De mythe van de oorsprong van Brussel

20-05-2009

-

door verscheen in :
16 minuten
Leestijd:
In 1979 vierde Brussel zijn duizendjarig bestaan. Dat ging gepaard met heel wat feesten en plechtigheden de hoofdstad van een land van feestvierders waardig, zonder dat men zich veel vragen stelde bij het waarom van dat precieze jaartal. In een tijd waarin Brussel veel meer dan vandaag aanleiding gaf tot taalperikelen, bleef de viering niet gespaard van communautaire oprispingen. Zo liep er in het Paleis der Academiën een prestigieuze, uitsluitend Franstalige tentoonstelling met de titel Bruxelles… 1000 ans de rayonnement de la culture française. Die zorgde voor protesten, vooral maar niet uitsluitend vanuit Vlaamse hoek. 

De titel – Brussel… duizend jaar uitstraling van de Franse cultuur – leek in strijd met de evidente stelling dat Brussel van oudsher een Nederlandstalige stad is. Het feit dat ze nog altijd ingesloten is door Vlaams grondgebied lijkt het beste bewijs daarvan. Tijdens het millennium verschenen er trouwens hier en daar zelfklevers met als slogan “Brussel, 1000 jaar Vlaamse stad!” De Franstaligen merkten op dat Brussel nooit tot Vlaanderen heeft behoord (waarbij met “Vlaanderen” het oude graafschap Vlaanderen werd bedoeld en niet zozeer wat men nu onder Vlaanderen verstaat: Nederlandstalig België), terwijl de Vlamingen repliceerden dat er in de middeleeuwen meer Frans werd gesproken in Gent dan in Brussel.

Geschiedenis is niet neutraal. Voor de Vlamingen is het historisch Nederlandstalige karakter van Brussel altijd een argument geweest om hun rechten in de hoofdstad te beklemtonen. Historici – vooral Vlaamse – toonden overtuigend aan dat de massale verfransing van Brussel een recent verschijnsel is, dat de officiële taal van de stad tot aan de Franse Revolutie Nederlands was (of Diets, Brabants of hoe men het ook wil noemen) en dat er pas sinds de vijftiende eeuw sprake is van een Franstalige culturele minderheid. Spreken van duizend jaar Franse culturele uitstap leek dus onzin. Als de Franstaligen opmerkten dat de Brusselse stadsschilder Rogier van der Weyden eigenlijk Roger de le Pasture heette en van Doornik kwam, repliceerden de Vlamingen dat hij zijn naam vernederlandste toen hij in Brussel ging wonen.

Het neemt niet weg dat er publicaties verschenen zijn waarin de geschiedenis van Brussel Franse accenten krijgt. Zelfs de naam van de oudste inwoner van Brussel klinkt daarin niet meer zo Nederlands, want Manneken Pis werd omgedoopt tot “le petit Julien”.1 In dat kader passen ook theorieën die wijzen op de Franse invloeden vanaf het prille begin, bij de stichting van de stad in de “duisternis” van de middeleeuwen.

“Karel van Frankrijk”

Belangrijke steden hebben soms legendarische stichters. Denk maar aan de Romeinse soldaat Brabo in Antwerpen of – uiteraard veel beroemder – Romulus en Remus in Rome. Deze laatsten stamden via de held Aeneas af van het Trojaanse koningshuis en daarmee van de godin Venus, wat uiteraard de glorie van Rome nog vergrootte. Ook de Brusselse traditie kent een gewichtig persoon als stichter. Geen legendarisch figuur, maar een prins die echt geheerst heeft over de Zennevallei: een telg uit het geslacht van Karel de Grote, de Karolingers.

Deze in 953 geboren prins heette eveneens Karel en was de jongere zoon van koning Lodewijk IV van West-Francië (het westelijke deel van het door het verdrag van Verdun gesplitste rijk van Karel de Grote, dat later “Frankrijk” zou gaan heten). Zijn moeder, koningin Gerberga, was de zuster van Otto de Grote, die de oostelijke en de middelste delen van het Frankische Rijk onder zijn gezag had verenigd met de oude titel van “heilig rooms keizer”. Gerberga was bovendien de weduwe van Giselbert, de hertog van Lotharingen.

Nadat zijn oudere broer Lotharius zijn vader had opgevolgd op de West-Frankische troon, maakte Karel via zijn moeder aanspraak op Lotharingen. Dat hertogdom tussen Oost- en West-Francië stond onder de suzereiniteit van keizer Otto II, de zoon van Otto de Grote, en die was aanvankelijk niet van zin Karels aanspraak te erkennen. Eerst probeerde Karel tevergeefs met steun van zijn broer Lotharingen te veroveren. In 977 brak hij echter met Lotharius en liep over naar zijn volle neef Otto II, die hem daarop erkende als hertog van Neder-Lotharingen,2 dat is het noordelijke deel van het oude hertogdom. Dit omvatte het gebied tussen de Schelde en de Rijn, waaronder het huidige België ten oosten van de Schelde en dus zonder het toenmalige graafschap Vlaanderen, dat een West-Frankische (Franse!) leen was.

Karels overlopen veroorzaakte een oorlog van Lotharius tegen Otto en hemzelf. Karel viel met een leger West-Francië binnen, bezette de koninklijke residentie Laon en liet er zich tegen zijn broer tot koning uitroepen. Lotharius kon zich alleen handhaven met de steun van de machtige graaf van Parijs, Hugo Capet. Uiteindelijk werd Karel teruggedreven. De West-Frankische adel zou Karel die putsch naar de kroon nooit vergeven. Lotharius stierf kort nadien en toen zijn zoon Lodewijk V in 986 kinderloos verongelukte, werden de rechten van Karel op de West-Frankische troon genegeerd. In plaats daarvan werd Hugo Capet tot koning gekozen. Karel reageerde met een nieuwe inval, maar werd in 991 door verraad gevangen genomen en in Orléans opgesloten, waar hij kort nadien overleed.

Deze vrij onbekende middeleeuwse geschiedenis had grote gevolgen: Neder-Lotharingen – dus grotendeels onze streken – kwam definitief bij het Heilige Roomse Rijk. Het betekende ook het einde van de Karolingische dynastie. Karels zoon Lodewijk, de laatste afstammeling van Karel de Grote in de mannelijke lijn, stierf kinderloos in 1012, waarna Neder-Lotharingen in handen kwam van Karels schoonzoon Lambert, de graaf van Leuven. Zijn nakomelingen zouden zich later hertogen van Brabant noemen. In Frankrijk zouden de nazaten van Hugo Capet onafgebroken op de troon blijven tot aan de Franse Revolutie.

Een burcht in de Zenne?

Volgens de overlevering heeft deze hertog Karel, kort nadat hij in 977 Neder-Lotharingen in handen kreeg, zijn residentie gevestigd op een plek die in Latijnse teksten als Bruocsellawerd aangeduid. Hij zou er een burcht hebben laten bouwen op een eilandje in de Zenne, met een kapel gewijd aan de heilige Gorik (die volgens een legende al eerder een kapel in de buurt zou hebben gesticht). Die plaats is het Sint-Gorikseiland of Groot Eiland, nu het Sint-Goriksplein.3 Het is een plek die in de hoofdstad algemeen bekend staat als “de wieg van Brussel”.

Nu sprak “Karel van Frankrijk”, zoals men hem soms noemt, zonder twijfel Frans (of tenminste een Romaans dialect, want van een standaardtaal was nog geen sprake). Bruocsellalag ongetwijfeld in een streek waar de bewoners al enkele eeuwen een Germaans dialect spraken, de voorloper van het Brabants, maar door de komst van Karel zullen er zich wellicht ook hovelingen, notabelen, soldaten en ambachtslieden uit West-Francië hebben gevestigd die zijn taal spraken. Daarbij komt nog dat de Zennevallei, zoals een groot deel van het huidige België, van de bisschop van Kamerijk (Cambrai) afhing en dat de abdij van Nijvel en zelfs die van Atrecht (Arras) er invloed hadden. Men kan veronderstellen dat geestelijken vanuit die Franstalige steden zich nabij de burcht vestigden. Kortom, vanaf de stichting van Brussel werd er Frans gesproken.

Deze veronderstellingen zijn echter op weinig gefundeerd. Er is geen bewijs dat er ooit een burcht op het Sint-Gorikseiland heeft gestaan.4 Berichten over een residentie van Karel van Frankrijk in Brussel dateren van eeuwen later. De Antwerpse stadsklerk Jan van Boendaele schrijft rond 1316 dat hij “tusschen twee armen van der Sinnen, sine wonighe” had bij een kapel “dat nu tsinte Gurijce heet”. Latere auteurs doen er een schepje bovenop, en het is pas in 1606 dat Jean-Baptiste Gramaye, de geschiedschrijver van Albrecht en Isabella, van een castrum (burcht) op het Sint-Gorikseiland spreekt. Weliswaar is er al in de twaalfde eeuw sprake van een castellum in Brussel, maar daarmee wordt hoogstwaarschijnlijk het kasteel bedoeld dat de graven van Leuven rond die tijd lieten aanleggen. Dat kasteel stond op de Coudenberg, op de plaats van huidige Koninklijk Paleis en het Koningsplein.

Het was de Brusselse historicus Georges Despy die op deze anomalieën wees. Volgens hem is er een goede reden dat men pas vanaf de late middeleeuwen over het verblijf van Karel van Frankrijk in Brussel gaat spreken. Brussel was een residentie van machtige en luisterrijke vorsten: de Bourgondische hertogen en later de Habsburgers. Men had er alle belang bij om Brussel een zo voornaam mogelijk verleden te geven. Het verhaal van de stichting door een rechtstreekse nazaat van Karel de Grote was dus bijzonder welkom.

In dezelfde lijn past het verhaal dat Karel van Frankrijk de relieken van de heilige Goedele uit de abdij van Moorsel zou hebben overgebracht naar zijn Sint-Gorikskerk. In 1047 zouden de relieken van de heilige dan zijn overgebracht naar de Sint-Michielskerk, die later Sint-Michiels- en Sint-Goedelekerk werd genoemd (nu kathedraal). De bronnen van deze geschiedenis dateren echter uit het einde van de twaalfde eeuw en zijn afkomstig van de kanunniken van Sint-Goedele, die er alle belang bij hadden om zoveel mogelijk pelgrims naar hun kerk te lokken. Gudula of Goedele leefde in de zevende eeuw. Haar moeder zou eveneens tot de Karolingers hebben behoord en haar vader zou een telg van het Merovingische huis zijn geweest. Een heilige van koninklijke bloede in Brussel past opnieuw goed in de functie van vorstelijke residentie.

De geschiedenis volgens Paul de Saint-Hilaire

Dat is niet alles. Volgens sommige Franstalige publicaties zou Karel van Frankrijk vanwege zijn ambities om de Franse troon te bestijgen Brussel gesticht hebben naar het voorbeeld van Parijs. Hij koos de heilige Goedele als Brusselse tegenhanger van de Parijse beschermheilige Genoveva, het Sint-Gorikseiland was voor hem het equivalent van het Ile de la Cité in de Seine en de rivier langs het eiland doopte hij, geïnspireerd door de Seine, om in de Zenne (Frans Senne), want oorspronkelijk zou die rivier de Brakel of Braine hebben geheten.

Dit verhaaltje pas misschien goed in het stramien dat Brussel in alles Parijs moet imiteren, maar houdt geen steek. In de tiende eeuw was Parijs niet eens een hoofdstad. De West-Frankische koningen resideerden vooral in Laon, waar ook Karel zelf geboren was. En de Braine of Brakel is de oude naam van de Hain, een vroegere bijrivier van de Zenne, een naam die nog in plaatsen als Eigenbrakel (Braine-l’Alleud) en Kasteelbrakel (Braine-le-Château) terug te vinden is.

Deze mythe is, zoniet bedacht, dan toch verspreid door de breedsprakerige Franstalige occultist Paul de Saint-Hilaire, auteur van La Belgique mystérieuse, Histoire secrète de Bruxelles, Bruges, Cité du Graal en talloze andere boeken over de “mysterieuze” kant van onze gewesten. Wat Brussel betreft lees je er onder meer over de alchemistische betekenis van de huizen op de Grote Markt, de maçonnieke symboliek in het plan van het Warandepark, een Isisheiligdom aan de Zavel en het project voor een Grote Piramide in Anderlecht. Zijn occulte visie ging bovendien gepaard met de neiging om overal in Brussel Franse en Romaanse invloeden te vinden, terwijl zijn belangstelling voor de Germaanse roots uiterst gering was. Voor hem is Brussel een grensstad van de Francité. Zelfs de naam Bruocsella is volgens hem Keltisch, afkomstig van bruco (heide) en sale of sela (tempeltje of kapel). Ik laat in het midden of er iets van die afleiding klopt, want hij gaat daarmee totaal voorbij aan de algemeen aanvaarde etymologie dat Brussel een verbastering is van het Germaanse Broekseele of Broekzele, waar broek staat voor “moeras” en zele voor “huis” of “nederzetting”. Nu zijn er heel wat meer Nederlandstalige plaatsnamen waar broek (Broekom, Broechem, Ruisbroek, Willebroek, …) of zele (Zele, Herzele, ..) in voorkomen. In Frans-Vlaanderen is er aan de IJzer zelfs een dorp dat Broxeele heet en… met Brussel is verbroederd (er staat een replica van Manneken Pis!). Dat Brussel in een moerassig gebied lag, is een waarheid als een koe. Er mondde ooit een Broekbeek in de Zenne uit en er is nog altijd een Broekstraat/rue du Marais. Dat de naam van Brussel daar niet van afgeleid is, zou wel heel vreemd zijn.

De aanwezigheid van moerassen heeft ervoor gezorgd dat de gele iris, een echte moerasbloem, al vroeg in de Brusselse symboliek voorkwam. Saint-Hilaire ziet de iris echter als een bijzondere vorm van de leliebloem (fleur-de-lis), het symbool van de Franse monarchie. Een merkwaardige afleiding. Meestal wordt aangenomen dat de fleur-de-lis een gestileerde vorm is van de iris of lis. De Franse koning Lodewijk VI voerde dit symbool in de twaalfde eeuw omdat zijn verre voorgangers de Merovingers irissen als versiering gebruikten. Door naamsverwarring zou de iris een lelie zijn geworden. Saint-Hilaire past de geschiedenis een beetje aan: de Karolingers gebruikten het symbool courant, het was koning Filips Augustus (de kleinzoon van Lodewijk VI) die de lelie invoerde toen hij huwde met een afstammelinge van… Karel van Frankrijk. Opnieuw zwijgt hij over moerassen. Voor hem is de iris voor Brussel “het symbool van haar vrijheid en haar meer dan duizendjarige roeping om Romaans en Frans te zijn.” Deze historische onzin heeft er misschien mede toe geleid dat de iris In 1991 het officieel embleem van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd. Ze komt voor in de vlag van het gewest en er is zelfs een jaarlijks irisfeest.

Uiteraard, zo meent Saint-Hilaire ook, moet Karels burcht aan de Zenne zijn ingewijd door een hoge (Franse) geestelijke. Volgens hem is het “niet twijfelachtig” dat het ging om een vertegenwoordiger van de aartsbisschop van Reims, tot wiens kerkprovincie Brussel toen behoorde, en wel niemand minder dan Gerbert van Aurillac. Die was later (999-1003) paus onder de naam Silvester II en werd beschouwd als de geleerdste man van West-Europa. Gerberts kennis op het gebied van wis- en sterrenkunde was voor zijn tijdgenoten zo fenomenaal dat hij soms verdacht werd van magie. Nu was de nog vrij jonge Gerbert rond die tijd weliswaar in dienst van de aartsbisschop van Reims (die hij later zou opvolgen) en hij kende Karel, maar het is niet aangetoond dat hij ooit in Brussel is geweest. Toch moet hij volgens “de beste veronderstellingen” van Saint-Hilaire de plechtigheden van de stichting van Brussel geleid hebben op maandag 11 augustus 979. Volgens de astrologen – en Gerbert behoorde daartoe – was die datum geschikt voor een “snelle expansie” van de stad. 11 augustus is de feestdag van de heilige Gorik en volgens onze fantast zouden zijn relieken die dag plechtig naar de nieuwe kerk zijn overgebracht. Saint-Hilaire meent bovendien dat die stichtingsdatum jaarlijks herdacht werd met het planten van een boom, wat uitgegroeid is tot een van de bekendste folkloristische gebeurtenissen van de hoofdstad. “…op de vooravond van Sint-Gorik. Als de betekenis van deze daad verloren is gegaan, komt dat omdat de Saksische of Dietse immigranten een of twee eeuwen later, zonder te begrijpen waarom men die boom in augustus plantte, hem de naam gaven van één van hun tradities, de “Meyboom”’. Opnieuw een verdraaiing van de werkelijkheid. De Meyboomviering vindt immers plaats op 9 augustus, niet de dag voor Sint-Gorik, maar die voor Sint-Laurentius. Volgens de overlevering zouden de Brusselse Gezellen van Sint-Laurentius het recht om een Meyboom te planten in 1213 gekregen hebben van de hertog van Brabant, als gevolg van een overwinning van de Brusselaars op de Leuvenaars (hoewel de eerste Meyboomplanting pas in 1308 plaatsvond). Brussel zou dat recht aan Leuven verliezen als de boom niet ten laatste voor de avond voor Sint-Laurentius zou worden gepland. Vandaar de datum waarop de Gezellen of buumdroegers nog altijd in actie treden. Onze fantast ziet in de viering het ongenoegen van Leuven dat het door de stichting van Brussel niet langer hoofdstad van het hertogdom was. Onzin, want Leuven was in de negende eeuw nog geen hertogelijke residentie

Nog eenmaal Saint-Hilaire. Karel van Frankrijk zou zijn burcht niet alleen gebouwd hebben vanwege zijn uitstekende ligging aan de Zenne, maar ook omdat het nabij een heilige plaats lag. De heuvel waarop de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekerk werd gebouwd, zou een heiligdom zijn geweest van de aartsengel Michaël, en daarvoor zelfs van een Gallische godheid. Deze Sint-Michielsberg zou te vergelijken zijn met andere bergtoppen en rotsen waarop de aartsengel werd vereerd: de befaamde Mont Saint-Michel op de Kanaalkust, de kapel St-Michel d’Aiguilhe in Le Puy-en-Velay (Auvergne), de Monte Sant’Angelo op het Zuid-Italiaanse schiereiland Gargano, de Sacra di San Michele bij Turijn. Helaas is de Brusselse Sint-Michielsberg minder spectaculair dan deze befaamde pieken. Hij staat in de schaduw van de meer opvallende Coudenberg, die zelf amper een vijftigtal meter boven de Zennevallei uitrijst…

Dat Paul de Saint-Hilaire een zeker succes kende met zijn boeken is niet zo verwonderlijk. Dat hij een inleiding mocht schrijven voor de catalogus van de eerder genoemde, met de hulp van enkele academies en andere wetenschappelijke instellingen georganiseerde tentoonstelling uit 1979, is merkwaardig.

Het verhaal van de burcht van Karel van Frankrijk heeft overigens wel geloof gekregen bij vele generaties serieuze geschiedschrijvers. Ook de hedendaagse historicus Paul De Ridder, een uitgesproken Nederlandstalige Brusselaar en Vlaams-nationalistisch politicus, staat erachter en meent dat de burcht zorgde voor de snelle ontwikkeling van de nieuwe stad. Van enige Franstalige invloed bij de stichting van de stad is bij hem uiteraard geen sprake: De Ridder is juist de grote verdediger van de stelling dat Brussel tot het einde van het ancien régime overwegend Nederlandstalig was. Hoe dan ook is er geen overtuigend bewijs dat Karel van Frankrijk ooit in Brussel heeft verbleven, laat staan dat hij er zijn hoofdstad van maakte. Het feit alleen dat hij in Maastricht werd begraven, toont aan dat er in die tijd belangrijkere steden in zijn hertogdom waren.

979 - 1979

Blijft de vraag waar het stichtingsjaar 979 vandaan komt. De skeptische Brusselkenner Roel Jacobs, aan wie we heel wat informatie voor dit artikel ontleenden, is na gesprekken met betrokkenen van de milleniumviering tot de conclusie gekomen dat die viering liefst in 1979 moest plaatsvinden vanwege een drukke evenementenkalender:

“In 1977 werd een Europalia aan de Bondsrepubliek Duitsland gewijd en werd Rubens herdacht. In 1978 werd heel het land gemobiliseerd voor het ‘Jaar van het Dorp’ en werd heel de wereld op zijn kop gezet door het wereldkampioenschap voetbal in Argentinië. In 1980 wou Luik zijn millenium vieren en bestond België 150 jaar. Er moest dan een reden worden gevonden om de geboorte van Brussel in 979 te situeren. De reddende engel werd Mina Martens, toen stadsarchivaris en conservator van de stedelijke musea. Alhoewel dat helemaal niet in haar aard ligt, ontpopte zij zich tot de tot de meest felle verdediger, zeg maar de ‘passionaria’, van het Brusselse millenium ‘versie 979’. Niet ten onrechte wees zij erop dat Karel van Frankrijk de eerste twee jaar na het verwerven van zijn hertogstitel druk in de weer moet zijn geweest met het innemen en bezetten van Laon en Kamerijk. Bijgevolg kon hij zijn kasteel pas in 979 hebben gebouwd.“

Als we de serieuze geschiedeniswetenschap raadplegen, blijft volgens Roel Jacobs de oorsprong van Brussel in duisternis gehuld. In een document van Otto de Grote uit 966 worden een aantal bezittingen van de abdij van Nijvel vermeld, waaronder een stadium in Brussel. Daarmee kan zowel een markt, een opslagplaats als een gewoon stuk grond worden bedoeld. De bewuste passage is trouwens later bij de oorspronkelijke tekst ingevoegd, zodat het om een vervalsing kan gaan. Een ander document spreekt van een brug over de Zenne in Brussel in verband met een schenking die in de tijd van Karel de Grote zou zijn gedaan. Maar de tekst zelf dateert mogelijk van rond het jaar 1000, wellicht van later. De brug werd gebruikt om graan op boten te laden. Uit deze zwakke aanwijzingen kunnen we voorzichtig afleiden dat er in de tiende eeuw misschien een gehucht was met een laad- en opslagplaats. De omgeving van Brussel werd trouwens al veel langer bewoond. Brussel krijgt echter pas een ontwikkeling als de burcht op de Coudenberg en de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekerk worden gebouwd. En dat gebeurt pas in de elfde eeuw onder graaf Lambert Balderik van Leuven. In die tijd annexeert de (Franse!) graaf van Vlaanderen het Land van Aalst, waardoor Brussel een stuk dichter bij de grens van Neder-Lotharingen komt. Dit lijkt een verklaring voor de bouw van de burcht. Overigens lag iets verder stroomopwaarts, vlak voor Halle, de grens van het graafschap Henegouwen. Brussel had dus een strategische betekenis voor de graven van Leuven. Of dit piepjonge Brussel toen homogeen “Nederlandstalig” was, is nog maar de vraag. De Zenne loopt immers dwars door de taalgrens. Men moet de situatie van toen echter niet bekijken door de bril van vandaag.

Door Tim Trachet.

Niets uit dit artikel mag gedupliceerd worden zonder uitdrukkelijke toestemming!

Literatuur

Bruxelles… 1000 ans de rayonnement de la culture Française. Rossel, Brussel, 1979.

Paul De Ridder. Brussel. Geschiedenis van een Brabantse Stad. Vereniging voor Brusselse Geschiedenis/Stichting Mens en Kultuur, Brussel/Gent, 2000.

Paul de Saint-Hilaire. Histoire secrète de Bruxelles. Albin Michel, Parijs, 1981.

Roel Jacobs. Een geschiedenis van Brussel. Lannoo, Tielt, 2002.

L. van den Bruwaene. Le français à Bruxelles aux siècles passés? Rossel, Brussel, 1980.

NOTEN:

1 Mogelijk is die Franse naam er gekomen door verwarring met een ander standbeeld dat Juliaenheette.

2 Ook bekend als Lotrijk. Opper-Lotaringen of Lorreinen (la Lorraine) werd later kortweg Lotharingen genoemd.

3 Dit plein wordt gedomineerd door de onlangs gerestaureerde Sint-Orikshallen. Van de (overwelfde en omgeleide) Zenne is nu niets meer te merken.

4 De Borgwal, een zijstraat van het Sint-Goriksplein, herinnert nog aan de burcht. Maar die straatnaam dateert pas uit 1870. Voordien was die straat een deel van de Steenstraat, die naar de Grote Markt loopt. 

Authors
Tim Trachet
Publicatiedatum
20-05-2009
Opgenomen in
Geschiedenis