artikel van skepp
artikel van skepp uit wonder
bericht uit het forum
nieuws van zusterorganisatie
nieuws van skepp
nieuws uit de pers
recent bericht uit het forum
Dit jaar gaat de prijs naar de wetenschapsredactie van een Vlaams dagblad. Deze redactie, hoewel ze slechts twee krachten telt, weet een volwaardige wetenschapsverslaggeving te brengen. Met niet alleen nieuws en nieuwtjes, maar ook toelichting, interviews, duiding en commentaar, en zelfs een heuse vraag- en antwoordrubriek. Opvallend volledig, in de breedte en in de diepte. En met de nodige kritische zin, gekoppeld aan een goede dossierkennis, wat in deze discipline allesbehalve evident is.
In deze wetenschapsrubriek lezen we zeer regelmatig kritische stukken over pseudowetenschap, teksten die evengoed in het tijdschrift van SKEPP hadden kunnen en mogen staan. Niet meer dan normaal, want uiteindelijk werken we allebei vanuit een wetenschappelijke benadering. Om niet aan zelfverheerlijking te doen, wordt de Zesde Vijs niet aan leden van SKEPP toegekend en voor zover we weten zijn deze journalisten dat ook nooit geweest.
Toch heeft één van deze journalisten van De Standaard, Steven Stroeykens, een gemeenschappelijk verleden met SKEPP, zelfs een gemeenschappelijke vorming. Ooit was hij een actief lid van de Vereniging Voor Sterrenkunde. In deze vereniging was men zeer op zijn hoede voor pseudowetenschappen als de astrologie, die door de buitenwereld wel eens met astronomie werd verward. Er ontstond een werkgroep pseudowetenschappen die de rechtstreekse voorloper van SKEPP werd. Dat Steven Stroeykens toen van de sfeer heeft geproefd, merken we duidelijk wanneer hij over pseudowetenschappelijke onderwerpen schrijft.
Ook zijn collega Hilde Van den Eynde heeft zich niet onbetuigd gelaten in een dergelijke aanpak. We herinneren ons nog goed hoe verscheidene Vlaamse journalisten zich in 2004 lieten ringeloren op een congres van homeopaten in Brussel, waar “het definitieve bewijs voor homeopathie door tien Europese wetenschappers” werd bekend gemaakt. Groot nieuws, wereldnieuws bijna, maar voor wie het onderzoek naar de werkzaamheid van homeopathie op de voet volgt, bleek deze zogenaamde grote doorbraak al snel opgewarmde kost. Homeopaten hebben er een handje van weg om op voortvarende wijze met grote doorbraken te zwaaien, zowel in de richting van de politiek als in de richting van de media. Hilde Van den Eynde toonde echter de juiste skeptische reflex en verwees in een nuchter artikel naar de ware feiten, en naar de prijs van één miljoen dollar van James Randi,, die ook toen nog steeds niet was opgeëist.
Ook de columns van Steven Stroeykens hebben niet zelden een skeptische insteek en bevatten telkens rake opmerkingen. Eén column van het afgelopen jaar viel ons bijzonder op. Een stuk met als titel “GEZOCHT: TAROTLEZER (M/V)“1. Daarin stelt hij zich voor hoe de wereld eruit zou zien als astrologen, kaartleggers en/of andere waarzeggers inderdaad de toekomst zouden kunnen voorspellen. Dan zouden ze zonder twijfel zeer veel geld verdienen met het adviseren van bedrijven voor de toekomstige evoluties van de beurs, de olieprijzen, het mogelijk succes van smartphones en nog veel meer. Zoals hij het uitdrukt:
“Een goede tarotkaartenlezer of astroloog kan voor een bedrijf een miljardenverschil maken. Hij hoeft het niet eens altijd bij het rechte eind te hebben. Een paar procentjes vaker bij het rechte eind dan de concurrentie volstaat ruimschoots. Bedrijven vechten om de beste astrologen. Op Wall Street strijken ze miljoenenbonussen op. Ambitieuze studenten kiezen een mba-opleiding met een stevige cursus tarot. Bedrijven die te weinig investeren in hun astrologie-afdeling, zijn kansloos in de bikkelharde concurrentiestrijd. Academici vergelijken de effectiviteit van de Chinese en de westerse astrologie. Nieuwe internationale normen en regels voor de financiële sector zijn gebaseerd op de principes van de kwantitatieve astrologie.”
Als het kon... Quod non. Dit alles gebeurt dus niet en dat is meteen het beste bewijs dat deze vormen van voorspellen waardeloos zijn. Met een knipoogje wellicht voor meer rationeel ogende vormen van voorspellingen, die ook al niet veel succes boeken, zoals bij ratingagentschappen en andere modieuze consulenten.
Dit originele stuk zou op zich een goede aanleiding kunnen vormen voor het toekennen van de Zesde Vijs. Maar daar bleef het niet bij. Eind vorig jaar verscheen een interview door Hilde Van den Eynde over Reliable Cancer Therapies2, een initiatief dat tot doel heeft de betrouwbaarheid te onderzoeken van kankertherapieën, zodat wetenschappelijk verantwoorde behandelingskeuzes kunnen worden gemaakt. Hopelijk kan dit kritische artikel van Hilde Van den Eynde patiënten écht helpen. In tegenstelling tot – helaas – het oppervlakkig en goedgelovig geschrijf in sommige bladen over de zoveelste vorm van onbewezen geneesmethodes.
Kortom, beide wetenschapsredacteurs van De Standaard verdienen voor dat jaar de Zesde Vijs. Daarom reiken we de prijs aan hen gezamenlijk uit.
Denk daarmee niet dat we hiermee slaafse volgelingen van SKEPP huldigen. Deze laureaten zijn lieden die af en toe een kritische noot over ons laten weerklinken. In zijn column waarschuwde Steven Stroeykens er ons bijvoorbeeld voor om geen beweringen te verwerpen met als argument dat ze fysisch onmogelijk zouden zijn.3 Daarmee maant hij skeptici aan tot voorzichtigheid. Het is boeiend om kritiek van dat niveau te lezen. We zijn in SKEPP wel wat erger gewend. Met de Zesde Vijs huldigen we geen volgelingen, maar wel mensen die de skeptische aanpak en methode delen.
Ik heb naar de details van de enquête gezocht, naar de originele vraagstelling, hoe de keuze van bevraagden gebeurde, maar veel is er niet te vinden. De opdrachtgever van deze ‘studie’ is de homeopathieproducent Boiron, met hoofdzetel in Frankrijk en wereldwijd verkoper van geschud water en suikerbolletjes, wat Boiron miljarden heeft opgebracht. De Franse website meldt dat ook in Frankrijk de firma Ipsos in opdracht van Boiron dezelfde enquête heeft afgenomen als in België,ii en ook daar blijkt minstens de helft van de bevolking de homeopathie op handen te dragen.
Dergelijke beweringen geven een déjà vu-gevoel. Telkens weer trachten de naar erkenning smachtende alterneuten hun totaal gebrek aan overtuigend bewijs voor werking tegen enige ziekte of klacht te doen vergeten door met opgeblazen cijfers over populariteit te zwaaien. Ze hopen aldus de bevolking maar vooral de politici ertoe te brengen om hen te erkennen. Sommige politici denken misschien dat het erkennen van iets wat zo sterk in vraag is, stemmenwinst kan opleveren.
Hoe komen ze aan dergelijke opgeblazen cijfers? De technieken zijn al jaren dezelfde: stel de vragen op een manier die het gewenste antwoord geeft. Wat ook vaak gebeurt is: bevraag bij voorkeur een ‘bevriend publiek’, bijvoorbeeld mensen die al klant zijn bij een homeopaat. Die ongeloofwaardige cijfers zijn eigenlijk wel juist als je de vragen bekijkt. Naargelang je vraagt ‘heeft u ooit eens homeopathie gebruikt?’ of ‘gebruikte u de laatste twaalf maanden homeopathie?’ of ‘bent u van plan het te blijven doen?’, krijg je heel verschillende antwoorden. Mits dergelijke ‘goede’ vraagstelling kan ik oprecht beweren dat 90% van de Belgen met een fopspeen gaat slapen. Het oneerlijke zit hem in de presentatie. Ook al heeft negen op de tien mensen ooit een fopspeen gehad, je mag niet beweren dat ze er vandaag één hebben.
De cijfers zijn erg ongeloofwaardig omdat er ook studies bestaan met heel andere resultaten. De cijfers van de Belgische Nationale Gezondheidsenquêtes, uitgevoerd door het WIV, het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, in 1997, 2001, 2004 en 2008, laten al jaren een heel andere realiteit zien.iiiEnkele citaten:
12% van de bevolking heeft in de 12 maanden voorafgaand aan het interview een contact gehad met een alternatieve of niet-conventionele therapeut. Het gaat hierbij, in volgorde van belangrijkheid, om contacten met een osteopaat (6,4% van de bevolking), een homeopaat (4,0%), een chiropractor (1,8%), een acupuncturist (1,6%), een manueel therapeut (1,2%) en een fytotherapeut of kruidengenezer (1,1%).
.../...
Het percentage personen dat beroep heeft gedaan op een alternatieve therapeut is stabiel wanneer de resultaten van 2008 met deze van 2001 vergeleken worden.
.../...
Het Neutraal Ziekenfonds voorzag als eerste in een algemene nationale regeling voor de terugbetaling van homeopathische geneesmiddelen voor haar leden.
In 2001 vroeg minder dan 2% van de leden van dit ziekenfonds de terugbetaling aan van een homeopathisch geneesmiddel. De Christelijke Mutualiteiten meldt dat in het jaar 2000 drie procent van haar totale ledengroep regelmatig een beroep deed op een alternatieve geneeswijze waarvoor de CM een tegemoetkoming geeft.
Die cijfers (4%, 2%, 3%) zijn wel nogal verschillend van 50%! Aan u om uit te maken welke bron u het meest vertrouwt. Kan het verschil misschien verklaard worden door zelfmedicatie? Het lijkt erg onwaarschijnlijk dat de helft van de bevolking aan zelfmedicatie doet met homeopathie. Het zal wel aan de tendentieuze vraagstelling liggen, genre ‘hebt u ooit een snotneus gehad of met een driewielertje gereden?’ Conclusie: 90% van de Belgen heeft een snotneus en verkiest een driewielertje!
Als ik zou beweren dat Boiron zeer dure suikerbolletjes verkoopt waar geen kruimel actieve stof in zit, zouden ze mij dan ook een proces aandoen en schadevergoeding eisen, zoals ze deden met een Italiaanse amateurblogger?
Om mijn positieve ingesteldheid en goede wil te bewijzen, herinner ik er nog eens aan dat de vzw SKEPP een prijs van 10.000 euro uitlooft voor wie het onderscheid kan maken tussen een homeopathisch middel en de grondstof ervan (water, alcohol of lactosebolletje). Alle technieken zijn toegelaten: patiënten, proefdieren, toestellen, pendel, wichelroede, zesde zintuig, waarzegger en sterrenbeelden. We zijn breeddenkend. Die prijs geldt ook voor wie het onderscheid kan maken tussen twee homeopathische middelen. Uiteraard geldt dit aanbod enkel voor de post-Avogadro-verdunningen, dus meer dan C12 , maar het mogen ook veel sterkere middelen zijn in de homeopathische zin (dus nog meer verdund).
Kom gerust op uw driewielertje.
Bestrijden wij homeopathie? Zeker niet! In ons landje is er grondwettelijke vrijheid van geloof, dus ook geloof in homeopathie is een recht. Maar als er reclame gemaakt wordt voor een aangeboden dienst door middel van onjuiste verklaringen of valse beloften, dan is er een overtreding van de wet op oneerlijke handel en dat is strafbaar. Wij verzetten ons met klem tegen het principe dat een behandeling erkenning verdient omdat een deel van de bevolking erin gelooft of ze toepast, laat staan op basis van vertekende cijfers. Hopelijk zijn onze politici verstandig genoeg om zich te realiseren tot welke absurde toestanden dit kan leiden. Als de erkenning van behandelingen zou afhangen van de gunst van het volk, dan zaten we nog steeds met aderlatingen, brandijzers en zalfjes gemaakt van vleermuizendrek. Absurdistan is trouwens al begonnen. Dankzij sterk lobbywerk van de homeopathische industrie heeft het Europees Parlement directieven gestemd die de lidstaten verplichten om producten waar niets in zit en die niemand kan onderscheiden van water of suiker, te erkennen als medicijn. Sterker nog, producenten mogen er zelfs medische indicaties voor vermelden als ze ergens een boekje kunnen opdiepen dat aantoont dat een homeopaat het ooit daarvoor gebruikte.
i http://www.apodenys.be/documents/news-items/ipsos-studie-de-belg-en-homeopathie.xml?lang=nl
ii http://www.boiron.fr/Homeopathie/Homeopathie-Enquete-Ipsos
iii https://www.wiv-isp.be/epidemio/epinl/crospnl/hisnl/his08nl/r3/7_contactenbeoefenaarsniet-conventionelegeneeswijzen_oh_report3_nl.pdf
The French documentary film The Wall (Le mur), which takes issue with psychoanalytic views on autism, has caused some uproar over the past few months, even drawing attention from The New York Times. France is one of the last remaining bulwarks of psychoanalysis, the theory and therapy devised by Sigmund Freud and further developed by his countless acolytes. In most of the Anglo-Saxon world, the influence of psychoanalysis has steadily waned over the past decades (except in the humanities and cultural studies), but the public health sector and academic psychology departments in France are still largely dominated by psychoanalysts, particularly the followers of the charismatic Jacques Lacan, who was one of the major targets of Alan Sokal and Jean Bricmont’s book Intellectual Impostures. In most other countries, different variants of cognitive-behavioral therapy (CBT) are regarded as the standard treatment for autism (and for several other psychological afflictions). French psychoanalysts continue resisting this approach, because they (falsely) regard it as a reductionist approach that solely focuses on behavior change and neglects the subjective dimension of psychological illness. In The Wall, we see a number of psychoanalysts explaining the onset of autism, a neurological condition with an important hereditary factor, in terms of unresolved oedipal dramas and intersubjective struggles.
Three of the dozen or so analysts who appear in The Wall (Alexandre Stevens, Esthela Solano and Eric Laurent), all of Lacanian stripe, have sued filmmaker Sophie Robert for defamation, claiming that The Wall’s depiction of their views is tendentious, that their views have been distorted through editing, and that the film is a diatribe against psychoanalysis instead of a sober assessment of the theory and therapy. Surprisingly, a court in Lille has partly put the analysts in the right, banning The Wall and sentencing Robert to cough up a compensation fee of hundreds of thousands of euros.
If you think The Wall is manipulative propaganda, you’ve never seen manipulative propaganda. The 9/11 conspiracy film Loose Change, for example, is a typical piece of cut-and-paste work: mostly snippets of a few seconds, taken out of context and disingenuously strung together to serve the needs of the filmmakers. The distortions of Loose Change were well documented on the blog Screw Loose Change and by other conspiracy debunkers. What we see in The Wall, however, are psychoanalysts answering questions and holding forth about autism at length, sometimes in uninterrupted sequences of almost a minute. The followers of Freud and Lacan have been remarkably unforthcoming about the alleged misrepresentations of The Wall, complaining mainly about the “polemic” tone of the film and only vaguely referring to misleading editing work.
The judge’s motivation does not provide a smoking gun either. In fact, it would simply outlaw any form of creative post-filming editing. Ironically, the judge charges Robert with leaving out material that even further attests to the bizarre views of Lacanian psychoanalysts. For example, one of the three psychoanalysts is shown saying that sometimes autism is caused by the mother being depressed at birth or while the child is in utero. Misrepresentation of his views, says the judge, because off-screen he adds that autism is foremost a “choice” made by the child itself. Apparently, parents do influence this flight into autism, but only the child itself takes “responsibility.” Such a bizarre position goes out of the frying pan into the fire. The judge, however, thinks it is a “very nuanced view” that gets insufficient attention in The Wall (one wonders why a judge pronounces on such matters). Should we blame Sophie Robert for failing to unearth even more pseudoscientific speculations?
In spite of Robert’s editing work, anyone who bothers to sit through the whole documentary will see a prime example of self-incrimination, with all sorts of bizarre pronouncements that are really self-explanatory, and that derive from a long psychoanalytic tradition of blaming autism on flawed relationships with parents (Bruno Bettelheim, Jacques Lacan, Françoise Dolto). For example, we learn that fathers need to intervene in the mother-child relationship in order to prevent their sexual fusion; that all mothers experience a period of “maternal madness” after pregnancy; that every mother-child relationship is intrinsically incestuous; that the autistic child “refuses” to enter into the world of language because it is “sick of language”; that some fathers are impotent and pathogenic; that one function of the placenta is to mediate between the murderous desires of mother and fetus during pregnancy (!); and that the psychological damage of father-daughter incest is not much to worry about.
Not all of those exotic views are shared by all the interviewed analysts, of course. Indeed, if you consult two psychoanalysts on any given subject, you usually end up with three different opinions. The analysts in The Wall have one thing in common, though: they revel in the same baseless and gratuitous psychoanalytic method, and they display the same cavalier disregard for careful scientific theorizing about the human mind. Particularly harrowing is the bleak view expressed by many Lacanian analysts about the expected benefits of their (or any form of) therapy (“the pleasure of taking interest in a soap bubble,” says one analyst after an embarrassing silence). This reflects another central tenet of Lacanian psychoanalysis: we cannot be cured from the human condition, and the symptoms developed by a patient constitute his or her way of coping with the ineluctable “knot” into which we humans tie ourselves (hence the “choice” for autism). Instead of fostering false hopes, or so the Lacanians claim, we should resign to this state of affairs. To try to get rid of debilitating symptoms, as cognitive behavioral therapists try to do, is to eradicate the dimension of human subjectivity. Such defeatism is appalling in view of the evidence-based therapeutic interventions for dealing with conditions such as autism.
To be sure, some parts of The Wall have been substantially edited (as is the case in any documentary film), but the three psychoanalysts have not given a single instance of editing work that has led to gross misrepresentation. Examples where questions and answers have been shuffled to improve the flow of the storyline hardly make a difference to the arguments presented. In one or two instances, the editing process may be regarded as glancing over some nuances, or insufficiently discriminating between different viewpoints. In a theoretical mess such as Lacanian psychoanalysis, however, with its obscure and byzantine doctrine about subjective development, one can always blame the critic of missing such or such theoretical subtlety. To Robert’s credit, she has taken pains to clear away the fog surrounding (Lacanian) psychoanalysis, and to crisply demonstrate what the psychoanalytic view of autism comes down to.
The other charges against Sophie Robert are simply ridiculous. The film is accused of being “polemic,” as if this was a thought crime in itself. A film maker has the right to express his or her views on a subject, and to take sides if (s)he feels morally obliged to do so. Would any sensible person be able to make a documentary about homeopathy, astrology or Scientology and manage to remain studiously evenhanded about the subject matter? The polemic tone of the film is perfectly justified in light of the outrageous claims made by the Lacanian psychoanalysts themselves. And even if Robert had seriously misrepresented the views of some of her interviewees, the latter could have written a formal response instead of dragging a young filmmaker into court and demanding exorbitant compensation fees (€ 300,000 in total).
This ruling is a blatant violation of the right to free speech and free dissemination of information. All interviewees had signed an agreement disowning their rights to the footage and acknowledging that the material would be edited. Although freedom of speech ends where libel and slander begin, psychoanalysts have not even come close to showing that such is the case. Naturally, Sophie Robert has appealed against the judge’s ruling. In the meantime, Lacanian psychoanalysts who (understandably) have tried to ban this 52-minute long embarrassment for their discipline, will have to countenance the so-called Streisand effect: attempts to censor information on the internet will almost inevitably backfire, by attracting more attention and furthering its dissemination. And you, dear reader, are complicit in this strange phenomenon!
—
Visit the website ‘Support the Wall’
Het kan uiteraard geen kwaad dat het Federaal Kenniscentrum voor de Volksgezondheid erop wijst dat homeopathie niet werkt, ook al is dit reeds meerdere keren door sceptische organisaties, wetenschappelijke commissies en tal van wetenschappelijke studies aangetoond. Het Kenniscentrum stelt terecht dat een totaal gebrek aan werking niet hoeft te betekenen dat homeopathie niet helpt: er is immers het deels bekende, deels mysterieuze placebo-effect. Voor wie erin gelooft, kan homeopathie een effect hebben.
Hetzelfde geldt natuurlijk voor wijwater uit Lourdes en voor honderden andere zogenaamde 'alternatieve' geneeswijzen. Daarom is het al evenzeer correct van het Kenniscentrum om enerzijds te stellen dat men niemand kan verbieden zijn geld aan homeopathie uit te geven, maar anderzijds ook te pleiten tegen terugbetaling met gemeenschapsgeld. Wie dat laatste toch verdedigt, moet a fortiori mijn dagelijks glas wijn terugbetalen. Dat heeft immers naast een placebo-effect ook een bewezen positieve uitwerking op mijn gezondheid.
Het Kenniscentrum is dus niet tegen homeopathie, net zoals het ook niet tegen wijwater of een bedevaart naar Scherpenheuvel is. Maar het raadt wel aan dat een homeopaat tegelijk ook arts moet zijn, dit om te vermijden dat mensen met een reële en ernstige aandoening een verkeerde diagnose krijgen of een wetenschappelijk bewezen therapie of behandeling mislopen.
Laat ons even stilstaan bij dit standpunt. Het komt erop neer dat onzin acceptabel is, maar enkel als die aanbevolen wordt door iemand van wie men net verwacht dat hij zin van onzin onderscheiden kan. Reeds in 1998 brachten alle Belgische medische faculteiten gezamenlijk een rapport uit waarin ze het standpunt verdedigen dat geneeswijzen zoals homeopathie niet werkzaam zijn, en daarom ook niet thuishoren in de opleiding geneeskunde. De termen 'alternatieve' of 'complementaire' geneeskunde zijn dan ook zeer misleidend: er is maar één goede vorm van geneeskunde, namelijk diegene die grondig wetenschappelijk is getest en waarvan de werking is bewezen.
Alternatieve geneeskunde staat tegenover wetenschappelijk bewezen geneeskunde zoals pakweg het creationisme ('alternatieve biologie') tegenover de evolutietheorie. Waarom, zo kan men zich dan afvragen, zijn er dan artsen die zich wel degelijk ook homeopaat noemen? Hebben zij dan niet dezelfde opleiding gehad als hun collega's die alternatieve geneeskunde verwerpen? Het antwoord hierop bevat meteen ook de sleutel om te begrijpen waarom homeopathie en honderden andere onbewezen, vaak zelfs volstrekt absurde middeltjes en opvattingen populair zijn en blijven, ondanks tal van studies die, allen samen genomen, onweerlegbaar aantonen dat er hoogstens van een placebo-effect kan sprake zijn.
Het menselijk brein is door evolutie niet ontworpen om onmiddellijk en moeiteloos te begrijpen wat de kracht is van wetenschappelijk onderzoek dat dubbelblind, gerandomiseerd, placebogecontroleerd en statistisch verantwoord is uitgevoerd. Die strenge criteria zijn de voorbije decennia op scherp gesteld om te vermijden dat onze subjectieve opvattingen hoger worden ingeschat dan de resultaten van objectieve studies.
Mensen zijn er nu eenmaal van overtuigd dat iets waarvan ze denken het zelf te hebben ervaren, een veel groter waarheidsgehalte heeft dan om het even welke studie, ook al nam ze ruim tien jaar in beslag, is ze gepubliceerd in een wetenschappelijk toptijdschrift en bevestigd door meerdere opvolgingsstudies.
Iedereen die zich ooit kritisch opstelde tegenover het alternatieve geloof kent deze repliek: "Ik nam een alternatief middeltje, en mijn klacht was verdwenen. Hoeveel meer bewijs wil je nog?"
Het is zo goed als onmogelijk om aan zo iemand uit te leggen dat subjectief, anekdotisch bewijsmateriaal niet opweegt tegen wetenschappelijk correct uitgevoerde studies. Hoe verstandiger zo'n believer is, hoe moeilijker de discussie: slimme en hoger opgeleide mensen (zoals artsen) zijn immers beter in staat om opvattingen die ze zich om onverstandige redenen eigen maakten, te verdedigen op voor zichzelf bevredigende wijze.
Toch is het tegelijkertijd niet zo lastig om te begrijpen dat het merendeel van de kwalen waaraan we lijden na verloop van tijd ook vanzelf overgaan. Er hoeft geen enkele oorzakelijke relatie te bestaan tussen een alternatief middeltje enerzijds, en een genezingsproces anderzijds. Stel dat ik een verkoudheid heb, ik neem er vandaag een middeltje voor en vijf dagen later ben ik genezen. Komt die genezing door dat middeltje? Of door het feit dat ik twee dagen geen koffie heb gedronken maar wel een Orval? Of door het hemd dat ik morgen zal dragen, of die ene prettige e-mail die ik ontving? Of misschien omdat ik twee keer na elkaar naar Dylans Time out of Mind heb geluisterd?
De ene hypothese is zeker minder waarschijnlijk dan de andere, maar het punt is: we kunnen het antwoord alleen maar te weten komen door grondig wetenschappelijk onderzoek te doen, waaraan voldoende proefpersonen deelnemen. En laat dit nu net het probleem zijn voor de homeopathie: dergelijk onderzoek toont aan dat de werking ervan onbestaande is.
Waarom zijn er dan artsen die erin geloven? Omdat artsen, zoals nagenoeg iedereen, ook vatbaar zijn voor bijgeloof. Zoals de homeopathische consument een verband legt tussen een vermeende oorzaak en een denkbeeldig gevolg, zo ook legt de homeopathische arts een irreëel verband tussen zijn alternatief voorschrijfgedrag en de positieve feedback die hij van het merendeel van zijn patiënten krijgt.
We zijn er allemaal kwetsbaar en ontvankelijk voor, wat meteen de reden is waarom deze opflakkering van het zogenaamde debat omtrent alternatieve geneeskunde niet bepaald de eerste is, en verre van de laatste zal zijn.
Dit opiniestuk van Johan Braeckman verscheen op 25/05/2011 in De Morgen.
Mijn schoonfamilie wordt redelijk hard geteisterd door psychische aandoeningen: mijn schoonmoeder lijdt al vele jaren aan schizofrenie, mijn schoonzus leed hier eveneens aan (zij stapte op 36-jarige leeftijd op een gruwelijke manier uit het leven) en mijn echtgenote blijkt nu te lijden aan een biologische vorm van plots toeslaande depressie (psychotische depressie). Tot voor kort vertrouwde ik mij domweg op de reguliere medische wereld en verfoeide ik de alternatieve geneeskunde. Wees gerust, ik verfoei nog steeds (nog meer zelfs) de alternatieve geneeskunde, getuige daarvan onze juridische actie tegen een charlatan die mijn schoonzus had bezworen haar reguliere medicatie ter behandeling van schizofrenie te stoppen en zijn bachbloesemaftreksel in te nemen aan het schappelijke prijsje van 125 euro per maand…
De lijdensweg begon in 1994, toen mijn echtgenote 29 jaar oud was en zwanger van ons eerste kindje. Helaas verloor mijn echtgenote Annemie door een misval tussen de tweede en de derde maand een kindje. De gynaecoloog trachtte ons te troosten door te stellen dat er meestal iets mis was als er zich een misval voordeed en dat de natuur een soort van “zelfcorrectie” deed. Een magere troost op dat moment, maar toeval of niet, een paar maanden later kreeg zij ernstige pijn in haar rechteroog. We werden door de huisarts doorverwezen naar de spoedafdeling van de VUB-kliniek. De professor daar kwam al snel tot de diagnose dat Annemie leed aan papillitis, een ontsteking van de zenuw achteraan het oog. Zij diende medicatie te krijgen (met een flinke dosis cortisone als ingrediënt) waarvan op de bijsluiter vermeld stond dat zij “ernstige persoonlijkheidsstoornissen zoals depressie” kon veroorzaken. Ik was zeer bang, gelet op de problemen met haar moeder en haar zus (die toen ook al een vijftal jaar aan schizofrenie leed). De behandelende professor was echter formeel: het was zowat kiezen tussen de cholera en de pest: ofwel zou mijn vrouw het complete zicht uit haar oog verliezen, ofwel zou zij een kans lopen om depressief te worden. Hij vreesde bovendien voor een uitbreiding van de ontsteking. Ze diende ook een reeks neurologische onderzoeken te ondergaan, waarbij we te horen kregen dat papillitis immers een correlatie van 0.50 vertoonde met multiple sclerose. Weerom toeval of niet, maar mijn echtgenote werd al depressief aan het eind van haar opname en de depressie duurde meerdere weken. De toenmalige huisarts schreef een behandeling met Aropax, een antidepressivum voor. Het scheen goed aan te slaan. Een beetje later raakte Annemie overigens opnieuw zwanger en onze eerste dochter werd in april 1995 geboren!
Net als elke gemiddelde mens zocht ik naar verklaringen (achteraf). Destijds zocht ik de oorzaak ofwel bij de medicatie (die in mijn ogen de depressie had uitgelokt) of in haar familiale belasting. Een derde verklaring kon echter ook de combinatie van uitlokkende factoren zijn. Hoewel mijn echtgenote niet depressief was geworden na de misval, kon de combinatie van de misval met het probleem met haar oog niet worden uitgesloten.
Alles ging goed, we kregen 18 maanden later een tweede kind, en in 1997 startten we met de bouw van ons huis. Op aanraden van de huisarts was Annemie gestopt met het innemen van haar medicatie. Een maand voor de verhuis naar ons nieuwe huis sloeg de depressie opnieuw plots toe (wanneer Annemie juist stopte met haar medicatie kan ik helaas niet meer achterhalen). De voor de hand liggende verklaring kon de stress van de verhuis zijn, hoewel zij dit niet zo ervoer. De nieuwe huisarts raadde een hervatting van de medicatie aan (Aropax, en later zijn generische vervanger). De depressieve episodes volgden elkaar echter snel op. Het is te zeggen, mijn echtgenote kon niet leven met het idee dat zij van pillen afhankelijk zou blijven. Elke poging om te stoppen leidde 4 tot 5 maanden na beëindiging telkens tot een plotse terugval: 1999, 2000, 2002, 2005 en 2007 waren de respectieve jaren. Eén rode draad: een stopzetting van de medicatie (met uitzondering van 2005). Annemie werd niet depressief toen haar zus een einde maakte aan haar leven, toen een van onze kinderen werd gediagnosticeerd met kinderreuma, en niet toen mijn vader stierf na een lange lijdensweg van botkanker. Er werd op geen enkel moment een ernstige stresstoestand vastgesteld. Annemie probeerde ook verschillende vormen van psychotherapie: systeemtherapie, mindfulness, cognitieve gedragstherapie, maar niets bleek haar soelaas te kunnen brengen en ze hield het nooit lang vol. Wanneer de medicatie aansloeg, verdwenen de problemen en de rare gedachten immers als sneeuw voor de zon.
Toen bouwde Annemie in augustus 2007 haar medicatie af in wat voor haar en mezelf een laatste poging was, waarna we ons zouden neerleggen bij het feit dat Annemie wellicht haar hele leven antidepressiva zou moeten nemen. Een collega op het werk, klinisch psycholoog met een eigen praktijk en ook verbonden aan de Sint Jozefkliniek in Kortenberg, raadde mij aan om modernere medicatie te vragen aan de huisarts. Hij adviseerde Sipralexa. Onze huisarts volgde dit advies begin november 2007. Er kwam echter geen verbetering en in januari 2008 gingen wij op aanraden van dezelfde klinisch psycholoog toch op raadpleging bij een psychiater (dr. Cootjans) in het Imeldaziekenhuis te Duffel, een arts die regelmatig patiënten naar hem doorverwees. Ik had mij ondertussen, ook mede door enkele modules te volgen aan de open universiteit in Nederland, verdiept in de psychologie. Ik kreeg toegang tot de database van de APA en kreeg regelmatig van bevriende professoren (via mijn werk) wetenschappelijke artikels toegestuurd. Ik was niet verbaasd toen deze psychiater gebruik maakte van de Beck-depressieschaal. De score van Annemie was zo hoog, dat hij aandrong op opname in de PAAZ. Groot was haar en mijn verbazing echter toen ze haar later onderwierpen aan de Rorschach test, een inktvlekkentest waarin men zaken diende te herkennen, en op basis waarvan de psycholoog of de verpleger (!) uitspraken doet over de persoonlijkheid. Wij konden ons niet herkennen in het geschetste persoonlijkheidsprofiel en ik sprak de psychiater er over aan, die koudweg antwoordde dat de Rorschach werd aanvaard in gerechtelijke middens, en dat dit genoeg zei. De arts hield ook vast aan Sipralexa, wat hij gewoon aanvulde met 200 mg Solian (een psychosebestrijdend medicijn). Na 4 weken verliet zij de kliniek en in maart 2008 kon zij haar werk hervatten.
Wat al die jaren de rode draad was in haar verhaal, maar enkel tijdens haar depressieve episodes verhaal was haar uitermate laag zelfbeeld, waarbij zij ook aangaf dat zij ervan overtuigd was dat zij haar hogeschooldiploma niet had verdiend, maar dat de leraren collectief hadden samengespannen om haar te delibereren en haar het diploma (bij eerste zit!) te geven, totaal onverdiend dus. Zij vond dan ook telkens dat zij veel minder interesses heeft dan anderen en veel minder slim is. In een andere variant vertelt zij dat zij haar diploma haalde dankzij mijn niet aflatende hulp, terwijl ik in het jaar dat zij afstudeerde, van januari tot augustus mijn legerdienst deed in Weiden, vlakbij Keulen in Duitsland, waarbij ik ook niet elk weekend naar huis kon komen. Buiten de depressieve episodes treden deze gedachten niet op. Wist ik veel, niemand (noch de psychologen, noch de huisartsen, noch de psychiater uit Duffel) heeft mij ooit aangegeven dat dit symptomen van een psychotische depressie konden zijn. Dat we niet eerder een psychiater raadpleegden heeft deels te maken met het feit dat ik huiverig sta tegen de bizarre theorieën en het vaak manifest buitenissige gedrag van een aantal psychiaters , maar ook de kritische uitlatingen van de huisarts zelf en professoren in de psychologie ten aanzien van psychiatrie en psychotherapie.
Omdat Annemie op de maximumdosis Sipralexa stond, bespraken wij in augustus 2009 met de huisarts een afbouw naar één pilletje. In februari 2010 herviel Annemie op enkele dagen in een erg diepe depressie, wat voor mij bevestigde dat Sipralexa voor haar nooit echt goed had gewerkt, maar wat achteraf bekeken ook evengoed door de halvering van de dosering kon zijn uitgelokt. Op een bepaalde dag vertelde Annemie mij dat ze angstig was, en de dag nadien had ze al een slapeloze nacht en gleed ze razendsnel af naar een diepe depressie. Ze verzocht in die weken meermaals om euthanasie. De huisarts schreef in allerijl opnieuw de dubbele dosis Sipralexa voor en 200 mg Solian. Na meer dan acht weken blijkt dit echter vergeefs en Annemie is al zo verzwakt (7 kg gewichtsverlies)dat ze almaar vaker om euthanasie vraagt. Deze keer besluit ik samen met de huisarts dat het goed is op zoek te gaan naar een degelijke psychiater. Via mijn contacten in de academische wereld en via Skepp kom ik terecht bij een psychiater in het universitair ziekenhuis van Leuven, die na een kort onderzoek beslist haar meteen op een ander medicijn te zetten, 75 mg Venlafaxin. Helaas trad ook hier na 6 weken geen enkele verbetering op, en een opname bij deze psychiater zat er niet in want er was geen plaats op haar afdeling. Dan werden we maar doorverwezen naar een andere afdeling, het CIC van de (Crisis Interventie Centrum) Leuvense Universitaire ziekenhuizen. Al van bij het eerste gesprek met de psychiatrische verpleegkundige sloeg mijn argwaan toe. De verpleegkundige deed de uitspraak dat mijn echtgenote een “zware rugzak” meezeulde uit haar jonge jaren, door de toestand thuis (verwijzend naar de schizofrenie van haar moeder en het feit dat zij samen met haar zus regelmatig diende te worden opgevangen bij tantes of in het klooster bij haar ‘tante nonneke’). De dag nadien hoorde ik dat ook daar een Rorschachtest bij een patiënt werd afgenomen door een psychiatrisch verpleegkundige… Als klap op de vuurpijl bleek dat Annemie die week op vrijdag naar huis mocht voor het weekend (in plaats van zaterdag) omdat de verpleegkundigen naar een opleidingsdag gingen genaamd “therapeutische denkmodellen in de kliniek: leertheorie, psychoanalyse en systeemtheorie”. De spreker over psychoanalyse is de fel gecontesteerde psycholoog-psychoanalyticus (prof. Dr.) Paul Verhaeghe – “Wat ik van Freud geleerd heb - met de hulp van analysandi.” (en volgens de reactie van een arts die dit artikel las: die ook de klassiek wetenschappelijke methodiek afwijst) Nu had ik in overleg met Annemie zorgvuldig vermeden om bij artsen terecht te komen die met psychoanalyse werken. In de Angelsaksische medische wereld wordt psychoanalyse niet meer serieus genomen en ook in Nederland is psychoanalyse als behandelkader geschrapt uit de terugbetaling door het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) sinds januari van dit jaar. Later hierover meer. Toen ik hierover overleg pleegde met de huisarts, stelde ik ook vast dat deze ondertussen een telefoontje had gekregen van de ons toegewezen psychiatrisch verpleegkundige met de suggestie dat Annemie heel afhankelijk was en dat zij teveel naar mij opkeek. Of het niet zo kon zijn dat ik te dominant was in de relatie? Waarna de huisarts wel bevestigde dat ik wel degelijk het heft in handen had genomen telkens Annemie ziek was en dat Annemie inderdaad wel heel passief was. Prachtig hoe op die manier de suggestie werd gewekt dat de problemen van Annemie ofwel waren toe te schrijven aan haar prille jeugd en haar laag zelfbeeld, misschien zelfs nog versterkt door op een dominante man te vallen… Dat Annemie alleen dit beeld vertoonde wanneer zij ziek was kwam niet in hen op. De klassieke omkering van het oorzakelijk verband… Andere mensen zijn altijd ten zeerste verbaasd (inclusief ikzelf en alle familieleden) omdat Annemie anders altijd zo opgewekt en uitermate sociaal is, omringd door tal van bevriende collega’s. De verpleegkundigen zagen de zieke Annemie en zouden kost wat kost verklaringen vinden, zich niet bewust van zaken zoals confirmation bias en hindsight bias. Nog meer gealarmeerd ging ik op zoek (onder andere via medline) naar wetenschappelijke papers van de professor die de leiding had over het CIC, professor Claes. Bleek dat hij had meegewerkt aan een aantal artikels (het recentste uit 2009) samen met notoire psychoanalytici zoals Patrick Luyten en die werden gepresenteerd in psychoanalytische middens. Ik verwijt prof. Claes niet dat hij gelooft in psychoanalyse, maar door mee te werken aan zulke artikels verleende hij in mijn ogen wel geloofwaardigheid aan het psychoanalytisch gedachtengoed. Nu lopen er in Leuven, ook op het CIC, wel meerdere believers in psychoanalyse rond: psychiater dr. Lili De Vooght en prof. dr. Koen Demyttenaere bekennen zich openlijk tot de psychoanalyse. De KULeuven herbergt bovendien ook het “Center for Psychoanalysis and Psychodynamic Psychology” (op hun site vond ik overigens referenties van de artikels waaraan prof. Claes meewerkte). Ik belde vervolgens prof. Emeritus dr. Igodt op met wie ik op een bijeenkomst van Similes (een groepering voor familieleden van psychiatrische patiënten) had gesproken over het gebruik van de Rorschachtest door dr. Cootjans, waarbij hij mij zei dat de Rorschach niet wetenschappelijk was. Tijdens het telefoongesprek sprak ik prof. Igodt aan over het gebruik van Rorschach en verwees ik naar ons gesprek van Similes in de psychiatrische kliniek Sint Alexius te Grimbergen op dinsdag 6 maart 2007. Hij herbevestigde mij dat Rorschach geen goede test was. Toen ik hem echter zei dat deze test gebruikt werd in de afdeling van prof. Claes, wijzigde hij zijn stelling vliegensvlug door te melden dat de test in combinatie met andere, gedegen testen toch nog extra informatie kon opleveren, maar dat de Rorschach als alleenstaande test niet goed was…
We hebben toen beslist om ontslag te nemen uit de kliniek, wat mijn echtgenote uiteraard zelf moest bevestigen en waarbij zij haar ontslagbrief diende te ondertekenen. Toen heb ik opnieuw mijn netwerk aangesproken en nam ik contact op met prof. dr. Filip De Fruyt van het psychologiedepartement aan de Universiteit van Gent. Hij bezorgde mij de naam van neuropsychiater Geert De Bruecker. Ik had ook mijn stoute schoenen aangetrokken en prof. dr. Dirk Hermans gecontacteerd omdat hij de supervisor is voor de opleidingen voor de cognitieve gedragstherapeuten. Hij verwees mij door naar Kortenberg, meer bepaald naar de artsen Guido Pieters, Philip Haake of dokter Pascal Sienaert.
Na enkele telefoons verwees men mij in Kortenberg intern door naar dr. Pascal Sienaert en maakten we ook een afspraak met dr. Geert De Bruecker. Beide artsen hadden slechts enkele minuten nodig te stellen dat mijn echtgenote wellicht aan een biologische vorm van depressie leed, in het bijzonder de psychotische depressie. Haar gedachten over het onverdiend behalen van haar diploma en mijn vermeende hulp beantwoorden immers niet aan de realiteit. Ook het feit dat de depressie plots toeslaat (op enkele dagen tijd van normaal naar heel erg depressief) en er vaak geen externe omgevingsfactoren waren die voldoende ernstig waren om van stresserende uitlokkende factoren te spreken, bevestigt voor beiden deze hypothese. Door de ernst van de depressie geven zij ook beiden het advies om bij voorkeur een behandeling met electroconvulsietherapie (ECT) op te starten. Als hun hypothese over psychotische depressie de juiste zou blijken, zou Annemie immers een grote kans hebben om te herstellen.
Om dit verhaal kort te maken, bleek het inderdaad zo te zijn, en was al na de tweede ECT-behandeling het resultaat spectaculair: bij het avondbezoek zat Annemie grappen en grollen te maken aan de telefoon. Zij had na enkele (normale) fluctuaties in totaal 9 sessies nodig om ‘in remissie’ verklaard te worden, waarna een terugvalpreventiemedicatie werd ingesteld op basis van tricyclische antidepressiva en een lithiumpreparaat. Het enige minpunt waar ik tot op heden nog geen afdoend antwoord op kreeg, is voor mij het raadsel waarom ook Pascal Sienaert blijkbaar toelaat dat psychologen op zijn afdeling gebruik maken van de Rorschachtest. Op dit ogenblik wordt mijn echtgenote opgevolgd door neuropsychiater Geert De Bruecker, tevens lid van Skepp.
Wat heb ik toch tegen psychoanalyse? Wel, omdat deze theorie in de prullenmand van de pseudowetenschap kan gegooid worden en er zich in feite al heel lang zou moeten in bevinden. Heel wat kritisch ingestelde wetenschappelijke denkers (waarvan sommige verenigd in de wereldwijde “skeptics” beweging) hebben hun licht al laten schijnen over de valse beweringen van Sigmund Freud. Dit is goed gedocumenteerd en vooral sedert de brieven die dit bevestigen terug aan het licht gekomen zijn (zijn dochter had deze brieven verborgen gehouden). Een belangrijk uitgangspunt in zijn ‘theorie’ dat nog altijd op een sterke aanhang kan rekenen bij de andere gelovigen van de psychoanalyse is dat de de oorzaken van psychische problemen in de vroege jeugd moeten gezocht worden.. Onder de gerespecteerde critici van de psychoanalyse behoren mensen als hoogleraar psychologie Steven Pinker, Scott O. Lilienfeld, Barry Beyerstein, Judith Rich Harris en opperscepticus (en psycholoog) Michael Schermer.
Sigmund Freud (1856 – 1939) wordt als de grondlegger van de psychoanalyse wereldwijd erkend. Hij studeerde af als arts (ook in die tijd werd aderlating overigens nog als een goede medische praktijk beschouwd) en heeft wat verdiensten in het ontwikkelen van anesthesie en in zekere mate zou je ook kunnen oordelen dat hij het onbewuste onder de aandacht bracht, hoewel dit nu anders wordt gedefinieerd en ingevuld. Hij raakt echter al snel geboeid (of geobsedeerd) door de menselijke psyche en lanceert heel wat (wilde) veronderstellingen waarvan ondertussen letterlijk bijna alles totaal achterhaald blijkt. Hij dacht ondermeer dat men via droomverklaring (Traumdeutung) mensen kon helpen naar een diepere kennis van het onbewuste, maar lanceerde ook termen als penisnijd (alle meisjes zouden jongens om hun penis benijden), het oedipuscomplex (waarbij iedere jongen tussen drie en vijf jaar stiekem droomt van seks met zijn moeder en het doden van zijn vader), verdringing en projectie. Zijn zogenaamd wetenschappelijke bevindingen kwamen echter niet tot stand op basis van zorgvuldig opgezet wetenschappelijk onderzoek, maar op basis van casuïstiek. Zijn theorie berust op zijn gedachten en vele van zijn beweringen zijn verzinsels of regelrechte leugens: de zogenaamde genezingen (Kleine Hans, Anna O., De Wolvenman) zijn er achteraf bekeken nooit geweest, al hebben we wel moeten wachten op de waarheid doordat de brieven die zijn dochter verborgen hield, later terug aan het licht kwamen. Eén van de kernuitgangspunten van psychoanalyse is dat al onze psychische problemen als volwassene zijn terug te voeren op (traumatische) ervaringen tijdens onze (vroege) jeugd. De manier waarop Freud en zijn (moderne) volgelingen op zoek gaan naar “bewijzen” is er een van suggestie en inplanten van valse herinneringen. De manier van vraagstellen is een staaltje van confirmatieneiging: Freud hield alleen maar rekening met gegevens die zijn psychoanalytisch gedachtegoed bevestigden en negeerde systematisch de bewijzen die zijn gedachtegoed ontkrachtten. Freud vond dit allemaal geen probleem, want “de psychoanalyse is geen onpartijdig onderzoek, maar een therapeutische onderneming.” Hij blijkt het seksuele overal te zien. In 1887 schrijft hij aan Wilhelm Fliess: “Een enkel idee van grote waarde is mij te binnen geschoten. Ik heb, ook in mijn eigen geval, het fenomeen gevonden dat ik van mijn moeder houd en jaloers ben op mijn vader. En ik beschouw dit als een universeel gegeven in eenieders kindertijd.” Naast het feit dat hij ook geloofde in telepathie en astrologie (net als zijn zielsverwant Carl Gustav Jung), baseerde hij zijn verzinsels op amper 145 gevallen, waarvan slechts 12 uitgebreide casussen. Van die twaalf waren er 9 tussen de achttien en twintig jaar. Tweederde waren vrouwen, en 95% van hen zou nu beschouwd worden als neurotisch: hysterisch, angstig, fobisch of obsessief (Magiels, 2006).
Momenteel noemt men de psychoanalyse eerder psychodynamische therapie. In Nederland onderscheidt men de klassieke psychoanalyse (PA) waarbij de patiënt 4 tot 5 keer per week gedurende vele uren op de bank ligt en de therapeut uit zijn zicht zit en de langdurige psychoanalytische psychotherapie (LPPT) die 1 à 2 jaar duurt.
Sinds Freud zijn er vele afsplitsingen geweest van het psychoanalytisch gedachtegoed (Jung was één der eersten om zich tegen bepaalde inzichten te keren). Tal van ‘scholen’ (waaronder de Lacanianen één van de beruchtste zijn) hebben voor een aanpassing van de oorspronkelijke begrippen en concepten geleid. De geschiedenis van de psychoanalyse is er één van tal van controversen.
Volgens Gabbard (2004) hebben de talrijke (elkaar bestrijdende) psychoanalytische scholen wel nog enkele gemeenschappelijke uitgangspunten:
De psychoanalyse is al vele jaren bekritiseerd, inclusief zwartboeken (Le livre noir de la psychanalyse : Vivre, penser et aller mieux sans Freud, met bijdragen van ondermeer Jacques Van Rillaer, Didier Pleux, Jean Cottraux, Mikkel Borch-Jacobsen en hoofdredactrice Catherine Meyer ). Eén van de eersten om een serieuze steen in de poel te werpen was Hans Eysenck (1952). Hij toonde aan dat de studies die tot dan toe de werkzaamheid van psychoanalyse leken te bevestigen gebrekkig waren opgevat. Hij stelde vast dat twee derde van de (neurotische) patiënten twee jaar na de eerste manifestatie van de symptomen spontaan waren verbeterd, ook zonder psychotherapie. Tot op heden is het een feit dat er geen (!) onderzoek met controlegroepen bestaat over psychoanalyse als therapie. Psychoanalytici bedienen zich altijd van het bedenkelijke argument dat het niet ethisch is om mensen niet te helpen of met een placebotherapie te behandelen. Men gaat daarbij voorbij dat men de controlegroep niet onbehandeld hoeft te laten: men kan de werkzaamheid al vergelijken met bewezen werkzame methodes zoals antidepressieva.
Terwijl de hele medische sector het werken met dubbelblind gerandomiseerd controleonderzoek als de ‘gouden standaard’ bestempelt is volgens hun redenering de hele medische onderneming dus onethisch...? Nu kan een therapeut natuurlijk niet “blind” behandelen, maar mensen indelen in groepen die niet worden behandeld en mensen die wel worden behandeld, is perfect mogelijk, zo toont de cognitieve gedragstherapie (CGT) aan, tot nog toe de enige ‘school’ van therapie die zich wel degelijk systematisch onderwerpt aan RCT’s (randomized control trials)(Chambless & Ollendick, 2001). Bovendien kan men dus voorbij aan het feit dat op dit moment men de controlegroep niet onbehandeld hoeft te laten. Ik zette ‘school’ tussen aanhalingstekens, omdat het voor CGT een ongepaste omschrijving is. Het is immers geen ‘standaard’ manier van behandelen waarin operante conditionering en bekrachtiging steeds zouden centraal staan (zoals critici die duidelijk geen kennis hebben van de vele protocollen beweren). CGT is een verzamelnaam voor tal van technieken, en vooral van specifieke protocollen naargelang de behandelde aandoening. CGT-technieken voegen meer toe aan de zogenaamde effecten die ontstaan op basis van de therapeutische alliantie (dankzij oordeelsvrij luisteren, empathie en autonomieverlening) dan om het even welke andere therapie. Deze effecten zijn overigens van verdacht gelijke grootte als placebo-effecten die men in de medische wereld vindt en die vaak tot 75% van de genezing verklaren. Er is mijns inziens nog niet aangetoond dat de zogenaamde gelijkwaardigheid van de therapieën berust op ‘therapeutische alliantie’, want een andere plausibele verklaring is een placebo-effect (op basis van aandacht?). Het was trouwens opvallend dat na de WTC aanslagen psychiaters en therapeuten minder patiënten zagen dan voorheen, wellicht omdat mensen voldoende aandacht kregen in de veelvuldig opgerichte zelfhulpgroepen.
Ik zou dus graag eens onderzoek zien waarbij men een controlegroep creëert, waarbij men leken opleidt in het voeren van goede empathische gesprekken (dat is zo moeilijk niet, dat doe ik elke week in mijn opleidingen) waarbij de patiënt wordt verteld dat ze te maken hebben met een therapeut (dat is niet eens onwettelijk; dit is een onbeschermd begrip). De leken die de gesprekken voeren moeten worden getraind op het uitstralen van een volledig geloof in hun aanpak. Op die manier zal er wel degelijk een placebo-effect worden gecreëerd. Dan wil ik wel eens zien of de psychodynamische aanpak het beter doet dan de placebogroep (overigens zou deze placebogroep kunnen vergeleken worden met CGT ook, alhoewel CGT reeds de vergelijking met antidepressiva is aangegaan). Vindt men dit niet ethisch genoeg, dan is het toch minstens aangewezen dat de psychodynamische aanpak vergeleken wordt met een reeds bewezen werkzaam antidepressivum (in de juiste dosering toegediend).
Therapeuten van allerlei slag en school verwijzen steevast naar het zogenaamde Dodo-bird effect in de therapie. Een serie studies - die nog steeds veel worden geciteerd - leken aan te tonen dat alle psychotherapieën ongeveer even werkzaam zijn. In 1936 (nog voor de huidige statistische technieken op punt stonden en het bestaan van medische beeldvorming zoals PET-scan, fMRI-scan enz.!) concludeerde Rosenzweig - in wat nu dus een methodologisch slechte studie zou genoemd worden - dat alle psychotherapievormen even efficiënt zijn. Voor deze therapieën was dus “iedereen een winnaar”, waarbij hij het personage Dodo uit Lewis Carroll's Alice's Adventures in Wonderland (1865) persifleerde. Dodo was de vogel die in een loopwedstrijd tactvol declareerde dat iedereen een winnaar was, nadat alle deelnemers aan de loopwedstrijd in alle richtingen waren vertrokken en er geen enkele meting was gebeurd hoe lang en hoe ver de deelnemers hadden gelopen.
Dit was koren op de molen van de aanhangers van oude theorieën en therapievormen die stilaan meer onder vuur begonnen te liggen (zoals momenteel het geval is met alle therapievormen gebaseerd op de psychoanalyse van grondlegger Freud, meestal psychodynamisch genoemd ) en bovendien hadden ze nu een schitterende metafoor: het Dodo-bird effect. Enkele zogenaamde meta-analyses die dit Dodo-bird effect zogenaamd bevestigden, passeerden vervolgens de revue·. Bij latere analyse echter bleken deze meta-analyses vaak ernstige fouten te bevatten:
Na rechtzetting van deze methodologische en rekenfouten lieten deze meta-analyses juist zien dat de therapievorm er wel degelijk toe deed. Ook nieuwe meta-analyses toonden alsmaar meer aan dat de gepaste therapie voor de juiste aandoening er wel degelijk toe doet en dat therapeutische evenwaardigheid (Dodo effect of Dodo Bird Verdict) een mythe is.
Om het nog erger te maken; bij de eerdere meta-analyses werden twee fundamentele fouten gemaakt:
Vaak (vooral in Franse publicaties – waar Lacaniaans denken en psychoanalyse nog ongemeen populair zijn) ziet men nu nog verwijzingen naar deze oude meta-analyses die methodologisch rammelden en concludeert men doorgaans dat de verbetering van de aandoening doorgaans het gevolg is van spontaan herstel (40%) in combinatie met gemeenschappelijke effecten van alle psychotherapievormen (30% - wat sommigen doet besluiten dat het de psychotherapeut is die het verschil maakt), een positieve verwachting (15%) en ‘slechts’ 15% door de specifieke methode.
Inderdaad is er een grote hoeveelheid onderzoek over de waarde van een goede therapeutische relatie, en de algemene bevindingen zijn dat dokters die een warme, vriendelijke en geruststellende houding aannemen meer effectief zijn dan diegenen die hun consultaties formeel houden en geen geruststelling bieden. Alternatieve therapeuten gaan echter verder: ze misleiden, ze doen geheimzinnig en ze verblinden hun patiënten met wetenschappelijk klinkende uitleg. Ze manipuleren de verwachtingen van mensen. Ze maken gebruik van het feit dat iedereen (!) gevoelig is voor placebo effecten. (naar Goldacre, 2008)
Dat men dus tot zulke cijfers komt zonder met controlegroepen te werken is erg problematisch, temeer daar mensen niet alleen spontaan kunnen herstellen, maar er ook de mogelijkheid bestaat dat mensen een placebo-effect ervaren.
30% is geen groot placebo-effect: hoewel men het er nog niet over eens is of placebo-effecten wel degelijk bestaan en ze niet worden verward met spontaan herstel (Caroll & Boel, 2010) worden toch regelmatig placebo effecten van 30 tot 75% gerapporteerd. Het placebo-effect is een zeer complex en interessant gegeven dat veel verder gaat dan simpelweg een suikerpil nemen: het is de hele beleving van de manier waarop je behandeld werd, de verwachtingen die je had op voorhand, het consultatieproces enzovoort, dat maakt dat mensen zich beter voelen. Men weet ondertussen dat twee suikerpillen betere resultaten opleveren dan één suikerpil, en dat zoutwaterinjecties beter werken dan suikerpillen voor het verminderen van pijn, omdat een injectie en ingrijpender interventie is. Zelfs de grootte en de kleur van de pillen doet er toe en ook de verpakking. Mensen voelen zich minder angstig wanneer ze bijvoorbeeld een groene tablet innamen. Fabrikanten weten maar al te goed dat de verpakking er toe doet: stimulerende middelen worden steevast geleverd in rode, oranje of gele tabletten, terwijl antidepressiva en kalmeringsmiddelen momenteel blauwgroen of purper zijn. Wanneer het merk op een doosje staat, dan heeft dit een groter effect, bijvoorbeeld voor pijnstilling, dan wanneer de pillen in witte neutrale doosjes worden afgeleverd. Ook als het middel duurder is, wordt het als effectiever beoordeeld. Meer nog, het placebo-effect werkt zowel bij dieren als bij kinderen! (Goldacre, 2008; Singh & Ernst, 2008).
Voor medicijnen geldt trouwens dat men significant beter moet presteren dan een placebo-effect. En bovendien, wanneer er al een werkzaam medicijn bestaat, vindt men het in de medische wereld onethisch een placebo toe te passen: een nieuw medicijn moet dan worden vergeleken met een reeds bewezen werkzaam medicijn, zodat beide patiëntengroepen toch worden behandeld.
Het is ook belangrijk relaties niet om te keren: Een verbetering na toediening van een placebo hoeft niet noodzakelijk veroorzaakt te zijn door dit placebo! De verbetering kan te wijten zijn aan toevallige verbetering, een verwachting door een inspanning, regressie naar het gemiddelde, maar ook – en vaker voorkomend – een normaal natuurlijk verloop dat leidt tot een spontaan herstel. Enkel in het geval dat er een echte verbetering is die duidelijk verband houdt met het toegediende placebo spreekt men van een placebo-effect. Uit correspondentie met prof. Lilienfeld concludeer ik het volgende: psychologen zijn het er niet over eens wat men tot een placebo mag rekenen: mag men hoop, motivatie, inspanning enzovoort rekenen tot het placebo effect? Ik vind van wel omdat dit ook in andere takken van de medische wetenschap tot het placebo-effect wordt gerekend! Vele psychotherapeuten en ook wetenschappelijke publicaties vinden dit dus werkzame, ‘niet-specifieke therapeutische effecten’. Waarmee ze iets eenvoudiger gezegd bedoelen dat het niet uitmaakt welke therapie’school’ je volgt, als deze ‘ingrediënten’ maar deel uitmaken van de therapie. Wat is nog het verschil met een goed empathisch gesprek, waarin hoop, motivatie, inspanning enz. ook aan bod komen? Van een therapeut mag je toch verwachten dat deze jou iets meer biedt dan wat een communicatievaardig familielid of vriend vermag.
Die 30% die men nu toeschrijft aan de therapeut, ongeacht de behandelwijze, zou dus wel eens louter een placebo-effect, een gevolg van regressie naar het gemiddelde of het spontaan herstel dat nu wordt onderschat en wel eens eerder 70% zou kunnen bedragen. En er zijn aanwijzingen dat de psychotherapeut er minder toe doet want internettherapie waarbij geen enkel fysiek contact is met de therapeut, blijkt minstens even goed te werken als therapiesessies waarbij wel een fysieke ontmoeting plaatsvindt. De contacten verlopen in de meeste gevallen via een webstek en e-mail (waarbij wel de relatie wordt verzorgd: zorgvuldig woordgebruik, empathie…). Uit empirisch onderzoek blijkt dat bijvoorbeeld voor tal van zware (!) klachten zoals paniekstoornis, posttraumatische stress, burnout en majeure depressie internettherapie minstens even goed, maar in sommige gevallen duidelijk beter werkt dan de face-to-face therapie (o.a. Lange et al., 2007; Ruwaard et al., 2007). Het is dus niet alleen minstens even effectief, maar ook veel efficiënter, zelfs qua kostprijs. Bovendien heeft wetenschappelijk onderzoek uitgewezen dat therapeuten die zich aan strikte protocollen houden veel betere resultaten halen dan de zogenaamde eclectici (die hun therapie kiezen in functie van de patiënt in plaats van het probleem – lees echter: hij/zij kiest vaak wat hem/haar het beste uitkomt) (bvb. Chambless & Ollendick, 2001). Ondertussen werd deze vorm van internetbehandeling in Nederland – waar in tegenstelling tot België een terugbetalingssysteem geldt – door het bevoegde ministerie goedgekeurd, en werd bijvoorbeeld de aanbieder Interapy overgenomen door 6 centra voor geestelijke gezondheidszorg.
Lilienfelt stelt mij schriftelijk (12/1/2011):
“You may well be correct, however, that psychodynamic therapy doesn’t offer much above and beyond such nonspecific effects; at this point, the literature doesn’t permit a clear-cut conclusion. My vote would be similar to yours, but the data aren’t there to resolve the issue.”
Het wordt dus hoog tijd dat er eens een degelijk onderzoek komt dat ons kan vertellen of we het nu over placebo hebben of dat er werkelijk “non-specifieke” therapeutische effecten bestaan.
Ook uit latere meta-analyses, zoals uitgevoerd door een commissie van 12 psychologen van de American Psychological Association (Chambless et al.,2001; Tolin, 2010) blijkt dat er wel degelijk belangrijke verschillen zijn tussen de verschillende therapievormen als men naar de behandelresultaten kijkt. Diverse vormen (protocollen) van Cognitieve Gedragstherapie komen hier steevast als superieur uit. Dit blijkt ook stilaan door te dringen in kringen die moeten waken over medische praktijken en terugbetaling van interventies (bvb de commissie van American Psychological Association onder leiding van Chambless in de Verenigde Staten, de Inserm in Frankrijk, de NICE of National Institute for Health and Clinical Excellence in Groot-Brittanië en recent nog het College van ZorgVerzekeraars in Nederland die besloot tot stopzetting met de terugbetaling van psychoanalyse). Een goed overzicht van ESTs en RCT vindt men in het artikel “Empirically Supported Psychological Interventions: Controversies and Evidence” van Chambless & Ollendick (2001), leden van de voorgenoemde Commissie van American Psychological Association. Tal van landen, gaande van de USA, Canada, Engeland en Nederland (de Nederlandse Gezondheidsraad concludeerde in 2001 al dat langdurige psychotherapie waaronder psychoanalyse “onvoldoende onderzocht is om conclusies ten aanzien van de doelmatigheid te kunnen trekken”.), besloten dus al op basis van wetenschappelijk onderzoek dat psychoanalyse geen bewezen behandeling is voor psychische problemen en schrapten daarom de terugbetaling. In het rapport van het College van ZorgVerzekeraars (CVZ, 2010) staat te lezen:
“Voor de beantwoording van de vraag of zorg conform de stand van de wetenschap en praktijk is, heeft het CVZ als uitgangspunt dat er gerandomiseerde studies van goede kwaliteit vereist zijn om een ondubbelzinnige positieve conclusie te kunnen trekken over interventies. Als deze studies er niet zijn, kán op basis van studies met een lager niveau van bewijskracht een positieve beoordeling volgen. In dat geval moet echter wel deugdelijk beargumenteerd worden waarom er geen gerandomiseerde studies zijn en ook niet vereist kunnen worden.” (blz. 11)
“Voor de effectiviteit van PA hebben de onderzoekers dus geen studies kunnen vinden die aan de kwaliteitscriteria van Evidence Based Medicine (EBM) voldoen.” (blz. 12)
“Psychoanalyse voldoet niet aan de stand van wetenschap en praktijk omdat er onvoldoende kwalitatief adequate studies over de effectiviteit in de praktijk te vinden zijn. Bij het zoeken naar evidence zijn de auteurs van de review afgedaald tot het niveau van vergelijkende cohortstudies. Evidence van nog lager niveau dan opgenomen in de review kan niet verantwoord leiden tot de conclusie dat PA effectief zou zijn. Met andere woorden: niet gevonden werd bewijsmateriaal, dat bij de individuele behandeling voldoende patiënten beter af zijn mét psychoanalyse dan zonder.” (blz. 13)
De onderzoekers bestonden uit een multidisciplinair team: Professor A. Arntz (psychologie), Professor R. van Dyck (psychiatrie), Professor M. Huibers (psychologie en epidemiologie), Professor J. Ioannidis (epidemiologie) en dokter Y. Smit (epidemiologie).
Zij stellen dat psychoanalyse enkel maar zou kunnen ernstig genomen worden indien RCT’s worden uitgevoerd die evidence based zijn. Ze doen tal van nuttige aanbevelingen voor toekomstig onderzoek. Last but not least in hun aanbevelingen stellen zij (1) dat genezingseffecten moeten gemeten worden door onafhankelijke mensen en met betrouwbare en valide instrumenten en dat (2) kosteneffectiviteit ook moet in acht genomen worden gelet op de hoge kostprijs van psychodynamische interventies (waarvan het aantal sessies kan oplopen tot 4 à 5 per week, en gemiddeld 40 sessies in beslag nemen). Ik was dan ook bijzonder benieuwd toen een nieuw artikel verscheen (Driessen et al., 2010) in Clinical Psychology Review dat plots kwam aandraven met de stelling dat kortdurende psychodynamische psychotherapie (STPP of Short Term Psychydynamic Therapy) wel degelijk zou werken voor depressie. Nu ik enige jaren getraind ben in het lezen van data (ik volg het advies van Goldacre dat men vooral naar de data moet kijken, want dat de conclusies van de onderzoekers achteraan het artikel vaak niet beter zijn dan de gissingen die men in kranten neerpent) en bekend ben met de Jadad-score1, heb ik dit artikel grondig doorgenomen (het werd overigens prompt tegengesproken door een artikel in hetzelfde tijdschrift van enkele maanden later (Tollin, 2010). De meta-analyse werd uitgevoerd op basis van 23 studies, waarvan er echter maar 13 met RCT’s werkten.
De Jadad-score op dit artikel die ik berekende ziet er als volgt uit:
Conclusie: deze studie haalt een score van 0/5 op de Jadad-score.
Er zijn ook nog andere problemen met deze studie:
Zoals ze zelf zeggen: “de kwaliteit van de 23 inbegrepen studies was niet optimaal”. Wat een understatement! Toch geven de auteurs (wellicht gedwongen door de data) toe dat (dus zelfs ondanks deze duidelijke problemen met de studie) zelfs hun studie laat zien dat andere psychotherapievormen zoals CGT superieur zijn aan STPP na 1 jaar (d = -0.29), wat ze beschouwen als een “kleine effectgrootte” omdat -0.29 valt in de grootte die als klein wordt beschouwd (vaak wordt verwezen naar Lipsey & Wilson, 1993), maar vanaf 0.33 vindt men dit een matige effectgrootte. De auteurs stellen dat “de waarschijnlijkheid dat STPP een betere therapie-uitkomst zou opleveren dan andere psychotherapievormen 42% is, terwijl de waarschijnlijkheid dat andere therapievormen het beter zouden doen dan STPP 58% is”. Het enige wat hun studie volgens hen laat zien is dat “STPP beter is dan niet behandelen”.
Slechts 6 maanden later toont David Tolin (in hetzelfde tijdschrift dus) aan dat hij wel degelijk studies kan vinden die hoog scoren op de Jadad-score. Hij vindt er 26 die CBT vergelijken met andere therapievormen, allen RCT’s en ook met gerandomiseerde controlecondities. CBT bleek duidelijk effectiever dan psychodynamische en andere therapieën, behalve interpersoonlijke en ondersteunende therapieën. Het verschil in effectgrootte bedroeg 0.50 na 6 maanden en 0.55 na 12 maanden ten voordele van CBT in vergelijking met psychodynamisch, en dit zowel voor depressie als voor angststoornissen.
Ook hoogleraar Scott O. Lilienfeld schrijft al vele jaren (vergeefs?) wetenschappelijke artikelen over de vele onwetenschappelijke mythes in de psychologie. In het boek 50 Great Myths of Popular Psychology dat hij samen met Steven Jay Lynn, John Ruscio en Barry L. Beyerstein schreef, verwijst hij ondermeer naar het vele onderzoek dat aantoont dat het graven in zijn (emotionele) voorgeschiedenis niets bijdraagt aan het verbeteren van de psychische toestand (blz. 238). Dat psychodynamische behandelingen beter zijn dan geen behandeling is dus niet bewezen (zie de paragrafen hiervoor) en, zoals gezegd, een goed gesprek helpt ook; dit zagen we bijvoorbeeld ook na 9/11 in New York… Ook Lilienfeld en collega’s verwijzen naar recente meta-analyses of besprekingen ervan die onderzoek verrichtten naar de effectiviteit van therapievormen bij volwassenen (Chambless & Ollendick, 2001; Hunsley & Di Giulio, 2002, Tolin, 2010) en naar studies bij kinderen en adolescenten (Garske & Anderson, 2003; Weisz, Weiss, Han, Granger & Morton, 1995). Telkens komt CGT er uit als de meest effectieve voor tal van psychologische problemen (angst, depressie, dwangstoornissen, liegen, stelen, agressie…), terwijl zij op het hier-en-nu focust!
Professor Lilienfeld schreef mij ook dat het bovendien een steeds moeilijker klus wordt om na te gaan wat het effect is van psychodynamische theorieën:
“Many modern psychodynamic therapists incorporate behavioral procedures in their work; for example, short-term anxiety-provoking psychodynamic therapy is a lot like systematic exposure, and even those psychodynamic therapists who don’t use formal exposure per se often encourage their clients to confront stimuli they’ve avoided (even Freud talked about “working through” and he encouraged his phobic clients to confront what they feared). So distinguishing psychodynamic therapies from at least some behavioral and cognitive-behavioral therapies, although generally quite straightforward, is probably not always extremely easy in practice. At least in the U.S., fewer and fewer therapists are still practicing orthodox psychoanalysis. They are still out there, to be sure, especially in cities like New York, Boston, and San Francisco, but they will becoming rarer in the next generation….”
Persoonlijk vind ik het bijzonder onethisch en zelfs misdadig wanneer men een patiënt niet terdege informeert dat een bepaalde therapie (CBT) een grotere kans heeft op herstel. De onderverdeling in ‘scholen’ (van aanhangers, of van gelovigen – een betere term in mijn ogen) in de psychiatrie en klinische psychotherapie is een ware schande. Feiten zouden moeten tellen, en een ‘informed consent’ is dringend nodig!
Veel artsen en psychologen geloven dus nog in psychoanalyse (maar in welke vorm, want de psychoanalytici zijn het onderling vaker oneens dan eens en de verschillende ‘scholen’ tieren weelderig) en de impact van jeugdervaringen op de vorming van onze persoonlijkheid en het ontstaan van psychische problemen. Dit terwijl de huidige stand van de wetenschap laat zien dat erfelijkheid de grootste impact heeft op onze vijf grote persoonlijkheidstrekken (emotionele stabiliteit, mate van openheid, mate van vriendelijkheid en altruïsme, mate van extraversie en mate van consciëntieusheid) en op tal van psychiatrische aandoeningen (Bouchard & Loehlin, 2001; Kendler et al., 2009). Psychiatrische aandoeningen zijn aandoeningen van het brein, een orgaan dat net als andere organen in ons lichaam onder invloed staat van de genen en dus van erfelijke factoren. Onderzoek naar persoonlijkheidsverschillen en naar bepaalde ziektes van het brein maakt vaak gebruik van eeneiige tweelingen die apart zijn opgegroeid (vooral de overeenkomsten en verschillen tussen eeneiige tweelingen – meestal wezen - die opgroeiden in aparte culturen genieten bijzondere aandacht omdat zij inzicht kunnen geven in de invloed van zogenaamde niet-gedeelde omgevingsfactoren). Zo is er bijvoorbeeld de onderzoeksgroep naar gedragsgenetica en die onder leiding stond van Tim Bouchard. Zij stelde vast dat virtueel alle persoonlijkheidskenmerken een belangrijke genetische component hebben. Eeneiige tweelingen hebben bijvoorbeeld dubbel zoveel persoonlijkheidskenmerken gemeen als andere verwante kinderen, zelfs wanneer zij in totaal verschillende omgevingen zijn opgegroeid. Sommige persoonlijkheidskenmerken zijn sterk bepaald door onze genenpool: agressie, autoritair gedrag, vermijdingsgedrag, conservatief denken, sociale verantwoordelijkheidszin, antisociaal gedrag en neiging tot depressie… voor al deze eigenschappen werd een sterke genetische component gevonden. Tot ongeveer 2000 dacht men dat persoonlijkheidsverschillen voor ongeveer 40 tot 60% aan de genen konden worden toegeschreven en de rest aan niet-gedeelde omgevingsfactoren. Sindsdien hebben een aantal ingenieus opgezette studies waarbij ook gebruik werd gemaakt van beoordelingen door meerdere personen aangetoond dat de genetische component groter is voor heel wat trekken: van 66 tot 81%. Gedeelde omgevingsfactoren (grotendeels het gezin waarin men opgroeit) verklaarde 0% van de verschillen (!) en de overige procenten waren niet noodzakelijk te zoeken in niet-gedeelde omgevingsfactoren maar in meetfout marge (voor een overzicht, zie Bouchard & Loehlin, 2001)! Zoals kan worden verwacht, werden ook voor de meeste problemen genetische oorzaken gevonden. De psychiater Kenneth Kendler werkte jarenlang aan onderzoek naar de genetische oorzaken van bepaalde ziektes, ook grotendeels gebaseerd op tweelingonderzoek (Virginia Twin Project). Zo komt hij met zijn onderzoekgroep onder meer tot de conclusies dat in zowat alle psychiatrische ziektebeelden genetische defecten een rol spelen. Op basis van concordantieverschillen berekent men bijvoorbeeld de ‘heritabiliteits’verschillen tussen eeneiige tweelingen en twee-eiige tweelingen. Hoe lager de overeenkomst tussen de concordantie cijfers bij eeneiige (MZ of monozygote) en twee-eiige (DZ of dizigote) tweelingen, hoe groter de impact van de genen. Bijvoorbeeld voor mazelen lopen zowel eeneiige als twee-eiige tweelingen een risico van 70% om ook ziek te worden. De concordantiecijfers zijn even hoog, dus is de oorzaak niet genetisch. Voor schizofrenie is de concordantie 50 tot 60% voor MZ en 15 tot 20% bij DZ. Dit leidt voor schizofrenie tot een heritabiliteitscijfer van 80 tot 84% (Cardno et al., 1999, Kendler et al., 2009). De genetische component wordt dus met andere woorden zeer groot. Uit de verschillen in concordantiecijfers tussen MZ en DZ kan men afleiden in welke mate erfelijkheid een rol speelt. Zo weet men ondertussen dat autisme, schizofrenie en bipolaire stoornissen (o.m. de manisch-depressieve stoornissen) een hoge heritabiliteit hebben, net zoals lichaamslengte en gewicht overigens. Maar ook paniekstoornissen en majeure depressie vertoonden hoge heritabiliteit (Kendler, 2001; Kendler et al., 2009). Nogmaals, ook onderzoek naar ‘normale’ verschillen in persoonlijkheidstrekken aan de hand van de zogenaamde Big Five (emotionele stabiliteit, openheid, extraversie, altruïsme en consciëntieusheid) leverde duidelijke bewijzen voor genetische heritabiliteit (Bouchard & Loehlin, 2001; Kendler et al., 2009,).
Dit alles is eigenlijk niet zo verwonderlijk voor wie ook maar de minste notie heeft van de evolutietheorie (ondertussen een theorum, wat wil zeggen dat evolutie een feit is, ook al zijn alle mechanismen van evolutie misschien nog niet bekend), want zelfs Darwin wees op het feit dat de mens er in slaagde bij tal van dieren (met als meest sprekende voorbeeld de hond) puur door kunstmatige selectie andere “mentale kwaliteiten” te kweken. Sinds vele tientallen jaren kweken genetici bepaalde eigenschappen, inclusief mentale, bij dieren in labo’s enkel op basis van kunstmatige selectie. Omdat wij grote verwantschap vertonen met andere zoogdieren, staat de impact van genen op ons gedrag en persoonlijkheid onomstotelijk vast.
Een ander feit dat tegen de impact van de eerste drie levensjaren pleit, is dat bepaalde hersenstructuren zoals de hippocampus niet matuur genoeg zijn om zich gebeurtenissen uit de eerste drie levensjaren te kunnen herinneren. Dat wil niet zeggen dat traumatische ervaringen niet kunnen leiden tot onbewuste conditioneringsprocessen en latere problemen (proeven met vlinderpoppen tonen aan dat angstreflexen voor bepaalde stimuli nog na de verpopping tot volwassen vlinder blijvend zijn), maar we hebben het hier dus niet over problemen veroorzaakt door trauma’s, maar over alle psychologische problemen in het volwassen leven, want dat is wat psychoanalyse beweert.
Het idee dat alle gedragsproblemen en persoonlijkheidsstoornissen dus te maken hebben met problemen in de vroege jeugd moet naar de prullenmand worden verwezen (zie ook: The myth of the First three years, Bruer, 1999 en 50 great myths of popular psychology van Lilienfeld et al.,2010). Sommige bekende psychoanalytici zoals de schrijfster Anna Enquist houdt ondanks alle bewijzen vast aan psychoanalyse:
“Tegenwoordig duurt een psychoanalytische behandeling gemiddeld vier jaar en voeren we één à twee gesprekken per week met een patiënt.” “Voor mij was het meteen logisch dat ik de opleiding tot psychoanalytica zou gaan doen. Die duurt enorm lang, ongeveer tien jaar, maar ook toen al vond ik dat de psychoanalyse het beste verklaart waar de wortels van onze geestelijke problemen liggen.” “Ja, de onderzoeksmodellen die vandaag de dag worden toegepast in de wetenschap, zijn niet geschikt om de psychoanalyse te meten.” (Psychologiemagazine mei 2010, blz. 78 en 79)
Daarmee is meteen alles duidelijk: zoals veel psychoanalytici beseft deze dame niet dat ze het slachtoffer is van de confirmatieneiging en het consistentieprincipe (Cialdini): ze geloofde al vroeg dat psychoanalyse werkzaam was en een deugdelijk verklaringsmodel is. Door de opleiding te gaan volgen en systematisch elk tegenbewijs te negeren is ze steeds meer gaan geloven in psychoanalyse. Eens mensen bovendien veel tijd en inspanning hebben geïnvesteerd in een overtuiging (10 jaar studies en meer dan 20 jaar therapeute) dan worden mensen het slachtoffer van het consistentieprincipe: mensen willen consistent zijn met hun eerdere keuzes en overtuigingen, en elk bewijs van het tegendeel wordt gezien als een aanval. Tenslotte bedient zij zich van het argument dat de huidige wetenschappelijke methodes de psychoanalyse niet kunnen onderzoeken, het favoriete argument dat alle pseudowetenschappers en gelovigen in het paranormale eveneens gebruiken.
Scott O. Lilienfeld brak in 2007 een lans voor het in kaart brengen van potentieel schadelijke psychotherapievormen: Psychological Treatments That Cause Harm (2007, Perspectives on Psychological Science 2007 2: 53). Daarbij betoogt hij dat te weinig aandacht wordt besteed aan patiënten bij wie een verslechtering optreedt na de behandeling – deze kunnen bij adolescenten bijvoorbeeld oplopen tot 29%. Tot de andere gevaren behoren verergering van symptomen, verschijnen van nieuwe symptomen, afhankelijkheid van de therapeut, weigering om zich te laten behandelen en last but not least schade aan zichzelf, familieleden of aanverwanten.
Hij concludeert dat behandelingen potentieel schadelijk zijn (potentially harmful treatments - PHTs) wanneer aan volgende criteria wordt voldaan:
Tot de gedocumenteerde schadelijke interventies behoren volgens hem momenteel:
In persoonlijke correspondentie met mij geeft hij aan dat er geen onderzoek bestaat waaruit blijkt dat psychoanalyse negatieve effecten heeft. Dit lijkt ook niet moeilijk, aangezien er geen onderzoek op basis van RCT’s is waarin psychoanalyse werd onderzocht. Toen ik hem schreef over mijn persoonlijke belevenissen, antwoordde hij: “Your family’s story sounds to me a clear-cut case of poor and incompetent practice; I don’t know however, if it is inherent to psychoanalysis per se. Regrettably, such grossly suboptimal treatment sometimes occurs among poorly trained or nonscientific therapists of many modalities.”
Er zijn in de wereld genoeg voorbeelden van de gevaren van suggestie die leiden tot valse herinneringen. Eén van de beruchtste is de Franse affaire bekend als het “procès d'Outreau”, waarbij 10 van de 17 van pedofilie beschuldigde leraars werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van 15 tot 20 jaar. Van de 15 kinderen die beschouwd werden als slachtoffer krijgen er 2 na vijf jaar gewetenswroeging en bekennen dat ze de beschuldigingen van pedofilie onder druk hebben afgelegd. Deze bekentenissen en andere feiten leiden tot een vrijspraak in beroep in december 2005, maar de veroordeelde leraars in kwestie zagen vijf jaar van hun leven in rook opgaan. Eén van de grootste problemen in deze gerechtelijke dwaling was de manier van ondervragen van jonge kinderen door zowel politiemensen als psychologen en psychiaters.
Het moge duidelijk zijn – en wij konden het jammer genoeg aan den lijve ondervinden – dat één van de centrale ideeën van de psychoanalyse, in het bijzonder dat alle psychologische problemen op volwassen leeftijd hun oorsprong vinden in de vroege levensjaren, aanleiding kan en zal geven tot valse beschuldigingen en oorzakelijke verklaringen ten aanzien van de ouders of andere familieleden.
Professor Elisabeth Loftus heeft bijna haar hele wetenschappelijke carrière gewijd aan onderzoek naar valse herinneringen. Ze realiseerde meer dan 200 experimenten met meer dan 20.000 proefpersonen waarbij ze aantoonden hoe misinformatie kan leiden tot valse herinneringen en valse beschuldigingen. Op haar website geeft ze een overzicht van bekende (!) gevallen van het inplanten van valse herinneringen (http://faculty.washington.edu/eloftus/Articles/sciam.htm ). Gelukkig voor deze mensen realiseerden ze zich ten gepaste tijd dat er iets niet klopte, en sommigen waren zo moedig zich tot de rechter te wenden, met enkele belangrijke veroordelingen van psychotherapeuten tot gevolg.
Michael Schermer rekende eens uit dat indien inderdaad één derde tot de helft van alle vrouwen in de Verenigde Staten het slachtoffer zou zijn geweest van seksueel misbruik tijdens de kindertijd (zoals Bass & Davis beweerden), er in de VS 42,9 miljoen vrouwen seksueel zouden misbruikt zijn. Als we ervan uitgaan dat er evenveel overtreders zijn, komt dit op een totaal van ongeveer 86 miljoen Amerikanen. Als je dan ook nog rekening houdt met de veronderstelling dat andere familieleden zoals de moeder er weet van had, dan zouden meer dan 100 miljoen Amerikanen, of meer dan 40% betrokken zijn bij seksueel misbruik. Te gek.
Het is een feit dat op zijn minst de suggestie werd ingeplant bij mijn echtgenote Annemie, dat haar problemen te wijten zijn aan de vroege jeugdjaren, met een suggestie richting haar vader als zou hij de kinderen niet correct behandeld hebben en voorrang hebben gegeven aan zijn aan schizofrenie lijdende echtgenote. Het is een feit dat een verpleegkundige van het CIC belde met onze huisarts om een aantal hypotheses te testen. De verpleegkundige suggereerde met gesloten vragen dat ik zou dominant zijn en mijn echtgenote zwaar afhankelijk van mij, met als gevolg dat de huisarts aanvankelijk beïnvloed werd door de denkpiste dat Annemie afhankelijk was van mij en dat we een relatie hadden waarbij ik domineerde en Annemie onderging. De huisarts gaf achteraf toe dat zij hierdoor beïnvloed werd omdat wanneer Annemie ziek was ik inderdaad de touwtjes in handen nam. Nogmaals, dat zij daarbij niet keken hoe Annemie was als zij niet ziek was, had deze suggestieve beschuldiging onmiddellijk kunnen ontkrachten. Wat het schandalige is, is dat het CIC blijkbaar verpleegkundigen in staat acht om gepaste vragen te kunnen stellen omtrent psychologische problemen, en dat zij blijkbaar zomaar mogen de huisarts bellen. Wat ik me afvraag is of zij wel voldoende zijn opgeleid en gewaarschuwd voor gevaren als suggestie en valse herinneringen, confirmation bias, hindsight bias enz. Uiterst onprofessioneel als u het mij vraagt. Mijn eigen ervaring is alleszins niet geruststellend, ik neem het bijzonder kwalijk dat men deze suggestieve vragen aan onze huisarts stelde. Toen ik dit besprak met een arts, wees deze mij er op dat het niet alleen de verpleegkundigen die slecht zijn opgeleid om zich te wapenen tegen deze vormen van bias, maar ook bij de psychiaters. Hij vindt vooral de opleiding te kort schieten.
Als klap op de vuurpijl werd bij mijn vrouw in het Imeldaziekenhuis in Duffel de hoogst controversiële Rorschach test afgenomen. Dat is een projectieve test waarbij ogenschijnlijk willekeurige inktvlekken aan de patiënt worden getoond en de patiënt moet dan vertellen wat hij of zij in die inktvlekken ziet. De persoon die de test afneemt, interpreteert dan de resultaten! In tal van klinieken (een nicht van mij is verpleegkundige in een Brusselse kliniek) doet bovendien de niet-psychologisch geschoolde verpleegkundige dit. Iemand die een poedel meent te herkennen die zichzelf in een spiegel bekijkt, krijgt het label narcisme opgekleefd. Wie een klein vlekje naast een grote vlek ziet, lijdt aan obsessief gedrag, wie een witte lijn herkent als een soort van borstel, wordt beschouwd als iemand die rebelleert tegen autoriteit. De verbeelding van de ontwerpers en van de testafnemers om een verband te zoeken met een stoornis is blijkbaar vele malen groter dan die van de meeste patiënten.
In 1921 introduceerde de Zwitserse psychiater Hermann Rorschach zijn befaamde test. De test vond zijn oorsprong volledig in het psychoanalytisch gedachtengoed van Freud. De test werd niet ontworpen op een manier die we nu empirisch zouden noemen, maar op basis van een combinatie van intuïtie en het artistieke talent en interesse van Rorschach. Mensen moeten op een tiental kaarten met inktvlekken antwoorden geven; deze worden geïnterpreteerd als freudiaanse symbolen die onbewuste gedachten en motieven zouden voorstellen (vandaar het idee “projectieve” test). Antwoorden die te maken hebben met beweging (M), te maken hebben met kleur (WsumC), gehelen (W), detail (D) en kleine details (Dd), maar ook aantal antwoorden of responsen (R) vormden het op zijn intuïtie en observaties gebaseerde scoresysteem dat Rorschach opnam in zijn boek Psychodiagnostics.
(Voor de inhoud hierna ben ik grotendeels schatplichtig aan het boek: What’s Wrong with the Rorschach? Science confronts the controversial inkblot test” van James M. Wood, Teresa Nezworski, Scott Lilienfeld en Howard Garb en de artikels waarnaar wordt verwezen).
Het idee dat deze test inzicht zou geven in het onbewuste van de mens was een zeer mysterieus en aantrekkelijk idee, waardoor veel psychologen gingen geloven in de kracht van de Rorschach. Wetenschappelijk ingestelde psychologen hadden het bijzonder moeilijk om weerwerk te bieden tegen de Rorschach. Tegen elke strikt empirische bevinding die een negatief verdict opleverde voor de Rorschach, stonden zoveel autoriteitsfiguren die de Rorschach verdedigden (Samuel Beck, Bruno Klopfer, Marguerite Hertz).
Samen met de psychoanalyse kende de Rorschach test zijn hoogtepunt tussen de jaren 1940 en 1950. Terwijl Rorschach in zijn boek Psychodiagnostics schreef dat zijn inktvlekkentest slechts een beperkt nut had als psychoanalytische tool, adviseerden heel wat psychologen zoals Samuel Beck echter dat een achtergrond in psychoanalyse een groot voordeel opleverde voor mensen die de Rorschachtest gebruikten in hun praktijk.
Drie ideeën uit de psychoanalyse hadden een grote impact op de Rorschach:
Steeds meer viel het psychologische veld uiteen in twee grote kampen: de empirici en de romantici.
De empirici waren psychologen die de nadruk legden op de rede, objectiviteit en empirisch toetsbare bewijzen om te komen tot de meest betrouwbare kennis.
De romantici vonden dat intuïtie, empathie, en subjectieve inzichten een dieper en meer authentiek begrip kan opleveren dan de zuivere rede.
Deze tweedeling vindt men jammer genoeg tot op heden nog altijd in het psychologisch speelveld.
Na velen tientallen jaren van empirisch onderzoek bleken projectieve technieken zoals het laten maken van tekeningen door kinderen om seksueel misbruik vast te stellen, maar ook het gebruik van projectieve tests zoals de Rorschach empirisch niet houdbaar. Scores van de werkelijk psychiatrisch zieke patiënten bleken niet te verschillen van gezonde individuen: noch van gezonde studenten en noch van gezonde psychologen... Tal van psychologen kwamen onafhankelijk van elkaar tot dezelfde vaststelling: het scoren van de Rorschach maakte dat iedereen ziek leek.
Vanaf 1955 tot eind de jaren 1960 haakten dan ook heel wat vooraanstaande psychologen zoals Lee Cronbach, Albert Bandura, Hans Eysenck, J.P. Guilford en Richard Lazarus af. Ook de ondertussen 6 verschillende interpretatiescholen (5 Amerikaanse en 1 Europese!) vielen elkaar aan met kritiek op hun manier van scoren. Er waren dus minstens 6 verschillende (officiële) manieren van scoren (op basis van dezelfde antwoorden), maar bovendien bleek uit een enquête dat heel wat psychologen bijzonder vrij omgingen met de manier van interpreteren. Naargelang wie je test interpreteerde, kreeg je dus een andere diagnose.
Een uitgebreide beschrijving van de problemen vindt u ondermeer op www.skepdic.com en in het boek De 50 grootste misvattingen in de psychologie ((Lilienfeld, Lynn, Ruscio en Byerstein). Volgens dit boek van 4 hoogleraren geeft veelvuldig onderzoek aan dat de grootste meerderheid van Rorschach scores geen enkel verband vertonen met persoonlijkheidstrekken, met één uitzondering, in het bijzonder voor afhankelijkheid. De scores tonen geen correlatie met klinische depressie, angststoornissen of antisociale stoornissen, maar wel voor schizofrenie en bipolaire stoornis. Maar dit laatste is volgens de auteurs dan ook niet verwonderlijk, want mensen die bizarre antwoorden verzinnen op inktvlekpatronen zijn waarschijnlijk slachtoffer van bizarre denkpatronen. Je zou dit ook zonder die inktvlektest perfect kunnen diagnosticeren… De Rorschach afnemen samen met andere test, biedt ook geen toegevoegde waarde (incrementele validiteit). Het grootste probleem is echter dat de Rorschach meer aanleiding geeft tot het beoordelen van gezonde, normale mensen als mensen met een afwijking dan andere tests. De Rorschach houdt dus het gevaar in van een “overpathologisering” van mensen. De auteurs sluiten af met de zin: een inktvlek is soms gewoonweg… een inktvlek. Ik kocht nadien ook het boek “What’s Wrong with the Rorschach? Science confronts the controversial inkblot test” van James M. Wood, Teresa Nezworski, Scott Lilienfeld en Howard Garb.
Dr. Cootjans van het Imaldaziekenhuis te Duffel baseerde zich blijkbaar op cijfers van John Exner. De Rorschachtest vertelt hem dat Annemie:
“een te sterke betrokkenheid op zichzelf heeft (egocentriciteit index = 0,80 (nl < 0,45) en een nood aan bevestiging van zichzelf door anderen dit vanuit een narcistische gratificatiebehoefte (Fr = rF = 4, nl < 1).” “ Ze heeft koppige persoonlijkheidstrekken (S = 4)”. “Dieptepsychologisch onderzoek ( Ror. op 24.01) wijst volgens de Exner criteria enkel op een fout lopend stress management (CDl = 4). Zowel voor de depressie als voor de suïcide constellatie schaal bevindt ze zich 1 punt onder de cut-off.”
Niemand van de familieleden, vrienden of nauwe collega’s herkent dan ook maar iets van deze beschrijving in Annemie. De gezonde Annemie is juist een opgewekt en uiterst sociaal iemand, die steeds weer paraat staat voor anderen. Ze heeft een normaal zelfbeeld en schat zichzelf zeker niet hoger dan anderen in. Hoogstens is ze bescheiden, wat haar volgens mij ook bijzonder siert.
Annemie haar reacties op de inktvlekkentest werd dus duidelijk beoordeeld met de Exner-criteria, waarvan werd aangetoond dat de normen voor de depressieschaal en voor de egocentriciteitsindex absoluut niet betrouwbaar en valide zijn. Meer nog, bijna geen enkele schaal is betrouwbaar of valide. Bijt u zich even vast in de volgende uitleg.
John Exner werd als student verliefd op de Rorschach. Hij bezocht Samuel Beck en Bruno Klopfer, die elkaar beconcurreerden met hun visies op de Rorschach en droomde ervan deze idolen met elkaar te verzoenen – waar hij overigens niet in slaagde. Hij ontwikkelde dan maar het zogenaamde Comprehensive System en publiceerde hierover verschillende boeken. Hij stelde dat de Rorschach wel degelijk werkte, en dat het valide en klinisch nuttige resultaten opleverde. Hij publiceerde in 1978 voor het eerst normen voor kinderen en voor adolescenten en rapporteerde ook cijfers over test-hertest betrouwbaarheid. Zijn cijfers waren zeer positief, wat in groot contrast stond met de studies verricht door Cronbach, Jensen en Eysenk. De meeste psychologen hadden nu echt iets wat ze maar al te graag wilden geloven en zelfs de raad van professionele zaken van de vereniging van Amerikaanse psychologen (APA) – en dus niet een wetenschappelijke groep – bracht een haast religieus eerbetoon aan Exner:
“Exner is er in geslaagd op zijn eentje de Rorschach te redden en terug tot leven te wekken.”
Alle gegevens over normen, kwaliteit en betrouwbaarheid, kwam echter slechts uit één hand en uit één groep, een vereniging onder leiding van John Exner zelf die zich de ‘Rorschach Workshops’ noemde. Dit duurde verder tot eind de jaren 1980. Van enig onafhankelijk replicatieonderzoek was helemaal geen sprake en de Rorschach kende in afwezigheid van critici een grote opleving. Replicatie betekent dat soortgelijke studies door meer dan één onderzoeksgroep worden gedaan, liefst verspreid over de hele wereld, en die soortgelijke bevindingen opleveren. De ‘gelovigen’ in Rorschach dachten immers dat ze nu over betrouwbare wetenschappelijke gegevens beschikten en leken zich geen zorgen te maken dat het onderzoek hoofdzakelijk door één persoon werd gedaan of gesuperviseerd.
Vanaf 1990 begonnen een aantal wetenschappers echter zelf onderzoek te doen naar de normen, de validiteit en de betrouwbaarheid; zij kwamen tot gehele andere, namelijk negatieve resultaten…
Ook James M. Wood, Teresa Nezworski, Scott Lilienfeld en Howard Garb waren bijzonder gealarmeerd. Zij berekenden dat – als de bewering in het boek van Exner klopte dat er meer dan 1000 studies werden verricht door hun groep tussen 1968 en 1990 - het team van Exner om de 9 à 10 dagen een studie zouden moeten hebben uitgevoerd en dit onwaarschijnlijke ritme gedurende 20 jaar zou volgehouden hebben. Dit maakte de cijfers in het boek bijzonder verdacht.
Een tweede verdacht gegeven was het feit dat de verwijzingen naar studies in de boeken van Exner hoofdzakelijk verwezen naar niet gepubliceerde studies. Van enige controle of peer review was dus helemaal geen sprake. Bovendien werden heel veel studies beschreven zonder dat er ook maar enig citaat of verwijzing in het boek naar studies werd opgenomen. Alle sporen leidden naar de Rorschach Workshops, wiens onderzoeken bijna nooit werden gepubliceerd… Dit geldt voor medische onderzoekers als een ernstig plichtsverzuim, omdat op die manier geen fouten in het oorspronkelijk onderzoek kunnen aan het licht gebracht worden (Sing & Ernst, 2008).
Tal van wetenschappers uit diverse universiteiten toonden aan dat zij de gegevens van Exner niet konden repliceren, ondermeer:
McDowell & Acklin (1996) en Wood, Nezworski & Stejskal (1996) toonden aan dat het 0.85 cijfer dat Exner voorstelde als een correlatiecijfer voor de betrouwbaarheid van de Rorschach afname volgens zijn methode, helemaal geen correlatiecoëfficiënt bleek te zijn maar een “percentage van overeenstemming” tussen beoordelaars. Exner kon niet anders dan schoorvoetend toegeven (Psychological Science, 1996) dat hij collega’s misschien had misleid maar hij schreef het toe aan nalatigheid in zijn woordkeuze…
Aanhangers van de Rorschach zoals Acklin vonden nu plots dat een betrouwbaarheid van 0.61 voldoende was, een cijfer dat absoluut onaanvaardbaar is: in de huidige moderne psychometrie wordt zelfs 0.80 als het Olympisch minimum beschouwd. Immers, wanneer een intelligentietest slechts 0.61 betrouwbaarheid zouden hebben, zou het IQ cijfer kunnen liggen tussen 72 (beschouwd als de cut-off score voor mentale retardatie) en 105 (beschouwd als net boven het gemiddelde 100). Thomas Schaffer, Philip Erdberg en John Haroian vonden zelfs dat in 44% van de gevallen de Rorschach scores een betrouwbaarheidscoëfficiënt lager dan 0.61 opleverden!
Maar er stond Exner nog meer te wachten: een grote internationale studie uitgevoerd in meerdere landen (“Rorschach Nonpatient Data: Findings from Around The World”, Erdberg et al., 1999) toonde aan dat de scores van mensen over de ganse wereld vaak erg gelijklopend waren. Dat was het goede nieuws maar het probleem was dat deze niet zieke mensen allemaal ziek bleken wanneer men hun scores vergeleek met de normen in de boeken van Exner. Vervolgens verscheen een studie in 2000 (Hamel) waarbij 100 normale schoolkinderen uit Californië als ernstig ziek dienden te worden beschouwd met de normen van Exner.
James M. Wood, Teresa Nezworski, Scott Lilienfeld en Howard Garb groepeerden 32 studies waarbij het Comprehensive System werd toegepast op volwassen Amerikanen. Zij berekenden normen en deze bleken erg af te wijken van de normen van Exner en sterk overeen te komen met de normen van Shaffer en Erdberg. Beatrice Mittman van Long Island University vroeg aan 90 alumni van de Rorschach workshops de protocollen toe te passen op zowel psychiatrische patiënten als op normale volwassenen: 75% van de normale volwassenen werden als ziek bestempeld.
Gregory Meyer en Exner verwierpen deze vaststellingen met het argument dat het wellicht aan het fout toepassen van protocollen moet hebben gelegen. In 2001 publiceerde Exner echter plots en zonder enige verduidelijking een correctie in de vijfde uitgave van het boek “A Rorschach Workbook for the Comprehensive System”: 221 van de 700 personen waarop de normen waren gebaseerd, bleken echter pure duplicaten te zijn. De echte database bestond dus uit 479 individuen, en 221 werden dus tweemaal gebruikt. Van de 700 personen die de normgroep uitmaakten waren er dus 2x221 (442) dubbel ingevoerd. Dit zorgde voor grote consternatie en werd dus toch vrij snel ontdekt en wereldkundig gemaakt. Meer dan tien jaar hadden psychologen zich dus op volkomen fouten normen gebaseerd. Exner heeft nooit publiek uitleg gegeven hoe dit kon gebeuren. Op basis van een verklaring van Gregory Meyer berekenden Wood et al. dat Exner en Meyer al minstens twee jaar weet hadden van de fouten in de normen, nog voor een congres in 1999 waarop Shaffer en Erdberg hun resultaten toelichtten.
Het probleem met de Exner cijfers is zeer groot:
Wood en collega's besluiten dus dat wetenschappers niet kunnen concluderen dat het Comprehensive System voldoende validiteit heeft. Meer nog, onafhankelijk onderzoek laat problematische validiteit en betrouwbaarheid zien. De Rorschach is geen betrouwbaar instrument om tal van problemen vast te stellen: majeure depressie syndroom, posttraumatisch stresssyndroom, andere angststoornissen, dissociatieve stoornis, afhankelijke stoornis, narcisme, antisociale persoonlijkheidsstoornis, gedragsstoornis en psychopathologie kunnen niet betrouwbaar worden vastgesteld met de Rorschach.
Het probleem is dus dat de Rorschach vaak wordt ingezet voor het stellen van klinische diagnoses en ook voor gebruik in de rechtszaal. Een aantal voormalige stevige aanhangers van de Rorschach zoals Robert Bornstein en Irving Weiner veranderen nu het geweer van schouder en stellen dat de Rorschach niet bedoeld is als een diagnostische test. Daarmee wijzigt Weiner zijn positie drastisch, want voordien beweerde hij dat de Rorschach Comprehensive System indicaties voor schizofrenie en depressie kon opleveren die helpen om deze ziekten te diagnosticeren.
Het eindverdict van Wood en collega’s luidt ondermeer als volgt:Dat zoveel psychologen (en psychiaters) nog steeds geloven (dat is het juiste woord; het lijkt meer op een geloofsovertuiging dan op wetenschap) in de Rorschach heeft waarschijnlijk te maken met welbekende valkuilen in het menselijk denken; de confirmatieneiging, de illusoire correlatie, het Bandwagon effect of de ad populum misvatting en andere cognitieve fouten die alle denken van alle mensen kenmerkt. Het consistentieprincipe (Cialdini, 2001) zal er ook wel voor zorgen dat men wil consistent blijven met zijn eerdere keuzes, zeker wanneer men bepaalde stellingen heeft ingenomen en zowel financieel als emotioneel zwaar heeft geïnvesteerd in de Rorschach. Bovendien is het ook vervelend tegen patiënten te moeten toegeven dat men al die jaren met een onbetrouwbaar instrument heeft gewerkt.
De enige manier om zich te wapenen tegen dergelijke menselijke denkfouten is de wetenschappelijke methode.
Wat mij bijzonder ongemakkelijk zit, is dat mijn echtgenote signaleerde dat er ook in de St. Jozefkliniek in Kortenberg met Rorschach werd gewerkt. Toen ik dr. Pascal Sienaert hierover schriftelijk contacteerde, werd ik doorverwezen naar de psycholoog Stefaan Vertommen. Uit de correspondentie bleek dat de Rorschach test inderdaad ook in de St. Jozefkliniek in Kortenberg wordt gebruikt, zij het niet meer als projectieve test (“sign-approach”). Daarbij werden de argumenten aangehaald (14/12/2010) dat de Rorschach niet meer werden gebruikt als projectieve test (“Dit is inderdaad helemaal uit den boze en achterhaald.”), maar wel nog met “toepassing van een zeer stringente Exner-analyse” om het logisch denken te testen, en ook als “visuele prikkel” om “exploratief hypothesen te stellen over het al dan niet gefragmenteerd zijn van de sensoriële prikkelverwerking”. Het is nog niet geheel duidelijk om welke Exner Analyse het gaat, maar u zult op basis van het voorgaande relaas begrijpen dat de Exner cijfers in de ogen van vele wetenschappers onbetrouwbaar en zelfs zeer verdacht worden bevonden. Wanneer het echter gaat om het loutere beoordelen van “thought disorder”, dan is dit blijkbaar één van de weinige betrouwbare scores (Edwin Wagner: The Logical Rorschach) die echter volgens Wood et al. nog verder onderzoek vergt (blz. 277) omdat de normen gelimiteerd zijn en de bewijzen voor de validiteit nog preliminair zijn. Er is dus nog replicatie nodig en dus vraag ik mij af waarom men er in de St. Jozefkliniek dan toch nog mee werkt. Het is ook op zijn minst bizar te noemen dat men de inktvlektekeningen van Hermann Rorschach “louter als visuele prikkel” aanbiedt. Normaal moet men voor elke testafname een vergoeding betalen, maar vooral is de test zo controversieel en leggen vele mensen natuurlijk een verband met het klassieke gebruik van de Rorschach. Dit zorgt voor verwarring en argwaan bij meerdere patiënten, daarvan kan ik getuigen (niet alleen bij ons). Het is ook niet duidelijk hoe de verstoring van de sensoriële prikkelverwerking in de St. Jozefkliniek wordt beoordeeld (gebeurt dit bvb door een EEG of is dit toch nog onderhevig aan het subjectieve oordeel van de psycholoog). Ik ben alleszins bereid een kunstenaar te betalen om te zorgen voor alternatieve visuele prikkels, zodat men niet meer (financieel) afhangt van de Rorschach inktvlekken…
Terwijl men in andere landen duidelijk afstand neemt van psychoanalyse en het Dodo Bird Verdict als een (hardnekkige) mythe beschouwt, en meer en meer CGT als de enige valabele (aanvullende) therapie ziet voor tal van aandoeningen, hinken vooral Frankrijk en België achterop. Frankrijk heeft een hardnekkige traditie in de psychoanalyse, en Lacan is er nog ongemeen populair. Al eens gekeken naar een filmpje van de man op YouTube? U zult wellicht net als ik tot de constatering komen dat dit een gek is. Veel mensen bewonderen hem echter omdat hij zo geleerd overkomt en ze zichzelf intellectueel de mindere voelen. Ze denken verkeerdelijk dat ze het niet begrijpen omdat ze zelf niet slim genoeg zijn, terwijl het antwoord veel eenvoudiger is: Lacan was een doodzieke geest die geen enkele samenhang in zijn betoog kon brengen). De studie van de Inserm die aangaf dat CGT superieur was en psychoanalyse niet werkzaam, werd dan ook op protest van de psychotherapeuten onthaald. Schattingen geven aan dat meer dan 80% van de Franse psychotherapeuten in psychoanalyse geloven.
In België zijn ook nog enkele hardnekkige haarden van psychoanalyse te vinden. Zo is er aan de Universiteit van Gent een groepje academici die – jawel – aanhangers zijn van Lacan! In Leuven is er zoals eerder vermeld het “Center for Psychoanalysis and Psychodynamic Psychology”, verbonden aan de Universiteit. De lijst met namen van artsen en psychologen die zich tot de psychoanalyse bekennen is indrukwekkend lang! Ook in het onderwijs aan de Leuvense KUL leert men aan studenten dat psychoanalyse nuttig kan zijn: Professor Mia Leijssen van de KULeuven doet in het tijdschrift “Bodytalk” van september 2007 de uitspraak dat de patiënt zelf moet kiezen welke therapeutische richting men moet kiezen. Ben je meer gevoelsmatig, dan zou psychoanalyse goed kunnen zijn omdat psychoanalyse “in het verleden spit en daar naar inzichten zoekt om het heden te begrijpen.” Daarmee lapt ze alle wetenschappelijke evidentie die aantoont dat dit in het verleden spitten geen enkel nut heeft, volkomen aan haar laars. Ook zij stelt: “Alle therapeutische oriëntaties hebben even goede resultaten”. Een maand later, in het oktobernummer van 2007 wordt al iets duidelijker waarom: ze neemt duidelijk droomanalyse uit het psychoanalytische gedachtegoed over:
“Dromen zijn belangrijk in therapie, omdat ze vaak een weerspiegeling zijn van thema’s uit je leven die om aandacht vragen.” En “Psychiater en psycholoog Gustav Jung vergelijkt de droom met een brief die ons wordt toegestuurd vanuit het onderbewuste. .../… Daarom cirkelen meerdere dromen rond hetzelfde thema of wordt een symbool herhaald in verschillende dromen tot het probleem is opgelost of de betekenis duidelijk is. …/… Dromen zijn verhalen in symbooltaal, waarbij innerlijke belevingen worden weergegeven in beelden.“
Dit is zo gek en zo in tegenspraak met wat momenteel over de functie van dromen wordt beschreven dat ik er niet wens op in te gaan. Ze verbindt ook spiritualiteit met cliëntgerichte therapie (waarin zij docente is). Het dient gezegd dat het koppelen van geloof en spiritualiteit aan wetenschap een hoogst bedenkelijke, alleszins onwetenschappelijke aanpak is. Dat zij zich ‘bekeert’ tot een school die uit meta-analyses meestal slechtere resultaten boekt dan CGT, verklaart haar liefde voor de metafoor van de Dodo Bird. Treffend is haar stelling (2 003): “Cliëntgerichte therapie heeft zich minder gericht op het outcome-onderzoek en is mede daardoor in de concurrentiestrijd tussen oriëntaties in een zwakkere positie beland. In een tijdsgeest van kostenbesparing en snel en efficiënt werken heeft de cliëntgerichte therapie echter te zeer op haar lauweren gerust en onvoldoende ‘bewezen’ dat ze beslagen is om de noden van de tijd te beantwoorden.” Misschien vallen er geen bewijzen te rapen, maar is zij enkel het slachtoffer van de confirmatieneiging en weigert zij te erkennen dat er een betere, snellere en dus goedkopere en ethischer manier van behandelen is?
Nu doen teveel artsen aan zogenaamde “Evidence Based Practice”, wat ze handig verpakken als “Evidence Based Medicine”:
“Evidence-based medicine is het gewetensvol, expliciet en oordeelkundig gebruikmaken van het huidige beste bewijsmateriaal om beslissingen te nemen over de zorg voor individuele patiënten. Het impliceert het integreren van individuele klinische expertise met het beste externe bewijsmateriaal dat vanuit systematisch onderzoek beschikbaar is. De voorkeuren, wensen en verwachtingen van de patiënt spelen bij de besluitvorming een centrale rol.”
Sackett e.a. (2000).
Dit soort definities zet de deur wagenwijd open naar pseudowetenschappelijke geneesmiddelen zoals homeopathie en bachbloesemtherapie. De patiënt vraagt, en de arts levert! Artsen zouden bovendien dringend in hun opleiding moeten geleerd krijgen dat de menselijke geest onderhevig is aan tal van vooroordelen en redeneerfouten zoals de confirmatieneiging. Ervaring of “klinische expertise” is helemaal geen betrouwbare bron van kennis, systematisch wetenschappelijk onderzoek waarin gezocht wordt naar bewijs en tegenbewijs is dat wel! Hoogopgeleide mensen zijn trouwens niet minder onderhevig aan bijgeloof en vooroordelen, ze zijn er alleen beter in deze te verdedigen en te rationaliseren (Schermer, 1997,2002). Zou het niet de hoogste tijd worden dat evidence based medicine (opnieuw) wordt beperkt tot deze omschrijvingen:
Of laat ons teruggaan naar de eerste verschijning van de definitie:
Zou het niet de hoogste tijd worden dat de ‘therapeutische vrijheid’ van artsen en psychotherapeuten aan banden wordt gelegd? Zou het niet nuttig zijn elke patiënt een ‘informed consent’ te laten tekenen waar de huidige stand van de wetenschap op staat vermeld, met inbegrip van de werkzaamheid, de gemiddelde duur en de vermoedelijke kostprijs? Op die manier zouden nutteloos lange, kostelijke en potentieel schadelijke therapievormen zoals de psychoanalyse snel de wereld uitgeholpen worden.
Onderzoek geeft aan dat (1)de psychoanalytische theorie ondeugdelijk is, (2) de psychoanalytische of psychodynamische behandelingen geen bewezen genezingseffect hebben. Bovendien vind ik het (3) bijzonder onethisch dat men aan mensen een therapie aanprijst die a) op foute theorie berust; b) het potentiële gevaar inhoudt dat familieleden onterecht worden beschuldigd en c) mensen langdurig aan de therapeut bindt, waardoor zij (en in sommige landen de ziekteverzekering) nodeloos geld verspillen.
Ik had een schriftelijke uitwisseling met prof. Lilienfeld waarin hij enkele van mijn stellingen die ik hier doe bevestigt:
Verder haalt hij samen met zijn collega’s in het boek De 50 grootste misvattingen in de psychologie twee hiervoor beschreven mythes aan:
Ik ben benieuwd hoe men zal reageren op dit artikel. Misschien vindt ‘men’ wel dat ik in (psychoanalytische) behandeling moet, legt men mij aan de leugendetector, neemt men een Rorschachtest af en gaat men na of ik geen seks heb gehad met mijn moeder…
Misschien moet ik maar eens naar de rechtbank stappen om dit te voorkomen…
Patrick Vermeren
Met bijzondere dank aan mijn echtgenote Annemie, die zo moedig is dat ‘ons’ en haar verhaal hier mag verteld worden in de hoop de kennis over depressie te verhogen en de medische wereld te bewegen tot meer op bewijzen gebaseerde behandelingen.
Met dank aan dr. Geert De Bruecker, professor Filip De Fruyt, Professor Dirk Hermans, en dr. Pascal Sienaert die elk op hun beurt bijdroegen aan de ‘redding’ van mijn echtgenote (zoals dr. De Bruecker het in een gesprek stelde). Dank ook aan Patrick Cockx en aan alle familieleden, vrienden en collega’s op het werk voor hun begrip en hun steun!
Bruer, J.T. 1999). The myth of the first three years. A new understanding of early brain development and lifelong learning. The Free Press.
Carry, M., Manning, C.G., Loftus E.F., & Sherman S.J. (1996). Imagination inflation: imagining a childhood event inflates confidence that it occured. Psychonomic Bulletin and Review, Vol. 3, 2, blz. 208-214.
Chambless, D. L., & Ollendick, T. H. (2001). Empirically supported psychological interventions: Controversies and evidence. Annual Review of Psychology, 52, blz. 685-716.
Cottreaux, J. (2000). Which Psychotherapies in the Year 2000? (Annual Series of European Research in Behaviour Therapy) Swets & Zeitlinger.
Driessen, E., Cuijpers, P., de Maat, S.C.M., Abbass, A.A., de Jonghe, F. & Dekker, J.J.M. (2010). The efficacy of short-term psychodynamic psychotherapy for depression: A meta-analysis. Clinical Psychology Review, vol. 30, 1, blz. 25-36.
Gould, R.A., Otto, M.W., Pollack, M.H., Yap, L. (1997). Cognitive-behavioral and pharmacological treatment of generalized anxiety disorder: A preliminary meta-analysis. Behavior Therapy, 28, blz. 285-305.
Gould, R.A., Buckminster, S., Pollack, M.H., Otto, M.W., Yap, L. (1997). Cognitive-Behavioral and Pharmacological Treatment for Social Phobia: A Meta-Analysis. Clinical Psychology: Science and Practice 4 (4), blz. 291–306.
Howard, K. I., Krause, M. S., Saunders, S. M., & Kopta, S. M. (1997). Trials and tribulations in the meta-analysis of treatment differences: Comment on Wampold et al. (1997). Psychological Bulletin, 122, blz. 221-225.
Hunsley, J., & Di Giulio, D. (2002). Dodo Bird, Phoenix, or Urban Legend? The Question of Psychotherapy Equivalence. The Scientific Review of Mental Health Practice, Vol. 1.
Kassin, S.M. & Kiechel, K.L. (1996). The social psychology of false confessions: compliance, internalization, and confabulation. Psychological Science, Vol. 7, 3, blz. 125-128.
Lambert, M.J., & Ogles, B.M. (2004). The efficacy and effectiveness of psychotherapy. In M.J. Lambert (Ed.), Bergin and Garfield’s handbook of psychotherapy and behavior change (blz. 139-193). New York: Wiley
Lange, A., Ruwaard, J., Schrieken, B. Broeksteek, J., van Tienhoven, S., Jager, J., & Emmelkamp, P. (2007). Geprotocolleerde cognitieve gedragstherapie van klinische en subklinische paniekstoornis, via het internet: de behandeling en de resultaten van een gecontroleerde gerandomiseerde trial. Directieve Therapie, 27 (3).
Luborsky, L., Singer, B., & Luborsky, E. (1975). Comparative studies of psychotherapies: Is it true that “Everybody has won and all must have prizes”? Archives of General Psychiatry, 32, blz. 995-1008.
Loftus, E. F. & Ketcham, K. (1994). The Myth of repressed memory. St. Martin's Press, 1994.
Creating False Memories : http://faculty.washington.edu/eloftus/Articles/sciam.htm
Lilienfeld, S.O. (2007). Psychological Treatments That Cause Harm. Perspectives on Psychological Science, vol. 2, blz.53-70.
Lilienfeld, S.O., Lynn, S.J., Ruscio, J., & Beyerstein, B.L. (vert. Amy Bais)(2010). De 50 grootste misvattingen in de psychologie.
Pinker, S. (2002). Het onbeschreven blad (The blank slate). Over de ontkenning van een aangeboren menselijke natuur. Uitgeverij contact.
Ruwaard, J., Lange, A., Bouwman, M., Broeksteeg, J., & Schrieken, B. (2007). E-mailed standardized behavioural treatment of work-related stress: a randomized controlled trial. Cognitive Behaviour Therapy, 36(3), blz. 179-192.
Schermer, M. (1997, 2002). Why people believe weird things. Henry Holt and company.
Smit, Y., Huibers, M., Ioannidis, J., van Dyck R.,van Tilburg, W., & Arntz, A. (2010). The effectiveness of psychoanalysis - a systematic review of the literature. (studie uitgevoerd voor het College van Zorgverzekeraars).
Tolin, D.F. (2010). Is cognitive–behavioral therapy more effective than other therapies?: A meta-analytic review. Clinical Psychology Review, vol. 30, 6, blz. 710-720.
Wampold, B. E., Mondin, G. W., Moody, M., Stich, F., Benson, K., & Ahn, H. (1997). A meta-analysis of outcome studies comparing bona fide psychotherapies: Empirically, “All must have prizes.” Psychological Bulletin, 122, blz. 203-215.
Webster, R. (1995) Why Freud was wrong: sin, science and psychoanalysis. London: Harper Collins.
Weisz, J. R., Weiss, B., Alicke, M. D., & Klotz, M. L. (1987). Effectiveness of psychotherapy with children and adolescents: A meta-analysis for clinicians.Journal of Consulting and Clinical Psychology, 55, blz. 542-549.
Weisz, J. R., Weiss, B., Han, S. S., Granger, D. A., & Morton, T. (1995). Effects of psychotherapy with children and adolescents revisited: A metaanalysis of treatment outcome studies. Psychological Bulletin, 117, blz. 450-468.
http://guidance.nice.org.uk/CG90/Guidance/pdf/English (NICE guidelines)
Wim Betz: De studie heeft waarschijnlijk heel wat geld gekost, maar heeft niets nieuws in petto. Er zijn al massaal veel studies gemaakt die aantonen dat osteopathie en chiropraxie enkel een beperkt nut hebben bij bepaalde klachten van de gewrichten of wervels en zeker niet beter werken dan de klassieke therapieën. Zelfs voor nekpijn en lage rugpijn scoren ze niet beter dan de klassieke behandelingen. Heeft het dan zin om een hele beroepsgroep te erkennen die met haar therapie tegen hoofdpijn niet beter scoort dan een aspirientje? Van lage rugpijn weet men dat de overgrote meerderheid van de patiënten sowieso na twee weken geen klachten meer heeft, met of zonder behandeling. Voor de echt chronische patiënten is er geen enkele behandeling duidelijk beter dan de andere. Moet men daar gedurende vier jaar mensen voor opleiden? Bovendien mag men de gevaren die verbonden zijn aan manipulaties van wervels, vooral dan van de nek, niet onderschatten.
Het was in elk geval opmerkelijk hoe kranten, zelfs van dezelfde groep, met verschillende titels uitpakten. Het stoort me dat zeemzoete woordvoerders van de alternatieve behandelaars op de radio mogen liegen dat ze zwart zien. Het is trouwens onbegrijpelijk dat ze - met de prietpraat die ze verkopen - toch aanspraak maken op een universitair statuut. Aan de ULB hebben ze zich ingekocht en geven ze een universitaire master. Maar ook daar blijven ze craniosacrale onzin onderwijzen. Ze gebruiken de opleiding ondertussen wel als propagandamiddel. Ook aan de VUB en de KU Leuven worden manuele therapieën onderzocht, maar dan wel op een ernstige wijze. Daar gaat men na wat werkt, en wat niet. Want uiteraard leveren sommige manuele therapieën resultaat op. Maar het filosofische kader van osteopaten en chiropractors zit volledig fout.
Dat is helemaal geen verrassing. Je zou eens aan rokers moeten vragen of ze tevreden zijn over hun sigaret. Het resultaat laat zich raden. Uiteraard zijn ze tevreden. Dat is ook de reden waarom alternatieve therapeuten vooral aansturen op tevredenheidsonderzoek eerder dan op onderzoek naar resultaten. Tevredenheid is belangrijk voor een commerciële aanpak, maar heeft niets met werkzaamheid te maken. Het is een erg gevaarlijke tendens om vooral de tevredenheid van de patiënt te gaan bevragen. Men bevraagt dan regelmatige, trouwe patiënten. Uiteraard zijn zij tevreden, anders keerden ze niet terug. Voor dit specifieke geval geldt tevens dat een behandeling met de handen steeds een grote tevredenheid oplevert. Aanraking heeft immers een sterk placebo-effect. In een meer dan twintig jaar oude studie van Guido Adriaenssens aan de VUB werden mensen bevraagd over kwakzalvers en hun praktijken. Het resultaat was merkwaardig: een grote meerderheid zei dat het niet werkte, maar de tevredenheid lag wel erg hoog. Het is dan ook erg dom van het KCE om het in een en dezelfde studie te hebben over werkzaamheid en tevredenheid.
Angst is een groot woord. Ik ben wel benieuwd wat ze gaan vertellen over homeopathie. Al tweehonderd jaar weten we wetenschappelijk dat homeopathie niet werkt. Wat gaat het KCE daar nog voor nieuws aan toevoegen? Gaat men in België iets vinden dat nog wat toevoegt aan de massa's literatuur, studies en bewijzen die aantonen dat homeopathie niet werkt?
Nog maar eens komt men aandraven met het Bio-Initiative rapport, een document dat door talloze internationale gezondheidsraden met de grond is gelijk gemaakt als een eenzijdig rapport van een kleine groep lobbyisten, dat niet aan kritische wetenschappelijke peer review is onderworpen. Geen woord daarover in het ‘dossier’, dat in de plaats daarvan de voorspelbare stoet van onheilsprofeten, beroepskwerulanten en controversiële wetenschappers aan het woord laat. Een “catastrofe voor de volksgezondheid” is op til: hersentumoren, ADHD, depressies, hartkwalen, gedragsstoornissen, verminderd libido, en ga zo maar door!
De biologische effecten van gsm-straling zijn uitvoeriger onderzocht dan die van gelijk welke chemische stof, eerst door de industrie en daarna door onafhankelijke onderzoekers. De conclusie van de WHO luidt unaniem dat er geen enkel meetbaar effect is op de gezondheid. Maar ondertussen blijft de roep om ‘verder onderzoek’ weerklinken, en waar rook is moet toch vuur zijn? Complottheorieën wakkeren de stralingangst verder aan: de industrie dekt alles toe en de overheden eten uit hun hand. Maar het is niet omdat de link tussen kanker en gsm’s de industrie niet zou zinnen (wat evident waar is), dat gsm’s daarom kanker veroorzaken. Zichtbaar licht is ook straling, dat per definitie veel meer energie bezit dan de radiomagnetische straling van GSM en zendmasten. Het is niet omdat Philips wereldleider was in de verkoop van gloeilampen, dat de gloeilamp kankerverwekkend is, en dat Philips alle deskundigen ter wereld heeft omgekocht om dit geheim te houden.
Alle bekende oorzaken van kanker ontstaan door beschadiging aan het DNA. Straling van gsm, wifi, microgolf en alle andere draadloze communicatie is niet-ioniserend, wat betekent dat ze niet voldoende energie bezit om DNA-verbindingen te breken, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld gamma-straling en UV-straling. De hoeveelheid gsm-straling is daarbij irrelevant. Het is alsof je stenen over een rivier probeert te gooien die 100 meter breed is. Als je maar 10 meter ver kan gooien, dan maakt het niet uit hoeveel stenen je gooit. Gsm-straling vergelijken met “kogels uit een mitrailleur” is bangmakerij van de ergste soort. Bij hoog vermogen veroorzaakt niet-ioniserende straling warmte, de zogenaamde thermische effecten (het principe van de microgolfoven). De tegenstanders vrezen echter schade door niet-thermische gezondheidseffecten, maar die zijn nooit aangetoond, ondanks veelvuldig en duur onderzoek. De veiligheidsnormen voor gsm-straling zijn typisch bepaald aan de hand van het laagste niveau waarop thermische effecten merkbaar zijn, gedeeld door pakweg een factor 20. Iets wetenschappelijk aantonen, betekent dat de effecten moeten kunnen worden gereproduceerd. Als kinderen in één schoolklas in Spanje leukemie krijgen terwijl er een zendmast naast de school staat, moeten ze dat in alle andere klassen in en buiten Spanje ook krijgen. Anders is het een toevalsbevinding.
Het zogenaamde ‘microgolvensyndroom’ en de ‘elektrogevoeligheid’ zijn ziektebeelden die ontstaan door de verbeelding en door het principe van de vervloeking (nocebo-effect): wie verwacht dat hij ziek wordt omdat hij vervloekt is, wordt ook ziek. Onder dubbelblinde condities is nog niemand in staat gebleken om straling van gsm-masten of -toestellen aan te voelen, wat de symptomen daarom niet minder reëel maakt.
In 2002 ontdekten dezelfde Chris Vermeire samen met Peter Cremers een andere vergiftiging der mensheid: fluor. Dat bot moet stilaan afgeknaagd zijn: het is rustig geworden op het fluorfront. Er is brede wetenschappelijke consensus dat fluoridering van tandpasta de tandgezondheid van onze kinderen revolutionair heeft verbeterd. Ook daar was het wetenschappelijk debat ver te zoeken en tierde het complotdenken welig. Fluor is een afvalproduct dat je ongeveer gratis krijgt per ton. Het idee dat grote bedrijven daar risico’s voor zouden nemen, laat staan duizenden wetenschappers overal ter wereld omkopen, is te gek om los te lopen. Spijtig voor de kinderen van overbezorgde moeders die deze angstzaaiers hebben geloofd. Ze kunnen het bekocht hebben met rotte tandjes.
Om kort te gaan, het gebruik van de GSM kan dodelijk zijn, maar dan enkel als je ondertussen een auto bestuurt. Als mensen ziek worden van verbeelding, is het door de onbeschaamde bangmakerij van dit soort ‘dossiers’. Dankzij HUMO staat hier geen andere onzin, zoals een oude slogan luidt, maar de lectuur ervan kan de gezondheid wel ernstige schade toebrengen.
Maarten Boudry
Luc Bonneux
Cliff Beeckman
Extreem lage tonen uit het kerkorgel zijn misschien de reden waarom kerkgangers soms worden overmand door spirituele gevoelens. De tonen waar het om gaat zijn te laag om nog bewust te kunnen horen. Toch blijkt u ze wel degelijk te kunnen waarnemen, zij het onbewust.
Met een opvallend experiment hebben Britse psychologen aangetoond dat extreem laag gebrom vreemde, bovennatuurlijk aandoende emoties opwekt. Richard Wiseman van de Universiteit van Hertfordshire installeerde daartoe een zeven meter lang ‘geluidskanon’ voor ultralage tonen in een Londense concertzaal. Vervolgens nodigde hij 750 mensen uit voor een concert.
Er was iets raars met het huis dat we gingen kopen. De vorige eigenares weigerde er nog langer voet in te zetten, vertelde de makelaar. Niet om het lekkende dak te repareren, of te kijken waarom er water door de buitenmuur de woonkamer in sijpelde. Tijdens de overdracht bij de notaris – normaal een blij moment: ons huis was nu van ons, en zij was officieel anderhalve ton rijker – had ze overduidelijk gehuild. Ze keek ons niet aan. Ze wenste ons geen geluk.
Tijdens het verbouwen hoorden we van de buren waarom. Toen de oud-bewoonster nog in ons huis woonde, had zich een man gemeld bij de achterdeur. Met een koevoet en gasbrander had hij zich toegang verschaft tot het huis. De vrouw was op dat moment thuis. De buren wisten niet wat er precies gebeurd was, maar het moest iets gruwelijks zijn geweest: de vorige eigenares was kort na het voorval midden in de nacht halsoverkop met haar kinderen vertrokken naar een onbekende bestemming.
De eerste nacht in ons huis klonken de geluiden onbekend en nog niet vertrouwd, zoals je verwacht van een nieuw huis. Maar halverwege de nacht: ineens een vreemd gesuis en gemorrel bij de achterdeur. Een voorzichtige blik uit het slaapkamerraam stelde ons gerust: er stond geen enge man met gasbrander. Toch hield het gemorrel aan. En ik durfde te zweren dat ik voetstappen hoorde op de trap – alsof er iemand, of iets, in ons huis rondspookte. Was iets van de tragedie van de vorige bewoonster blijven hangen in ons huis?
Het idee dat een negatieve gebeurtenis kan blijven ‘kleven’ aan een locatie of object, is een bekend verschijnsel in de psychologie. Wetenschappers noemen het contagion, oftewel: besmetting. Zo levert de gedachte om een sieraad te dragen van iemand die door een ongeluk om het leven is gekomen, bij de meeste mensen koude rillingen op. En maar weinigen zouden er voor kiezen om te gaan wonen in een huis waar een gewelddadig misdrijf had plaatsgevonden.
Contagion brengt de meest irrationele kant in ons naar boven, ontdekte psycholoog Paul Rozin van de University of Pennsylvania. Hij vroeg mensen om zich voor te stellen dat ze een pasgewassen, heerlijk comfortabele trui aan moesten doen. Daarmee had de gemiddelde proefpersoon geen enkel probleem. Maar stel je nu voor, zei Rozin, dat de trui eerst een half uur is gedragen door een aids-patiënt, en daarna is gewassen. Wil je hem nu nog dragen?
Hoewel de proefpersonen wisten dat hier geen enkel gezondheidsrisico aan verbonden is, wilden ze de trui niet langer aan. Voor een trui die eerder was gedragen door een psychopathische seriemoordenaar was het animo zo mogelijk nog kleiner. Sterker nog: de meeste mensen droegen liever een (ongewassen) trui met hondenpoep er nog aan, dan een ‘moordenaarstrui’. Terwijl hondenpoep toch gezondheidstechnisch een behoorlijk riskant goedje is. Zo sterk verzet onze intuïtie zich tegen het irrationele idee van contagion.
Niet iedereen is even gevoelig voor een idee dat een slechte gebeurtenis of boosaardig karma kan blijven hangen. ‘Slechts’ eenderde van de mensen gelooft bijvoorbeeld dat spoken echt bestaan. En die mensen verschillen vaak in persoonlijkheid van de groep die denkt dat geesten slechts hersenschimmen zijn. Zo zijn spook-gelovers vaak overtuigd dat er echt zoiets bestaat als ‘het paranormale’. Bovendien zijn ze gemakkelijker te hypnotiseren dan anderen, wat suggereert dat ze gevoeliger zijn voor suggestie.
En het zijn ook typisch de mensen die een beetje met hun hoofd in de wolken leven, en voor wie fantasie en werkelijkheid wel vaker wat door elkaar lopen. Je kent ze wel: van die types die na het verlaten van hun huis niet zeker weten of ze hun koffiezetapparaat nu echt hebben uitgezet, of dat ze zich dat alleen maar hebben ingebeeld. (Bekentenis: ik ben ook wel eens halverwege op mijn schreden teruggekeerd om te controleren of het gas van het fornuis wel uit stond.)
Maar hoe gevoelig je ook bent voor suggestie of het idee van contagion, er moet wel iets zijn dat je verbeelding prikkelt in spookachtige richting. Zonder de juiste context komt er geen spookervaring. Dat blijkt uit onderzoek van de Amerikaanse psycholoog Jim Houran. Hij nam twee groepen proefpersonen mee naar een leegstaande bioscoop. De ene groep vertelde hij dat het gebouw binnenkort gerenoveerd zou worden, en dat hij graag wilde weten welk gevoel elke ruimte bij hen opriep. Tot zover niks aan de hand.
De andere groep kreeg te horen dat er veel spookachtige dingen waren gebeurd in de bioscoop, en werd gevraagd om op zoek te gaan naar paranormale fenomenen in de ruimtes. Deze ghostbustergroep had aanzienlijk meer ‘ongebruikelijke ervaringen’ dan de renovatiegroep. Weten dat er mogelijk iets niet in de haak is, vergroot dus de kans dat je een spookervaring hebt.
Had ik die eerste nacht in mijn nieuwe huis dan rustiger geslapen als ik niet van de buren had gehoord dat de vorige bewoner van dit huis hier iets ergs was overkomen? Waarschijnlijk wel. Maar ook zonder zulke ‘voorkennis’ kan een plek spookachtige gevoelens oproepen, meent wetenschapper, schrijver en goochelaar Richard Wiseman. Door een anekdotisch onderzoek raakte hij gefascineerd in geluid als veroorzaker van vreemde, paranormale sensaties.
In 1998 werkte Vic Tandy voor een bedrijf dat er een klein laboratorium op nahield dat de naam had dat het er spookte. Verschillende lab-medewerkers hadden er vreemde ervaringen gehad. Maar Vic had dit altijd afgedaan als suggestie. Tenminste, totdat hij zelf, laat op de avond, alleen aan het werk was. Ineens begon hij zich ongemakkelijk te voelen. Hij had het plotseling koud en kon het gevoel dat iemand naar hem keek, niet van zich afschudden. Toen hij opkeek, doemde er aan het randje van zijn gezichtsveld een vaag grijs figuur op. Zijn nekharen stonden overeind, en hij was doodsbang. Maar toen hij zich omdraaide om het grijze figuur aan te kijken, verdween hij.
Vic liet het er niet bij zitten, en ontdekte dat in het lab een bron was van zogenaamd infrageluid: geluid dat zo laag is dat we het niet kunnen horen, maar waarvan ons brein de trillingen wel onbewust kan waarnemen. Als dit infrageluid niet al te sterk is, kan het zorgen voor een ongemakkelijk en vreemd gevoel. Een bevinding waarvan Richard Wiseman en zijn collega’s ontdekten dat die ook zonder context werkt, toen ze tijdens een concert infrageluid lieten ‘horen’. De concertgangers rapporteerden meer ongewone ervaringen dan mensen die hetzelfde concert hadden aangehoord, maar dan zonder infrageluid. De infrageluidsensaties waren divers, zoals onrust of angst, maar iemand rapporteerde ook – merkwaardig genoeg – een “pre-orgasme gevoel in lijf en armen, maar niet in de benen”.
Net als bij suggestie, contagion en context, is niet iedereen even gevoelig voor de invloed van infrageluid. Misschien is het daaorm dat niet iedere studie een effect vindt: sommige infrageluidtests leveren helemaal geen rare sensaties op bij de proefpersonen. Bovendien is niet iedereen op elk moment even gevoelig voor het zien of voelen van spookachtige zaken: als je bijvoorbeeld heel erg moe bent, kan het zijn dat je op het moment dat je bijna in slaap valt een klein beetje gaat hallucineren, waardoor je mogelijk een ervaring hebt die paranormaal aandoet.
Maar hoe het ook komt dat je een spook ziet, uit deze onderzoeken blijkt dat het zeker mogelijk is om geestesverschijningen te verklaren zonder aan te nemen dat er iets paranormaals aan de hand is: voor het rare gevoel en de verontrustende waarnemingen weten psychologen voldoende aardse verklaringen te geven. En soms heb je niet eens een psycholoog nodig, maar gezond verstand. Zo bleek tijdens de tweede nacht in ons ‘spookhuis’ dat de voetstappen op de trap kwamen uit het huis naast ons. En het gemorrel bij de achterdeur, dat was natuurlijk gewoon de buurkat.
Dit artikel is afkomstig van www.kennislink.nl/publicaties/spoken-of-hersenschimmen en geschreven door Asha ten Broeke
Richard Wiseman. Quirkology: the curious science of everyday lives. Pan Books, London, 2007.
Door Tim Trachet.
Televisie is een gevaarlijk medium, zeker als het om onderwerpen gaat waar de kritische instelling belangrijk is, zoals in het domein van de pseudowetenschappen. Bij televisie staan beelden centraal en is het niet altijd gemakkelijk om die op de meest kritische wijze te verpakken. Bovendien vinden emoties en korte uitspraken er gemakkelijker een weg naar de kijker dan scherpzinnige uitleg.
Bruno Clement, winnaar van de Zesde Vijs 2008
Dat belet niet dat kritische televisiejournalistiek zeker mogelijk is als het om “para” of “pseudo” gaat. De laureaat van de Zesde Vijs 2008 bewijst dat. De bekroonde uitzending gaat over een visueel onderwerp bij uitstek, namelijk graancirkels. Die merkwaardige figuren, die zoals u weet in het oogstseizoen af en toe in de graanvelden verschijnen, hebben vóór alles een esthetische waarde en zijn dan ook dankbaar voer voor een cameraman. Ook de graancirkelfanaten die binnen de kortste tijd opduiken in de buurt van een nog verse graancirkel, kunnen aanleiding geven tot leuke, zelfs hilarische beelden. Het gaat om lieden die zich in de graancirkel plaatsen om de kosmische krachten ervan te ervaren, of om onderzoekers die met een pendel of andere gesofistikeerde apparatuur deze krachten opmeten, of om zelfverklaarde experts die uitleg verschaffen over de mysterieuze herkomst ervan.
Echt goede journalistiek wordt het pas als de reporter eraan toevoegt dat mensen wel degelijk zulke cirkels kunnen maken, en wel op een vrij eenvoudige manier. Maar dan komt er altijd nog wel een of andere “expert” in beeld die zegt dat hij het verschil kan zien tussen een door mensen gemaakte graancirkel en een echte.
De laureaat van de Zesde Vijs is verder gegaan dan dat. Zo deed hij beroep op een heuse fysicus om het op mysterieuze wijze platgedrukte graan te onderzoeken op radioactiviteit, zowel ter plaatse als na het nemen van enkele stalen voor het laboratorium. De resultaten waren een stuk duidelijker dan die van een pendelaar. Bovendien ging hij op stap naar wat je Crop Circle Countryzou noemen; het zuiden van Engeland, waar er een echte graancirkelcultuur en graancirkeltoerisme bestaan. Hij vroeg de mening van de mensen aldaar en nam er zelfs deel aan een heus “cerealogisch” congres. De climax van de reportage was toen hij in contact wist te treden met een min of meer clandestiene groep van graancirkelartiesten (want het gaat hier om een kunst). Zo wist hij samen met hen ’s nachts op stap te gaan en op een infraroodcamera vast te leggen hoe ze een mooie graancirkel maakten. Het resultaat mocht er niet alleen zijn, de volgende ochtend waren de experts al ter plaatse om te zeggen dat deze graancirkel authentiek was. Om helemaal overtuigend te zijn, deden de graancirkelmakers hun creatief werk nog eens op klaarlichte dag over voor een gewone camera. Niet op een graanveld, want het risico van aanstuivende woedende boeren overdag is te groot, maar op een strand. Daarbij wordt getoond dat de makers, onder leiding van iemand met de artiestennaam “Serial Killer”, alleen gebruik maken van stokken, planken en koorden. Daarmee is meteen duidelijk dat het niet om buitenaardse wezens of paranormaal begaafden gaat.
De kers op de taart van deze reportage is dat hij niet eindigt met een vrijblijvende opmerking genre: “het laatste woord hierover is misschien nog niet gezegd”, zoals we wel eens meer zien, horen of lezen. Nee, de conclusie is duidelijk: graancirkels zijn door mensen gemaakt.
Dit is een mooi voorbeeld van skeptische onderzoeksjournalistiek op televisie. Maar eigenlijk hoort journalistiek skeptisch te zijn. Journalisten hebben tot taak de waarheid aan het licht te brengen en dat is precies wat SKEPP ook wil.
Het is dan ook niet meer dan billijk dat we de reportage Graancirkels, zoals die op 28 augustus 2008 door Canvas werd uitgezonden,bekronen met de Zesde Vijs 2008. Eigenlijk heet de reportage Le mystère des crop circles percé!en is ze gemaakt voor het RTBF-actualiteitenmagazine Questions à la une. Aanleiding was de verschijning van een paar graancirkels op een nogal spectaculaire plaats, namelijk vlakbij de Leeuw van Waterloo (vreemd dat niemand in de reportage suggereerde dat de geesten van al die gesneuvelde soldaten daar iets mee te maken hadden!). Het is niet omdat Waterloo op de taalgrens ligt, dat we daar aandacht aan besteden. Zelfs niet omdat in de reportage een graancirkel op de mooie Vlaamsche velden van Denderhoutem wordt getoond en bestudeerd en zelfs de mening van de Vlaamse omwoners in mooi Nederlands wordt gevraagd. Deze reportage had overal kunnen worden gemaakt waar graancirkels verschijnen. En onzin stopt niet aan de taalgrens. Er is in zulke situatie voor SKEPP geen enkel probleem om de skeptische prestatie van een Franstalige landgenoot te bekronen, zoals we trouwens al eerder al gedaan hebben met professor Jean Bricmont. On peut peut-être regretter qu’une initiative comme de Zesde Vijs n’existe pas encore du côté francophone, mais l’expression est en tous cas intraduisible…Ik ga dus niet proberen ze te vertalen. Intussen weten we wel dat graancirkels in het Frans des crop circles zijn.
Mag ik journalist Bruno Clément vragen om naar voren te komen en zijn Zesde Vijs in ontvangst te nemen?
Volgens sommigen overdrijven skeptici met hun kritiek op de zogenaamd alternatieve geneeswijzen. Het is toch allemaal onschuldig; baat het niet dan schaadt het niet? Velen aarzelen niet te spelen met het leven van kwetsbare, want wanhopige mensen.
Toen Sylvia Millecam in augustus 2001 op 45-jarige leeftijd overleed aan onbehandelde borstkanker, had zij er een lange lijdensweg opzitten. Het knobbeltje dat in september 1999 in haar rechterborst was vastgesteld, was in twee jaar tijd uitgegroeid tot een tumormassa die uitwendig doorliep tot aan de schouder en inwendig de hele rechterhelft van de borstholte in beslag nam. Ze had oedeem in armen en benen. De behandelende oncoloog in het hospitaal waar ze een paar dagen voor haar dood belandde, had nog nooit in zijn hele loopbaan zo’n beeld gezien. Bizar dat iemand in 2001 zo aan haar eind kan komen, zei hij. Naar aanleiding van berichten in de media dat Millecam zich onder meer had laten behandelen door ‘genezend medium’ Jomanda, die haar verzekerde dat er geen sprake was van kanker, besloot de Inspectie voor de Gezondheidszorg tot een onderzoek naar de zaak. Uit het daaruit resulterende rapport blijkt dat Millecam bij zeker 28 zorgverleners, waarvan een grote meerderheid uit de alternatieve sector, te rade ging. In haar onderzoek evalueert de Inspectie de manier van zorgverlening van alle 28. Ze gaat daarbij te werk vanuit het perspectief van de verantwoordelijkheid van de zorgverlener. Over de keuzes van Millecam wordt geen oordeel geveld, omwille van de keuzevrijheid van de patiënt. Op basis van dat onderzoek wordt afgeleid hoe het gesteld is met de veiligheid van de niet-reguliere gezondheidszorg bij onze Noorderburen.
De bevindingen van het rapport zijn ronduit onthutsend als het gaat over de alternatieve sector. De klassiek geschoolde artsen die Millecam een paar keer consulteerde, stelden haar een adequaat behandelingsaanbod voor, maar daar ging ze niet op in: ze verkoos uitsluitend niet-regulier. Van de meer dan 20 niet-reguliere genezers die zij opzocht, was er geen enkele die zijn of haar verantwoordelijkheid opnam en Millecam stante pede naar een oncoloog stuurde. Ofwel spraken ze de diagnose borstkanker tegen (de meerderheid, waaronder Jomanda), ofwel stelden ze haar via een kwakbehandeling genezing in het vooruitzicht. Zo verwees een arts voor natuurgeneeskunde haar door naar een alternatief kankerbehandelingscentrum in Zwitserland dat werkte met de Zoetron-therapie. Dat komt neer op een combinatie van ‘ontgifting en immuniteitsverbetering’ plus magneetveldtherapie: men laat via een machine een magneetveld ontstaan dat selectief kankercellen zou aantasten. Millecam verbleef er vijf weken in 2000. De kankerkliniek werd een tijd later gesloten door het gerecht wegens oplichterij. Patiënten telden er meer dan 14.000 euro neer voor een nepbehandeling. Bij een andere alternatieve genezer volgde Millecam zouttherapie: acht gram zout per dag zou de tumor doen verdwijnen. Tussendoor consulteerde ze een aantal helderzienden, die haar bezwoeren dat ze geen kanker had. Ze stelden dezelfde diagnose als Jomanda: het gezwel in haar borst was het gevolg van een bacteriële infectie, veroorzaakt door haar siliconenvullingen. Via electro-acupunctuurmetingen wist een andere alterneut haar te melden dat ze aan de beterhand was. Ondertussen groeide het gezwel en nam de pijn almaar toe. Pas vijf dagen voor haar overlijden riep een van haar niet-reguliere behandelaars de huisarts erbij, om hem de slechte boodschap aan Millecam te laten overbrengen dat ze stervende was. In het ziekenhuis, waar ze zei ‘misschien toch verkeerd gegokt’ te hebben, kon men niet meer doen dan haar nog palliatieve zorg verlenen. Ze stierf op 21 augustus 2001.
Millecam had een reële kans op overleven indien ze tijdig en juist behandeld was. Hoe is het mogelijk dat iemand die 28 zorgverleners bezoekt, toch sterft aan onbehandelde borstkanker? Dat was de grote vraag van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Het antwoord luidt vernietigend voor de alternatieve behandelaars. De huisarts heeft gedaan wat hij kon door haar te verwijzen naar een radioloog en een chirurg. Ook de chirurgen hebben gedaan wat ze konden om haar te overtuigen. Millecams keuze voor kwakzalverij was, aldus het rapport, in hoge mate beïnvloed door de verkeerde adviezen en ongefundeerde uitspraken van niet-reguliere genezers, in het bijzonder van Jomanda, in wie Millecam een groot vertrouwen stelde. Een zorgverlener moet adequate zorg en deugdelijke informatie verlenen, wat niet gebeurd is. De Inspectie noemt Jomanda’s handelen “levensgevaarlijk”. Haar diagnose wordt immers uitgesproken in een semi-religieuze sfeer als een onaantastbaar oordeel uit de ‘Goddelijke wereld’ die haar boodschappen doorstuurt. Jomanda kan voor een belangrijk deel verantwoordelijk worden gehouden in het geval-Millecam, want ze wist dat ze een grote invloed had op de actrice, aldus het rapport. Jomanda heeft Millecam misleid. De Inspectie heeft het verder over een sekteachtige atmosfeer binnen het alternatieve milieu. Geen van de niet-reguliere behandelaars rapporteerde aan de huisarts of vroeg medische informatie op bij vroegere of gelijktijdige, al dan niet reguliere, behandelaars. Waar klassieke artsen aan Millecam de ruimte gaven om daarnaast niet-regulier te gaan, stelden die laatsten niet-regulier voor als alleenzaligmakend. “Het is dan onzinnig om tegelijk een pleidooi te houden voor een betere samenwerking tussen alternatief en regulier en zich te beklagen over tegenwerking vanuit de reguliere kant. Al dan niet actief de weg afsnijden naar de behandeling die voor patiënte levensreddend was, geen of weinig moeite doen patiënte daar te krijgen waar de noodzakelijke behandeling voorhanden is en het achterwege laten van een van de meest elementaire vereisten (i.e. informatie-uitwisseling met overige behandelaars) zijn uitingen van slecht hulpverlenerschap”, oordeelt het rapport.
Jomanda zal nu, samen met een aantal van de niet-reguliere genezers, door de Inspectie voor de rechtbank gedaagd worden. De Inspectie pleit ook voor een aanpassing van de huidige Wet BIG (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg), omdat die niet genoeg bescherming biedt tegen wanpraktijken van kwakzalvers. Vroeger kende Nederland de Wet op de Uitoefening van de Geneeskunst, die het recht om medische diagnoses te stellen inperkte tot artsen. In 1995 werd die wet echter aangepast aan de tolerante praktijk. Gevolg: iedereen kan nu diagnoses stellen. Bestraffing kan alleen na aangetoonde wanpraktijken, die dan onder het algemeen strafrecht vallen. Voor artsen geldt een andere regeling: in geval van zware fouten worden zij uit het register van artsen geschreven. Ze kunnen daarna onbekommerd als niet-arts blijven verderwerken. De Inspectie heeft geen bezwaar tegen alternatief als additionele behandelingswijze, maar wil dat het stellen van een medische diagnose voorbehouden blijft aan artsen. Toezicht op het alternatieve veld, met een registratieplicht voor iedereen die aan gezondheidszorg doet, is noodzakelijk, stelt ze. Verder moet er gecontroleerd worden op gevaarlijke praktijken en mag niemand een behandeling stellen zonder voorafgaande reguliere diagnose. De zorgverlener moet verplicht worden om mee te werken aan de voor de patiënt best mogelijke behandeling en tot openheid van informatie ten opzichte van andere zorgverleners. De Inspectie pleit ook voor een overeenkomst met de patiënt met daarin diagnose en behandeling indien gekozen wordt voor een niet-reguliere therapie. Het strafrecht blijft hier als sluitstuk achter de hand. Zo blijft de keuzevrijheid van het individu overeind. En een laatste aansporing van de Inspectie: klassieke artsen zouden meer tijd en aandacht moeten besteden aan hun patiënten. Op dat vlak kan men wat leren van het alternatieve domein. In het geval van Millecam hebben de reguliere artsen nochtans heel wat tijd uitgetrokken om met haar te spreken, maar blijkbaar beviel de boodschap haar niet. De Nederlandse minister van volksgezondheid, Hans Hoogervorst, heeft naar aanleiding van het rapport alvast gesteld de wet zo snel mogelijk te willen aanscherpen om patiënten beter te kunnen beschermen tegen wanpraktijken van alternatieve genezers. Alleen artsen zullen in de toekomst nog medische diagnoses mogen stellen, als het van Hoogervorst afhangt.
Jomanda is intussen nauwelijks onder de indruk van de mogelijkheid dat ze voor de rechtbank moet verschijnen. Ze noemt de aanklacht (schriftelijk, want de ‘Goddelijke wereld’ heeft haar verboden te spreken gedurende zes maanden) ‘geestelijk arm’ en voelt zich niet medeverantwoordelijk voor het overlijden van Millecam. Ze heeft trouwens nog contact gehad met de actrice na haar dood. Die vertelde haar ‘dat het zo goed was’.
Het volledige rapport van de Inspectie voor Gezondheidszorg is hier te vinden.
Door Griet Vandermassen filosofe en germaniste
Uit: "Wonder en is gheen Wonder.", nr.2, 2002