsstudent beschikte ik nog niet over die vaardigheden, ik heb daar heel bewust moeten aan werken. Ons brein is van nature geneigd tot allerlei denkfouten. Zo hebben we een sterke neiging tot confirmation bias: we besteden selectief aandacht aan die informatie die onze opvattingen bevestigt en we negeren alle aanwijzingen dat we het verkeerd voor hebben. Dat is een heel natuurlijke tendens, die we moeten afleren. Wetenschappers zijn zich over het algemeen bewust van dat gevaar, maar ook zij ontsnappen er niet altijd aan. Net het feit dat ook getrainde wetenschappers vatbaar zijn voor denkfouten, toont aan hoe diepgeworteld die neiging is. Ons brein is eenvoudigweg niet ingesteld op wetenschappelijk denken.
Kritisch denken staat trouwens verrassend los van intelligentie: je kunt heel intelligent zijn en toch niet in staat tot kritisch denken.
We trekken de notie van het ‘gezond verstand’ dus maar beter in twijfel?
Het gezond verstand is onbetrouwbaar als het gaat om het beoordelen van psychologische beweringen en wetenschappelijke theorieën. Wetenschappelijke bevindingen gaan vaak net helemaal in tegen onze intuïties. Veel verkeerde noties in de geschiedenis van de wetenschap werden zo lang aanvaard precies omdat ze in overeenstemming waren met onze intuïties: dat de aarde plat is, dat de zon rond de aarde draait, dat alles in de natuur duidt op de hand van een intelligente ontwerper. Ons brein is niet geëvolueerd om zaken als de reusachtige tijdspannes sinds het ontstaan van het leven te bevatten.
Toch is het net dat wat veel populaire psychologie doet: de nadruk leggen op het belang van je intuïties.
Soms heeft men daarbij natuurlijk een punt, maar veel van wat populair-psychologische boeken verkondigen, is totaal ongefundeerd. Men haalt bijvoorbeeld vaak correlatie en causatie door elkaar, wat een veel voorkomende denkfout is. Zo lees je vaak dat woede uiten goed is, vanwege het catharsiseffect. En inderdaad: we voelen ons beter nadat we onze woede geventileerd hebben. Men vergeet echter dat woede een kortdurende emotie is, die anders ook zou weggeëbd zijn. Ons brein ziet snel overal oorzakelijke verbanden. Het is wellicht een adaptieve neiging, maar ze kan misleiden. Correlatie impliceert geen causatie. Die regel is gemakkelijk te onthouden, maar hem toepassen is veel moeilijker, zeker als het gaat om stellingen die intuïtief plausibel klinken, zoals de bevinding dat tieners die naar rockmuziek luisteren meer seks hebben. Er kan altijd een derde variabele in het spel zijn die het gevonden verband verklaart.
Sommige psychologische bevindingen gaan wel erg radicaal in tegen onze intuïties. De bevinding dat seksueel misbruik in de kindertijd meestal geen psychische schade toebrengt, leidde tot een storm van protest. De studie werd zelfs veroordeeld door het Amerikaans Congres.
Het ging om een meta-analyse uit 1998 door Bruce Rind en zijn collega’s. Door de techniek van meta-analyse kunnen wetenschappers gegevens van een heel pak studies verwerken alsof het één groot onderzoek betreft. Het artikel verscheen in een van de belangrijkste vakbladen, Psychological Bulletin, een tijdschrift van de American Psychological Association (APA), waarin ik toen ook zetelde. Het veroorzaakte een enorme controverse. Conservatieve commentatoren en politici deden de studie af als een ophemeling van pedofilie en zetten de APA en het Amerikaans Congres onder druk om de resultaten te veroordelen. De APA bezweek als eerste onder de druk en stelde een verklaring op dat seksuele activiteit tussen kinderen en volwassenen nooit als onschadelijk zou mogen beschouwd worden. Het Congres ging een paar dagen later overstag, met de eerste congressionele veroordeling van een wetenschappelijk artikel ooit. Ik vond die reacties laf en eerloos. Toch was het voorspelbaar dat dit een politiek spelletje zou worden: mensen gebruiken wetenschappelijke bevindingen graag voor hun eigen doeleinden. Het incident is een goed voorbeeld van wat logici ‘emotioneel redeneren’ noemen. Een van de moeilijkste taken als wetenschapper of journalist als je over problemen nadenkt, is je emoties opzij te zetten. Kindermisbruik is een zaak die sterke emoties losmaakt. En zo hoort het, want het is verwerpelijk. Maar toch: het is heel belangrijk die emoties te negeren en het bewijs objectief te evalueren. Veel mensen, waaronder de APA – waaruit ik ontslag nam na dit incident – waren daar niet toe in staat.
De Rind-controverse roept de vraag op naar de verantwoordelijkheid van wetenschappers bij het rapporteren van potentieel controversiële bevindingen. Vindt u dat Rind het voorzichtiger had moeten aanpakken?
Als psycholoog loop je meer dan als natuurwetenschapper het risico dat je onderzoeksresultaten op weerstand botsen, omdat ze misbruikt kunnen worden. De studie van rassenverschillen in intelligentie of van de genetische basis van agressie is om die reden zeer controversieel. De vrijheid van onderzoekers om controversiële vragen te stellen en onpopulaire conclusies te trekken, is echter van vitaal belang voor de vooruitgang van onze kennis. Daarnaast lijkt het mij belangrijk dat je als onderzoeker rekening houdt met de mogelijkheid van verkeerde interpretaties. Rind en zijn collega’s hebben dat uitdrukkelijk gedaan: ze besluiten hun artikel met de waarschuwing dat dit niet betekent dat kindermisbruik ooit moreel aanvaardbaar kan zijn. De meeste journalisten hebben dit echter genegeerd.
Psychologische misvattingen zijn vaak onschuldig, maar ze kunnen ook schadelijk zijn. Zo zijn ook in België en Nederland antivaccinatiegroeperingen actief, met de boodschap dat vaccinatie autisme veroorzaakt.
Dat is een gevaarlijke ontwikkeling, want een gemeenschap hangt af van wat epidemiologen ‘kudde-immuniteit’ noemen. Vanaf een bepaalde vaccinatiegraad kan een infectieziekte zich niet meer gemakkelijk over de bevolking verspreiden. Als een deel van de kinderen niet gevaccineerd is, komt die kudde-immuniteit in het gedrang en kunnen mazelen en andere gevaarlijke besmettelijke ziekten wijdverspreid geraken. Vaccinatie is een van de grote medische successen van de vorige eeuw. Ik vind het een tragedie dat we nu weer in de andere richting evolueren en kinderlevens in gevaar brengen. De kwaliteit van het bewijs dat vaccins schade berokkenen, is absoluut erbarmelijk. De ene studie die dat beweerde, is weerlegd. De auteur, Andrew Wakefield, is ook schuldig bevonden aan wetenschappelijk wangedrag. The Lancet, het prestigieuze medische vakblad dat de studie publiceerde, heeft de paper formeel teruggetrokken en de meeste coauteurs hebben er hun naam afgehaald. Toch zie je dit onderzoek nog altijd vaak aangehaald als bewijs dat vaccins autisme veroorzaken. De pers draagt hier een enorme verantwoordelijkheid. Men bericht wel over een initiële studie, maar latere weerleggingen ervan krijgen nauwelijks aandacht.
Over ADHD schrijft u dat het geen probleem is van te veel stimuli maar van te weinig?
Over ADHD bestaan veel mythes, bijvoorbeeld dat kinderen met ADHD zich niet kunnen concentreren. Dat kunnen ze echter wel, zolang ze de taak maar interessant vinden. Het is dus niet zo’n globaal concentratieprobleem als mensen soms denken. Sommigen hebben gespeculeerd dat, aangezien de diagnose toeneemt, overprikkeling door tv en internet mee aan de basis van ADHD ligt. Het is echter onduidelijk of de aandoening werkelijk meer voorkomt of dat de diagnose gewoon vaker gesteld wordt. Zeker in de VS is er een tendens om zowat alles te medicaliseren. De diagnoses autisme, posttraumatische stressstoornis en depressie worden eveneens veel vaker gesteld. Misschien is dat het gevolg van een groeiende intolerantie voor vreemd gedrag.
Psychiatrische diagnose is een van uw onderzoeksdomeinen. Wat denkt u van de proliferatie van stoornissen in de volgende editie van de DSM, de bijbel van de mentale aandoeningen? Daar is veel controverse over.
Eigenlijk is men van plan het aantal stoornissen te verminderen, maar er is wel degelijk veel controverse over. De DSM-4, die uitkwam in 1994, kende een enorme toename van diagnoses, tot 365. Een van de doelstellingen van de DSM-5 is dat aantal weer te verminderen. De kritiek dat er te veel diagnoses zijn vind ik echter wat misleidend, omdat de meeste analyses aantonen dat de taart niet groter wordt, ze wordt alleen in smallere stukken opgedeeld. Toch lijkt de bekommernis dat sommige voorstellen voor nieuwe diagnoses in de richting van een pathologisering van normale gevoelens gaan, mij terecht. Dat verdriet na de dood van een geliefd persoon al meteen als depressie zou gelden, vind ik bijvoorbeeld ook een zeer controversieel voorstel. Die reactie verschilt biologisch van een klinische depressie, en depressie wordt op die manier zo’n brede term dat het moeilijker wordt de oorzaken ervan op te sporen.
U vermeldt de mythe dat hypnose verdwenen herinneringen kan bovenhalen. In België vonden 25 jaar geleden zeer bloedige overvallen plaats, door de Bende van Nijvel. De daders werden nooit gevonden. Onlangs is een gedetailleerde robotfoto gemaakt door een toenmalige getuige onder hypnose te brengen. Speurders herkenden de man op de robotfoto meteen. Is dit mogelijk, 25 jaar na de feiten, als men iemand maar een paar seconden heeft gezien?
Dat denk ik wel. De eerste vraag moet natuurlijk luiden of hypnose wel nodig was om dat resultaat te verkrijgen. Zorgde hypnose voor een verbeterde herinnering of was het gewoon een aanmoediging voor die persoon om over herinneringen te getuigen waarvan hij niet zeker was? Hypnose kan een aanmoediging betekend hebben om het gezicht dat de getuige in zijn hoofd had maar waaraan hij twijfelde, te tekenen. Wat hypnose lijkt te doen is niet zozeer herinneringen bovenbrengen, maar de drempel verlagen om met allerlei soorten informatie naar buiten te komen. Onder hypnose laat men zich meer gaan. Soms zal de verkregen informatie verkeerd zijn, soms correct. Dit verhaal zou alleen inconsistent zijn met wetenschappelijke gegevens als de getuige zou zeggen geen enkele herinnering aan dat gezicht te hebben, maar er vervolgens toch zou in slagen die herinnering onder hypnose op te roepen. De techniek kan zijn nut hebben voor rechercheurs, maar men is toch beter voorzichtig, want veel van de aldus verkregen informatie zal incorrect zijn. Hypnose doet ook ongegrond vertrouwen in herinneringen toenemen.
Sommige psychotherapeuten gebruiken hypnose om zogenaamde verdrongen herinneringen op te halen of om mensen terug te brengen naar vorige levens, het gebruik van de Rorschachtest is nog wijdverspreid en het aantal knotsgekke therapieën, zoals engeltherapie, neem toe. Zou psychotherapie niet evidence-based moeten zijn?
Volledig akkoord. De ellende is opnieuw dat psychotherapeuten en andere gezondheidswerkers geen training in wetenschappelijk denken krijgen tijdens hun opleiding. Het internet heeft wellicht ook niet geholpen. Slechte ideeën verspreiden er zich als virussen, en de meeste mensen hebben niet de achtergrond om te weten wat een adequate behandeling is.
De Rorschach heeft wel bepaalde valide toepassingen. Hij is oké om bepaalde denkstoornissen te ontdekken die je bijvoorbeeld aantreft in schizofrenie en bipolaire stoornis – hoewel het onduidelijk is of je die test wel nodig hebt om dat te doen. Het probleem is dat hij vaak zonder goede onderzoeksbasis gebruikt wordt.
Anderzijds kan men misschien zeggen dat, als eigenlijk elk soort van therapie helpt, zelfs engeltherapie, het er eigenlijk niet toe doet of het evidence-based is of niet.
Veel verschillende soorten therapieën zijn inderdaad effectief voor onder meer stemmings- en angststoornissen. Anderzijds is er vrij duidelijk bewijs dat voor vele problemen niet alle therapieën even goed werken. Depressie is goed behandelbaar met zowat alles, maar voor angststoornissen werkt cognitieve gedragstherapie duidelijk beter dan al de rest. Voor gedragsstoornissen bij kinderen doen gedragstherapieën het beter dan niet-gedragstherapieën. Idem voor slapeloosheid. De bewering dat het soort therapie er niet toe doet, wordt absoluut niet meer ondersteund.
Wat vindt u van psychodynamische therapie? Vorig jaar beweerde de Amerikaanse hoogleraar psychiatrie Jonathan Shedler in American Psychologist dat die veel doeltreffender is dan cognitieve gedragstherapie.
Binnenkort verschijnt er in American Psychologist een kritiek van mij samen met een paar collega’s op dat artikel. Shedler geeft de stand van het onderzoek zwaar vervormd weer. Er is nu inderdaad vrij goed bewijs dat psychodynamische therapieën beter werken dan niets, maar dat geldt voor de meeste therapievormen, dus dat is weinig verrassend. Beweren dat de onderzoeksbasis voor psychodynamische therapie even stevig is als die voor gedragstherapie, is echter belachelijk. Ten eerste gebruiken de meeste studies die Shedler vermeldt geen controlegroep, terwijl dat essentieel is. Mensen worden immers vaak vanzelf beter. Zonder een controlegroep die niet behandeld wordt, kan je niet nagaan welk percentage zich spontaan beter is gaan voelen. Er zijn wel enkele studies die met een controlegroep werkten, maar die zijn niet erg goed. Studies naar het effect van cognitieve gedragstherapie staan methodologisch veel sterker. Ten tweede hebben ze geen goede controlemechanismen voor wat men treatment integrity noemt: het is niet altijd duidelijk of ze wel psychodynamische therapie geven. Veel goeie psychodynamische therapeuten – en die zijn er – gebruiken cognitieve gedragstherapieën in hun praktijk. Het is dus onduidelijk in hoeverre de resultaten specifiek op psychodynamische therapie slaan.
De definitie van psychodynamische therapie is ook erg vaag. Hoe groot is het verschil met orthodoxe psychoanalyse?
Het domein van de psychodynamische therapieën is erg eclectisch. Velen houden zich ver van de standaardpsychoanalyse en geloven bijvoorbeeld niet in duidelijk achterhaalde theorieën over psychoseksualiteit zoals het oedipuscomplex en penisnijd, die kernideeën van Freud waren. Ze focussen meer op huidig gedrag en ervaringen. Toch gaan de meesten nog uit van een psychodynamisch onbewuste, waarin allerlei onbewuste driften en verlangens zitten te borrelen, en houden sommigen vast aan het bestaan van verdrongen herinneringen. Wat ze allemaal gemeen hebben, is een focus op emoties en conflicten, wat niet noodzakelijk negatief is. De nadruk ligt ook op het belang van de eerste levensjaren. Daarover ben ik skeptischer, maar het kan wellicht helpen je wat perspectief op de dingen te geven. Hoe meer psychodynamische therapie weggroeit van orthodoxe analyse, hoe moeilijker het echter wordt te zeggen wat ze precies is. Ongetwijfeld kunnen psychodynamische therapeuten hun cliënten soms helpen, maar niet noodzakelijk om de redenen die ze denken. Het zegt genoeg dat de psychoanalyse nagenoeg verdwenen is uit departementen psychologie.
In 2009 haalde België de wereldpers met het geval Rom Houben, een man die al 23 jaar in coma lag ten gevolge van een auto-ongeluk, maar van wie gefaciliteerde communicatie zou aangetoond hebben dat hij al die jaren bij bewustzijn was. Wat dacht u daarvan?
Ik zag dit op de Amerikaanse tv en had een déja vu. In de vroege jaren 1990 hoorde men soortgelijke beweringen over autistische kinderen: zij zouden verstandelijk geheel in orde zijn maar niet in staat tot communicatie door motorische stoornissen. Met de hulp van een facilitator die hen hielp woorden in te tikken op een toetsenbord, konden zij echter plots communiceren. Het bleek een wrede illusie. Veel studies hebben ondertussen aangetoond dat hier sprake is van een Ouijabord- of ideomotorisch effect: de facilitator maakt spierbewegingen door onbewust aan bepaalde woorden te denken. Gefaciliteerde communicatie komt weer neer op emotioneel redeneren: in het geval van autistische kinderen of van Rom Houben hoopt iedereen dat ze kunnen communiceren, dus moet het wel zo zijn. Je moet je hoop echter opzij schuiven als je tot een ernstige evaluatie wil komen. De Belgische neuroloog Steven Laureys was zeer onvoorzichtig in zijn bewering dat Houben kon communiceren, nog voor hij adequaat getest was. Ook de pers is hier uitermate onkritisch mee omgegaan. Het was immers overduidelijk dat Houben nauwelijks naar het toetsenbord keek bij het typen.
Gefaciliteerde communicatie is aan een comeback bezig in de Verenigde Staten, na twintig jaar. Zelfs bij autistische kinderen, hoewel duidelijk is dat het niet werkt. Hoop doet leven, en mensen hebben een kort geheugen.
Het ontwikkelen van kritische denkvaardigheden is dus heel belangrijk. Hier is een taak weggelegd voor het onderwijs?
Absoluut, zeker in het middelbaar en hoger onderwijs. De ontwikkelingspsychologie staat nog niet ver genoeg om te weten hoe vroeg we daar precies kunnen mee starten bij kinderen. Wellicht kan dat pas als de bekwaamheid tot abstract denken zich ontwikkeld heeft, maar dat weten we eigenlijk niet. Dat is een belangrijk onderzoeksdomein.
Ik geef zelf een cursus wetenschap en pseudowetenschap in de psychologie. Ik zou liever die doelstellingen in het hele curriculum geïntegreerd zien in plaats van die cursus te geven. Het gevaar is immers dat studenten de indruk krijgen dat je in andere vakken niet kritisch moet denken. Ik vermoed dat veel proffen die vaardigheden niet in hun vakken integreren omdat ze ze zelf missen. Dat is geen kwestie van een gebrek aan intelligentie, wel van een gebrek aan blootstelling aan kritisch denken. Het is wellicht een van de redenen waarom handboeken psychologie vaak pseudowetenschap bevatten.
Carl Sagan schreef dat echte wetenschap het beste medicijn is tegen pseudowetenschap. Ze bevredigt onze diepgewortelde behoefte aan wonderen – want de wetenschappelijke werkelijkheid is vaak ontzettend vreemd – maar ze heeft een uitgesproken voordeel op verzinsels: ze is waar.
Griet Vandermassen is als filosofe verbonden aan de Universiteit Gent. Zij is hoofdredacteur van Wonder en is gheen Wonder.
Dit interview verscheen eerder in Psyche & Brein, januari 2011.
Scott Lilienfeld, Steven Jay Lynn, John Ruscio en Barry Beyerstein, De 50 grootste misvattingen in de psychologie
Bert Bakker, 2010
394 pp., 25,00 EUR
Kritisch denken komt niet van nature. Een blind proces van natuurlijke selectie heeft ons opgezadeld met een brein dat, ondanks de indrukwekkende prestaties die het dagelijks levert, toch uitermate feilbaar en kwetsbaar voor foute ideeën blijkt. Helder denken is een vaardigheid die verworven dient te worden. Net zoals je zonder training en een aangepast schema nooit topsporter kan worden, zal ook niemand in staat zijn om zonder gerichte aandacht voor de ingebouwde beperkingen van het menselijk denken alle valkuilen van kennisverwerving te vermijden. Met zijn box over kritisch denken biedt Braeckman een unieke rondleiding in de dwaalwegen van onze psychologie en in de verleidelijke redeneerfouten waarvoor we onszelf en onze kinderen maar beter behoeden. Rode draad is de soms ondraaglijke lichtgelovigheid van de mens, en een keur aan voorbeelden passeert de revue. Van ons vermogen tot bedrog en zelfbedrog tot ons overmatig vertrouwen in anekdotische bewijzen en gezagsargumenten; van mediums, klopgeesten en ufo’s tot samenzweringstheorieën en zogenaamd alternatieve geneeskunde. Braeckman weet welke verhalen en anekdotes te mooi zijn om niet te vertellen. Hij houdt de theorie interessant met uitwijdingen, concrete illustraties, actuele voorbeelden en handige vuistregels.
In een wereld die overloopt van informatie is een scherp afgestelde onzindetector geen overbodige luxe. Braeckman pleit ervoor om in opvoeding en onderwijs explicieter aandacht te besteden aan het verwerven van kritische vaardigheden. Jongeren groeien op met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek zonder echt inzicht te krijgen in de historische achtergrond of methodologische aspecten ervan. Ten onrechte kan zo een beeld ontstaan als zou wetenschap niet meer zijn dan een set van dogmatisch te aanvaarden inzichten. Het enige dogma dat wetenschap tolereert, is echter de eis om elke bewering streng te controleren alvorens deze te aanvaarden, gekoppeld aan de voortdurende bereidheid om elke opvatting te herzien wanneer daar gegronde redenen voor opduiken. Er is niets dogmatisch of fundamentalistisch aan om bewijzen te vragen voor merkwaardige beweringen. Pas wie inzicht heeft in de strenge eisen waaraan kennis volgens de wetenschappelijke methode moet voldoen (bijvoorbeeld bij dubbelblind gerandomiseerd onderzoek met placebocontrole), zal het fundamentele verschil leren appreciëren met de povere inzichten die op basis van eenvoudige getuigenverklaringen verworven worden.
Braeckmans pleidooi voor meer kritisch denken is niet zo vanzelfsprekend als het misschien lijkt. Nogal wat mensen zien niet spontaan de urgentie in van een wereld waarin alles wat zich aandient argwanend tegen het licht wordt gehouden. Bij de schets van een kritisch en rationeel wereldbeeld haalt men zich al gauw een kil en fantasieloos landschap voor de geest, bevolkt door dispuutzieke cynici die alles en iedereen in vraag stellen. Geheel onterecht. Braeckman legt haarfijn uit wat kritisch denken precies is en wat het zeker niet is. Inzicht in het verschil tussen feit en fictie staat een levendige creativiteit en verbeelding helemaal niet in de weg. Bovendien is er een belangrijke ethische motivatie. Elke samenleving die haar welzijn veilig wil stellen, heeft nood aan rationele besluitvorming op basis van steekhoudende informatie. Stevig onderbouwde beweringen zijn intrinsiek waardevoller om na te streven en door te geven dan achterhaalde intuïties of nattevingerwerk. Er is niets tegen af en toe wat fastfood, maar net zoals een gezond en evenwichtig dieet de pedagogische norm is, zou het aanmoedigen van een onderzoekende blik en het aanleren van kritisch denkvermogen een vanzelfsprekende waarde moeten zijn in een democratische samenleving.
Een kritische ingesteldheid houdt in wezen geen rekening met heilige huisjes of lange tenen. Toch benadrukt Braeckman het fundamentele respect waarmee we mensen steeds dienen te benaderen. Respect voor mensen mag echter niet verward worden met respect voor de opvattingen van mensen. Braeckman pleit voor een maximaal respect voor mensen, in combinatie met de maximale mogelijkheid om hun opvattingen te bekritiseren. Naar het voorbeeld van de wetenschappelijke gemeenschap zou de hele samenleving ervan doordrongen moeten zijn dat er geen enkele reden is om scherpe kritiek op iemands opvattingen automatisch te interpreteren als een gebrek aan respect voor die persoon. Men zou in tegendeel zelfs kunnen zeggen dat niets van meer respect voor een individu getuigt dan het oprechte geloof dat hij of zij intellectueel en emotioneel in staat is van mening te veranderen, los te komen van de eigen opvattingen als daar gegronde redenen voor gepresenteerd worden. Het is een ideaal dat we wellicht nooit volledig zullen bereiken, maar met deze aanstekelijke lessenreeks getuigt Johan Braeckman alvast van een groot vertrouwen in de kracht van kritisch denken en in de mogelijkheid van elke mens om, vrij van aangeboren vooroordelen, overgeleverde tradities of modieuze denkbeelden, helder en autonoom te leren denken.
Pieter Peyskens is germanist en master in de wijsbegeerte (UGent).
Zie ook: http://skepp.be/nieuws/zeven-uur-hoorcolleges-over-skepticisme-door-johan-braeckman voor meer info
Referenties:
Johan Braeckman, Darwin en de evolutietheorie. Een hoorcollege over zijn leven, denken en de gevolgen van zijn werk.
Home Academy Publishers 2010 (EAN: 9789085300847)
Johan Braeckman, Kritisch denken. Hoorcollege over het ontwikkelen van heldere ideeën en argumenten.
Home Academy Publishers 2011 (EAN: 9789085300731)
Voordracht Jacques Van Rillaer
Hou alvast uw agenda vrij op dinsdag 20 september. Op die dag geeft Jacques Van Rillaer, kersvers erelid van SKEPP, een voordracht in het Nederlands in Brussel. Van Rillaer is psycholoog en emeritus hoogleraar aan de universiteit van Louvain-la-Neuve. Hij doctoreerde over agressie bij Freud, maar staat sindsdien bekend als spijtoptant en scherp criticus van de psychoanalyse. In 1981 al publiceerde hij Les Illusions de la Psychanalyse, een enigszins miskend werk in de kritische literatuur omtrent Freud, waarin hij geen spaander heel laat van de man en zijn theorieën. Sinds hij de psychoanalyse afviel, is Van Rillaer een vurig bepleiter van een wetenschappelijke psychotherapie, in het bijzonder de cognitieve gedragstherapie. In 2005 was hij één van de voornaamste medewerkers van het beruchte Livre Noir de la Psychanalyse, dat een storm van protest ontketende in Franse psychoanalytische kringen. Daarnaast verzorgt hij regelmatig bijdragen voor Science et Pseudoscience, de Franse tegenhanger van Wonder en is gheen Wonder.
Praktisch:
Wanneer? Dinsdag 20 september om 20u
Waar? Cultureel centrum De Markten,
Oude Graanmarkt 5,
1000 Brussel
Ziektes terug door afkeer van vaccinatie
Een aantal besmettelijke kinderziektes is aan een opvallende comeback bezig. Dat heeft veel te maken met de groeiende afkeer voor vaccinaties.
In april waren er 66 gevallen van bof (dikoor) gekend, een vrij onschuldige maar pijnlijke ziekte, die lang vrijwel verdwenen was. De ziekte is komen overwaaien uit Nederland, waar de bof nooit verdwenen is bij de strenge protestantse gemeenschappen. Die zijn immers tegen vaccinatie, omdat dit ingaat tegen de goddelijke voorzienigheid.
Dit jaar stierven er ook al drie kinderen aan kinkhoest, ook zo’n ziekte die vrijwel verdwenen leek. En in Gent woedt er een lokale mazelen-epidemie met een vijftigtal besmette kinderen. Een deel van die besmettingen zou afkomstig zijn van de Gentse Steinerscholen. Volgens de antroposofie kunnen kinderziekten het kind helpen bij de ontwikkeling en zou vaccinatie het kind die kans ‘ontnemen’.
Alleen vaccinatie tegen polio is in ons land verplicht. De overheid is nu een campagne voor vaccinatie begonnen. Bij niet vaccineren brengt men niet alleen zijn eigen kind in gevaar, maar mogelijk ook andere kinderen die te jong zijn om gevaccineerd te worden.
Bizar middel tegen kanker
Het gerecht is in actie geschoten tegen de schimmige No Cancer Foundation (NCF), die op haar website het geneesmiddel Flaraxine aanbiedt. Dit plantaardige middel zou volgens de site ‘90 procent van alle tumoren’ kunnen vernietigen en het immuunsysteem versterken. Het uit de Oekraïne komende Flaraxine is echter in Europa niet erkend en oncologen hebben er zelfs nooit van gehoord. Daarom heeft het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG) klacht ingediend met burgerlijke partijstelling. Er werden huiszoekingen bij de NCF verricht.
De NCF voert van haar kant actie tegen Gardasil, een vaccin tegen baarmoederhalskanker. De website (https://sites.google.com/site/nocancerfoundationnl/) bevat agressieve koppen als ‘Alarm… U wordt vergiftigd!!!’ en ‘FAGG & Big Farma’, plus enig complotdenken. De NCF ziet ook een verband tussen de aanval van de FAGG en het ‘EU-verbod op geneeskrachtige kruiden’ (zie edito).
Een kuur met Flaxarine bij de NCF kost 2000 euro voor drie maanden.
Sai Baba overleden
De invloedrijke goeroe Sathhya Sai Baba is op 24 april overleden in zijn geboorteplaats Puttaparthi. Hij was 84 jaar oud.
Sai Baba heette eigenlijk Sarhyanarayana Raju toen hij zich in 1940 presenteerde als de reïncarnatie van de in 1918 overleden goeroe Shriti Sai Baba. Hij predikte een op hindoeïsme geïnspireerde leer, die alle godsdiensten moest verenigen. Een deel van zijn bekendheid verwierf hij door het verrichten van wonderen. Die bestonden uit het tevoorschijn toveren van horloges, juwelen en andere voorwerpen, en door ‘heilige’ as die verscheen op portretten van de goeroe die hij aan zijn volgelingen schonk.
Volgens de befaamde Indiase skepticus Premanand waren deze mirakels niet meer dan gewone goocheltrucs. De portretten konden bijvoorbeeld zijn ingewreven met een chemische stof, waardoor er zich na een tijd spontaan grijs poeder op afzette.
Door zijn status als ‘godmens’ wist Sai Baba fortuinen te vergaren, die hij voor een deel besteedde aan allerlei sociale projecten. Zo bouwde hij zijn geboortedorp uit tot een welvarende stad met een eigen Sai Baba-universiteit, een ziekenhuis en een luchthaven. Dat gaf hem als weldoener een vrijwel onaantastbare status. Geruchten over seksueel misbruik en zelfs moord verdwenen in de doofpot.
De Zuid-Indiase staat Andhra Pradesh, waar Puttaparthi ligt, kondigde vier dagen nationale rouw af. Op Sai Baba’s begrafenis waren een half miljoen mensen aanwezig, waaronder de eerste minister van India.
Sai Baba voorzag zijn heengaan in 2019, om dan in 2023 opnieuw te reïncarneren. Omdat hij voor dat tijdstip gestorven is, geloven sommigen van zijn meest devote volgelingen dat hij volgend jaar al zal terugkeren.
Afbraak van een spookhuis
Spoken bestaan niet, tenzij ze de media halen. Dat bleek weer eens in de herrie rond de afspraak van het ‘spookhuis’ van Sas van Gent in Zeeuws-Vlaanderen, even voorbij de grens met Assenede.
Het ging om een oude villa die sinds 1970 leegstond. Een vijftal jaar geleden werd het bouwvallig gebouw ‘ontdekt’ door Vlaamse en Nederlandse ‘onderzoekers’, die er ‘onverklaarbare fenomenen’ ontdekten. Dit Ghost Research Team maakte naar eigen zeggen twee geluidsopnames, met daarop een stem die in het Engels zei ‘watch the danger’. Nu zouden er tijdens de oorlog vier Canadese soldaten in zijn gesneuveld en nog eens één Duitse soldaat in de gracht geëlektrocuteerd.
Sinds deze ‘ontdekking’ werd de ruïne platgelopen door spokenjagers, moderne heksen en beoefenaars van satanische rituelen. Dit veroorzaakte dan weer klachten van een buurman. De Belgische eigenaar van het gebouw, ongerust omdat hij aansprakelijk is voor eventuele ongevallen, besloot het af te breken, tenzij iemand het wilde kopen tegen uiterlijk 17 maart.
De Nederlandse mediafiguur Johan Vlemmix was bereid het goed te kopen om er een spookhotel met bijbehorend attractiepark van te maken. Vlemmix, een niet onbesproken ondernemer en zanger van carnavalhits, exploiteert al een Ghost Hotel in Muissen.
Vlemmix kon echter niet tegen de gevraagde datum met geld over de brug komen, ook al had de eigenaar het gevraagde bedrag teruggebracht tot een weggeefprijs. De koop ging dus niet door en de dag daarop werd het ‘spookhuis’ met de grond gelijk gemaakt. Of de spoken daar last van hebben, is niet bekend.
Waarom? Wat is er gebeurd?
Na langdurige besprekingen in de Hoge Raad van Geneesheren Specialisten en Huisartsen werd er eind juni 2005 een wetsvoorstel goedgekeurd, waarin de criteria worden vastgelegd om erkend huisarts te worden en te blijven. Minister Demotte heeft dit ontwerp nu naar de Raad van State gezonden voor advies alvorens te publiceren.
In de zeer uitvoerige tekst van dat ministeriële besluit wordt vastgelegd welke opleiding vereist is om als huisarts erkend te worden: minstens zes jaar basisopleiding geneeskunde en dan nog drie jaar specialisatie als huisarts. De tijd dat een basisdiploma geneeskunde volstond om zich huisarts te mogen noemen is voorbij. Eigenlijk zou ik de term familiearts verkiezen, maar “erkend huisarts” is nu eenmaal de wettelijke benaming en daar moeten we het mee doen.
Er is echter nog meer vereist dan alleen maar een opleiding en een diploma om als huisarts erkend te worden en te blijven. Het gaat immers om een erkende functie binnen het systeem van de gezondheidszorg, en daaraan zijn een aantal rechten maar ook een aantal verplichtingen verbonden.
Dit alles past in het kader om de kwaliteit van de gezondheidszorg te garanderen en ook meer duidelijkheid te scheppen voor de bevolking, zodat de mensen weten wat ze kunnen verwachten als ze naar een erkend huisarts gaan. Om erkend te blijven moet die dus aan een aantal voorwaarden voldoen: hij moet beschikken over een praktijkadres, hij moet de continuïteit van de zorgen verzekeren, dossiers bijhouden en zich permanent bijscholen. Hij moet zorgen verlenen zonder onderscheid van geslacht of leeftijd, voor jong en oud, voor dringende gevallen en voor langdurige zieken, met inbegrip van palliatieve zorgen en stervensbegeleiding, dus van de wieg tot het graf. Hij moet ook deelnemen aan de officiële regionale wachtdienst en zo nodig patiënten thuis bezoeken en verzorgen en … hij mag de geneeskunde enkel op wetenschappelijk onderbouwde wijze uitoefenen.
Wie niet voldoet aan die vereisten kan de erkenning als huisarts verliezen, zij het mits een langdurige procedure met mogelijkheden van beroep. Je zou verwachten dat iedereen een dergelijke aanzet tot kwaliteitsbevordering zou toejuichen. Het gaat toch ook niet meer op, dat eender wie zomaar een rood kruis kon schilderen op een tweedehands bestelwagentje en dan beweren dat het een volwaardige ambulance is?
“De farma-jongens zijn ook niet altijd zo braaf, maar dat betekent nog niet dat moeder natuur zo lief is. Laat staan dat de soms keiharde belangenbehartiging van de farma-industrie een argument kan zijn om kwakzalverij te erkennnen en terug te betalen! Belangen zien we ook bij de ziekenfondsen, die op cliëntenjacht gaan en hun rationaliteit laten varen door een doctrine als homeopathie geloofwaardigheid te geven, waarvan een groot deel van de beoefenaars impliciet of expliciet tegen vaccinaties is en tevens beweert heilzaamheid te bieden tegen allerlei ernstige aandoeningen zoals kanker en Aids.”
Toch is niet iedereen gelukkig met deze kwaliteitsvereisten, onder andere de homeopathische artsen, en ze slaan groot alarm. Ze verspreiden berichten met als titel “S.O.S Homeopathie” en vragen een petitie te tekenen, want volgens hen “zullen vele artsen die alternatieve geneeskunde toepassen plots geen huisarts meer zijn. […] Alle huisartsen die alternatieve geneeskunde toepassen kunnen deze titel verliezen en zij kunnen geen onderzoeken en doorverwijzingen meer voorschrijven”. Ze hebben een speciale website gestart en ze willen hun petities ook verspreiden via apotheken.
Wat vragen ze eigenlijk in deze petitie? Dat is niet echt duidelijk, al lijkt het er op dat ze de hele wet willen tegenhouden. Zijn ze dan tegen alle normen voor kwaliteit die in de wet staan? Dat zeggen ze niet, maar blijkbaar willen ze alle rechten en bevoegdheden van een erkend huisarts hebben zonder aan de verplichtingen te moeten voldoen.
Wat vrezen ze dan? Zouden ze zich misschien bedreigd voelen door de verplichting “enkel wetenschappelijk onderbouwde geneeskunde” uit te oefenen, waarmee op bewezen werkzaamheid gedoeld wordt?
Nochtans hebben de initiatiefnemers van deze petitie onlangs zelf nog beweerd dat het wetenschappelijk bewijs voor de werking van homeopathie definitief geleverd is. Als die bewering juist is, dan zal de Koninklijke Academie samen met alle Belgische universiteiten haar standpunt, namelijk dat er voor de werking van homeopathie geen enkel bewijs is, toch wel veranderen. Als er echt bewijs bestaat, dan zal dit geen enkel probleem geven.
"Zouden homeopaten zich misschien bedreigd voelen door de verplichting “enkel wetenschappelijk onderbouwde geneeskunde” uit te oefenen, waarmee op bewezen werkzaamheid gedoeld wordt?"
Waarom zijn de homeopaten zo ongerust, als in de wet het woord homeopathie zelfs nergens vermeld wordt? Zouden zij zelf dan toch ook nog twijfels hebben over de vraag of hun oneindig verdunde middeltjes wel een bewijsbare werking hebben?
Zou hun bezwaar kunnen zijn dat ze niet wensen deel te nemen aan de wachtdiensten? Voor een aantal zich homeopathisch noemende artsen is dat zeker zo. Ze staan niet ter beschikking, zijn niet uitgerust voor spoedgevallen en weigeren zich te verplaatsen. Misschien maar goed ook, want heel wat mensen zouden het niet op prijs stellen om bij een ernstig spoedgeval enkel wat geschud water toegediend te krijgen.
Verwerpen ze dan het principe van wetenschappelijk bewijs? Velen onder hen doen dat zeker wel. “Als de wetenschap niet kan aantonen dat homeopathie werkt, dan is er iets mis met de wetenschap” zeggen ze. Wetenschap is volgens hen toch maar een geloof tussen vele andere, en het volk weet wel beter, want het is tevreden en eist homeopathie. Dat staven ze met steeds weer dezelfde argumenten en cijfers, o.a. dat minstens 40% van de bevolking homeopathie zou willen, of dat homeopathie 66 tot 80% besparing zou betekenen voor de ziekteverzekering.
Die cijfers over de volkswil zijn misleidend want volgens de nationale gezondheidsenquête doet per jaar maar 7 tot 11% van de bevolking beroep op niet bewezen behandelingen, en slechts een deel daarvan op homeopathie, en slechts een zeer klein deel daarvan enkel op homeopathie. Ook van Nederland hebben we cijfers en die komen goed overeen met de Belgische: naargelang de regio bezocht slechts 6 tot 10% een alterneut, en dat zijn niet allemaal homeopaten (zie: http://www.rivm.nl/vtv/object_map/o1150n21254.html ) Het misleidende van de hoge cijfers die de homeopaten zelf geven, is dat men er niet bij vertelt hoe de vraag gesteld werd. Als men vraagt “ hebt u in de loop van de laatste 12 maanden…”, dan geeft dat heel andere resultaten dan de vraag “hebt u ooit”. Met een dergelijke manier van vraagstelling zou men ook kunnen aantonen dat 80% van de bevolking op een driewielertje rijdt.
“Het tevredenheidscijfer van 40% voor homeopathie is bedrieglijk. Volgens de nationale gezondheidsenquête doet per jaar maar 7 tot 11% van de bevolking beroep op niet bewezen behandelingen, en slechts een deel daarvan op homeopathie, en slechts een zeer klein deel daarvan enkel op homeopathie.”
Ze beweren ook dat het kostenbesparend zou zijn. Ook dat is niet waar, want de meeste gebruikers blijven ook nog veel gewone geneesmiddelen gebruiken. Globaal komt het dus duurder uit voor de verzekering. Dit gegeven werd ook bevestigd in een experiment door de Zwitserse ziekenfondsen, die aantoonden dat dergelijke gebruikers ook veelgebruikers van normale geneesmiddelen zijn.
Is het goedkoper, zoals zij beweren? Het misleidende van hun vergelijkingen ligt hierin, dat ze de prijzen van een echt geneesmiddel met een bewezen werking gaan vergelijken met hun middelen waar niets in zit. En zelfs dan is het nog niet altijd juist, want er zijn bijvoorbeeld nogal wat medicijnen, zelfs antibiotica, die goedkoper zijn dan een flesje homeopathie. Als het enkel om prijs per dosis gaat en bewezen werking geen belang heeft, dan is wijwater nog veel goedkoper.
Ze zeggen dat het kostenbesparend is, omdat het toch veel beter is om homeopathie te nemen in plaats van antibiotica als die niet nodig zijn. Die bewering werd ook bijgetreden door een ziekenfonds. Daar kan je geen speld tussen krijgen, maar het is toch wel een zeer eigenaardige redenering, want zou het niet eerlijker en ook veel goedkoper zijn om niets voor te schrijven als er niets nodig is? Homeopaten pleiten dus om gewoon de ene zinloze slikcultuur te vervangen door een andere zinloze slikcultuur.
Homeopathie is ook zeer doeltreffend, beweren zij. Mocht dat waar zijn, dan hadden we na 200 jaar toch al herhaaldelijk een onweerlegbaar bewijs moeten zien in gewone dubbelblinde proeven, en dat lukt maar niet.
“Wetenschappelijke testen zijn niet geschikt voor ons systeem, maar onze patiënten weten wel beter.”, luidt het dan. Of de mensen zelf dat ook vinden, klinkt echter niet zo overtuigend als je er bijvoorbeeld de resultaten op naleest van een enquête van Test-Aankoop bij 1000 homeopathiegebruikers. Daar zul je vinden dat enkel in de categorie "vage problemen" 5 % van de patiënten zegt dat ze een duidelijke verbetering merkten! In alle overige categorieën is er hòògstens een lichte verbetering (dat is logisch, vele aandoeningen verdwijnen immers ook vanzelf of fluctueren cfr. allergie). In de categorie "Spieren en skelet" is het resultaat helemaal niets. ( zie: http://www.test-aankoop.be/map/src/230231.htm )
Aan u om te oordelen of dit als een succes beschouwd kan worden. En dat voor een behandeling met een beetje waterige alcohol waar niets in zit maar die wel ongeveer 400 euro per liter kost.
"Homeopathie kostenbesparend? Dat is niet waar, want de meeste gebruikers blijven ook nog veel gewone geneesmiddelen gebruiken. Globaal komt het dus duurder uit voor de verzekering. Homeopaten pleiten om gewoon de ene zinloze slikcultuur te vervangen door een andere zinloze slikcultuur. Zou het niet eerlijker en ook veel goedkoper zijn om niets voor te schrijven als er niets nodig is?"
Moet de homeopathie dan verdwijnen? Neen, voor ons zeker niet. Evenmin als we zouden verlangen dat handopleggers, kuuroorden, gezondbidders of bedevaarten naar Lourdes verdwijnen. Ook daarvan weten we dat ze niet helpen, maar dat ze wel beantwoorden aan een zekere behoefte van een klein deel van de bevolking dat zich daar goed bij voelt. De vraag is of het systematisch toepassen van niet werkzame behandelingen of van medicijnen waar helemaal niets in zit wel thuishoort in een gezondheidszorg die door de belastingbetaler gedragen wordt.
De praktijk van homeopaten wordt vaak voorgesteld als de natuurlijke onschuld zelve. De fanatieke aanhangers daarvan plaatsen graag natuurlijk tegenover chemisch, klinische witte jassen tegenover kleurrijke bloemetjes, de misdadige farma-industrie tegenover de zogezegd belangeloze homeo-industrie, enzovoort. Deze misleidende polarisering is niet alleen fout, ze gaat ook totaal voorbij aan de essentie, namelijk dat we van onze nutteloze slikcultuur in het algemeen af moeten. Het gaat niet op de mensen aan te leren dat ze voor het minste kwaaltje moeten slikken. Of het nu regulier is of alternatief. Het natuurlijkheidsdenken en z’n toepassingen, dat vaak aan alle controle ontsnapt, is immers niet zo maagdelijk onschuldig of natuurlijk als ze zich doorgaans voordoet, hoe goed de bedoelingen soms ook zijn. Deze week nog schreef een bekend homeopathisch arts op het discussieforum van Skepp dat hij vaccinaties afraadt want ze zijn “te belastend” voor een jong kind. Die man is een gevaar voor de volksgezondheid. En hij is niet alleen. De anti-vaccinatie-propaganda tiert welig in homeopatische wachtkamers. Maar zij behandelen ook ernstige ziekten met hun lege producten. Moeten we nog eens herinneren aan de artsen-klassiek-homeopaten die de bekende actrice Sylvia Millecam mee hebben laten creperen van een goed te behandelen kanker omdat ze enkel behandeld werd met geschud water en natuurlijke middelen? (Millecam werd ook behandeld door o.a. het felomstreden medium Jomanda)
Moeten we herinneren aan de homeopathische nep-vaccins tegen malaria, tegen meningitis, tegen Sars, en aan de nep-middelen tegen Aids? Sommige lezers zullen opwerpen: En de farma-industrie dan?
Zeker. Dat zijn ook niet altijd brave jongens, maar dat betekent nog niet dat moeder natuur zo lief is. Laat staan dat de soms keiharde belangenbehartiging van de farma-industrie een argument kan zijn om kwakzalverij te erkennnen en terug te betalen! Belangen zien we ook bij de ziekenfondsen, die op cliëntenjacht gaan en hun rationaliteit laten varen door een doctrine geloofwaardigheid te geven, waarvan een groot deel van de beoefenaars impliciet of expliciet tegen vaccinaties is en tevens beweert heilzaamheid te bieden tegen allerlei ernstige aandoeningen.
Het onderscheid regulier-alternatief is trouwens een vals onderscheid, dat door alterneuten in stand gehouden wordt om de indruk te wekken dat ze complementaire medische diensten bieden. Er bestaat helemaal geen alternatieve geneeskunde, net zomin als er alternatieve geologie en geschiedschrijving bestaat, of een alternatieve fysica en wiskunde om vliegtuigen te bouwen. De werkelijkheid is dat er maar één soort geneeskunde is, namelijk die waarvan bewezen is dat ze werkt.
De nieuwe wet zal hen absoluut niet verbieden te werken als arts. De arts die er voor kiest om officieel als homeopaat te werken, zal niet verboden worden de geneeskunde uit te oefenen maar beantwoordt niet aan de criteria van erkend huisarts. Die mag inhoudsloze middeltjes blijven voorschrijven. Er is wel een EU-richtlijn die oplegt dat de ziekteverzekering in de lidstaten enkel artsen mag terugbetalen die een erkende specialiteit uitoefenen: homeopaat is nog steeds geen erkende specialiteit, huisarts is dat wel.
Anderzijds is voorzien in de wet dat een huisarts ook deeltijds kan werken maar dan wel in een associatie of ander groepsverband. Wat die arts in zijn vrije tijd doet, daar heeft niemand zaken mee. Hij kan bijvoorbeeld in een kruidenwinkel gaan werken, aan homeopathie of aan handoplegging doen. Geen enkele vrijheid wordt aangetast, niets wordt verboden. Hun klanten hebben vrije keuze, maar ze moeten er niet op rekenen dat de gemeenschap voor die activiteiten zal willen blijven betalen. Of misschien toch wel? De ziekenkassen leggen nu al aan hun leden een extra-legale verzekering op, die bedevaarten, vakantiekampen en ook een aantal alterneuterijen subsidieert. Zij zouden dit systeem kunnen uitbreiden, maar hopelijk weer niet zo dat iedereen verplicht wordt daar aan mee te betalen.
De voorstanders van niet bewezen behandelingen spreken graag over vrije keuze, maar wie daar niet aan mee wil doen, krijgt van de grote ziekenkassen geen vrije keuze. Die moet gewoon mee betalen voor zaken waar hij niet mee akkoord is of niet in gelooft. Een andere mogelijkheid is dat mits goed lobby-werk de homeo’s een aparte categorie in de geneeskunde vragen en krijgen. Zij hebben al eens een poging gedaan om zich te laten erkennen als een medisch specialisme, zonder bewijs dat homeopathie ook echt werkt. Mochten ze daar in lukken dan zullen de vele honderden andere alternatieve behandelwijzen, waaronder de handopleggers en sjamanen, die allemaal met tevreden klanten dwepen, wel snel volgen. Want als het absurde normaal wordt gevonden, dan is de totale waanzin niet meer ver af.
----------------------
Tekst bewerkt door Tom Schoepen, hoofdredacteur Skepp
Prof. Betz is stichtend lid van Skepp – http://www.skepp.be/
Plaats hem op een podium en het publiek ontsteekt in laaiend enthousiasme. Gili verbaast en begeestert, en hij is eindeloos grappig. Net als andere illusionisten zet hij ons op het verkeerde been, maar dan vanuit een specifieke motivatie: hij wil aantonen dat zelfverklaarde paranormaal begaafden niets anders doen dan anderen (en soms zichzelf) in het ootje nemen. Als illusionist die zich jarenlang verdiepte in het mentalisme, waarbij men een zesde zintuig veinst door het gebruik van de vijf gekende zintuigen, kent hij de trukendoos van de paranormalen op zijn duimpje. Die kennis speelde hij ten volle uit in zijn hilarische theatervoorstelling Iedereen Paranormaal. Hij wilde echter het deksel van de trukendoos nog explicieter lichten. De Laatste Show gaf hem daartoe al wekelijks de kans, maar hij had nog meer eieren te leggen: over persoonlijke ervaringen, psychologische mechanismen, de onbetrouwbaarheid van onze zintuigen en de technieken van paranormalen, over beroemde skeptici en befaamde bedriegers, over de methodes die hijzelf hanteert om de schijn van paranormale begaafdheid te wekken.
Dat doet hij allemaal met verve in dit boek. Het omvat drie delen: één over de psychologie van misleiding, één over cold reading, en tot slot volgt een heuse stoomcursus geheugentraining. Diverse soorten van informatie passeren de revue, op lichtvoetige wijze gepresenteerd: wetenschappelijke inzichten, onthullingen over paragnostische tactieken, persoonlijke bedenkingen, historische wetenswaardigheden, anekdotes en interviews (met Wim Betz en Johan Braeckman). Het boek is ook rijkelijk gestoffeerd met doe-het-zelftips. Iedereen Paranormaal is namelijk niet alleen bedoeld als skeptisch exposé, maar ook als kennismaking met het mentalisme. Bij veel van de besproken fenomenen geeft Gili enkele trucs mee, waardoor iedereen zelf even de paragnost kan uithangen. Zo zult u misschien ook tot uw eigen verbazing al na een poos staan headbangen met een munt op uw voorhoofd geplakt (zie kader).
Niet dat de auteur alle kneepjes van het vak wil prijsgeven, natuurlijk. Sommige zaken worden onthuld, andere worden ontkracht als paranormaal zonder dat een precieze verklaring volgt. De basishandigheden waarop de illusie van paranormale vermogens berust, blijken echter vaak dezelfde: het misleiden van zintuigen en het inspelen op de verwachtingen en veronderstellingen van mensen. Zoals Gili uitlegt, zijn zowel paranormalen als illusionisten en mentalisten heel bedreven in het sturen van onze aandacht, zodat we kijken waar we verwacht worden te kijken. Daarbij filteren we weg wat niet binnen onze focus valt – we kunnen immers niet alle zintuiglijke indrukken opslaan – maar tegelijk blijven we over dat domein onze vertrouwde veronderstellingen hanteren. Net daar echter worden allerlei dingen beïnvloed. Neem het ‘gemagnetiseerde’ potlood dat een opgerold bankbiljet achter zich aan kan laten rollen. De mentalist wrijft het potlood eerst op tegen zijn mouw, zogezegd om het magnetisch te maken. Vervolgens legt hij het achter het opgerolde bankbiljet, duwt het voor zich uit en… het bankbiljet volgt vanzelf, althans in de ogen van het publiek. Wat dat publiek niet merkt, doordat het zijn aandacht op het rollende potlood gericht houdt, is dat de mentalist het bankbiljet subtiel vooruitblaast. Het is een eenvoudig (doe-het-zelf)voorbeeld, maar één dat de basisprincipes van misleiding goed illustreert. Dat is een van de grote verdiensten van dit boek: de vele concrete illustraties, komend van een insider, maken de psychologie van misleiding en bedrog veel bevattelijker. ‘Of hoe een man van het vak het zoveel beter kan dan een theoreticus’, zoals Etienne Vermeersch besluit in zijn woord vooraf.
Ook de uitgebreide introductie tot cold reading bevat veel uitgewerkte voorbeelden en doe-het-zelfmateriaal, zodat iedereen die dat wenst, zich tot een geoefend cold reader kan opwerken. Cold reading is een methode om onopvallend informatie te onttrekken aan (en over) iemand die men niet kent. Het is de favoriete techniek van waarzeggers van allerlei pluimage, of het nu gaat om kaartleggers, pendelaars, handopleggers of horoscooplezers, en de meeste mensen blijken er opvallend vatbaar voor. Dat heeft verschillende redenen, zo noteert Gili. Mensen proberen onbewust om de uitspraken van zo’n paragnost op zichzelf toe te passen, zeker als ze daar veel geld voor veil hadden. Ze onthouden alleen de voltreffers en filteren de vele missers weg. Ze laten zich ook bedotten door de subtiliteit van de vraagstelling, waardoor ze niet doorhebben hoeveel informatie ze zelf verklappen.
Wie beseft hoe zelfverklaarde paranormalen het precies aanpakken, is beter gewapend tegen bedrog en misleiding, en snapt beter waarom mensen geloven in pendelaars, helderzienden en mediums. Het heeft niet alleen, of niet noodzakelijk, met naïviteit en wensdenken te maken, maar tevens met de manier waarop de menselijke psychologie werkt, zoals ook Johan Braeckman opmerkt in zijn vraaggesprek met Gili. Geloof in het paranormale lijkt ingebakken in onze natuurlijke psychologie. Wij proberen van nature overal betekenis aan te geven, verbanden te leggen en patronen te ontwaren. Meestal terecht, maar soms ook onterecht. En eens we het gevoel hebben dat iets geen toeval kan zijn, is het vaak moeilijk om die intuïtie via nuchtere analyse te corrigeren. Een bijkomende moeilijkheid voor skeptici is dat mensen die kritiek horen op hun opvatting, zich er vaak extra gaan aan vastklampen. Het verdwijnen van het geloof in het paranormale is dus nog niet voor morgen. Het is een van de andere grote verdiensten van dit boek dat het op een ludieke en begripvolle manier omgaat met die menselijke lichtgelovigheid, terwijl het de bewuste uitbuiters daarvan te kijk zet voor wat ze zijn: doortrapte oplichters.
Griet Vandermassen is als filosofe verbonden aan de Universiteit Gent. Zij is hoofdredacteur van Wonder en is gheen Wonder.
Gili
Iedereen paranormaal. Ontdek uw zesde zintuig
Lannoo, 2010
238 pp., 17,95 EUR
Klassieker
Grote kans dat je deze ooit al hebt gezien.
• Druk een muntstuk op je voorhoofd, desnoods met behulp van wat speeksel, zodat het blijft plakken. Beweeg daarna met je (voor)hoofd tot het muntstuk eraf valt en probeer het op te vangen in een glas.
• Druk daarna hetzelfde muntstuk tegen het voorhoofd van een vrijwilliger die het zelf ook eens wil proberen. Wat die persoon niet voelt, is dat je alleen je duim even hard op zijn voorhoofd drukt en de munt gewoon in je hand houdt. Hij gaat ervan uit dat je herhaalt wat je daarnet zelf deed en voelt dus iets wat er niet is. Misleiding van de zintuigen!
• Het is hilarisch om te zien hoe je argeloze slachtoffer zijn gezicht in allerlei bochten wringt. Tevergeefs!
Je kunt tijdens je eigen demonstratie ook kort op je achterhoofd kloppen om de munt te doen vallen. Dan zal de vrijwilliger, als zijn munt niet valt, geneigd zijn om herhaaldelijk op zijn achterhoofd te kloppen. Ook best grappig.
Uit: Iedereen paranormaal, p. 32
Door Barbara Debusschere
Mineraalwater, ja, zelfs kauwgum waar je van afvalt, zuivelproducten die je een oersterk beendergestel of een als herboren darmstelsel geven, olijfolie waar je langer van gaat leven, koekjes die de concentratie verhogen of blikjes frisdrank die een uit de kluiten gewassen slaaptekort wegzappen.
De Europese consument is ondertussen wel wat gewend als het gaat om fabelachtige claims die van banale voedingswaren een soort tovermiddelen maken.
In de Europese Commissie is echter beslist om paal en perk te stellen aan dit soort reclame, gebaseerd op beweringen over de zogenaamd positieve fysieke of psychologische effecten van potjes yoghurt of vlootjes margarine.
"Het is niet zo dat die claims een echt gezondheidsrisico inhouden, al staan die beloftes wel vaak op minder gezonde producten. Het is vooral boerenbedrog. Mensen kopen daardoor producten die ze anders niet zouden kopen of die duurder of zelfs van slechtere kwaliteit zijn dan andere enkel omdat er een aantrekkelijke gezondheidsbelofte op prijkt", zegt Johannes Kleis van de Europese consumentenorganisatie BEUC.
Sinds 2008 nam het Europees Agentschap voor Voedselveiligheid (EFSA) al 2.758 claims onder de loep. Slechts 510, ofwel 1 op 5, blijkt wetenschappelijk aangetoond en dus terecht.
De manier waarop de lijst van 2.758 claims tot stand kwam is ook veelzeggend. Aanvankelijk stonden er 44.000 gezondheidsclaims uit de verschillende lidstaten op. Maar die is fiks gereduceerd, enerzijds omdat heel wat claims werden samengevoegd maar ook omdat de industrie beweringen introk toen er sprake was van wetenschappelijke controle. Binnenkort onderzoekt EFSA nog eens 1.500 stellingen die gaan over plantaardige ingrediënten.
Het gros van de kleine hoeveelheid die wel bewezen effecten hebben gaat over vitamines en mineralen. Zo klopt het dat magnesium bijdraagt aan de goede werking van het zenuwstelsel en dat calcium de conditie van botten en tanden op peil helpt te houden. Ook onderbouwd is dat drankjes als Benecol of Danacol de cholesterol helpen te verlagen.
Aanvragen voor probiotica, die het immuunsysteem zouden versterken en in Yakult of Actimel zitten, zijn dan weer ingetrokken door de fabrikant, omdat die de claims niet kon bewijzen.
In lange lijst met claims die niet zijn bewezen staat onder andere ook dat het onzin is dat taurine, het steringrediënt van pepdrank Red Bull, je extra energie geeft, de fysieke uithouding verbetert of vermoeidheid 'uitstelt', zoals ook sommige gelijkaardige energiedranken beweren.
Ook van tafel geveegd zijn beweringen dat suikervrije kauwgum je gewicht helpt te beheersen, dat glucosamine, vaak verkocht als supplement, gezondere gewrichten oplevert of dat linolzuur, in bepaalde olies, de huid tegen UV-beschadiging beschermt, sojamargarine de menopauze minder onaangenaam maakt en druivenpitten het zicht 's nachts verbeteren.
De EU komt op basis van de bevindingen van EFSA eind dit jaar met een lijst claims die zijn goedgekeurd. In de loop van 2012 zullen de verboden boodschappen uit de reclame moeten verdwijnen. Bedoeling is dat nieuwe slogans telkens eerst door EFSA wetenschappelijk worden bevestigd voor ze de Europese markt op mogen.
Op het proces tegen de verdachte van de geruchtmakende ‘parachutemoord’ heeft strafpleiter Jef Vermassen een vurig pleidooi gehouden voor een zogezegd nieuwe vorm van bewijsvoering. ‘Profiling, de toekomst van bewijsvoering’ zou volgens Vermassen veel efficiënter zijn dan de ‘negentiende-eeuwse’ praktijk van het materiële bewijs. Vervolgens stipte meester Vermassen aan dat ‘ze in Vlaanderen nog niks van profiling kennen… Maar dan moet je daar niet mee spotten, dan moet je dat bestuderen…’ Zijn stellingen lokten heel wat discussie uit, in de rechtszaal en daarbuiten. Door het proces tegen Els Clottemans is de vraag of een profiel ook de dader kan aanduiden, in het brandpunt van de belangstelling komen te staan. En niet altijd doet het debat recht aan de feiten.
Wat Jef Vermassen heeft uitgeroepen tot de toekomst van de bewijsvoering, dateert in feite al uit de tijd van de heksenvervolgingen. De algemene kenmerken van het profiel van een heks werden in 1486 aldus omschreven: ‘De vrouw in kwestie leeft alleen, heeft geen scrupules, is kinderloos en leeft aan de rand van de stad.’ Dergelijke typeringen en nog andere vermeende eigenschappen en kenmerken, zoals ‘het stelen van de potentie van mannen’ of een ‘duivelslitteken’, hebben ontelbare vrouwen tot lijdend voorwerp gemaakt van juridische vervolging, marteling en verbranding. Je zou deze historische gebeurtenissen ook kunnen beschouwen als gerechtelijke dwalingen avant la lettre, op grond van een foute profilering. De heksenvervolgingen zijn daarmee een extreem voorbeeld van wat er allemaal kan misgaan wanneer men zich bij de bewijsvoering uitsluitend beroept op getuigenissen van ‘experten’. In het geval dat ons hier bezighoudt, is die expert de ‘profiler’.
Dichter bij ons in de tijd en dichter bij huis speelde bijvoorbeeld een FBI-profiler een dubieuze rol in zaak van Lucia de B. Deze voormalige Nederlandse verpleegster werd in 2004 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens moord op zeven ziekenhuispatiënten en drie pogingen tot moord. De veroordeling van Lucia de B. was opmerkelijk omdat het openbaar ministerie geen directe bewijzen kon aanvoeren. De FBI-agent verklaarde op basis van Lucia’s dossier dat haar karakter en haar manier van handelen leken op die van andere seriemoordenaars. Na zeseneenhalf jaar doorgebracht te hebben in de gevangenis, en al die tijd haar onschuld volhoudend, werd zij op 14 april 2010 vrijgesproken. De rechtbank, die haar zaak behandelde in herziening, oordeelde dat er geen sprake kon zijn van ‘moord’, noch dat Lucia de moorden gepleegd zou hebben. Haar zaak staat nu al geboekt als één van de grootste gerechtelijke dwalingen ooit.
Het profiel van de profiler
Profiling is een populaire term voor wat in professionele kringen bekend staat als ‘gedragsanalyse’. Het hoofdvertrekpunt van gedragsanalyse is dat elke vorm van (delict)gedrag ‘zinvol’ en ‘doelgericht’ is. Ook daders handelen volgens een bepaalde logica. De kernvraag is ‘waarom heeft een dader telkens deze beslissing genomen, en geen andere?’. De analyse van deze beslissingsprocessen kan bij voldoende informatie aanleiding geven tot een profiel waarbij een aantal veronderstellingen over de onbekende dader worden gemaakt.
‘Gedragsanalisten’ zijn meestal academisch geschoold (psychologie, criminologie) en/of hebben een politionele achtergrond met ruime ervaring in zeden of moord. In veel Europese landen maken zij deel uit van een lokale of centrale politiedienst, en ze werken enkel op aanvraag van bijvoorbeeld de onderzoeksrechter. Hun opdracht bestaat eruit het politionele onderzoek vanuit een gedragswetenschappelijk perspectief te ondersteunen. Gedragsanalisten worden idealiter zo vroeg mogelijk betrokken bij het opsporingsonderzoek, omdat in een vroeg stadium informatie veel gemakkelijker verzameld kan worden. Gedragsanalisten zullen zelf nooit sporen nagaan, en geen getuigen of verdachten interviewen. Doordat ze niet zoals de speurders onder tijdsdruk staan en door de media worden gevolgd kunnen zij, al dan niet in teamverband werkend, door een gedragswetenschappelijke bril kijkend nagaan wat er precies is gebeurd.
Het takenpakket van gedragsanalisten beperkt zich niet tot het opmaken van daderprofielen in zware geweldmisdrijven. Zij zoeken ook naar verbanden tussen verschillende (onopgeloste) delicten, voeren geloofwaardigheidanalyses uit (bijvoorbeeld bij slachtoffers van seksueel misbruik), bekijken dreigementen of stalkingsdossiers, en bieden bijstand aan speurders tijdens getuigen- of verdachtenverhoren. Echter, niet alle delicten lenen zich even goed tot gedragsanalyse. Een inbraak zonder contact tussen dader en slachtoffer biedt minder aanknopingspunten dan bijvoorbeeld zedenfeiten of moorden. Hoe meer (inter)persoonlijk gedrag de onbekende dader vrijgeeft, hoe meer men kan afleiden over mogelijke persoons- en persoonlijkheidseigenschappen (bijvoorbeeld onderliggende fantasieën, impulscontrole, planningsvermogen en criminele ervaring).
Gedragsanalisten doen soms ook concrete aanbevelingen voor een efficiënt en doelgericht gerechtelijk onderzoek. Niettemin is een uitgebreid profiel met relevante kenmerken van de dader – geslacht, leeftijd, etniciteit, beroep, opleiding, relationele achtergrond, type vervoersmiddel, e.d. – vaker uitzondering dan regel. Een daderprofiel is meestal ruim opgesteld, waarbij dikwijls meerdere verdachten aan de criteria kunnen voldoen. Zeker bij het opsporen van onbekende daders heeft men vaak te maken met een grote en onoverzichtelijke verdachtengroep (bijvoorbeeld blanke mannen tussen 20 en 35 jaar uit een specifieke omgeving). Eén van de taken van de gedragsanalist is te helpen deze groep te verkleinen, zodat de speurders verdachten op basis van prioriteit kunnen rangschikken. Gedragsanalytisch werk is veel pragmatischer dan de media ons willen doen geloven. Kenmerken zoals ‘bedplassen’ of ‘dierenmisbruik in het verleden’ zijn bij gebrek aan geschikte gegevensbanken waarin dergelijke details zijn opgenomen niet nuttig voor de politie. Hoe dan ook kan een profiel nooit dé dader aanwijzen, laat staan zijn of haar schuld bewijzen.
Het gevaar van misleiding
De wetenschappelijke status van offender profiling is en blijft zeer omstreden. Men is het erover eens dat gedragsanalyse niet een kunst is die wordt bedreven door een hoog begaafde Einzelgänger, zoals films en boeken als Silence of the Lambs of The Bone Collector ons doen geloven. Maar de erkenning als zelfstandige, toegepaste wetenschappelijke discipline is nog ver af, eenvoudigweg omdat over het gedragsanalytisch proces zelf nog te weinig geweten is. Dat delictgedrag persoonseigenschappen weerspiegelt, werd ook nog niet overtuigend aangetoond. Daarnaast is er gevaar voor misleiding. Onderzoek aan de Universiteit van Liverpool heeft bijvoorbeeld aangetoond dat ambigue daderprofielen door politiemensen én psychologen in gelijke mate werden toegeschreven aan zowel de echte als de onechte daders. Dit laat zich verklaren door een menselijke neiging die de Nederlandse professor Peter van Koppen, alweer in verband met het gerechtelijk onderzoek in de parachutemoord, ‘tunnelvisie’ heeft genoemd. We zijn vaak geneigd om op zoek te gaan naar informatie die onze mening of hypotheses ondersteunt in plaats van haar te ontkrachten. Een daderprofiel kan immers de politie op het juiste, maar ook op het valse spoor brengen.
Terugkerend naar de parachutemoord vermoeden we dat meester Jef Vermassen het eerder had over het ‘psychiatrische’ profiel van Els Clottemans. Er werd namelijk in haar geval helemaal geen profiel opgesteld door gedragsanalisten. Het psychiatrische en psychologische onderzoek van een verdachte kadert in de wetgeving van artikel 71 van het Strafwetboek en heeft vooral als doel om de toerekeningsvatbaarheid (toen en nu) van de beschuldigde te beoordelen. Zo’n onderzoek spreekt zich echter niet uit over de schuldvraag zelf. De jury van het parachuteproces deed in haar motivatie van haar oordeel wel letterlijk beroep op het psychiatrische profiel (‘de feiten passen bij haar persoonlijkheid’). Het gevaar voor een cirkelredenering is dan ook zeer groot: ‘Waarom heeft deze vrouw deze verschrikkelijke daden gesteld?’ ‘Omdat ze een psychopaat is.’ ‘En hoe weet u dat zij een psychopaat is?’ ‘Omdat zij deze vreselijke delicten heeft gepleegd.’
Zoals reeds gezegd is ‘profiling’ een oeroude praktijk. Ook bij het screenen van vliegtuigpassagiers als potentiële terroristen wordt dus een methode toegepast die stamt uit de tijd van de heksenvervolgingen. Het staat onomstotelijk vast dat er op die manier heel wat onschuldigen verdacht worden gemaakt. Nóg groter wordt het gevaar voor onschuldige slachtoffers wanneer dergelijke profielen ook gebruikt worden als enige bewijsvoering in rechtszaken. Eén van de advocaten van Els Clottemans bestempelde ‘profiling’ als ‘pseudo-wetenschap’ en vond het een ‘hulpmiddel dat nooit als bewijs kan dienen.’ Het opstellen van profielen is inderdaad bovenal een opsporingstechniek, die nuttig kan zijn voor het gerechtelijke onderzoek. Maar een profiel op zich kan nooit de schuldvraag van een verdachte beantwoorden.
Jan Winter is Master in Investigative Psychology (Liverpool University) en Master in Psychologie (Vrije Universiteit Brussel).
Aline Bauwens is Master in Forensic Psychology (Glasgow University) en Master in Criminologie (Vrije Universiteit Brussel). Beiden zijn doctoraatsstudenten aan de Vrije Universiteit Brussel, respectievelijk aan de Vakgroep Psychologie en Criminologie.
Verdere literatuur
Snook, B., Cullen, R., Bennell, C., Taylor, P., & Gendreau, P. (2008).
The criminal profiling illusion: What’s behind the smoke & mirrors?
Criminal Justice and Behavior,
35(10), 1257-1276.
Dern, H., Dern, C., Horn, A., & Horn, U. (2009). The fire behind the smoke:
A reply to Snook and colleagues.
Criminal Justice and Behavior,
36(10), 1085-1090.
Snook, B., Taylor, P., Gendreau, P., & Bennell, C. (2009).
On the need for scientific experimentation in the criminal profiling field: A reply to Dern and colleagues.
Criminal Justice and Behavior,
36(10), 1091-1094.
Risinger, D. M., & Loop, J. L. (2002).
Three card monte, monty hall, modus operandi and ‘offender profiling’: Some lessons of modern cognitive science for the law of evidence.
Cardozo Law Review,
24, 193-2517.
Dit artikel verscheen eerder in UVV-Info, jan/feb 2011.
Foute detectives
Wetenschapsfilosoof Ton Derksen was als hoogleraar wetenschapsfilosofie verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen en de Universiteit van Tilburg. Hij schreef boeken over mogelijke gerechtelijke dwalingen als gevolg van manco’s bij de werkwijze en de bewijsvoering van het Openbaar Ministerie in Nederland. Zijn boek Lucia de Berk. Reconstructie van een gerechtelijke dwaling zorgde voor een omslag in het denken over de zaak ‘Lucia de B.’, de Haagse verdachte van seriemoord die tot levenslang werd veroordeeld en zes jaar daarvan uitzat. Met zijn nuchtere en kritische wetenschapsfilosofische aanpak zorgde Derksen ervoor dat de zaak herzien werd. De beklaagde werd onschuldig bevonden en kan voortaan opnieuw als mevrouw De Berk door het leven. In zijn nieuwste werk, De ware toedracht. Praktische wetenschapsfilosofie voor waarheidzoekers, demonstreert Derksen opnieuw dat filosofie geen wereldvreemde hobby is voor diepzinnige denkers op eenzame torenkamers. Hij analyseert wat er allemaal fout liep in de rechtsgang van Lucia de B., alsook een aantal parallelle zaken. Het boek leest als een wie-deed-het, maar dan in het echt. Het is spannender en interessanter dan Witse of Morse, dus laat je zeker niet afschrikken door het woord ‘wetenschapsfilosofie’ in de titel. Dat is een filosofische discipline die bestudeert hoe we iets kunnen onderzoeken en wat we als resultaat daarvan kunnen weten. Ze stelt ook de vraag wat betrouwbare kennis is en hoe die zich onderscheidt van niet-wetenschappelijke kennis. De wetenschapsfilosofie kijkt nauwgezet naar de dingen om zo helderheid te scheppen.
De kern van Derksens betoog luidt dat psychologisch onderzoek aangetoond heeft dat wij heel slecht zijn in het waarnemen van de alledaagse werkelijkheid. We laten ons snel verleiden en misleiden, met verkeerde oordelen en foute beslissingen als gevolg. Als het de aanschaf van een potje confituur of een auto betreft, maakt dat weinig uit, maar als het erover gaat of iemand in de gevangenis belandt, ligt dat anders. Derksen trekt dan ook onthutsende conclusies voor speurders, rechters en openbare ministeries. Uitgerekend zij blijken immers zeer slecht getraind in het voorkomen van de denk- en waarnemingsfouten waar ieder mens gevoelig voor is. Wat een empirische zoektocht zou moeten zijn naar de feiten (de ware toedracht), is veelal een toneelstuk met veel retoriek, misleiding en dwaling.
Tot overmaat van ramp bestaat bij justitie geen kwaliteitscontrole. Men wordt nauwelijks of niet geconfronteerd met de gevolgen van de gemaakte fouten. De vergissingen worden opgeborgen in de gevangenis, en wie ten onrechte wordt vrijgesproken, gaat daar uiteraard niet tegen protesteren. Herzieningsprocedures zijn omslachtig. Bijgevolg is er in de praktijk geen sprake van een leereffect. Als er achteraf toch een fout wordt vastgesteld, zoals bij mevrouw De Berk (en in Nederland waren er nog zo’n paar spraakmakende gevallen), dan worden die als uitzondering opzij gezet. Derksen kan alleen maar besluiten dat in complexe strafzaken het recht veel weg heeft van een kansspel.
Op zoek naar betrouwbaarheid
Er is veel ontluisterend onderzoek. Zo denkt vrijwel iedereen te kunnen onderscheiden wanneer iemand liegt. Dat wordt afgeleid uit de afgewende blik, wriemelende handen en nerveus gedrag: de ‘onbetrouwbare indruk’. Wie zwijgt of wegkijkt, bewijst dat hij of zij iets te verbergen heeft. Wetenschappelijk onderzoek toont nochtans aan dat dit de normale menselijke reacties zijn als een onschuldige ononderbroken hard wordt aangepakt. Ervaren professionele leugenvangers, zoals agenten en officieren, blijken op dit vlak nog slechter te scoren dan eerstejaarsagenten. Ze hebben zich een te gunstig beeld gevormd van de eigen prestaties, doordat ze gewoonweg niet weten hoe vaak ze er naast zaten. Hun vertrouwen is ten onrechte gegroeid. Derksen beschrijft hoe moeilijk het wel is om onbevangen te zoeken of onbevooroordeeld waar te nemen. Het is goed mogelijk om de waarheid te missen door een verkeerd gerichte of beïnvloede vraag. Hij citeert een experiment met twee groepen ervaren artsen, van wie één een juiste diagnose ingefluisterd kreeg en de ander een verkeerde. De eerste groep scoorde 80,6 procent goed. De groep die het verkeerde ziektebeeld gesuggereerd kreeg, scoorde 12,4 procent. Een enkel pietluttig feit of verkeerde interpretatie kan professionelen dus op het verkeerde pad zetten en tot fikse beroepsfouten leiden. Dat is geen verrassing, we laten ons ook in het gewone leven graag misleiden. De verleidelijkheid van passend bewijsmateriaal is heel groot en ontlastend bewijs wordt snel afgevoerd. Dat is het gevolg van onze neurologisch ingebakken afkeer van twijfel. We zoeken niet graag naar redenen waarom we wel eens ongelijk zouden kunnen hebben.
De miskleunen in de rechtsgang komen voort uit dat soort menselijke onvolmaaktheden. In Derksens boek leer je dus niet alleen wat er bij justitie verkeerd loopt, maar ook wat er in je eigen hoofd gemakkelijk uit de bocht gaat. Waarheidsvinding is moeilijk, maar daarom niet onmogelijk. De ondertitel ‘praktische wetenschapsfilosofie voor waarheidszoekers’ is een vlag die de lading helemaal dekt.
Gevangen in de Rorschachval
Bij het beoordelen en ontmaskeren van verdachten worden ondertussen alle mogelijke middelen in stelling gebracht, ook pertinent misleidende en onbetrouwbare middelen. Eén daarvan is de Rorschachtest. Op basis van de reactie van de geïnterviewde op inktvlekken doet men uitspraken over de onbewuste psyche van de mogelijke dader. De Rorschachtest is debet aan het freudiaanse gedachtegoed en stoelt op het idee dat de ondervraagde zijn onbewuste projecteert in de betekenisloze vlekken op de Rorschachkaarten. De scores op de Rorschach zouden inzicht verlenen in de mate waarin iemands gedrag bepaald wordt door onbewuste seksuele en agressieve impulsen, die meestal teruggaan tot de vroege kindertijd. Net zoals dromen de gouden toegangsweg vormen tot het onbewuste, geldt dat voor de inktvlekken. Men noemde de test ooit wel eens ‘de x-stralen van de geest’. Na het initiële succes ervan in de jaren 1940-50, in het kielzog van de psychoanalyse, keerden steeds meer psychologen zich er echter van af. Er bleek geen enkel empirisch bewijs te vinden voor de validiteit ervan. Psychiatrische patiënten haalden dezelfde scores als gezonde proefpersonen. Door de Rorschachbril bekeken leek iedereen wel ziek. De pseudowetenschappelijkheid van de test werd ook steeds manifester. Er waren op een bepaald moment wel zes verschillende Rorschachscholen. Dezelfde antwoorden werden dus op zes verschillende manieren geëvalueerd. Iedereen interpreteerde maar raak. In de jaren zeventig deed John Exner een gooi naar een wetenschappelijke revalidatie van de test, met een geüniformiseerd scoresysteem. Dat kon echter niet verhelpen dat het om oncontroleerbare beweringen gaat, waarvan de interpretatie van de projecties van de cliënt op zich een projectie wordt van de interpreterende psycholoog. Er werd verder nooit enig verband hard gemaakt tussen de interpretatie van de inktvlek en enig gedrag in het verleden of voorspellingen over toekomstig gedrag. Kortom, de inktvlekkenwijsheid is even wetenschappelijk als de interpretatie van dromen.
Dat inzicht is echter nog niet tot alle psychologen doorgedrongen, en zeker nog niet tot alle gerechtspsychologen. Getuige hiervan een interview in Knack, waarbij Renaat Mattheus, die als gerechtspsychiater Clottemans en Van Themsche onderzocht, aan de tand wordt gevoeld door
journalist maudit Stijn Tormans. Bij Tormans wordt een Rorschachtest afgenomen in de zoektocht naar zijn eigen profiel. Hij oppert dat die test toch geen goede reputatie heeft. Het antwoord van Mattheus: ‘Er bestaan minstens evenveel voor- als tegenstanders van de inktvlekkentest, dat klopt. Maar de meeste gerechtspsychologen gebruiken hem omdat bewezen is dat het een accuraat wetenschappelijk instrument is, op voorwaarde dat de psycholoog de resultaten goed kan interpreteren. Kijk, u kunt iemands persoonlijkheid het best vergelijken met een huis. Er is de buitenkant, en die kan er perfect normaal uitzien. Maar onder dat huis zitten de fundamenten, en die kunnen door en door rot zijn. Daarom is de test zo veelzeggend. Wat u ziet in die vlek valt niet uit de lucht, dat is een afspiegeling van wat er zich in u afspeelt. Dat levert soms verrassende resultaten op. Zo onderzocht ik ooit Hans Van Themsche. Uit de vragenlijst bleek dat hij een normale persoonlijkheid had, maar in de inktvlekkentest viel hij volledig door de mand.’
In een vernietigend artikel in 2003 in Scientific American schreven Lilienfeld, Wood en Garb over de Rorschach- en andere projectieve tests nog dat zelfs getrainde professionals niet immuun zijn voor de verleidelijke kracht van hun intuïtie. Daardoor blijven ze sterk geloven in de betrouwbaarheid van hun instrumenten, terwijl elk bewijs voor de effectiviteit ervan ontbreekt. Als een substantiële hoeveelheid onderzoeksresultaten aantoont dat die intuïties verkeerd zijn, is het tijd om ze te laten varen. Mattheus & co doen het tegenovergestelde. Ze denken dat door te blijven herhalen dat hun instrument accuraat wetenschappelijk is, hun cognitieve illusie dat ook wordt. Ze hanteren de gekende drogreden dat de methode soms misschien wel slecht gebruikt wordt, maar dat iemand die ze goed beheerst er uitstekende resultaten mee kan behalen. Kom bij mij, die ander is een amateur. En ze pronken met een zogenaamde treffer. Iedereen weet dat er met Van Themsche iets aan de hand was. Die was wellicht door elke mand gevallen, daar heb je geen Rorschachtest voor nodig. Erger is dat al die keren dat Rorschachanalyses flopten, de krant niet halen. Zo verdonkeremaan je handig dat je pronkt met achteraf geconstrueerde of toevalstreffers, die op geen enkele manier een bewijs vormen voor de validiteit van je methode.
Zoals gezien op televisie
De psychologie en de psychiatrie in het crimineel onderzoek en de rechtsgang spelen daar dus een mistige rol. Psychiaters zijn ondertussen heel wat terughoudender geworden om op vraag van de media onmiddellijk hun mening te geven over de psyche van vermeende daders, zonder hen van dichtbij gezien te hebben. Dat verhindert niet dat profiling gepresenteerd wordt als een betrouwbare methode. De beeldvorming op het grote en kleine scherm dragen daar ongetwijfeld toe bij. Op tv en in films lijkt profiling altijd te werken, wat de indruk wekt dat het in werkelijkheid ook zo verloopt. Een profiler bekijkt de aanwezige sporen, staart een tijdje mijmerend in de verte (je ziet dromerige, associatieve beelden) en beschrijft dan het profiel van de dader. Nog voor het volgende reclameblok is die geklist.
De werkelijkheid is minder flatterend. ‘Crimineel profilen’ heeft een zeer slechte wetenschappelijke reputatie. De methode wordt de laatste decennia in toenemende mate ingeschakeld in recherchewerk. Overzichtsstudies tonen echter aan dat profilers in het merendeel van de gevallen uitgaan van ‘gezond verstand’. Dat mag mooi klinken in politieke discussies aan de toog, maar bij het zoeken naar de waarheid is dat gezond verstand een onbetrouwbaar instrument. Statistische of empirische methodes worden weinig gebruikt. Profiling wordt door kritische onderzoekers op hun welwillendst beschreven als een kunst gebaseerd op intuïtie en ervaring (en intuïtie is niets anders dan het idee dat je het juist hebt, ook als je helemaal fout bent). Profiling is dus geen empirische onderzoeksmethode die falsifieerbare hypothesen genereert. Professionele of zelfverklaarde profilers blijken het niet beter te doen dan willekeurige proefpersonen. Profiling is irrelevant en overbodig, zo besluit een stevige metastudie. Dat verhinderde Danièle Zucker, zelf profiler, niet om in een interview in Knack te beweren dat profiling een ‘geniale onderzoeksmethode’ is. Men moet er wel heel omzichtig mee omspringen en het moet met veel kennis van zaken uitgevoerd worden, voegt ze eraan toe. Je hoort hetzelfde refrein als met de Rorschach: alle slechte resultaten uit het verleden zijn het gevolg van knoeiers of charlatans. Ga alleen bij een echte professioneel te rade (bij mij dus.) Het is een argumentatie die je bij psychoanalytici, sterrenwichelaars, homeopaten, acupuncturisten en chiropractors regelmatig aantreft als je hen het kritische vuur aan de goedgelovige schenen legt.
Profilers, en in toenemende mate advocaten en psychologen die dezelfde terminologie gebruiken, baseren zich allemaal op veelal verkeerde ideeën en preconcepties over de kenmerken van een misdadiger. Als je leest hoe psychologische profielen gemaakt en gehanteerd worden, slaat de schrik je om het hart. Het komt neer op hedendaagse frenologie, de achttiende-eeuwse dwaalleer die stelt dat een crimineel herkend kan worden aan de anatomische kenmerken van het hoofd. Een typische schurk heeft brede kaken, diepliggende ogen en doorlopende wenkbrauwen. Terwijl ze vroeger naar je misdadige bakkes keken, bekijkt men nu je asociale of antipathieke gedrag. En hoe harder je volhoudt dat je niets hebt gedaan, hoe meer vast staat dat je een ijskoude misdadiger zonder schuldbesef bent, die weigert te bekennen. Als je zo lang zwijgt, heb je immers zeker wat te verbergen. Wie na de zoveelste herhaalde valse aantijging woedend uithaalt, bewijst daardoor schuld. Daar zijn zelfs labels voor: die persoon is ‘passief-agressief’. Dat is psychologie van de koude grond, niet in het minst gehinderd door wetenschappelijk onderzoek naar de cognitieve en emotionele drijfveren van mensen of empirische inzichten in de basisstructuur van persoonlijkheid. In Nederland wordt in de rechtspraak het psychologisch dossier trouwens pas bovengehaald nadat bewezen is dat de verdachte inderdaad de dader is. In België speelt dat dossier van bij het begin van het onderzoek mee in de besluitvorming.
Psychiatrie in een kwalijke rol
Opvallend is dat psychiatrische diagnoses en psychologische profielen de laatste jaren steeds prominenter lijken mee te spelen in de rechtspraak. Een psychiatrische diagnose is notoir moeilijk. Ze is dikwijls werk-in-uitvoering. Patiënt en psychiater gaan voor lange tijd met elkaar in zee. Heel vaak is er geen eensluidende diagnose, maar wordt die in de loop van maanden of jaren bijgesteld. Diagnoses zijn op zijn best werkinstrumenten om een richting van behandeling en begeleiding te bepalen. In de psychiatrie vecht men al lang tegen het stigma dat van een diagnose uitgaat. Mensen zijn hun ziekte niet, het is iets wat kan overgaan en waar ze in het slechtste geval mee kunnen leren leven. In de gerechtspsychiatrie kantelt deze essentiële voorzichtigheid om in een finaal etiket. Je wordt gelabeld als borderline of psychopaat of passief-agressief. Het wordt niet de basis van een leer- en genezingsproces, maar van een proces-verbaal dat leidt tot veroordeling en opsluiting.
Terminologie uit de geneeskunde, en dan nog uit de psychiatrie, waarin de geneeskunde zich op zijn glibberigste paden begeeft, wordt voor doeleinden gebruikt waarvoor ze niet gemaakt is. De werkelijkheid is dus niet alleen minder flatterend dan de fictie in tv-series, ze is angstaanjagend. Daderonderzoek en waarheidsvinding staat mijlenver af van empirisch onderbouwde rechtspraak. Daardoor kunnen advocaten verleidelijke en overtuigende verhalen afsteken waarin ze pseudowetenschappelijke argumenten en drogredenen uitspelen die een onschuldige jury (de juryleden mogen zelf de dossiers niet inkijken, maar wel de kranten lezen) over de streep moeten trekken. Dit heeft weinig met waarheidsvinding te maken, wel met retoriek. Retoriek die, ongehinderd door empirische bewijzen, moeiteloos alle denkbare vooroordelen en clichés kan bevestigen. Beschuldigden die zwijgen of wegkijken hebben in de perceptie van het gezond verstand iets te verbergen. Een onschuldige die hard wordt aangepakt in de stressvolle omstandigheden van dagenlange verhoren en onder mediabelangstelling kreunende procesvoeringen, en die bij gebrek aan alternatief zwijgt en wegkijkt, bevestigt de algemeen geldende vooroordelen.
Het profiel van verdachten wordt uiteindelijk ingedikt tot het feit of de verdachte sympathiek of onsympathiek is. We weten hoe dat volslagen irrelevant is en volstrekt verwerpelijke gevolgen heeft. In de Verenigde Staten zitten veel meer zwarten in de gevangenis dan blanken, zonder een spatje bewijs dat ze zoveel crimineler zouden zijn. Psychiatrische patiënten, in casu mensen met een psychose, worden al snel verdacht van agressief gedrag, terwijl zij volgens onderzoek eerder slachtoffer dan dader zijn.
Tunnelvisie
Hoe dat soms erg fout kan lopen, beschrijft ook psycholoog Peter van Koppen in zijn nieuwste boek Overtuigend bewijs. Van Koppen is hoogleraar rechtspsychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit van Maastricht. Samen met Hans Crombag en Willem Wagenaar ontwikkelde hij de theorie van ‘verhaal en verankering’ voor bewijsvoering in strafzaken. Zij schreven in 1992 Dubieuze zaken. De psychologie van strafrechtelijk bewijs. Van Koppen was getuige-deskundige bij de parachutemoord. In een interview met NRC Handelsblad zei hij daarover het volgende: ‘Wat rechters niet helpt, is dat ruim 90 procent van de strafzaken sowieso in een veroordeling eindigt. Politie en Openbaar Ministerie zijn immers ook niet gek. Het overgrote deel is schuldig als de neten. Dus je krijgt een gemakzuchtige routine, die soms overdraagt naar de ingewikkelde zaken. De problemen worden dan niet herkend. Klassieke fout is dat de politie niet het misdrijf onderzoekt, maar de verdachte.’ Van Koppen analyseerde de parachutemoord en ook daar liep het op die manier fout, meent hij. Speurders en juristen zijn onvoldoende getraind in observatie, theorievorming en toetsing. De aanstaande criminologen en psychologen die hij helpt opleiden, leren ondertussen systematisch te toetsen en scenario’s af te wegen.
Een volgens Van Koppen klassiek voorbeeld is een bepaalde incestzaak uit 2001. Daarin werd een man veroordeeld op basis van de aangifte van incest, een geboorteakte als bewijs van de minderjarigheid van het slachtoffer en de erkenning van de verdachte dat hij in die periode in hetzelfde huis woonde als zijn stiefdochter. Van Koppen: ‘Helemaal onzin is dat niet. Als de verdachte in Timbuktu had gewoond, kon hij het niet hebben gedaan.’ Maar je kan toch moeilijk het daderschap afleiden uit louter aanwezigheid? Er wordt vaak niet goed gezocht naar feiten die het ‘schuldig scenario’ onderscheiden van een ‘onschuldig scenario’. Men zoekt in tegendeel bewijs voor het scenario dat we in ons hoofd hebben. Uiteindelijk zitten we allemaal in dezelfde tunnel. Een rechter die zegt dat hij aan z’n water voelt dat de verdachte het gedaan heeft, moet onmiddellijk een collega vragen het ‘scenario onschuldig’ te presenteren. Dan kunnen ze samen kijken naar welke bewijsmiddelen beschikbaar zijn en welke gegevens het ene dan wel het andere scenario ondersteunen.
Evidence-based rechtspraak
Ongevalideerde onderzoeksmethoden zijn te vergelijken met paranormale diagnose-technieken. Je kan net zo goed koffiedikkijkers of wichelroedelopers inschakelen om daders te identificeren of lijken te vinden. De realiteit heeft aangetoond dat pendelaars nog nooit hebben bijgedragen aan het oplossen van een misdaad. Het wordt hoog tijd dat ook pseudowetenschappelijke prietpraat van de profilers, vermomd als psychologisch inzicht in de psyche van de vermeende dader, uit de rechtspraak gebannen wordt. Ook wetenschappelijk inzicht in onderzoeksmethoden zoals DNA-analyse, in kansrekening en in onze cognitieve illusies en al te menselijke vooroordelen, zou tot de standaardbagage van juridische waarheidszoekers moeten behoren. De waarheid in de rechtspraak heeft er recht op. Onschuldig veroordeelden verdienen hun lot niet. Zij zijn momenteel slachtoffer van willekeur en demagogie. Bedenk dat in Nederland een rechtszaak kan heropend worden, maar dat in België die mogelijkheid na uitspraak van een jury niet bestaat. Wat Derksen en Van Koppen aankaarten, is dat je voor zwaarwegende en gevolgrijke uitspraken grondige bewijsvoering moet hebben. Zij pleiten voor een evidence-based, een op empirisch bewijs gebaseerde rechtspraak. Wij willen allemaal weten hoe de vork aan de steel zit en willen dat het recht zegeviert. Blijf ondertussen, zo adviseert Derksen, uit de buurt van een misdaad, en niet alleen als slachtoffer. Voor je het weet, word je onschuldig veroordeeld.
Geerdt Magiels is bioloog, filosoof en stichtend lid van SKEPP.
Literatuur:
Ton Derksen
De ware toedracht. Praktische wetenschapsfilosofie voor waarheidzoekers
Uitgeverij Veen Magazines, 271 blz, 29,95 EUR
Peter van Koppen
Overtuigend bewijs. Indammen van rechterlijke dwalingen
Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 320 blz,
22,50 EUR
Laura Spinney
‘Is criminal profiling flawed and disorderly?’,
in New Scientist, 2 september 2010
Scott O. Lilienfeld, James M. Wood en Howard N. Garb
‘What’s wrong with this picture?’,
in Scientific American, 24 maart 2005
Brent Snook, Joseph Eastwood, Paul Gendreau, Claire Goggin en Richard M. Cullen
‘Taking stock of criminal profiling: A narrative review and meta-analysis’,
in Criminal Justice and Behavior, april 2007, vol. 34(4):437-453
Met dank aan Luc Bonneux en Patrick Vermeren
Met deze studie wilde het OIVO de mening en het gedrag van de Belgische consument betreffende bijgeloof, helderziendheid en genezing in kaart brengen. Het OIVO is een stichting van openbaar nut die als doel heeft de consumenten te informeren, vertegenwoordigen en beschermen. Het centrum ijvert er ook altijd voor dat de overheid passende maatregelen zou nemen om de rechten van de consument te verdedigen en schrijft daartoe aanbevelingen uit.
Onderzoeksmethode
De resultaten die we in dit artikel bespreken, zijn gebaseerd op telefonische enquêtes bij 631 Belgen in oktober 2009. Die steekproef werd aselect, gecorrigeerd en gelaagd samengesteld en vormt dus een representatief beeld van de Belgische bevolking qua leeftijd, geslacht, woonplaats en sociale groep. De totale foutenmarge op de steekproef bedraagt 3,9%. Het gaat om een kwantitatieve studie; elke kwalificatie die we hieronder aan de resultaten geven is bijgevolg onder voorbehoud. Het OIVO vertrok voor dit onderzoek vanuit een brede interpretatie van het begrip ‘bijgeloof’. De omschrijving van Van Dale is voor ons een bruikbare kapstok: ‘niet op een godsdienst stoelend geloof aan bovennatuurlijke werkingen of verschijnselen’.
Doorheen dit artikel zal u merken dat de gestelde vragen dikwijls voor interpretatie vatbaar waren. Begrippen als ‘bijgeloof’, ‘helderziende’ of ‘genezer’ werden in de enquête niet verder toegelicht. Om de ondervraagden niet af te schrikken met een te lange en ingewikkelde enquête, waren we verplicht de invulling ervan deels aan de respondenten over te laten. Dit is in zekere mate onvermijdelijk bij het opstellen van een kwantitatieve enquête, maar maakt het onvermijdelijk gevaarlijker om sterke conclusies te trekken. Daarom herhaalt het OIVO, wanneer mogelijk, haar enquêtes, zodat de relatieve subjectiviteit van de vragen gelijk blijft doorheen de jaren. In dit geval is het onderzoek een herhaling van eenzelfde bevraging uit 2007.
De cijfers: bijgeloof neemt toe
Leggen we de resultaten van beide jaren naast elkaar, dan merken we dat het aantal bijgelovige Belgen gevoelig gestegen is. In de enquête gebruikten we twee manieren om te peilen naar bijgeloof. Aan het eind van het gesprek werd kortweg de vraag gesteld ‘bent u bijgelovig?’. Van alle respondenten antwoordde 18% bevestigend op deze vraag. In 2007 was dat nog 12%. Opvallend is dat dit cijfer voor Walen (26%) beduidend hoger ligt dan voor Vlamingen (14%).
Behalve zelfrapportering kan een andere mogelijke indicator voor bijgeloof de mate zijn waarin de respondenten geloof hechten aan bepaalde pseudowetenschappelijke en paranormale praktijken. Tijdens de enquête werden er enkele opgesomd, waarop de mensen moesten aangeven of ze er al dan niet geloof aan hechten. Ook hier liggen de cijfers voor 2009 hoger dan in 2007. Zo is het aantal Belgen dat aangeeft waarde te hechten aan astrologie en horoscopen gestegen van 10% naar 15%. Ook in voorspellingen door helderzienden (van 6% naar 12%) en ‘genezingen uitgevoerd door genezers’, zoals het letterlijk geformuleerd werd, wordt meer geloofd (van 6% naar 22%). We moeten hierbij wel opmerken dat we niet kunnen weten of voor (een deel van) de respondenten ook homeopathie, acupunctuur, aromatherapie en andere alternatieve geneeswijzen onder de, toegegeven, vage noemer ‘genezingen’ vallen.
Uit deze resultaten valt af te leiden dat we iets minder dan één op vijf Belgen volgens onze interpretatie bijgelovig kunnen noemen. Het is echter niet ondenkbaar dat dit aandeel in werkelijkheid nog een stuk hoger ligt, rekening houdend met de sociale wenselijkheid van een negatief antwoord op bovenstaande vragen.
Vrijwillig bedrog?
Het antwoordgedrag van de respondenten hangt sterk af van de manier waarop de vragen gesteld worden. Als we hen bijvoorbeeld de stelling voorleggen dat ‘helderzienden misbruik maken van de naïviteit van de mensen’, geven bijna negen op de tien consumenten (88%) aan het daarmee eens te zijn. Dezelfde verhouding werd vastgesteld in 2007. Dit lijkt te wijzen op een sterk verspreide scepsis. Toch weerhoudt dat iets minder dan vier op de tien Belgen niet om helderzienden een ‘gave’ toe te schrijven. Dit werd niet verder toegelicht; de stelling luidde als volgt: ‘Helderzienden beschikken over een gave.’ Het is mogelijk dat voor een deel van de respondenten die ‘gave’ niet meer inhoudt dan een sterk psychologisch inzicht of intuïtie. Bijna de helft van de Belgen (49%) is namelijk wel van mening dat helderzienden soms mensen in nood kunnen helpen. Als we dit op een andere manier vragen en hen de stelling voorleggen dat helderzienden mensen ‘gerust kunnen stellen en troosten’, antwoordt zelfs 58% bevestigend. Als we echter vragen of ‘helderzienden de toekomst kunnen voorspellen’, dan zakt dit cijfer naar 18%.
Welke waarde heeft die troost, als ze gebaseerd is op vaagheden en misbruik van naïviteit tot zelfs leugens en manipulatie? Op die vaak bedrieglijke praktijken komen we later nog terug. Heeft een vijfde van de Belgen genoeg aan gebakken lucht als steun in zware tijden? Het lijkt wel alsof ze zich vrijwillig laten bedriegen om de gemoederen te verlichten, als een avondgast die zich aan de eettafel vrolijk laat inpakken door een vlotte goochelaar.
Ervaring en perceptie
Via het onderzoek wilden we ook te weten komen hoeveel mensen al beroep hebben gedaan op helderzienden en genezers en welke perceptie daarover leeft in de samenleving. Vijftien procent van de respondenten blijkt zelf al ooit een helderziende te hebben geraadpleegd. Tegenover 2007 is dat zowaar meer dan een verdubbeling. Ondanks de overvloed aan esoterische diensten aangeboden via de media, gebeurt het overgrote deel van die contacten nog steeds tijdens een persoonlijk bezoek (85%). Vergeleken met 2007 merken we wel een stijging in het aantal telefonische raadplegingen, maar de grootte van die steekproef verplicht ons voorzichtig te zijn met dergelijke uitspraken. Voor beide jaren heeft namelijk slechts een handvol van de ondervraagde mensen een helderziende telefonisch gecontacteerd. Tellen we het aantal raadplegingen via telefoon en het internet samen, dan tekent de stijging van de hoeveelheid voorspellingen die op afstand gebeurden zich al duidelijker af ten opzichte van 2007 (van 8% naar 15%).
Uit de studie blijkt verder dat slechts 8% van de Belgen zich ooit al heeft gewend tot een zogenaamde genezer. Van de mensen zonder ervaring geeft een kwart aan op zijn minst weinig geneigd te zijn zoiets in de toekomst te doen. Op beide vlakken is dit een betekenisvolle stijging vergeleken met 2007, toen het aandeel mensen dat reeds een ervaring had met een genezer nog 2% bedroeg en slechts 11% zich geneigd noemde ooit een genezer te bezoeken. Dit fenomeen lijkt sterk op weg zich te onttrekken aan de marginaliteit.
Meer dan driekwart van de respondenten (77%) vindt het raadplegen van een helderziende duur. Dat je het risico loopt een aardige duit kwijt te spelen in ruil voor een korte babbel met je overleden echtgenoot of een magische genezing, blijkt ook uit verdere resultaten van de studie. Aan de mensen die al ervaring hadden met helderzienden en genezers vroegen we hoeveel een sessie hen gekost had. Voor een helderziende lag de prijs gemiddeld rond €30, voor genezers was dat niet minder dan €40. Dit is, ter vergelijking, bijna dubbel zoveel als voor een raadpleging bij een gediplomeerde huisarts.
Onethische praktijken
Ondanks de stijging van het aantal believers blijkt uit het voorgaande eveneens dat tegenover de esoterische markt best wat wantrouwen leeft bij de Belgische bevolking. Die houding is gegrond. Tal van helderzienden en genezers maken in hun adverteer- en handelspraktijken gebruik van de zwakte van de consumenten in hun doelgroep, vaak mensen die een moeilijke periode doormaken en op zoek zijn naar zekerheid en een snelle, gemakkelijke oplossing voor hun problemen. Uit onderzoek door en klachten aan het OIVO blijkt dat enkele technieken om geld te slaan uit hun onfortuinlijke situatie regelmatig terugkomen. Hieronder een niet-exhaustief overzicht.
Een voet tussen de deur
Vaak wordt bij de verkoop van esoterische diensten gebruik gemaakt van de klassieke ‘voet tussen de deur’-methode, een aangetoonde psychologische techniek die goed gekend is in de marketingwereld. Het houdt in dat het aanbod tijdens een eerste contact meestal relatief onschuldig, vrijblijvend en goedkoop blijft. Er wordt bijvoorbeeld gratis een persoonlijke numerologische of astrologische analyse aangeboden. Een consument die valt voor de laagdrempeligheid, is veel sneller geneigd ook de volgende stap of stappen te zetten, waarvoor men dan steeds meer moet betalen.
Geef de voorspellingen een
gezicht
Bedrijven die esoterische diensten van op afstand aanbieden, zijn vaak zo slim om te laten uitschijnen dat hun voorspellingen gedaan worden door oude dametjes met een spiritueel aura (excusez le mot). Advertenties worden vaak geïllustreerd met foto’s van zulke kleurrijk getooide dames. In een concreet geval werd zo’n foto vergezeld van de verzekering dat de dame in kwestie al ‘meerdere directe voorspellingen, die al meer dan 100 maal gecontroleerd werden’, op haar actief heeft staan. Om de illusie in stand te houden dat deze dames echt bestaan, biedt men soms zelfs de mogelijkheid aan hen persoonlijk te ontmoeten. Eventuele nieuwsgierigen worden echter onmiddellijk ontmoedigd door een wachttijd van zes maanden of meer.
Deze techniek heeft als doel de communicatie een menselijker gevoel te geven, wat in schril contrast staat met de koude waarheid: de gegeven voorspellingen zijn meestal volledig geautomatiseerd.
Hot en cold reading
De lezers van dit blad zijn ongetwijfeld vertrouwd met de concepten hot en cold reading, de technieken die vaak toegepast worden door zogenaamde helderzienden en mediums, waarbij zij persoonlijke informatie terugspelen aan de consument die ze te weten zijn gekomen door ofwel achter de rug van die klant opzoekingen te doen (hot reading) of het op te pikken uit de interactie met die persoon (cold reading). Vooral cold reading is een erg subtiel psychologisch spel. Beide kunnen in ieder geval erg overtuigend overkomen en zijn ontegensprekelijk vormen van bedrog als ze worden aangewend als verkoopsargument. Het OIVO stootte al op bijzonder flagrante varianten op dit thema. In een geval van hot reading dat aan het belachelijke grenst, kreeg een dame een vragenlijst opgestuurd waarin ze naast een aantal triviale gegevens (‘heeft u een huisdier?’, bijvoorbeeld) ook gevraagd werd naar haar grootste zorgen en diepste wensen. Een tijd later ontving zij een gepersonaliseerde toekomstanalyse, inspelend op haar precieze verwachtingen.
Veel mensen stellen onvoldoende kritische vragen bij dit soort praktijken. Ze willen nu eenmaal geloven dat er een snelle en gemakkelijke oplossing bestaat voor hun problemen, zelfs al moeten ze daarvoor diep in de geldbeugel tasten. In de ijdele hoop de onzekerheid van de toekomst onder controle te krijgen, blijven ze toevlucht zoeken tot de esoterie en lopen ze het risico uitgebuit te worden door de vaak misleidende praktijken van zogenaamde helderzienden en genezers. Al te vaak komt het zover dat zij zich laten meeslepen in een spiraal van alsmaar zwaarder wordende betalingen, in de hoop dat hun zorgen weldra achter de rug zullen zijn, terwijl ze eigenlijk schaamteloos worden uitgebuit door een onpersoonlijk postorderbedrijf.
Ondoorzichtige handels-
praktijken en fear-appeal
In een ander concreet geval maakte een banner op het internet reclame voor een gratis sessie bij een helderziende. Een vrouw die daarop reageerde, ontving enkele dagen later een analyse in vage esoterische taal die haar aanraadde, ik citeer, ‘uit die rampzalige kring van negativiteit te stappen en dat negatieve mediamieke milieu helemaal uit te schakelen… met behulp van een volledige, vertrouwelijke astrologische studie.’ Voor die studie moest vanzelfsprekend stevig betaald worden. De consument in kwestie reageerde niet verder, waarop ze meermaals per e-mail agressief herinnerd werd aan het aanbod. Dit is een schrijnend voorbeeld van ethisch onverantwoorde marketing via fear-appeal, waarbij de consument het idee gegeven wordt dat hij of zij moet ingaan op een aanbod omdat er anders erge dingen zullen gebeuren.
Overheidsaanbevelingen
Het OIVO vraagt dat er dringend een einde gesteld wordt aan dergelijke bedrieglijke, weinig transparante praktijken en heeft over deze kwestie aanbevelingen aan de overheid uitgeschreven. De markt van de helderziendheid en ruimer gezien van het esoterisme is weinig gereglementeerd en vanwege het specifieke karakter (de kwetsbare consument en de moeilijke momenten waarop de dienst wordt aangeboden) moet er een bijzondere omkadering komen, zowel op het reglementaire vlak, met meer transparantie in de handelspraktijken, als op het gebied van controle. De overheid dient de sector strenger te controleren en moet erop toezien dat de wet op de marktpraktijken waaraan hij onderhevig is, gerespecteerd wordt. Gelet op het feit dat het statuut van helderziende niet gereglementeerd is en voor iedereen openstaat, dient meer aandacht besteed te worden aan de oplichterijen waar de consumenten het slachtoffer van kunnen worden.
Men zou kunnen tegenwerpen dat het zeer moeilijk is de esoterische markt specifiek te reglementeren: hoe kan je van eerlijke en transparante dienstverlening spreken als het gaat om mensen die beweren dat ze de toekomst voor je kunnen voorspellen of je ziekte als bij wonder kunnen laten verdwijnen? Bestaat daar geen juridische lacune? Volgens het OIVO betreft die lacune echter enkel de erkenning van de functie van helderziende. Van zodra een helderziende een raadpleging voor een consument uitvoert, biedt hij hem beroepsmatig een dienst tegen vergoeding aan. Zulke diensten vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en de bescherming van de consument. De ‘helderziende’ moet zich met die wet in regel stellen.
Voor de volledige studie, zie:
www.oivo.be/files/nl/5256nl.pdf
of zoek op www.oivo.be naar ‘De toekomst wordt onzeker’.
Jelle Vancoppenolle (1985) is persverantwoordelijke bij het OIVO en alumnus communicatiewetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel.
Cornell is de universiteit van 41 Nobelprijswinnaars. Carl Sagan, Richard Feynman en Vladimir Nabokov doceerden er. Als een Cornell-professor met een uitgebreide studie aankomt, dan wordt daar notitie van genomen. Als die studie bovendien een verrassende uitkomst over het paranormale bevat, baart dat opzien. Het 61 pagina’s tellende artikel van Daryl Bem heeft de gemoederen heftig beroerd nog voordat het officieel is uitgekomen. De studie, getiteld ‘Feeling the future: Experimental evidence for anomalous retroactive influences on cognition and affect’, is aanvaard voor publicatie door het Journal of Personality and Social Psychology en is ter perse. Via Bems website is het echter al gratis voor iedereen beschikbaar op het internet.(1)
Bems experimenten zijn goedkoop en eenvoudig. Gedurende een sessie van zo’n twintig minuten communiceert de proefpersoon enkel en alleen met de computer. Vrijwilligers werden gerekruteerd onder de studenten van Cornell University en kregen vijf dollar voor de moeite. Op het computerscherm staan telkens twee zwarte rechthoeken. Achter één daarvan bevindt zich een afbeelding. De vrijwilliger moet dan raden achter welke rechthoek de afbeelding zit en zijn keuze bekend maken door op de betreffende rechthoek te klikken. Een random generator gaat pas aan het werk nadat de vrijwilliger zijn keuze heeft gemaakt. Normaliter zou je een slaagpercentage van heel dichtbij de 50% verwachten, en dat is inderdaad wat er gevonden wordt bij ‘romantische afbeeldingen’ en bij ‘positieve, neutrale, en negatieve afbeeldingen’. Maar, zo lezen we in het hoofdstuk ‘Experiment 1 - Precognitive Detection of Erotic Stimuli’, het percentage schiet omhoog naar 53.1% wanneer het om pornografische afbeeldingen gaat. En dat zou een significante afwijking van de verwachte 50% behelzen. Bem verklaart dit resultaat door te stellen dat het kunnen voorspellen van de mogelijkheid tot seks iets is waarmee in loop van de evolutie selectief voordeel kan worden behaald.
De andere acht experimenten die beschreven staan in het artikel zijn soortgelijk van opzet. Bij elk experiment gaat het om zo’n 100 vrijwilligers die twintig minuten achter een computer zitten. Ze lezen woorden, kijken plaatjes en voeren eenvoudige opdrachten uit. Van de negen experimenten zouden er acht bevestigen dat de toekomst voorspeld kan worden en dat toekomstige gebeurtenissen keuzes in het heden kunnen beïnvloeden.
Het moet Bem nagegeven worden dat hij een leesbaar artikel heeft geschreven. Het bevat weinig vakjargon en je hoeft geen afgestudeerd psycholoog te zijn om het te kunnen lezen. Nooit is het onduidelijk of verwarrend. Die leesbaarheid heeft er zeker toe bijgedragen dat het artikel al uitgebreid is besproken, geprezen en bekritiseerd nog voordat het officieel is uitgekomen. New Scientist (2) en Physorg (3) zijn weinig kritisch, en het is helaas waarschijnlijk dat de betreffende stukjes nog veelvuldig aangehaald zullen worden als ‘bewijs’ voor de realiteit van paranormale verschijnselen. Interessanter en kritischer zijn de bloggers op de Psychology Today-website.(4) Veel van de kritiek betreft de door de auteur gehanteerde statistische methoden. Bem wil de experimenten en de statistiek eenvoudig houden. Zo hoopt hij collega’s maximaal te stimuleren tot het reproduceren van zijn resultaten. Psychology Today-blogger Stephen Hawes beargumenteert dat die eenvoud misleidend kan zijn.
Een Nederlandse bijdrage aan het debat formaliseert de statistische bezwaren. Een team van de Universiteit van Amsterdam (E. Wagenmakers, R. Wetzels, D. Borsboom en H. van der Maas) schreef een artikel onder de titel ‘Why psychologists must change the way they analyze their data: The case of psi.’ Dit artikel zal samen met het artikel van Bem in dezelfde editie van het Journal of Personality and Social Psychology verschijnen. Via de websites van de eerste twee auteurs is de Amsterdamse weerlegging reeds beschikbaar.(5)
Bem gaat uit van de veronderstelling dat er geen helderziendheid bestaat. Vervolgens interpreteert hij iedere significante afwijking van de dan verwachte fifty-fifty verdeling als een bewijs voor helderziendheid. Volgens het Amsterdams viertal is dit een onjuiste benadering. Bem had twee hypothesen moeten opstellen, helderziendheid en geen helderziendheid, en vervolgens nagaan welke van de twee het meest overeenstemt met de verkregen data. De Amsterdammers passen die methode, de zogenaamde Bayesiaanse statistiek, toe op Bems data. De onontkoombare conclusie van hun analyse is dat zijn data niet wijzen op helderziendheid. De controverse over Bems resultaten en statistische interpretatie ervan heeft inmiddels zelfs de pagina’s van de New York Times (6) en van Science Magazine (7) bereikt.
Hoe weinig aannemelijk Bems conclusie is illustreren Wagenmakers en zijn mede-auteurs verder aan de hand van het roulettespel. Wie bijvoorbeeld op zwart inzet, heeft 18/37-ste kans dat hij het dubbele terugkrijgt en 19/37-ste kans dat de inzet verloren gaat. Op deze manier vergaart de uitbater 1/37-ste deel (2,7%) van al het geld dat op de tafel wordt gelegd. We zagen eerder hoe in Bems experimenten de vermeende paranormale vermogens leidden tot 53,1% goede voorspellingen waar de rauwe statistiek 50% voorschreef. Wie met zo’n paranormale opsteker van 3,1% het casino in stapt, houdt dan een krap voordeel van 3,1% - 2,7% = 0,4% over op het casino. Het is een klein voordeel, maar Wagenmakers en zijn team rekenen voor hoe dit de casino’s vrij snel zou ruïneren. En laten we wel wezen, ook met de vergaring van rijkdom kan men voordeel behalen in de natuurlijke selectie.
Het is zo langzamerhand vaste prik geworden om paranormale claims vergezeld te laten gaan van een hoeveelheid theorie over de kwantumfysica van het brein. Vier pagina’s wijdt Bem hieraan. Inderdaad is het zo dat de natuur zich op subatomair niveau ‘vreemd’ gedraagt. Er zijn zelfs experimenten gedaan die ‘backward causation’ suggereren, i.e. een gevolg dat voor de oorzaak plaatsgrijpt.(8) Dit zou analoog zijn aan Bems proefpersonen die een keuze maken aan de hand van in de toekomst opgedane kennis. ‘Retroactive influences’ noemt hij dat in zijn titel. Het gaat bij de kwantumfysische experimenten echter om nanoseconden en supersnelle elementaire deeltjes en een interferometer in een vacuüm. Zo’n situatie verschilt fundamenteel van die in het menselijk brein. Biomoleculen functioneren in een omgeving die nat en warm is. Elke seconde botsen ze vele miljarden malen met watermoleculen. Dergelijke botsingen maken een einde aan de kwantumverstrengeling die nodig is om het voornoemde ‘vreemde’ kwantumgedrag te verkrijgen.
Bem dekt zich tegen deze kritiek in door te schrijven dat de kwantumfysica misschien wel meer als een metafoor moet worden gezien. Maar hoe zinvol is het om de kwantumfysica als geheel als metafoor te nemen? Wetenschappelijk taalgebruik zit vol metaforen (zwart gat, celskelet, kwantumtunneling). Echter, die metaforen worden gebruikt om een ingewikkeld idee te verhelderen aan de hand van iets wat eenvoudig en algemeen bekend is. Metaforen helpen op die manier bij het ontwikkelen van een intuïtie. Kwantumfysica staat bij het algemeen publiek echter bekend als ingewikkeld, esoterisch en moeilijk te doorgronden. Kwantumfysica als metafoor is derhalve weinig anders dan een manier om het grote publiek ervan te overtuigen dat het onderwerp van behandeling wetenschappelijke autoriteit heeft, maar verder te ingewikkeld is om door gewone stervelingen te kunnen worden begrepen. Het verheldert zodoende niets. Het mystificeert slechts.
Ik was nogal verbluft toen ik in Bems artikel het volgende las: ‘Een ander voorbeeld is het klaarblijkelijke vermogen tot helderziendheid van trekvogels, waardoor ze zelfs ‘s nachts hun weg vinden op onvertrouwd terrein’ (p. 55). Na deze onstuimige bewering doet de auteur echter een stapje terug: ‘Dit hield op een psi-achtige anomalie te zijn toen ontdekt werd dat ze gevoelig zijn voor het magnetische veld van de aarde.’ Waarna hij vervolgt: ‘Recent is zelfs aangetoond dat het relevante zintuiglijke mechanisme gelokaliseerd is in het visuele system van de vogels; ze kunnen het magnetisch veld ‘zien’ in een vrij letterlijke zin van het woord.’ Op dit gebied is veel goed onderzoek gedaan.(9) Het gaat niet alleen om vogels. Sommige insecten, vissen, amfibieën, reptielen en zoogdieren gebruiken eveneens variaties in het aardmagneetveld om voor zichzelf een soort GPS-systeem te creëren. (Bij geen van de bekende mechanismen is trouwens kwantumverstrengeling betrokken, het gaat in alle gevallen om gewone fysische chemie in een vloeistofomgeving.) Dat de betrokken organen in of nabij het visueel systeem zouden liggen, is natuurlijk geen reden om waarneming van het magneetveld als een soort van helderziendheid te beschouwen. Bem noteert wel dat het maar om schijnbare helderziendheid gaat, maar ondertussen heeft hij de suggestie toch maar gewekt. Daarnaast is het misleidend om dit vermogen van vogels en sommige andere soorten te omschrijven als ‘zien’. Wij zullen immers nooit weten wat het is om een magneetveld zintuiglijk te kunnen waarnemen, net zomin als iemand die doof geboren is, ooit zal weten wat het is om te horen, hoe goed hij of zij de biofysica en de neurofysiologie van het gehoororgaan ook begrijpt. Door het begrip helderziendheid naar voren te brengen in de magneetzintuigpassage, vertroebelt Bem de grens tussen wetenschap en de wereld van Char en Jomanda. Dat is, bewust of onbewust, wellicht de bedoeling. Al in 1994 schreef hij een artikel in Psychological Bulletin, getiteld ‘Does psi exist? Replicable evidence for an anomalous process of information transfer’.(10)
Een onafhankelijke poging tot replicatie van Bems achtste experiment is inmiddels mislukt.(11) De bekende Richard Wiseman houdt op zijn website een soort centrale administratie bij van alle aan de gang zijnde replicatiepogingen.(12) Dat zijn er tot nog toe drie.
Het zou mooi zijn indien pornografie paragnostische begaafdheid naar boven kon brengen. Op zich zou het misschien ook geen slechte ontwikkeling zijn als mensen zich, voor de ontwikkeling van hun paranormale gaven, tot de pornoboer zouden kunnen wenden in plaats van tot de veel prijzigere toestanden die je kunt vinden op http://paranormaal.blog.nl/cursus. Een kleine hoeveelheid kritisch vorsen volstaat echter om een voorgevoel te krijgen dat de toekomst slechts verdere falsificatie van Bems resultaten zal brengen.
Martin Bier studeerde natuurkunde in Amsterdam en wiskunde in de Verenigde Staten. Momenteel is hij verbonden aan East Carolina University in North Carolina. Zijn onderzoeksterrein betreft de biofysica.
Voetnoten:
2 http://www.newscientist.com/article/dn19712-is-this-evidence-that-we-can...
3 http://www.physorg.com/news/2010-11-precognition.html
4 http://www.psychologytoday.com/blog/one-among-many/201010/why-i-dont-bel... en http://www.psychologytoday.com/blog/evolved-primate/201010/not-so-fast-p... en http://www.psychologytoday.com/blog/evolved-primate/201010/psi-research-...
5 http://www.ruudwetzels.com/index.php?src=publications en http://www.ejwagenmakers.com/papers.html
6 http://www.nytimes.com/2011/01/06/science/06esp.html
7 http://www.sciencemag.org/content/331/6015/272.summary
8 http://en.wikipedia.org/wiki/Delayed_choice_quantum_eraser
9 Zie bv. http://www.gps.caltech.edu/~jkirschvink
10 http://www.dbem.ws/Does%20Psi%20Exist%3F.pdf
11 http://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=1699970
Inhoudsopgave
Het kan uiteraard geen kwaad dat het Federaal Kenniscentrum voor de Volksgezondheid erop wijst dat homeopathie niet werkt, ook al is dit reeds meerdere keren door sceptische organisaties, wetenschappelijke commissies en tal van wetenschappelijke studies aangetoond. Het Kenniscentrum stelt terecht dat een totaal gebrek aan werking niet hoeft te betekenen dat homeopathie niet helpt: er is immers het deels bekende, deels mysterieuze placebo-effect. Voor wie erin gelooft, kan homeopathie een effect hebben.
Hetzelfde geldt natuurlijk voor wijwater uit Lourdes en voor honderden andere zogenaamde 'alternatieve' geneeswijzen. Daarom is het al evenzeer correct van het Kenniscentrum om enerzijds te stellen dat men niemand kan verbieden zijn geld aan homeopathie uit te geven, maar anderzijds ook te pleiten tegen terugbetaling met gemeenschapsgeld. Wie dat laatste toch verdedigt, moet a fortiori mijn dagelijks glas wijn terugbetalen. Dat heeft immers naast een placebo-effect ook een bewezen positieve uitwerking op mijn gezondheid.
Het Kenniscentrum is dus niet tegen homeopathie, net zoals het ook niet tegen wijwater of een bedevaart naar Scherpenheuvel is. Maar het raadt wel aan dat een homeopaat tegelijk ook arts moet zijn, dit om te vermijden dat mensen met een reële en ernstige aandoening een verkeerde diagnose krijgen of een wetenschappelijk bewezen therapie of behandeling mislopen.
Laat ons even stilstaan bij dit standpunt. Het komt erop neer dat onzin acceptabel is, maar enkel als die aanbevolen wordt door iemand van wie men net verwacht dat hij zin van onzin onderscheiden kan. Reeds in 1998 brachten alle Belgische medische faculteiten gezamenlijk een rapport uit waarin ze het standpunt verdedigen dat geneeswijzen zoals homeopathie niet werkzaam zijn, en daarom ook niet thuishoren in de opleiding geneeskunde. De termen 'alternatieve' of 'complementaire' geneeskunde zijn dan ook zeer misleidend: er is maar één goede vorm van geneeskunde, namelijk diegene die grondig wetenschappelijk is getest en waarvan de werking is bewezen.
Alternatieve geneeskunde staat tegenover wetenschappelijk bewezen geneeskunde zoals pakweg het creationisme ('alternatieve biologie') tegenover de evolutietheorie. Waarom, zo kan men zich dan afvragen, zijn er dan artsen die zich wel degelijk ook homeopaat noemen? Hebben zij dan niet dezelfde opleiding gehad als hun collega's die alternatieve geneeskunde verwerpen? Het antwoord hierop bevat meteen ook de sleutel om te begrijpen waarom homeopathie en honderden andere onbewezen, vaak zelfs volstrekt absurde middeltjes en opvattingen populair zijn en blijven, ondanks tal van studies die, allen samen genomen, onweerlegbaar aantonen dat er hoogstens van een placebo-effect kan sprake zijn.
Het menselijk brein is door evolutie niet ontworpen om onmiddellijk en moeiteloos te begrijpen wat de kracht is van wetenschappelijk onderzoek dat dubbelblind, gerandomiseerd, placebogecontroleerd en statistisch verantwoord is uitgevoerd. Die strenge criteria zijn de voorbije decennia op scherp gesteld om te vermijden dat onze subjectieve opvattingen hoger worden ingeschat dan de resultaten van objectieve studies.
Mensen zijn er nu eenmaal van overtuigd dat iets waarvan ze denken het zelf te hebben ervaren, een veel groter waarheidsgehalte heeft dan om het even welke studie, ook al nam ze ruim tien jaar in beslag, is ze gepubliceerd in een wetenschappelijk toptijdschrift en bevestigd door meerdere opvolgingsstudies.
Iedereen die zich ooit kritisch opstelde tegenover het alternatieve geloof kent deze repliek: "Ik nam een alternatief middeltje, en mijn klacht was verdwenen. Hoeveel meer bewijs wil je nog?"
Het is zo goed als onmogelijk om aan zo iemand uit te leggen dat subjectief, anekdotisch bewijsmateriaal niet opweegt tegen wetenschappelijk correct uitgevoerde studies. Hoe verstandiger zo'n believer is, hoe moeilijker de discussie: slimme en hoger opgeleide mensen (zoals artsen) zijn immers beter in staat om opvattingen die ze zich om onverstandige redenen eigen maakten, te verdedigen op voor zichzelf bevredigende wijze.
Toch is het tegelijkertijd niet zo lastig om te begrijpen dat het merendeel van de kwalen waaraan we lijden na verloop van tijd ook vanzelf overgaan. Er hoeft geen enkele oorzakelijke relatie te bestaan tussen een alternatief middeltje enerzijds, en een genezingsproces anderzijds. Stel dat ik een verkoudheid heb, ik neem er vandaag een middeltje voor en vijf dagen later ben ik genezen. Komt die genezing door dat middeltje? Of door het feit dat ik twee dagen geen koffie heb gedronken maar wel een Orval? Of door het hemd dat ik morgen zal dragen, of die ene prettige e-mail die ik ontving? Of misschien omdat ik twee keer na elkaar naar Dylans Time out of Mind heb geluisterd?
De ene hypothese is zeker minder waarschijnlijk dan de andere, maar het punt is: we kunnen het antwoord alleen maar te weten komen door grondig wetenschappelijk onderzoek te doen, waaraan voldoende proefpersonen deelnemen. En laat dit nu net het probleem zijn voor de homeopathie: dergelijk onderzoek toont aan dat de werking ervan onbestaande is.
Waarom zijn er dan artsen die erin geloven? Omdat artsen, zoals nagenoeg iedereen, ook vatbaar zijn voor bijgeloof. Zoals de homeopathische consument een verband legt tussen een vermeende oorzaak en een denkbeeldig gevolg, zo ook legt de homeopathische arts een irreëel verband tussen zijn alternatief voorschrijfgedrag en de positieve feedback die hij van het merendeel van zijn patiënten krijgt.
We zijn er allemaal kwetsbaar en ontvankelijk voor, wat meteen de reden is waarom deze opflakkering van het zogenaamde debat omtrent alternatieve geneeskunde niet bepaald de eerste is, en verre van de laatste zal zijn.
Dit opiniestuk van Johan Braeckman verscheen op 25/05/2011 in De Morgen.
In 2009 raadpleegde 6 Belgen op 100 een homeopaat. De redenen waren divers : rug-of nekpijn, allergie, vermoeidheid, problemen met het ademhalingsstelsel, angst en depressie... De patiënten, die van alle leeftijden zijn, verwachten met homeopathie een meer natuurlijke, geïndividualiseerde behandeling, met minder bijwerkingen. Ze verwerpen de klassieke geneeskunde niet, maar gebruiken homeopathie als aanvulling erop. Bij sommige klachten kiezen ze voor homeopathie, voor andere doen ze een beroep op de klassieke geneeskunde.
Er zijn ongeveer 340 homeopaten aangesloten bij de 2 beroepsverenigingen in België. De grote meerderheid van deze homeopaten (75%) is arts, 20% heeft dan weer geen (para)medische opleiding gevolgd. In België bestaan er verschillende opleidingen homeopathie, die niet officieel erkend zijn, en dus niet door de overheid gecontroleerd worden.
Een eerste consultatie kost tussen de 50 en 80 euro voor een volwassene en tussen 35 en 80 euro voor een kind. De ziekteverzekering betaalt homeopathie niet terug, maar de consultatie kan wel als een ‘klassieke’ consultatie worden terugbetaald, als de homeopaat een arts is. Sommige ziekenfondsen komen wel onder bepaalde voorwaarden tussen, in het kader van hun aanvullende verzekering.
Het KCE bestudeerde de internationale wetenschappelijke literatuur over homeopathie voor een aantal indicaties: slapeloosheid, allergische neusverkoudheid, lage rugpijn, bevalling, chronische vermoeidheid, dementie, astma, bedplassen, depressie, angst, symptoombestrijding bij kanker en kankerbehandeling, opvliegers, kinderziekten, ADHD, fibromyalgie, HIV, premenstrueel syndroom en veneuze insufficiëntie.
De onderzoekers konden geen overtuigend bewijs vinden dat homeopathie werkt. Eventuele positieve effecten van een homeopathische behandeling kunnen worden verklaard door het ‘placebo-effect’. Hierdoor kunnen behandelingen die op zichzelf niet werkzaam zijn, toch een gunstig effect hebben op het lichaam, op basis van de verwachtingen van de patiënt en de therapeut. Om die reden beveelt het KCE de ziekteverzekering aan om homeopathie niet terug te betalen.
Er is gebleken uit het onderzoek dat homeopathie overtuigde aanhangers heeft. Het feit dat vele patiënten tevreden zijn, betekent echter niet dat homeopathische middelen beter werken dan pakweg gedestilleerd water. Ze blijken wel geen bijwerkingen te veroorzaken, en zijn dus op zich niet gevaarlijk. Dit geldt niet noodzakelijk voor andere ‘natuurlijke’ middelen, die vaak onder de brede waaier van homeopathie worden aangeboden.
Anderzijds worden homeopaten geraadpleegd voor een zeer brede waaier aan klachten, zowel door volwassenen als voor kinderen. Het is daarom belangrijk dat de homeopaat een juiste diagnose kan stellen en kan uitmaken wanneer een klassieke medische behandeling echt nodig is. Zoniet bestaat er een risico dat deze behandeling te laat of niet wordt opgestart. Om die reden pleit het KCE ervoor om alleen artsen toelating te geven homeopathie te beoefenen. Voorwaarde zou wel moeten zijn dat zij zich ook voldoende blijven bijscholen in de klassieke geneeskunde.
De Belgische wetgeving voorziet dat alleen artsen een diagnose mogen stellen en een behandeling opstarten. De beoefenaars van homeopathie die geen arts zijn werken dus in de illegaliteit. De wet Colla werd afgekondigd in 1999 maar is nog niet volledig in werking. Deze wet voorziet de registratie van 4 niet-conventionele geneeswijzen, (chiropraxie, osteopathie, acupunctuur en homeopathie) en de registratie van alle betrokken therapeuten, om de patiënten een officiële garantie op kwaliteit en veiligheid te bieden. Nu het KCE aanbeveelt om de uitoefening van homeopathie te beperken tot artsen, vraagt het zich af welke meerwaarde de wet Colla aan homeopathie kan bieden. Artsen werken reeds binnen een bestaand wettelijk kader dat garanties op kwaliteit en veiligheid biedt.
Homeopathie bestaat uit het toedienen van zeer sterk verdunde oplossingen van dierlijke, plantaardige of minerale stoffen, die krachtig moeten worden geschud (‘potentiëring’). Door die verdunning en het schudden zou de interne kracht van het middel vrijgemaakt worden, zodat die op de levenskracht van de zieke kan inwerken.
Daarnaast is er de ‘simila-regel’: de stoffen die worden toegediend veroorzaken bepaalde symptomen in een gezond lichaam, maar zouden gelijkaardige symptomen bij een zieke persoon genezen. Verder is er het principe van de individuele behandeling: “er zijn geen ziekten, alleen zieken”.
Homeopathie werd in het begin van de 19e eeuw ontwikkeld door de Duitse arts Samuel Hahnemann, en wordt al bijna 200 jaar in België door artsen beoefend, en sinds kort ook door niet-artsen.
Het rapport is beschikbaar op de website van het KCE: Stand van zaken van de homeopathie in België
Voor meer informatie of interviews, contacteer:
Gudrun Briat
Verantwoordelijke communicatie
Doorbuilding, Kruidtuinlaan 55, 1000 Brussel
Tel: 02 287 33 54
website : http://kce.fgov.be
Bij Acco verscheen onder de titel Kritische reflecties over alternatieve geneeswijzen een genuanceerd boekje over alternatieve geneeswijzen waar zowel voor- als tegenstanders hun voordeel mee kunnen doen. Auteur is Norbert Fraeyman, hoogleraar farmacologie aan de Universiteit Gent, die er aan de Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen sinds 1992 jaarlijks een lespakket met reflecties over alternatieve geneeswijzen verzorgt. Bedoeling bestaat erin het fenomeen van de alternatieve geneeswijzen academisch ernstig te nemen, dus om ze zonder a priori veroordeling zo correct en objectief mogelijk te beschrijven en naar hun waarde in te schatten. Het boekje vormt de neerslag van deze cursus, maar het beoogt duidelijk een breder publiek dan enkel studenten. Het is immers niet enkel beknopt en informatief, maar ook heel helder en toegankelijk geschreven, zodat het voor iedereen die zich in het debat wil oriënteren, een handige leidraad zal zijn.
Met amper 180 bladzijden kan dit boek natuurlijk niet de ambitie hebben om het ultieme naslagwerk rond alternatieve geneeswijzen te zijn. Toch vormt het een uitstekende wegwijzer voor wie de helaas vaak ondergeïnformeerde stellingenoorlog tussen rabiate voor- en tegenstanders wil overstijgen. De auteur beperkt er zich immers niet toe om enkele elementaire feiten rond alternatieve geneeswijzen te presenteren. Hij geeft de lezer onderweg ook een aantal methodologische werktuigen in de hand die hem of haar in staat moeten stellen om zelf kritische afwegingen te maken in confrontatie met beweringen of informatie die in het boek niet rechtstreeks of uitgebreid behandeld konden worden. Op die manier draagt het boek een lovenswaardig gebalanceerde en blijvend nieuwsgierige houding uit: oprecht open voor alle informatie, maar wel steeds geruggensteund door een fundamenteel kritisch-wetenschappelijke benadering.
Het boek bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat enkele algemene beschouwingen rond alternatieve geneeswijzen, met onder andere een beschrijving van hun plaats in de huidige patiëntenzorg, de vaak dubieuze verhouding tot wetenschappelijke onderzoeksmethodes en een korte schets van enkele deontologische en ethische aspecten die aan alternatieve praktijken verbonden zijn. Dit levert voor mensen die niet zo thuis zijn in het wereldje interessante achtergrondinformatie op, bijvoorbeeld over het profiel van de gebruiker van alternatieve geneeswijzen (vaak mensen met een hogere opleiding en een groot verantwoordelijkheidsgevoel, eerder zelden mensen die ontgoocheld zijn door reguliere behandelingswijzen). Anderzijds wordt aan voorstanders van alternatieve geneeswijzen heel bevattelijk uitgelegd waarom wetenschap vraagtekens plaatst bij de soms boude beweringen en praktijken uit het alternatieve circuit.
De auteur maakt duidelijk dat wetenschap geen geheel van star te verdedigen dogma’s is, maar een dynamisch proces waarin elke hypothese net bewust kwetsbaar wordt gemaakt door de eis van falsificeerbaarheid. Alternatieve geneeswijzen blijken zich heel wat minder kwetsbaar op te stellen en neigen ertoe zich te onttrekken aan de eisen van reproduceerbaarheid, verifieerbaarheid en transparantie. Toch maakt de auteur ook duidelijk waarom niet alle alternatieve therapieën zomaar kunnen beantwoorden aan de gouden standaard van dubbelblind gerandomiseerd klinisch
onderzoek, al mag dit natuurlijk nooit als excuus gebruikt worden om de inherente tekorten van veel onderzoek naar alternatieve geneeswijzen te minimaliseren of onder de mat te vegen.
Culminatiepunt van het eerste deel is de definitie van het begrip “alternatieve therapie”. Een aantal van de gangbare criteria om het onderscheid tussen reguliere en alternatieve geneeskunde te maken, zijn immers minder duidelijk dan verhoopt. Te vaak worden alternatieve therapieën louter negatief en dichotomiserend gedefinieerd en wordt er te weinig aandacht geschonken aan correcte semantische nuances (zo kan bijvoorbeeld het woord “holistisch” ook perfect op bepaalde vormen van klassieke geneeskunde toegepast worden, en is er een verschil tussen “alternatief”, “complementair” en “integraal”). Nochtans zijn bruikbare definities in deze niet enkel van louter didactisch belang, maar ook omwille van economische en sociale redenen dringend wenselijk.
Het tweede deel van dit boek bevat een omschrijving van enkele alternatieve therapieën. Op de vier meest bekende alternatieve geneeswijzen wordt dieper ingegaan: acupunctuur, chiropraxie en osteopathie, homeopathie en kruidengeneeskunde krijgen elk een hoofdstukje waarin nauwkeurig de historische achtergrond, de theoretische uitgangspunten en de concrete praktijk beschreven worden. Telkens volgt een up to date en zo correct mogelijke inschatting van de verdiensten, werking en risico’s die een bepaalde praktijk met zich meebrengt. Nadien komen een veertigtal andere therapieën (een heel aantal op basis van manuele of spirituele interacties, maar ook diëten en enkele moeilijk te klasseren therapieën) aan bod in telkens twee korte puntjes, waarbij wordt aangegeven wat ze zijn en hoe ze best ingeschat kunnen worden. Het boek sluit af met een aantal specifieke medische condities waarbij alternatieve therapieën vaak gebruikt worden.
Over het algemeen, en enkele belangrijke uitzonderingen niet te na gesproken, blijkt dat men de werking (en gelukkig dus ook het gevaar) van de meeste alternatieve therapieën nogal kan relativeren. Veel hangt ook af van de pretenties die met een bepaalde praktijk samenhangen. Slechts weinigen zullen zware bedenkingen uiten tegen een complementair gebruik van spanningsreducerende en relaxerende technieken of tegen al dan niet steekhoudende inzichten die bijdragen aan een bewustere levenshouding en een betere omgang met lichaam en voedsel. Voor de meeste alternatieve therapieën geldt dat het grootste risico erin bestaat dat ze niet louter als complementair worden gezien, maar als enige alternatief worden gebruikt ten koste van een soms noodzakelijke reguliere behandeling.
Met Kritische reflecties over alternatieve geneeswijzen heeft Norbert Fraeyman een boek geschreven dat in de eerste plaats heel fair is. De toon is open en is er duidelijk op gericht om het soms te sterk gepolariseerde debat te ontmijnen. Zo erkent hij dat alternatieve therapieën in enkele specifieke omstandigheden wel degelijk een bijdrage kunnen leveren aan het genezingsproces, vanzelfsprekend op voorwaarde dat ze op verantwoorde en doordachte wijze worden ingezet. Het hele boek ademt een sfeer van bruggen bouwen uit, en dat is meer dan welkom in het debat rond alternatieve geneeswijzen. Temeer daar de auteur ondanks zijn tegemoetkomende houding ondubbelzinnig duidelijk blijft op die punten waar hij onverbiddelijk moet zijn: zeker bij ernstige aandoeningen blijft het immoreel en ontoelaatbaar om een alternatieve therapie met twijfelachtige bewijzen aan te raden wanneer er een reguliere therapie met bewezen werking voorhanden is.
Pieter Peyskens
Literatuur
De Hopi
De Hopi zijn een klein indianenvolk dat ongeveer sinds het jaar 1000 woont in wat nu het noordoosten van de Amerikaanse staat Arizona is. Het is een interessant volk. Uitzonderlijk is bijvoorbeeld dat ze de enige indianenstam in de VS zijn die geen casino op haar gebied toestaat. Wat ze ook niet doen en nooit hebben gedaan, is het toepassen van oorkaarstherapie.1
Een Duitse fabrikant van oorkaarsen gebruikt het plaatje hiernaast nog steeds als bewijs voor het oeroude gebruik van oorkaarsen door de Hopi.2 De afbeelding is in werkelijkheid deel van een indrukwekkende muurschildering3 in een uitkijktoren voor toeristen die in 1932 werd gebouwd,4 dus minder dan een eeuw geleden. De schilder, Fred Kabotie (c. 1900-1986), was een bekend Hopi-artiest. De toren is een kopie van een prehistorische wachttoren.
Een van de twee figuren lijkt een “oorkaars” in zijn haar gestoken te hebben. Maar een kaars in je haren steken, dat doet toch niemand? In werkelijkheid zijn die “oorkaarsen” dan ook gewoon vogelveren. De grote cirkelvormige muurschildering, waarvan bovenstaand tafereel een onderdeel uitmaakt, toont ook de vogels waar de veren mogelijk vandaan komen. Oeroud is dit alles dus helemaal niet. De kruiden die de firma voor de oorkaarsen gebruikt, zijn dat trouwens ook niet, tenminste niet voor de Hopi. De “traditionele” Hopi-kruiden salie, kamille en sint-janskruid zijn alle drie van Europese herkomst.5 De eerste Europeanen in Amerika waren Spaanse ontdekkingsreizigers. Zij trokken pas rond 1540 Arizona binnen. Voor die tijd konden de Hopi dus niet in aanraking zijn gekomen met die zogenaamd traditionele Hopi-kruiden. Het zijn wel populaire kruiden in Duitsland. Met de ook al “oeroude”, enorme medische kennis van de Hopi lijkt het trouwens ook nogal mee te vallen: als de Hopi ernstig ziek worden, gaan ze gewoon naar het plaatselijke ziekenhuis in Flagstaff voor een hedendaagse geneeskundige behandeling. Dat hun scheppingsverhaal de twee wereldoorlogen en de atoombom in Hiroshima zou voorspeld hebben (zouden ze Nagasaki vergeten zijn?), laat ik maar zonder commentaar.6
Oorkaarsen, wat is het en wat doen ze?
In tegenstelling tot gewone kaarsen is de oorkaars hol. De kaars moet namelijk als een soort “schoorsteen” werken en door de “trek” van de schoorsteen het oorsmeer verwijderen. Dat was tenminste blijkbaar het oorspronkelijke doel van de oorkaars. De kaars is gemaakt van katoen of linnen, meestal ongebleekt, dat gedrenkt wordt in was. Bij voorkeur bijenwas, zodat alles zo natuurlijk mogelijk is. Vaak zijn er ook nog kruiden aan toegevoegd, zoals de hierboven genoemde, zogenaamd traditionele Hopi-kruiden. Andere kruiden worden ook gebruikt voor allerlei verschillende klachten. De meeste kaarsen zijn aan één uiteinde wat nauwer, daar waar ze in het oor worden gebracht. Daarom noemt men ze ook vaak oorkegels. Voor de veiligheid gebruikt men bij sommige merken dicht bij het oor een schoteltje met een gaatje, waar de kaars net in past. Dit moet de hete was die naast de kaars valt, opvangen. Op de foto’s van Nederlandstalige reclamesites ziet men alleen kaarsen zonder zo’n opvangschoteltje. Tenminste één merk heeft binnenin de kaars onderin nog een zeefje, voor de hete was die binnen de kaars naar beneden valt. Dat vangt overigens, zoals de fabrikant zelf toegeeft, niet alle hete was op.
Tijdens de behandeling ligt de klant in de regel op haar zij en steekt de kaars recht omhoog. Nadat de kaars is aangestoken, zal de lucht erin verhitten. Deze stijgt op en zou voor een lage luchtdruk in de kaars zorgen, zodat het oorsmeer opgezogen kan worden. Als er nog een vijftal centimeter van de kaars over is, wordt ze gedoofd en uit het oor getrokken.
De oorspronkelijke bedoeling van het gebruik was waarschijnlijk oorsmeer te verwijderen, maar daar blijft het al lang niet meer bij. De oorkaars verwijdert nu ook onzuiverheden van het middenoor, het binnenoor en de voorhoofdsholte; ja zelfs van de hersenen. De oorkaarsgelovigen menen, tegen alle bewijzen in, dat die allemaal een
open verbinding met de gehoorgang hebben. Bijgevolg worden alle aandoeningen boven het sleutelbeen aangepakt. Sommigen maken het nog bonter. Via de chakra’s, de meridianen en het zenuwgestel zou het effect van de rook het hele lichaam bereiken. Sommige zelfverklaarde artsen beweren zelfs dat de toepassing van oorkaarsen het verloop van kanker gunstig beïnvloedt.7 Gekker moet het echt niet worden. Het enige aan dit verhaal dat een beetje geloofwaardig klinkt, is de verwijdering van oorsmeer, maar zelfs dat blijken de kaarsen niet te doen. Metingen toonden in 1996 al aan dat er helemaal geen noemenswaardig lagere luchtdruk binnen de brandende kaars ontstaat.8 Oorsmeer is bovendien flink kleverig. Je moet veel kracht uitoefenen om het te verwijderen. Dat is maar goed ook, want het beschermt de huid van de gehoorgang. De rommel die men na het verwijderen van de kaars onderin de kaars vindt, is kaarswas en as van het katoen of linnen. Oorsmeer is er niet bij.
Sommige mensen produceren werkelijk te veel oorsmeer, maar om dat te laten verwijderen, moet u bij een arts zijn. Die heeft daar het juiste gereedschap voor – en dat is beslist geen oorkaars. Voor wat er verder over de kaarsen wordt beweerd, bestaat vanzelfsprekend geen enkel geldig bewijs. De adverteerders beweren ook nog dat zo’n handeling een rustgevende ervaring is, maar dat slaat wellicht meer op de massage die er vaak aan voorafgaat, want een vuurtje zo dicht bij de huid en ons uiterst brandbare haar zal voor menigeen toch nauwelijks rustgevend zijn.
Wat doen oorkaarsen wél?
Zoals te verwachten valt, veroorzaken oorkaarsen soms brandwonden, zowel buiten als binnenin het oor. Ook verstopping van het oor door de kaarswas is mogelijk, en zelfs een lek in het trommelvlies komt voor. Om van dat laatste te genezen zonder blijvende gehoorschade, moet je naar een oorchirurg. Deze verwondingen zijn de echte “kracht van het vuur”, een term waar de voorstanders van oorkaarsen graag romantisch mee adverteren. Chirurgische ingrepen worden wel gemeld, maar brandwonden meestal niet, tenzij men ermee in het ziekenhuis belandt. En hoe zit het met huisbranden? De brandweer van Alaska meldde twee huisbranden als gevolg van het gebruik van oorkaarsen. Bij één daarvan kwam de gebruikster van de kaars, die er astma mee wilde behandelen, om het leven.9
Het is niet voor niets dat de invoer en het medisch gebruik van oorkaarsen zowel in Canada als in de VS verboden zijn. Ook advertenties die medische termen hanteren, zijn niet toegestaan. Dat laatste geldt trouwens ook voor België en Nederland. Niettemin verstrekte de Amerikaanse Food and Drug Administration in februari dit jaar nog maar eens een waarschuwing voor consumenten met betrekking tot oorkaarsen,10 tegelijk met waarschuwingsbrieven aan vijftien firma’s wegens medische claims voor hun oorkaarsen. In Canada mag men zelfs niet “alleen voor ontspanning” op de verpakking zetten, omdat iedereen weet dat de kaarsen in werkelijkheid voor (nep-)medische doeleinden worden gebruikt. De FDA benadrukt ook nog het gevaar voor baby’s en kinderen. Die blijven namelijk geen kwartier lang stil liggen, wat de procedure extra gevaarlijk maakt. Ook worden hun oren gemakkelijker blijvend beschadigd. Het zijn allemaal redenen om er vooral thuis niet aan te beginnen, maar ook niet bij de een of andere therapeut.
Besluit
Oorkaarsen baten niet, maar kunnen wel schaden.
Marie Prins is elektrotechnica en experte in de werking van planten en kruiden.
Voetnoten:
1 http://freespace.virgin.net/ahcare.qua/index5.html In een e-mail liet de Hopi Cultural Preservation Office het volgende weten: “The Hopi Cultural Preservation Office is not aware of Hopi people ever practicing ‘Ear Candeling.’ Biosun and Revital Ltd. are misrepresenting the name ‘Hopi’ with their products. This therapy should not be called ‘Hopi Ear Candeling.’”
2 http://de.biosun.com/ohrkerze/geschichte/
3 http://www.waymarking.com/gallery/image.aspx?f=1&guid=28d910ca-7c4e-4006... en http://www.flickr.com/photos/54726908@N00/3394610427/
4 http://www.nps.gov/grca/planyourvisit/placestogo.htm http://img.groundspeak.com/waymarking/c6683a69-5446-4819-af6c-976083e4b0...
5 Foster S, Tyler VE: Tyler’s Honest Herbal, The Haworth Herbal Press, Binghamton, NY, 2000: sint-janskruid pp. 331-333, kamille p. 105; Van der Meijden, R: Heukel’s Flora van Nederland, Wolters-Noordhoff, 2005: salie p. 515.
6 http://www.mychanti.be/therapie-esoterische-winkel/hopi_oorkaarsen.htm
7 http://freespace.virgin.net/ahcare.qua/index5.html
8 http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez?db=PubMed&cmd=Retrieve&list_uid...
9 http://www.quackwatch.org/candling.html
10 http://www.fda.gov/downloads/ForConsumers/ConsumerUpdates/UCM200967.pdf