artikel van skepp
artikel van skepp uit wonder
bericht uit het forum
nieuws van zusterorganisatie
nieuws van skepp
nieuws uit de pers
recent bericht uit het forum
Ik ben lid geworden in 1996 (telt na en schrikt) ... dat is al zestien jaar!
Dankzij Etienne Vermeersch. Toen ik nog moraalwetenschappen studeerde zag ik hem in de Blandijn een oproep doen om lid te worden van SKEPP. De manier waarop hij uitlegde wat het skepticisme* inhoudt en hoe SKEPP te werk gaat, vond ik – bovenop zijn lessen over geloof en bijgeloof – zo inspirerend dat ik lid werd.

Dat ik hierdoor zo geïntrigeerd was, heeft een voorgeschiedenis: mijn broer is Getuige van Jehova. Ik heb me altijd al kritische vragen gesteld bij zijn opvattingen, in het bijzonder bij zijn creationisme. De discussies die daaruit voortvloeiden, hebben zeker een kritische reflex bij mij getriggerd.
De kiem daarvan werd dan weer iets vroeger gelegd, bij mijn overstap van een katholieke school naar het gemeenschapsonderwijs. Die merkbaar andere mentaliteit, en het pedagogische klimaat daar, waren enorm bevrijdend en stimulerend. Dat gold bij uitstek voor de lessen zedenleer.
Mijn skepticisme en engagement voor SKEPP zijn dus ontstaan als reactie op één ding, het creationisme van mijn broer, al heeft dat onze verstandhouding nooit ondermijnd. Dat geldt, denk ik, voor de meeste skeptici: niemand wordt geboren als een totaal-skepticus, die reflex wordt eerder aangewakkerd door iets dat je tegen de borst stuit. Weinigen beslissen ook om uit puur theoretisch-filosofische redenen bij een skeptische organisatie te gaan, men vertrekt meestal vanuit de praxis.
Zelfs mensen als Wim Betz, stichtend lid van SKEPP en een van de belangrijkste figuren in de strijd tegen de erkenning van alternatieve geneeswijzen. Hij heeft zélf nog homeopathie bedreven! Totdat hij vaststelde dat hij aan een van zijn patiënten, een dame die heel tevreden was over de behandeling en ‘genezen’ leek, het verkeerde middel had voorgeschreven. Dat was voor hem de aanleiding om zichzelf kritisch in vraag te stellen.
Sinds 1998 ben ik bestuurslid. Daarnaast zit ik nog altijd in de redactie van ons tijdschrift Wonder en is gheen Wonder, en speel ik een grote rol in alles wat met de website te maken heeft. Verder blijf ik actief debatteren en discussiëren op fora.
Zelf zou ik mijn functie bij SKEPP omschrijven als die van ‘bruggenbouwer’ of verbindingsman: de vinger aan de pols houden, onze coryfeeën alarmeren en hun analyses en argumenten doorcommuniceren naar ‘het brede publiek’.
Hierbij zagen we altijd weer, tot vervelens toe, dezelfde kwesties en ‘argumenten’ terugkomen. Die speelde ik dan door naar mensen als Vermeersch. Op basis van hun output kon ik die terugkerende thema’s als FAQ’s (Frequently Asked Questions) structureren op onze website. Zo moet je niet voortdurend hetzelfde herhalen, volgens dezelfde patroontjes ... daar word je moedeloos van!
Het vechten tegen de bierkaai (zucht). Je mag als skepticus nooit te veel verwachten van het resultaat van al je inspanningen. Het helpt wel om te weten dat mensen heel veel psychische barrières moeten overwinnen voor ze tot een attitude change komen.
Je mag als skepticus nooit te veel verwachten van het resultaat van al je inspanningen.
Affectieve factoren blijven primeren op cognities, met die laatste kun je veel flexibeler omgaan. Als dat gebeurt omdat men niet beter weet, tot daar, maar ik kan er echt niet tegen als dat wordt ingegeven door allerhande verborgen agendapunten. Intellectuele oneerlijkheid, daarvoor ben ik vreselijk allergisch. Geen enkel sterk verdund homeopathisch middeltje zal daar iets aan kunnen verhelpen.
Verder begrijp ik niet dat mensen zo lichtgeraakt reageren als je hun wereldbeeld ter discussie stelt. Mij is dat volkomen vreemd, ik vind het juist een heerlijk gevoel om overtuigingen, waarvan je merkt dat ze niet deugen, opzij te schuiven en te vervangen door beter doordachte opvattingen.
Nog iets waar ik me aan erger zijn de vele vooroordelen en de voortdurende valse beschuldigingen aan het adres van SKEPP, bijvoorbeeld dat we omgekocht zouden zijn door de farmaceutische industrie. Bullshit: onze boekhouding is open, kijk ze gerust na.
De intensiteit van de actie stijgt bij SKEPP altijd naargelang de schadelijkheid van het fenomeen dat we bestrijden.
Veel mensen lijken ook te denken dat we emotieloze freaks zijn. Onzin! Er is een juiste plaats en context voor alles, dat houd ik altijd in m’n achterhoofd.
Mijn moeder is bijvoorbeeld diepgelovig: een volks geloof met een flinke dosis Mariadevotie. Zo laat ze altijd een kaars in huis branden. Geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt daarover te beginnen zaniken! Ik steek die zelfs terug aan als ze dooft, omdat ik weet hoe belangrijk dat voor haar is. Dat heeft niets te maken met verzaken aan je skepticisme.
Skeptici zijn lang niet zo drammerig of agressief als ze worden afgeschilderd. Dat komt volgens mij omdat de pen vaak zoveel scherper is dan het gesproken woord. Op papier durven we al eens woorden te gebruiken als ‘kankerkwak’ (in verband met een arts die dubieuze, onzinnige therapieën sleet aan zijn wanhopige kankerpatiënten en daar bakken geld mee verdiende). Soms is dat nodig om mensen wakker te schudden. De intensiteit van de actie stijgt bij SKEPP altijd naargelang de schadelijkheid van het fenomeen dat we bestrijden.
Deel uitmaken van een organisatie die je ziet groeien en professionaliseren. Ik blijf graag in discussie gaan met creationisten, vooral omdat je daardoor je arsenaal aan argumenten steeds verder uitbreidt en verfijnt. Het blijft een zekere amusementswaarde hebben.
Hoewel de kracht van het woord en het argument zelden volstaan om iemand van mening te doen veranderen, blijft het verspreiden van rationele argumenten belangrijk. Er zal altijd wel iets doorsijpelen in iemands belief system. Daardoor kan die persoon later, eventueel onder invloed van andere factoren, wel bijdraaien.
Op persoonlijk vlak: het moment waarop ik bestuurslid werd. Ook mijn bijdrage tot de groei van SKEPP is iets waarop ik niet zonder trots terugkijk.
In de periode 1990-1997 telde SKEPP vijftig tot zestig leden. Ik heb me daar toen in mijn studentenperiode keihard ingesmeten, de deuren van alle faculteiten platgelopen en eindeloos geflyerd. Mede dankzij die inzet is het ledenbestand toen merkbaar uitgebreid, tot meer dan 160 leden. Jean Paul Van Bendegem heeft daar ooit een statistische analyse van gemaakt en noemde dat het ‘Schoepen-effect’.
Een ander persoonlijk hoogtepunt is het uit de grond stampen van onze website, waarover ik het al eerder heb gehad. SKEPP telt nu bijna duizend leden, maar dat is echt wel het resultaat van teamwork.
Hetzelfde geldt voor ons tijdschrift, dat werd opgestart door Tim Trachet en mezelf. Aanvankelijk was het nauwelijks meer dan een nieuwsbrief. Steunend op mijn opleiding als grafisch vormgever heb ik daar veel energie in gestoken. Onder mijn hoofdredacteurschap is het geëvolueerd tot wat het nu is. De kernredactie werd stelselmatig uitgebreid, onder meer met Johan Braeckman en Griet Vandermassen, die nu als hoofdredacteur de fakkel van mij heeft overgenomen.
Als organisatie vind ik vooral onze impact op bepaalde dossiers mooi. Zonder SKEPP zou alternatieve geneeskunde al lang erkend zijn, daar ben ik zeker van. Die impact deed zich ook internationaal gevoelen. Wim Betz wist via een geheim rapport dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op het punt stond homeopathie te erkennen. Hij heeft er toen voor gezorgd dat er een groots opgezet internationaal artikel werd gepubliceerd, ook in de VS, waar het de aandacht trok van The Lancet. Onder die toenemende druk heeft de WHO uiteindelijk zijn staart ingetrokken. Van resultaat gesproken!
Op menselijk vlak koester ik de warme vriendschappen met onder andere Etienne Vermeersch en Wim Betz, twee mensen die ik als mijn intellectuele vaders beschouw.
Een mooie anekdote in dat verband is een vergadering in 2003 in Schilde, bij Gustaaf Cornelis thuis. Ook Etienne Vermeersch en Gustaafs vader, Jef Cornelis, waren aanwezig. Op een bepaald moment – er was al heel wat alcohol gevloeid – stapt Jef op Vermeersch af, gaat achter hem staan, legt beide handen amicaal op zijn schouders en zegt: ‘Etienne, jong, gij gaat voor ons eens een liedje zingen.’ In tegenstelling tot wat iedereen verwachtte, staat Etienne op, neemt Jefs nep-micro vast, en begint in het Frans te zingen: ‘Quand nous chanterons le temps des cerises / Et gai rossignol et merle moqueur ...’ Strofe na strofe bracht hij daar Le temps des cerises.
In het begin reageerde iedereen nog jolig en lacherig, maar naarmate het lied vorderde zaten we daar allemaal met een krop in de keel. Nog een bewijs dat rationaliteit en emotionaliteit, of zelfs sentimentaliteit, geen onverenigbare eigenschappen zijn!
Mijn vrijzinnig-humanistische overtuiging is onlosmakelijk verweven met mijn skepticisme en engagement binnen SKEPP. Het kritiekloos slikken van opinies is sowieso nooit aan mij besteed geweest: de intellectuele bevrijding van zich niet door dogma’s te laten beperken is gewoonweg heerlijk.
Natuurlijk leef ook ik in pertinente onzekerheid, maar daarin ben ik een echte Albert Camus-adept: ik heb geen bovennatuurlijke zaken nodig om met die existentiële onzekerheid en contingentie om te gaan. Als je weet dat het leven geen intrinsieke zin heeft begint de uitdaging om zelf zin te geven.
Daarnaast geloof ik dat iedereen, ongeacht achtergrond of intellectuele mogelijkheden, in staat is om helder te denken. Ik heb in Bobbejaanland mensen leren kennen die zonder veel scholing of diploma’s helderder en kritischer nadachten dan veel kwieten die op de Blandijn rondlopen.
Iedereen is welkom: hoe meer leden hoe beter. Er waait sinds kort ook een frisse wind: ‘Jong SKEPP’ is van de grond aan het komen. Je mate van engagement bepaal je zelf. Je kan ook passief lid zijn, of lid uit sympathie. Je wordt tot niets verplicht. Je moet ook geen schrik hebben: mensen zijn soms een beetje geïntimideerd door zo’n mondige omgeving, maar dat is helemaal niet nodig. Niet stagneren, dat is de opdracht!
Wij zouden heel blij zijn mocht de terugbetaling van alternatieve geneeswijzen kunnen worden teruggedraaid. Terugbetaling is een gevaarlijk signaal, want mensen leiden daar namelijk de werkzaamheid uit af. Ook een terugkeer naar de situatie van voor de wet-Colla* zou ons tevreden stemmen.
Maar als we echt mogen dromen, zou ik wensen dat we SKEPP zouden kunnen opdoeken, omdat we overbodig geworden zijn.
Noten:
* Skeptici schrijven skepticisme met een k om het te onderscheiden van het wijsgerige scepticisme, dat in de vijfde eeuw v.C. in Griekenland ontstond. Dit filosofi- sche scepticisme stelt dat het streven naar betrouwbare kennis inherent problematisch, of zelfs onmogelijk is. Skepticisme aanvaardt wél hypothesen over de werke- lijkheid, als ze maar de toets van het onderzoek door- staan hebben.
* In april 1999 werd de wet-Colla aangenomen, een ka- derwet die de zogenaamde niet-conventionele behan- delwijzen de mogelijkheid biedt om te ijveren voor een erkenning als beroepsgroep. Zo’n erkenning is echter na meer dan tien jaar nog geen feit. Van de wet-Colla zijn immers verschillende essentiële artikels en uitvoerings- besluiten nog niet in werking getreden.
Die ‘evolutie’ mag je letterlijk nemen: vertrekpunt van het boek is het ontstaan van het leven. Wie zicht wil krijgen op ziekte, veroudering en gezondheid, moet immers begrijpen hoe die gevormd zijn door natuurlijke selectie, stelt Bonneux. Het leidt tot een indrukwekkende tocht doorheen de menselijke evolutie en geschiedenis, vanaf het ontstaan van het leven tot en met het ontstaan van elektrohypersensitiviteit: ziekte door angst voor gsm-straling. De erfenis van onze geschiedenis als jagers-verzamelaars, de impact van de ontwikkeling van de landbouw, het ontstaan van infectieziekten en epidemieën, de eerste gezondheidsrevolutie in de negentiende eeuw en de tweede na de Tweede Wereldoorlog: Bonneux weeft het allemaal samen als springplank naar deel twee van het boek, een kritiek op de moderne gezondheidsindustrie. Die spiegelt ons voor dat de bron van de eeuwige jeugd bestaat en jaagt ons de stuipen op het lijf door ons allerlei milieugevaren en ziektes aan te praten, stelt hij.
Maar wie naar het beschikbare bewijs kijkt, moet vaak vaststellen dat we misleid worden. Marktdenken primeert. Dat heeft zijn prijs: door angst voor ziektes en door overbodige behandelingen dreigen we de gezondheid te verliezen die we de afgelopen eeuwen zo moeizaam gewonnen hebben. Gedurende de voorbije 13.000 jaar, tot en met de Tweede Wereldoorlog, was het altijd onzeker wat het komende jaar zou brengen. Misschien mislukte de oogst, braken er plagen uit of kwam er weer oorlog. Misschien zou je weer één van je kinderen moeten begraven. Mensen ploeterden voort en bereidden zich bij relatieve welvaart voor op de miserie die hen onvermijdelijk weer wachtte. Het ontstaan van de landbouw had ons, paradoxaal genoeg, niet gezonder gemaakt maar zieker. Landbouw leidde tot een bevolkingsexplosie, wat minder calorieën betekende per te voeden mond. Samenleven met landbouwdieren deed hun ziektekiemen op ons overslaan, met dodelijke infectieziekten zoals mazelen, griep en pokken tot gevolg. Een toenemende bevolkingsdichtheid leidde tot epidemieën. Nog in het derde kwart van de negentiende eeuw raasden zware golven van pokken en cholera door de Lage Landen. Mensen waren toen kleiner dan ooit, verschrompeld door honger en ziekten.
Aan het begin van de eenentwintigste eeuw zijn we weer even groot als onze prehistorische voorouders die van jagen en verzamelen leefden en kerngezond waren. We kunnen bogen op een onwaarschijnlijk hoge levensverwachting, dankzij toenemende welvaart, hygiëne, vaccinatie en het ontstaan van de moderne geneeskunde. Toch waren we nooit bezorgder over onze gezondheid dan vandaag. Dat heeft voor een stuk met verwachtingen te maken: als je mag hopen op een lang leven, is een vroege dood des te erger. Maar de voornaamste oorzaak, zegt Bonneux, ligt bij de gezondheidsindustrie. Aan gezonde, tevreden mensen valt weinig te verdienen. Er moeten dus behoeften geschapen worden. Je moet mensen bang maken, zodat ze hun heil zoeken bij jouw producten of diensten. De medische, de farmaceutische en de voedingsindustrie hebben zo de handen in elkaar geslagen om ons van vele niet-bestaande gezondheidsrisico’s te overtuigen.
Kanker, aldus de auteur, is bij uitstek het domein van de mythen. Het klinkt ontnuchterend, maar kanker is een volstrekt natuurlijk groeiproces. Het is de evolutionaire erfenis van celdeling, nodig om onze weefsels te verjongen. Celdeling houdt altijd een groot risico op wildgroei in, reden waarom we over zeer efficiënte verdedigingssystemen tegen rebellerende cellen beschikken. Dat betekent dat we allemaal altijd wel ergens kanker hebben, maar ook dat dit zich meestal vanzelf oplost of beperkt tot een goedaardig gezwel. Het betekent ook dat we best wel tegen een stootje kunnen. Alarmistische berichten over kankerverwekkende milieu-invloeden worden meestal niet gesteund door degelijk onderzoek. Dat roken en asbest kanker veroorzaken staat onomstotelijk vast, net zoals we weten dat zwaarlijvigheid en zwaar alcoholgebruik het risico sterk vergroten.
Maar de belangrijkste oorzaak van kanker blijft vooralsnog toeval. Vergeet dioxines, gsm-straling, lage doses radioactiviteit en fijn stof: gevonden verbanden – zo die er zijn – blijken op andere factoren te berusten. Natuurlijk moeten wij ijveren voor een schoon milieu, benadrukt Bonneux, maar liefst niet via een strategie van de angst. Ingebeelde gevaren kunnen je namelijk echt ziek maken. Kankerscreening, de voedingsindustrie, de grieppaniek van de voorbije jaren, het rekken van de levensduur, gsm-straling, de impact van radioactiviteit, luchtvervuiling, mythes omtrent aids, aidsbestrijding in Afrika, de relatie van cholesterol met ziekte en sterfte: Bonneux heeft een expertise om u tegen te zeggen. Hij is dan ook, zoals hij het zelf noemt, een ‘klonteraar’.
“In het wetenschapsbedrijf kun je splitters en clotters onderscheiden, splitsers en klonteraars. Het overgrote deel van de moderne wetenschap bestaat uit splitsen, het opdelen van processen in steeds kleinere onderdelen. Vroeger bestonden er alleen maar chirurgijns, in mijn jeugd had je een huisarts, internist, chirurg en kinderarts. Tegenwoordig kweekt de geneeskunde meer specialismen dan konijnen jongen. Een deel van de internisten werd endocrinoloog (specialist van klieren), een deel van de endocrinologen werd diabetoloog (specialist in suikerziekte), een deel van de diabetologen werd kinderdiabetoloog. Kennis wordt steeds verder opgesplitst in kleine onderdelen, die dan weer verder onderzocht worden. Splitsen is de manier om kennis te verdiepen, maar het grote gevaar is dat het overzicht verloren gaat. Klonteraars trachten betekenis te geven aan de informatiestroom door de vele kleine eenheden weer bij elkaar te klonteren tot grotere verbanden.
En ze leefden nog lang en gezond is een magnifiek bij elkaar geklonterd boek. Wie al langer lid is van SKEPP, zal in de tweede helft stukken herkennen die al eerder in dit tijdschrift verschenen, maar nu verder uitgewerkt of geüpdatet werden. Ook los daarvan blijven ze de moeite van het herlezen waard, omdat ze zo rijk zijn aan informatie. Wetenschappelijk onderbouwde gezondheidsinformatie is schaars, vanwege de vele belangen die spelen. Dit boek zorgt voor een welkom tegengewicht.
Recensie door Griet Vandermassen
-------------------------------------
Luc Bonneux, En ze leefden nog lang en gezond. Hoe gezondheid een industrie werd, Lannoo, 2011, 22,99 euro, 351 pag.
Naast een intentieproces in drie bedrijven van Robrecht Vanderbeeken, dat ik hier grotendeels ongemoeid laat, en enkele tribunes van Rogier De Langhe, waarop ik later terugkom, heeft nu ook een Gents consortium van 22 filosofen onze (vermeende) standpunten over wetenschap en pseudowetenschap op de korrel genomen.
Mijn filosofische collega’s verdenken ons van verificationisme, naïef falsificationisme en andere onwelvoeglijke -ismen. We zouden een achterhaald beeld van wetenschap hooghouden en wetenschappers in een filosofisch keurslijf steken, waarbij gezond pluralisme en speculatie in de kiem worden gesmoord. Merkwaardig genoeg verwijzen ze nergens naar het boek dat Johan Braeckman en ik recent en uitgerekend over deze kwesties publiceerden (De ongelovige Thomas heeft een punt. Houtekiet, 2011, zie in het bijzonder hoofdstuk acht over de afbakening van wetenschap en pseudowetenschap).
Maar geen nood, want misschien zijn de ondertekenaars, die pleiten voor “gerichte speculatie” en “informed guesses” in de wetenschap, in staat om onze filosofische standpunten, incluis alle vooronderstellingen en verborgen valluiken, op trefzekere wijze af te leiden uit een opiniestuk en een flard van een radio-interview. On verra. De omvang van een betoog is omgekeerd evenredig aan het gemak om er een stropop uit te puren.
De ondertekenaars beginnen met me een standpunt over wetenschappelijke concepten toe te schrijven – de eis tot directe en liefst experimentele confirmatie – dat nergens in mijn gewraakte opiniestuk in De Standaard te lezen valt. Een wetenschappelijke theorie, zo schreef ik aldaar, is een “systematisch en coherent geheel van opvattingen dat empirische toetsing doorstaat, kwetsbaar is voor weerleggingen, toelaat om voorspellingen te maken, causale mechanismen beschrijft en geïntegreerd is met andere wetenschappelijke disciplines.” Een pseudowetenschap is een theorie of cognitieve onderneming die systematisch en ernstig afwijkt van deze standaarden, en toch als wetenschappelijk wordt gepresenteerd. In De Standaard argumenteerde ik dat psychoanalytische concepten als het oedipuscomplex of de verdringing, in de mate dat ze zich tot empirisch onderzoek lenen (die mate is zeer gering), geen enkele ondersteuning genieten.
Mijn collega’s lezen daarin dat ik op directe empirische verificatie van concepten hamer, en werpen me tegen dat ook het Higgs-boson slechts indirect waarneembaar is, middels complexe theoretische veronderstellingen. Dat klinkt alsof ik van Freudianen had geëist dat het oedipuscomplex als neurologisch construct op een hersenscan zou oplichten, of post mortem vaststelbaar is bij een lijkschouwing. Men vraagt zich af waarom ik niet net zo goed de paleontologie als pseudowetenschap verwerp (wie heeft de meteoriet gezien die de dinosauriërs uitroeide op het einde van het Krijt?), of de spectroscopie in de sterrenkunde, die de chemische samenstelling van sterren afleidt uit hun karakteristieke lichtspectrum.
Mijn Gentse collega’s leveren hier strijd tegen een opvatting die zowel mij als Griet Vandermassen volkomen vreemd is. Mijn kritiek luidde niet dat het oedipuscomplex niet met het blote oog verifieerbaar is, maar dat een psychoanalyticus onder elke steen een oedipale wens weet te vinden. Met andere woorden, geen enkele observatie, of geheel van indirecte waarnemingen, kan de psychoanalyticus van de afwezigheid van een oedipuscomplex overtuigen, een euvel dat voortkomt uit de inbedding van dat concept in een incoherente psychoanalytische theorie en de verregaande methodologische vrijgeleiden (zie hoofdstuk acht in ons boek). Deze onkwetsbaarheid voor empirie in de brede zin – niet voor directe experimentele weerlegging, zoals de ondertekenaars me in de schoenen schuiven – is het echte pijnpunt van psychoanalytische constructen, een ziekbed waarin bona fide psychologische concepten zich niet bevinden.
De ondertekenaars verbeelden zich dat wij een uniform “ideaal” van wetenschap opleggen aan alle wetenschappelijke disciplines. Achter de stroman lonkt onvermijdelijk de open deur: geschiedschrijving leent zich niet tot experimenten en “rechtstreekse empirisch bewijs”, zo leren ons de ondertekenaars. Dat treft, want in ons boek valt te lezen:
“Omwille van hun specifieke studieobject zijn geschiedkundigen echter aangewezen op een andere methodologie en bewijsvoering. In plaats van experimenten uit te voeren, wat vrij moeilijk ligt bij complexe en eenmalige gebeurtenissen uit het verleden, moeten historici afgaan op geschreven bronnen, artefacten en getuigenissen die uit die tijd stammen.” (p. 242)
Vanaf dat punt begint het opiniestuk evenveel open deuren te tellen als ondertekenaars. “Theorieën die in tegenspraak zijn met waarnemingsgegevens”, zo vermanen ze ons iets verder, “worden niet zomaar opgegeven.” Nergens in mijn opiniestuk heb ik het tegendeel beweerd of gesuggereerd: de wortels van het psychoanalytische failliet reiken heus dieper dan enkele tegenstrijdige waarnemingen. De briefschrijvers formuleren een terechte correctie op het naïeve falsificationisme van Karl Popper, maar wat een gelukkig toeval, want in ons boek staat ook:
“Wetenschappelijke hypothesen, zo zag Duhem, worden nooit getest in isolatie, maar in ‘bundels’. […] De logische consequentie van Duhems inzicht houdt in dat we onze favoriete theorie altijd kunnen redden door aan één of meerdere van haar hulphypothesen te sleutelen. In de praktijk is dat ook wat wetenschappers doen. Vooral wanneer een theorie haar strepen verdiende in het verleden, zullen wetenschappers haar niet licht opgeven bij het opduiken van een anomalie.” (p. 250-251)
In plaats van de discussie aan te gaan over psychoanalyse en pseudowetenschap, vervallen de ondertekenaars vervolgens in een aantal vrijblijvende platitudes, die op zich geheel onschadelijk zijn, ware het niet van de suggestie dat wij ze ergens (waar?) zouden betwist hebben. “Niet elke tak van dé wetenschap streeft hetzelfde doel na” en elke discipline in de wetenschap heeft zijn “eigenheid”. Horresco referens inmiddels, maar op pagina 253 van ons boek lezen we:
“Wetenschap bestrijkt een breed veld en is een complexe aangelegenheid. De methodologische diversiteit van wetenschap in acht genomen, is het onwaarschijnlijk dat we één universeel geldig en formeel criterium kunnen opstellen, dat in alle domeinen goede wetenschap van pseudowetenschap onderscheidt.”
Mijn co-auteur Johan Braeckman, die eveneens het verwijt krijgt een te enge visie op wetenschap te verdedigen, werkte reeds in 1994 onder begeleiding van Leo Apostel mee aan een lijvige studie over de waarde en de eigenheid van de humane wetenschappen (Wetenschap als Cultuur, Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, 1994). Die studie is nog steeds leerzaam voor wie wil weten hoe men genuanceerd kan nadenken over het belang van de cultuur- en gedragswetenschappen, en over de specifieke methodes die zij hanteren.
De argumenten waarmee mijn filosofische collega’s komen aandraven zijn, hoewel belangrijke correcties op het logisch positivisme en falsificationisme van begin 20e eeuw, ondertussen gemeenplaatsen onder wetenschapsfilosofen. De mogelijkheid dat iemand, na al deze technische complicaties in rekenschap te brengen, desondanks tot het oordeel komt dat psychoanalyse een pseudowetenschap is, lijkt bij deze ondertekenaars een ongerijmdheid. Aangezien wij de term pseudowetenschap niet schuwen, zo redeneren ze, moet dat wel liggen aan het feit dat een halve eeuw wetenschapsfilosofie aan ons is voorbijgegaan.
Moeten we het bestaan van grijze zones dan niet erkennen, aldus onze collega’s? Natuurlijk, maar in een dynamische wetenschapsopvatting worden die zones bevolkt door telkens weer andere theorieën (tegenwoordig bijvoorbeeld de snaartheorie in de fysica). Sommige onderzoeksprogramma’s “degenereren” gaandeweg tot een grijstint die nauwelijks nog van zwart is te onderscheiden, om een concept te gebruiken van één van de wetenschapsfilosofen (Imre Lakatos) wiens werk ons volgens de ondertekenaars ontgaan is.
Na meer dan honderd jaar theoretische versnippering en vruchteloos wetenschappelijk onderzoek, kan je volgens ons bezwaarlijk volhouden dat de psychoanalyse nog ergens in limbo zweeft. Indien we daarover van mening verschillen, laten we dan ten gronde een discussie voeren over de merites van de psychoanalyse, in lijn met de meest actuele inzichten in de wetenschapsfilosofie. Maar dan moeten we wel onze kaarten op tafel leggen. De ondertekenaars houden zich jammer genoeg zorgvuldig op de vlakte over Freuds geesteskind. Nergens betwisten of beamen ze de kritiek van Griet Vandermassen en ikzelf op het epistemologische drijfzand van de theorie, de therapeutische tekortkomingen, de wetenschappelijke marginalisering, laat staan de Lacaniaanse absurditeiten over autisme (zie in het bijzonder voor het laatste punt de onthullende documentaire Le Mur van Sophie Robert). Liever houden ze een achterhoedegevecht met een resem filosofische stromannen.
Miskent ons oordeel over de psychoanalyse de “eigenheid” van verschillende wetenschappen? Hanteren we criteria die “niet van toepassing zijn” op de psychoanalyse? Indien wel, wat belet aanhangers van astrologie of homeopathie om zich achter hetzelfde generieke argument te verschansen? Indien niet, waarom komen de ondertekenaars dan met gemeenplaatsen aanzetten die we nergens hebben betwist en waarover we het enkel roerend eens kunnen zijn? Mijn collega’s trappen één deur in die zo wijd open staat dat we ze in ons boek over het hoofd hebben gezien: “niet alles van waarde is wetenschappelijk”. Mocht daar nog twijfel over bestaan, bij deze trap ik nog even na: natuurlijk niet.
De ondertekenaars pleiten ten slotte voor een wetenschapsfilosofie die in “overeenstemming tracht te zijn met de wetenschappelijke praktijk”, een kwaliteit die, dat hoeft geen betoog, de filosofie van ondergetekende zou ontberen. In hetzelfde stuk schrijven ze echter dat het zeer onwaarschijnlijk zou zijn om organismen “direct te zien evolueren”. Dat komt ongetwijfeld als een verrassing voor de talloze evolutiebiologen die de evolutie van bacteriële resistentie in flagrante delicto onderzoeken, laat staan de farmaceutische bedrijven die winst blijven maken met de ontwikkeling van steeds nieuwe antibiotica. Met welke wetenschappelijke praktijk zijn de 22 ondertekenaars precies in overeenstemming?
In zijn persoonlijke bijdragen neemt mijn collega Rogier De Langhe nog een breder loopje met onze gepubliceerde standpunten. In vele opzichten is het stuk van De Langhe de overtreffende trap van wat het filosofische collectief presteert: de stromannen worden grotesk, de open deuren gapen wijder. De Langhe verbeeldt zich een ander opiniestuk dan hetwelk ik geschreven heb, waarin ik een "messcherp onderscheid" vooronderstel tussen wetenschap en pseudowetenschap en over "ultieme standaarden van kennis" en “absolute autoriteit” meen te beschikken. De Langhe heb ik ondertussen herhaaldelijk uitgenodigd om de relevante passages uit ons boek te lezen, zelfs met het aanbod om ze elektronisch door te sturen, maar hij koos manhaftig voor de strijd tegen de stropop. Voor wat het waard is, in datzelfde hoofdstuk acht van ons boek valt te lezen:
“In de sceptische literatuur vindt men een waaier aan concepten om de verschillende gradaties van zin en onzin te onderscheiden: randwetenschap, parawetenschap, pathologische wetenschap, voodoowetenschap, anomalistische wetenschap, junk science, crank science of zelfs kwak en bunk.” (p. 254)
“Een wetenschappelijke theorie is nooit absoluut waar of definitief bevestigd. In het beste geval overleefde ze een lange reeks van falsificatiepogingen en is ze vruchtbaar gebleken om diverse wetenschappelijke problemen mee op te lossen. Precies de kwetsbaarheid en feilbaarheid van wetenschappelijke kennis, het feit dat ze altijd op onverwachte weerleggingen kan botsen, maakt haar grootste kracht uit.” (p. 249)
Een haarscherpe scheidingslijn tussen wetenschap en pseudowetenschap is een schim die al geruime tijd enkel in de hoofden van onze critici rondwaart, en waarop geen enkele gesofistikeerde falsificationist zich laat betrappen. Net zoals veel complexe categorieën, komt ‘wetenschappelijkheid’ voor in gradaties. Maar het is niet omdat het concept ‘kaalheid’ met grensgevallen kampt, dat er niet ontegensprekelijk kale en behaarde mensen zijn. Hetzelfde geldt voor het niemandsland tussen wetenschap en pseudowetenschap. De drogreden van De Langhe staat bekend als Loki’s waagstuk, naar de Noorse god Loki, die zijn eigen hoofd dreigde in te schieten bij een verloren weddenschap met de dwergen. Toen de dwergen kwamen om hem te onthoofden, opperde Loki dat ze weliswaar recht hadden op zijn hoofd, maar zijn nek onder geen beding mochten aanraken. Beide partijen redetwistten tot in der eeuwigheid over de precieze scheidingslijn, en Loki heeft zijn dierbare hoofd nog steeds.
De Langhe, die het demarcatieproject resoluut als een oudbakken schijnprobleem van “pseudofilosofen” wegwuift, zal op zijn boekenplank veel dergelijke pseudofilosofen aantreffen. In een filosofisch volume over het demarcatieproject, dat kortelings verschijnt bij Chicago University Press en waarvan ik co-redacteur ben, voeren dertig internationaal bekende filosofen, historici, wetenschappers en sociologen een vruchtbare en constructieve discussie over het demarcatieprobleem, dat alle voorbarige doodverklaringen in die zin logenstraft.
Tot slot trekt De Langhe de wildcard van het perspectivisme. Gevangen zouden we zijn in ons eigen perspectief, blind voor onze politieke bedoelingen en vooronderstellingen, gesloten voor andere perspectieven, etc. Onze filosofische opstelling heet bij De Langhe “a priori blind voor bepaalde aspecten van het denken van de ander omdat het eigen perspectief wordt voorondersteld bij het evalueren van andere perspectieven.” In deze uitgeklede versie is het perspectivisme een passe-partout waarmee je zowat elke discussie kan lamleggen. De Langhes gemakzuchtige verdediging toont aan dat de inktvlek van het postmoderne relativisme, die we in hoofdstuk 9 van ons boek bespreken, zich nog verder heeft verbreid dan we vreesden. Past de astrologie ook binnen een perspectief dat we vanuit onze denkvoorwaarden niet zinvol kunnen bekritiseren, omdat we onze eigen maatstaven dan zouden opleggen? Zijn evolutiebiologen blind voor hun eigen perspectief als ze het creationisme verwerpen? En hoe zit het met alternatieve kankerbehandelingen? Complottheorieën? Negationisme?
Nog het meest vermoeiend bij De Langhe, alsook bij Robrecht Vanderbeeken, zijn de gratuite beschuldigingen van politieke en ideologische drijfveren, waarin mijn 22 filosofische collega’s gelukkig nergens vervallen. Merkwaardig genoeg lijken deze insinuaties noch voor de vingerwijzers noch voor vele toehoorders (zie de reacties op deze site) een betoog te behoeven. Een vereniging als SKEPP zou ideologisch gekleurd zijn precies omdat ze pretendeert politiek neutraal te zijn, een typisch staaltje van postmoderne volte-face dat bijna geloofwaardig wordt als je het maar vaak genoeg herhaalt. De boutade van de onlangs overleden publicist Christopher Hitchens komt nog eens van pas: “What can be asserted without evidence can be dismissed without evidence”. Ik ben benieuwd of men één concreet voorbeeld kan aangeven waaruit blijkt dat de standpunten van SKEPP waren ingefluisterd door politieke in plaats van wetenschappelijke overwegingen.
Op het einde van hun gezamenlijke stellingname benadrukken mijn collega’s de diepe kloof die tussen ons beider filosofische posities gaapt. Aan onze vakgroep is gelukkig ruimte voor grondige meningsverschillen (ik kan er alvast een paar bedenken), maar in dit partijtje schaduwboksen, in feite een oponthoud bij filosofische gemeenplaatsen en open deuren, blijven de echte splijtzwammen alvast goed verborgen. Niet verwonderlijk, want met 22 ondertekenaars wordt de grootste gemene deler wel erg klein, en de verleiding tot stropoppen navenant groot. Is deze collectieve distantiëring van de “groep SKEPP filosofen” een krampachtige poging om de loze beschuldigingen van pensée unique aan onze vakgroep, de laatste weken niet van de lucht op deze nieuwssite, het hoofd te bieden? Mocht ik een Freudiaan zijn, ik zou gewagen van het “narcisme van het kleine verschil”. Teneinde mijn oproep om niet langer bij open deuren te verwijlen kracht bij te zetten, bied ik mijn collega’s, samen met mijn co-auteur Johan Braeckman, tien exemplaren van ons boek aan. Die belofte is direct empirisch verifieerbaar in de koffiekamer van de vakgroep. Te herkennen aan het mooie inpakpapier, en binnenin aan het prachtige schilderij van Caravaggio op de kaft -- omdat niet alles van waarde wetenschappelijk is.
Tot slot, in alle oprechtheid: aan allen mijn beste wensen voor 2012.
http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=VD3JEM7L
https://sites.google.com/site/maartenboudry/teksten-1/how-convenient
http://www.youtube.com/watch?v=TBUFMYythJQ
http://www.ongelovigethomas.be
Ik stel geen extreem hoge eisen aan mensen die zich wetenschapsfilosofen noemen. Wel veronderstel ik dat ze kunnen lezen en dat ze ‘Mensch’ zijn (Jiddisch voor een integer en eervol mens). In verband met intellectuele discussies veronderstelt zoiets dat men de relevante teksten van de opponent gelezen heeft en dat men duidelijk maakt waarmee men het oneens is, en waarom.
In 1966 heb ik in mijn doctoraat (gepubliceerd in 1967) duidelijk gemaakt wat er waardevol bleef in het Logisch Empirisme en waarin het tekort schoot. Als iemand mijn stellingen van toen wil ontkrachten, mag hij/zij het altijd proberen; liefst voor een vol auditorium. In 1969 heb ik twee artikels over het ontstaan van de experimentele methode geschreven, samen ongeveer 60 blz.; wie ze wil verbeteren, is welkom. Zowel in de thesis, als in het boek dat ik samen met Johan Braeckman geschreven heb, zijn de naïeve opvattingen die de pléiade ons toeschrijft, van de tafel geveegd. In het boek staat uitdrukkelijk: “Dit in relatie brengen (van termen of zinnen met empirische gegevens) verwijst dan naar de praktijk volgens dewelke wetenschapsmensen hun taal in relatie brengen met de empirische feiten.” (‘praktijk’ onderstreept in de tekst).
De pléiade beledigt mij zelfs door te suggereren dat ik Lakatos en Laudan niet zou kennen. Ze zouden beter zelf eens proberen de inzichten van die mensen op de psychoanalyse toe te passen. In verband met Kuhn was ik de begeleider van de schitterende thesis van Freddy Verbruggen (2500 blz.) over de phlogistoncontroverse. Hieruit bleek dat Kuhn’s vage analyses geen stand houden bij nauwkeurig onderzoek van de historische feiten. Helen Longino, ten slotte had een en ander kunnen leren uit mijn artikels: “ Wissenschaft, Technik und Gesellschafskritik” (1973) en “La crédibilité des experts” (1976).
Onze ‘wetenschapsfilosofen’ vinden dat ik één enkel ideaal van wetenschap heb. Ik daag hen uit mij een meer genuanceerde studie van de verschillende types van wetenschap voor te leggen dan mijn artikel “Enkele bijzondere aspecten van menswetenschappen” (1987). Ik eis uiteraard niet dat ze het zelf geschreven hebben.
Overigens gaan ze van de aantoonbaar verkeerde opvatting uit dat wij de pseudowetenschappen vooral bestrijden vanuit wetenschapsfilosofische uitgangspunten. Wij wijzen homeopathie af op basis van strikt fysische en scheikundige wetten. Wij bestrijden astrologie op basis van hedendaagse astronomie, psychologie en genetica en hetzelfde geldt voor de ‘paranormale’ fenomenen. Degenen die deze onzin willen verdedigen, op basis van hun ‘wetenschapsfilosofie’, mogen dat ook eens, weer voor een eivol auditorium, proberen.
Ik wil andermaal beklemtonen dat wij bepaalde stellingnamen gemeenschappelijk hebben, maar dat je de boeken en artikels van de leden van SKEPP niet zomaar aan de hele groep kunt toeschrijven. Wat ik bvb. over Jezus, of over het onsterfelijkheidsgeloof schrijf, daarvoor ben ik alleen verantwoordelijk.
Sommige leden van de pléiade zullen misschien zeggen: “Moeten wij dan de teksten van Vermeersch lezen?”. Voor mij hoeft dat niet. Maar als men mijn opvattingen bestrijdt, behoort het wel tot een elementair fatsoen daar eerst kennis van te nemen. Zelfs een opdracht aan een universiteit, of het lidmaatschap van een geleerd genootschap, biedt geen vrijbrief om zo inauthentiek te zijn dat je een tekst ondertekent over zaken waarvan je geen kennis genomen hebt.
De psychoanalyse, bijna een eeuw later ontwikkeld door Sigmund Freud en verder uitgewerkt door zijn acolieten, lijkt eenzelfde lot beschoren. Freuds theorieën waren tot in de jaren 60 ongenaakbaar in de psychologie, maar sindsdien is hun dominantie traag maar onmiskenbaar tanend. Vandaag komt de psychoanalyse aan de meeste Angelsaksische universiteiten alleen als een historisch curiosum aan bod, een soort zeppelin in de ideeëngeschiedenis, zoals de bioloog Peter Medawar het uitdrukte: een indrukwekkend maar tot neergang gedoemd luchtkasteel.
De aanwezigheid van een vakgroep psychoanalyse aan de UGent is dan ook stilaan een anachronisme, een schaduw die Frankrijk, een van de laatste psychoanalytische vrijhavens, op onze universiteiten werpt. De Gentse psychoanalyticus Stijn Vanheule (DS 10 december) schreef in deze pagina's een opmerkelijk bedaard en vrij genuanceerd pleidooi voor de psychoanalyse, wat lang niet vanzelfsprekend is wanneer een groeiend aantal wetenschappers en filosofen – onder wie ondergetekende – de wetenschappelijke legitimiteit van je discipline fundamenteel betwisten.
Net zoals de evolutieleer is de psychoanalyse een ‘theorie', stelt Vanheule, een denkkader om een deel van de werkelijkheid – in dit geval psychisch lijden – te benaderen. Dat klopt, maar is een zwaktebod. In de wetenschappen is een theorie een systematisch en coherent geheel van opvattingen dat empirische toetsing doorstaat, kwetsbaar is voor weerleggingen, toelaat om voorspellingen te maken, causale mechanismen beschrijft en geïntegreerd is met andere wetenschappelijke disciplines. Darwins evolutieleer voldoet met glans aan al deze voorwaarden, terwijl de psychoanalyse op alle vlakken schromelijk tekortschiet.
Na meer dan honderd jaar onderzoek is er geen enkele specifiek psychoanalytische hypothese – verdringing, oedipuscomplex, orale en anale fasen, universele penisnijd, manifeste en latente droominhouden, overdracht, enz. – die empirische ondersteuning geniet. De methode waarmee psychoanalytici de menselijke geest trachten te doorgronden – vrije associatie en symbolische interpretatie – bleek fundamenteel onbetrouwbaar, een soort epistemologisch moeras waarin elke theoretische constructie wegzinkt. Voorspellingen laat de psychoanalyse nauwelijks toe, een euvel dat de filosoof Karl Popper al aankaartte. Integratie met de moderne psychologie is er nauwelijks. Een psychologisch standaardwerk over cognitie en emotie bevat meer dan 1.300 referenties, waarvan één schamele naar Freud en geen enkele naar Jacques Lacan.
Natuurlijk is de psychoanalyse niet gestopt bij Freud, zoals Vanheule opmerkt. Door het onweerlegbare karakter van de psychoanalytische kerngedachte – een onbewust mentaal reservoir vol verdrongen herinneringen en emoties – heeft psychoanalyse een middelpuntvliedende sociologische dynamiek. Elke theoreticus kan een nieuw concept aan het onbewuste toeschrijven – geboortetrauma bij Rank, onbewust minderwaardigheidscomplex bij Adler, anima en persona bij Jung – en met dezelfde schijnmethode evengoed ‘bevestigingen' genereren. Theoretische geschillen zijn niet rationeel te beslechten, getuige de onophoudelijke schisma's en bittere conflicten in de psychoanalyse. Volgens Vanheule bijvoorbeeld is de ‘belangrijkste vernieuwer' in de psychoanalyse ‘zonder twijfel' Jacques Lacan. Dat ligt eraan. De invloedrijke Amerikaanse psychoanalyticus Morris Eagle rept in zijn overzicht van theoretische ontwikkelingen binnen de psychoanalyse met geen woord over Lacan, vermoedelijk omdat hij diens moedwillige obscurantisme en hooghartige onwetenschappelijkheid nauwelijks serieus kan nemen.
De populariteit van Lacan in deze contreien is, net zoals 's mans geschriften zelf, volstrekt onbegrijpelijk. In de recente documentaire Le Mur van Sophie Robert, die misnoegde lacanianen nu willen verbieden, zien we dat Lacans theorie een voedingsbodem is voor gevaarlijke absurditeiten over psychisch lijden. Autisme, een neurologische aandoening met een sterke genetische component, wordt door een bonte stoet lacanianen verklaard in termen van verdrongen trauma's in utero, moordzuchtige en incestueuze moeders (en dito baby's), impotente en ziekmakende vaders, en onbewuste oedipale drama's met bemiddelende placenta's.
De verklaringen zijn orthodox lacaniaans, en connoisseurs herkennen de mystieke en allerwegen inzetbare concepten als de Vader, jouïssance, de Symbolische orde, de grote Ander en het talige onbewuste. Vanheule zwijgt zedig over deze ophef, niet geheel onbegrijpelijk, want hij heeft geen enkele stok om de theoretische hond mee te slaan. Gevraagd naar de onthutsende documentaire, haastte Paul Verhaeghe zich in deze krant te zeggen dat autisme ‘zijn specialiteit niet is'. Merkwaardig, want in een recent essay duidt hij de toenemende diagnose van autisme in onze maatschappij als een ‘vorm van sociale isolatie, weg van de al te bedreigende ander' en als een resultaat van ‘faalangst tot ruimere sociale angst', een typisch voorbeeld van gratuite en dubbelzinnige lacaniaanse speculatie.
Rest ons nog de vermeende werking van psychoanalytische therapie. Zowel Verhaeghe als Vanheule verkondigt in deze pagina's een merkwaardige stelling: ‘dé psychoanalyse bestaat niet', maar ze werkt wel. Beide heren verwijzen echter systematisch naar onderzoek omtrent psychodynamische therapie, een eclectische term die in feite twintig verschillende therapieën omvat en elementen uit diverse stromingen integreert. Psychodynamische therapie is precies ontwikkeld uit onvrede over de belabberde resultaten verkregen door orthodoxe psychoanalyse. Met die semantische kunstgreep, die de Gentse lacanianen de laatste jaren verfijnd hebben, laten ze elke glimp van een empirisch bewijs op de psychoanalyse afstralen. Bovendien bevatten de meta-analyses waarmee Verhaeghe en Vanheule zwaaien, in vele gevallen geen controlegroepen, wat het onmogelijk maakt om de effectiviteit aan therapie-specifieke, laat staan psychoanalytische, elementen toe te schrijven.
Psychoanalyse helpt soms mensen, zoals elke psychotherapie generieke effecten en placebo-effecten opwekt (een luisterend oor, het hart kunnen luchten). Niettemin zijn intellectuele luchtkastelen nooit vrijblijvend en zelden onschuldig, zoals de controverse over autisme aangeeft. De theorie zelf is een dood gewicht waarvan de moderne psychologie zich gelukkig steeds meer heeft losgeschud. Naarmate de moderne criteria van degelijk academisch onderzoek ook in de Gentse vakgroep psychoanalyse ingang vinden, zal de theorie zelf gaandeweg verdampen. Net zoals de frenologie is de psychoanalyse gedoemd om in de plooien van de ideeëngeschiedenis te verdwijnen.
Vleeseters zijn egoïstischer en hufteriger dan vegetariërs.' 'Zwerfvuil op straat maakt mensen racistisch.' 'Hoe meer macht mensen hebben, hoe groter de kans dat ze vreemdgaan.' 'Seks in reclame werkt lang niet altijd.' Het zijn beweringen die klinken alsof ze bedacht zijn door Data Driven, het nepbureautje waarmee de jongens van 'Basta' niet zo lang geleden de Vlaamse media een loer draaiden, maar het zijn enkele van de opmerkelijke studieresultaten waarmee de gerenommeerde Nederlandse sociaal psycholoog Diederik Stapel (Universiteit Tilburg) de voorbije jaren in het nieuws kwam. Hij bouwde zich er een ijzersterke internationale reputatie mee op, en kon met de regelmaat van een klok artikels over zijn onderzoeken kwijt aan de meest prestigieuze wetenschappelijke tijdschriften, waaronder Science en Nature. De kans is erg groot dat hij ze allemaal verzonnen heeft.
In september kwam aan het licht dat alvast één van die studies, die over het sociale gedrag van de vleesetende medemens, nergens op sloeg. Toen hij met aantijgingen daaromtrent werd geconfronteerd, gaf Stapel toe dat hij de gegevens voor zijn onderzoek deels uit zijn duim had gezogen, en deels had aangepast om zijn stelling te onderbouwen. Hij werd meteen geschorst en al zijn publicaties werden van de website van de universiteit gehaald.
Allemaal verzonnen
Diederik Stapel is een van de bekendste wetenschappers in Nederland, en hij was tot voor kort ook een van de meest gewaardeerde. Een begeesterend spreker, een enthousiaste promotor, een graag geziene gast op lezingen over heel de wereld. Hij werkt sinds 2006 voor de universiteit in Tilburg; daarvoor was hij actief aan de universiteiten van Amsterdam en Groningen. Zeker in Groningen bezondigde hij zich naar alle waarschijnlijkheid ook aan onderzoeksfraude.
Uit het eerste rapport van de onderzoekscommissie die de fraude in kaart moet brengen, blijkt dat er wellicht nog veel meer naar boven wordt gespit. De voorzitter van de commissie, emeritus hoogleraar Pim Levelt, zei maandag op een persconferentie 'van de ene verbazing in de andere te zijn gevallen toen hij het werk van Stapel controleerde. Niet alleen zijn artikel in Science over het verband tussen zwerfvuil en discriminatie bleek op compleet verzonnen gegevens te zijn gebaseerd, bij minstens dertig andere onderzoeken was het niet anders.
Het lijkt nauwelijks te bevatten dat iemand zo lang op dergelijke schaal bedrog kan plegen in een academische omgeving zonder tegen de lamp te lopen. Uit het rapport van Levelt bleek maandag ook hoe doortrapt de man te werk ging, zonder ook maar iemand bij zijn bedrog te betrekken. Eerst bedacht hij samen met een medewerker een onderzoekscasus en een methodologie om het onderzoek uit te voeren. Daarna gaf Stapel te kennen dat hij zelf het 'veldwerk' zou doen, omdat hij uitstekende contacten had bij allerlei instanties, scholen en universiteiten. Enkele weken lang liet hij dan niets van zich horen, waarna hij terugkwam met al goeddeels verwerkte gegevens die zijn assistenten alleen nog hoefden te implementeren. Allemaal verzonnen gegevens, zo is intussen gebleken.
Was er dan niemand die iets in de smiezen had? Toch wel. Medewerkers van Stapel vroegen geregeld of ze de oorspronkelijke, door de respondenten ingevulde vragenlijsten niet mochten inkijken. Dat vond Stapel dan overbodig, bovendien gaf hij altijd te kennen dat hij al die spullen niet bijhield. Assistenten die voet bij stuk hielden en kritische bedenkingen uitten, probeerde hij eerst te vriend te houden door ze mee uit eten te nemen, bij hem thuis uit te nodigen of door op andere manieren een hechte vertrouwensband te smeden. Lukte dat niet, dan was er nog altijd de omgekeerde aanpak: lastige medewerkers maakte hij duidelijk dat hun academische carrière wel eens voorbij zou kunnen zijn voor ze goed en wel begonnen was.
Klokkenluiders
Toch waren het die ondergeschikten die de kat de bel aanbonden. Drie 'klokkenluiders' van de universiteit Tilburg klaagden dit voorjaar zijn werkwijze aan bij de rector magnificus, de persoon die aan de universiteit moet waken over de integriteit van zijn collega-hoogleraren. Daar was moed voor nodig, want Stapel was decaan van de faculteit psychologie, geliefd bij en geacht door zijn collega's. Hij had door zijn positie beslissingsrecht over de besteding van de onderzoekssubsidies in zijn vakgebied, en kon daardoor de loopbaan van veel collega's maken of kraken. En hij beschikte over een uitgebreid netwerk aan de universiteit, ook in het bestuurscollege, waarin onder meer de rector magnificus zitting heeft.
'Als er één lichtpuntje is aan deze hele onverkwikkelijke affaire, dan is het dat de sector zelfregulerend werkt', zegt Johan Braeckman, hoogleraar wijsbegeerte en moraalwetenschap aan de UGent en medeauteur van De ongelovige thomas heeft een punt. 'We kunnen niet zeker weten hoeveel van dergelijk bedrog nooit aan het licht komt, maar de wetenschappelijke wereld heeft een aantal filters ingebouwd, de interne controle is erg streng, waardoor dit soort uitwassen uitzonderlijk is.'
Peer review
Dat kan best zijn, maar Stapel is er toch maar in geslaagd jarenlang de hele kluit te belazeren. En ook aan de universiteiten van Amsterdam en Groningen werden al eens de wenkbrauwen gefronst bij zijn onderzoeksresultaten, die steevast te mooi waren om waar te zijn. Maar meer nog dan argwaan wekte zijn werk afgunst op bij collega's, vooral omdat hij er zo vaak internationale wetenschappelijke publicaties mee haalde. De filter van de peer review bleek daar alvast niet te werken.
'Dat klopt, maar peer reviewers houden vooral de methodologie en de relevantie van een onderzoek tegen het licht', zegt Braeckman. 'Tijdschriften als Science laten ingestuurde artikels altijd nalezen door een vijftal collega's uit hetzelfde vakgebied. Ik krijg ook bijna wekelijks de vraag om advies te geven over ingediende publicaties. Dat zijn arbeidsintensieve opdrachten die je bovenop je al zware academische takenpakket moet aanvaarden. Als je je over zo'n artikel een mening moet vormen, moet je van één premisse uitgaan: dat de onderzoeker eerlijk te werk is gegaan. Het is gewoon onmogelijk om van elk onderzoek ook de oorspronkelijke data op te vragen, alleen al om praktische redenen: tijdsdruk, om te beginnen. Bovendien krijg je de artikels anoniem toegestuurd, je weet niet wie de wetenschapper in kwestie is.'
De druk om te scoren
Rest de vraag waarom een man als Spatel zich tot zulke praktijken verlaagt. 'Ik heb de druk om te scoren, te publiceren, de druk om steeds beter te moeten zijn, niet het hoofd geboden', schreef hij zelf in een brief die maandag in de Volkskrant verscheen.
'De druk om te publiceren is inderdaad hoog', zegt Braeckman. 'De universiteiten leggen die druk deels zelf op, omdat publicaties in wetenschappelijke tijdschriften geld in het laatje brengen voor meer onderzoek. Let wel: de onderzoekers worden daar zelf niet rijk van, hen is het te doen om aanzien en macht. Wetenschappers zijn ook maar mensen. Wie veel publiceert, maakt sneller carrière en geniet meer respect in academische kringen.'
Voor Stapel is het in ieder geval afgelopen met die carrière, en met het respect. De universiteiten waar hij heeft gewerkt, dagen hem voor de rechtbank wegens schriftvervalsing, wellicht wordt zijn doctorsgraad ingetrokken.
De commissie-Levelt zegt intussen nog maanden nodig te hebben om de volledige fraude in kaart te brengen: ze moet nog meer dan 150 onderzoeken van Stapel doorworstelen. Houd de rubriek 'Correcties & aanvullingen' in de gaten.
© 2011 Corelio
Artikelinformatie
Bron: De Standaard
Auteur: Tom Heremans
Datum publicatie: 02 november 2011
Door Barbara Debusschere
Mineraalwater, ja, zelfs kauwgum waar je van afvalt, zuivelproducten die je een oersterk beendergestel of een als herboren darmstelsel geven, olijfolie waar je langer van gaat leven, koekjes die de concentratie verhogen of blikjes frisdrank die een uit de kluiten gewassen slaaptekort wegzappen.
De Europese consument is ondertussen wel wat gewend als het gaat om fabelachtige claims die van banale voedingswaren een soort tovermiddelen maken.
In de Europese Commissie is echter beslist om paal en perk te stellen aan dit soort reclame, gebaseerd op beweringen over de zogenaamd positieve fysieke of psychologische effecten van potjes yoghurt of vlootjes margarine.
"Het is niet zo dat die claims een echt gezondheidsrisico inhouden, al staan die beloftes wel vaak op minder gezonde producten. Het is vooral boerenbedrog. Mensen kopen daardoor producten die ze anders niet zouden kopen of die duurder of zelfs van slechtere kwaliteit zijn dan andere enkel omdat er een aantrekkelijke gezondheidsbelofte op prijkt", zegt Johannes Kleis van de Europese consumentenorganisatie BEUC.
Sinds 2008 nam het Europees Agentschap voor Voedselveiligheid (EFSA) al 2.758 claims onder de loep. Slechts 510, ofwel 1 op 5, blijkt wetenschappelijk aangetoond en dus terecht.
De manier waarop de lijst van 2.758 claims tot stand kwam is ook veelzeggend. Aanvankelijk stonden er 44.000 gezondheidsclaims uit de verschillende lidstaten op. Maar die is fiks gereduceerd, enerzijds omdat heel wat claims werden samengevoegd maar ook omdat de industrie beweringen introk toen er sprake was van wetenschappelijke controle. Binnenkort onderzoekt EFSA nog eens 1.500 stellingen die gaan over plantaardige ingrediënten.
Het gros van de kleine hoeveelheid die wel bewezen effecten hebben gaat over vitamines en mineralen. Zo klopt het dat magnesium bijdraagt aan de goede werking van het zenuwstelsel en dat calcium de conditie van botten en tanden op peil helpt te houden. Ook onderbouwd is dat drankjes als Benecol of Danacol de cholesterol helpen te verlagen.
Aanvragen voor probiotica, die het immuunsysteem zouden versterken en in Yakult of Actimel zitten, zijn dan weer ingetrokken door de fabrikant, omdat die de claims niet kon bewijzen.
In lange lijst met claims die niet zijn bewezen staat onder andere ook dat het onzin is dat taurine, het steringrediënt van pepdrank Red Bull, je extra energie geeft, de fysieke uithouding verbetert of vermoeidheid 'uitstelt', zoals ook sommige gelijkaardige energiedranken beweren.
Ook van tafel geveegd zijn beweringen dat suikervrije kauwgum je gewicht helpt te beheersen, dat glucosamine, vaak verkocht als supplement, gezondere gewrichten oplevert of dat linolzuur, in bepaalde olies, de huid tegen UV-beschadiging beschermt, sojamargarine de menopauze minder onaangenaam maakt en druivenpitten het zicht 's nachts verbeteren.
De EU komt op basis van de bevindingen van EFSA eind dit jaar met een lijst claims die zijn goedgekeurd. In de loop van 2012 zullen de verboden boodschappen uit de reclame moeten verdwijnen. Bedoeling is dat nieuwe slogans telkens eerst door EFSA wetenschappelijk worden bevestigd voor ze de Europese markt op mogen.
In 2009 raadpleegde 6 Belgen op 100 een homeopaat. De redenen waren divers : rug-of nekpijn, allergie, vermoeidheid, problemen met het ademhalingsstelsel, angst en depressie... De patiënten, die van alle leeftijden zijn, verwachten met homeopathie een meer natuurlijke, geïndividualiseerde behandeling, met minder bijwerkingen. Ze verwerpen de klassieke geneeskunde niet, maar gebruiken homeopathie als aanvulling erop. Bij sommige klachten kiezen ze voor homeopathie, voor andere doen ze een beroep op de klassieke geneeskunde.
Er zijn ongeveer 340 homeopaten aangesloten bij de 2 beroepsverenigingen in België. De grote meerderheid van deze homeopaten (75%) is arts, 20% heeft dan weer geen (para)medische opleiding gevolgd. In België bestaan er verschillende opleidingen homeopathie, die niet officieel erkend zijn, en dus niet door de overheid gecontroleerd worden.
Een eerste consultatie kost tussen de 50 en 80 euro voor een volwassene en tussen 35 en 80 euro voor een kind. De ziekteverzekering betaalt homeopathie niet terug, maar de consultatie kan wel als een ‘klassieke’ consultatie worden terugbetaald, als de homeopaat een arts is. Sommige ziekenfondsen komen wel onder bepaalde voorwaarden tussen, in het kader van hun aanvullende verzekering.
Het KCE bestudeerde de internationale wetenschappelijke literatuur over homeopathie voor een aantal indicaties: slapeloosheid, allergische neusverkoudheid, lage rugpijn, bevalling, chronische vermoeidheid, dementie, astma, bedplassen, depressie, angst, symptoombestrijding bij kanker en kankerbehandeling, opvliegers, kinderziekten, ADHD, fibromyalgie, HIV, premenstrueel syndroom en veneuze insufficiëntie.
De onderzoekers konden geen overtuigend bewijs vinden dat homeopathie werkt. Eventuele positieve effecten van een homeopathische behandeling kunnen worden verklaard door het ‘placebo-effect’. Hierdoor kunnen behandelingen die op zichzelf niet werkzaam zijn, toch een gunstig effect hebben op het lichaam, op basis van de verwachtingen van de patiënt en de therapeut. Om die reden beveelt het KCE de ziekteverzekering aan om homeopathie niet terug te betalen.
Er is gebleken uit het onderzoek dat homeopathie overtuigde aanhangers heeft. Het feit dat vele patiënten tevreden zijn, betekent echter niet dat homeopathische middelen beter werken dan pakweg gedestilleerd water. Ze blijken wel geen bijwerkingen te veroorzaken, en zijn dus op zich niet gevaarlijk. Dit geldt niet noodzakelijk voor andere ‘natuurlijke’ middelen, die vaak onder de brede waaier van homeopathie worden aangeboden.
Anderzijds worden homeopaten geraadpleegd voor een zeer brede waaier aan klachten, zowel door volwassenen als voor kinderen. Het is daarom belangrijk dat de homeopaat een juiste diagnose kan stellen en kan uitmaken wanneer een klassieke medische behandeling echt nodig is. Zoniet bestaat er een risico dat deze behandeling te laat of niet wordt opgestart. Om die reden pleit het KCE ervoor om alleen artsen toelating te geven homeopathie te beoefenen. Voorwaarde zou wel moeten zijn dat zij zich ook voldoende blijven bijscholen in de klassieke geneeskunde.
De Belgische wetgeving voorziet dat alleen artsen een diagnose mogen stellen en een behandeling opstarten. De beoefenaars van homeopathie die geen arts zijn werken dus in de illegaliteit. De wet Colla werd afgekondigd in 1999 maar is nog niet volledig in werking. Deze wet voorziet de registratie van 4 niet-conventionele geneeswijzen, (chiropraxie, osteopathie, acupunctuur en homeopathie) en de registratie van alle betrokken therapeuten, om de patiënten een officiële garantie op kwaliteit en veiligheid te bieden. Nu het KCE aanbeveelt om de uitoefening van homeopathie te beperken tot artsen, vraagt het zich af welke meerwaarde de wet Colla aan homeopathie kan bieden. Artsen werken reeds binnen een bestaand wettelijk kader dat garanties op kwaliteit en veiligheid biedt.
Homeopathie bestaat uit het toedienen van zeer sterk verdunde oplossingen van dierlijke, plantaardige of minerale stoffen, die krachtig moeten worden geschud (‘potentiëring’). Door die verdunning en het schudden zou de interne kracht van het middel vrijgemaakt worden, zodat die op de levenskracht van de zieke kan inwerken.
Daarnaast is er de ‘simila-regel’: de stoffen die worden toegediend veroorzaken bepaalde symptomen in een gezond lichaam, maar zouden gelijkaardige symptomen bij een zieke persoon genezen. Verder is er het principe van de individuele behandeling: “er zijn geen ziekten, alleen zieken”.
Homeopathie werd in het begin van de 19e eeuw ontwikkeld door de Duitse arts Samuel Hahnemann, en wordt al bijna 200 jaar in België door artsen beoefend, en sinds kort ook door niet-artsen.
Het rapport is beschikbaar op de website van het KCE: Stand van zaken van de homeopathie in België
Voor meer informatie of interviews, contacteer:
Gudrun Briat
Verantwoordelijke communicatie
Doorbuilding, Kruidtuinlaan 55, 1000 Brussel
Tel: 02 287 33 54
website : http://kce.fgov.be
Nieuw is de publicatie van de eerste review van sterfgevallen ten gevolge van chiropraxie die in de wetenschappelijke literatuur gerapporteerd zijn. Professor Ernst verzamelde 26 gevallen in een artikel dat eind augustus verscheen in de International Journal of Clinical Practice(1). Niet zo enorm veel in absolute aantallen, maar een onderzoek naar de incidentie was ook niet de bedoeling. Betrouwbare incidentiecijfers zijn overigens niet voorhanden. Met zijn review wil hij in de eerste plaats een discussie op gang brengen.
Volgens de onderzoeker is er zeker ook sprake van onderrapportering. Veel behandelingen met fatale afloop werden nooit gepubliceerd. Ernst geeft het voorbeeld van chiropractor Preston Long die voor de rechtbank negen sterfgevallen toegaf en eraan toevoegde dat andere gevallen nooit bekend zullen raken omdat hij zwijggeld betaalde.
De meeste slachtoffers zijn relatief jong (14 jonger dan 40), met een licht overwicht van vrouwen. Veelal bezweken ze aan een vasculair accident dat leidde tot trombose of een cerebraal infarct. De tijd tussen de behandeling en het overlijden varieerde van één uur tot 58 dagen. Tien slachtoffers overleden binnen de dag.
Ernst schrijft dat zijn systematische review aantoont dat talrijke overlijdens in verband zijn gebracht met de hevige manipulaties van de bovenste ruggengraat, veroorzaakt door het plotse draaien en stoten van de nek. Die krachtige bewegingen hebben een vertebrale arteriële dissectie veroorzaakt, die vervolgens leidde tot een beroerte en overlijden.
"Omdat arteriële dissectie ook spontaan voorkomt, beweren heel wat chiropractors dat er geen causaal verband is tussen chiropractische behandelingen en arteriële dissectie", schrijft Ernst. "Maar wie de feiten zorgvuldig evalueert, moet wel tot de conclusie komen dat causaliteit op zijn minst waarschijnlijk is. En ook al zou de kans op een verband heel klein zijn, dan nog moet het voorzorgprincipe spelen. Manipulatie van de nek moet bijgevolg als onveilig worden beschouwd tot bewijs van het tegendeel. De risico’s wegen veel zwaarder door dan de mogelijke voordelen van de techniek."
Hoewel ook andere gezondheidsprofessionals (osteopaten, fysiotherapeuten en uiteraard ook artsen) de nek manipuleren, zijn de schadelijke complicaties en sterfgevallen in de medische literatuur bijna zonder uitzondering op rekening van de chiropractors te schrijven. Dat kan geen toeval zijn. Volgens Ernst komt dat omdat chiropractors de enige zijn die de typische snel draaiende, krachtige nekmassage toepassen.
(1) Int J Clin Pract. 2010;64(10):1162-1165
P.B.