Europa in de ban van de anti-ggo-ideologie

foto: gia / belga
16 minuten
Leestijd:
De voorbije maanden werden opvallend veel acties gevoerd tegen de teelt van biotech-gewassen, beter bekend als genetisch gemodificeerde gewassen of kortweg ggo’s.

Ggo staat voor ‘genetisch gemodificeerd organisme’ en is eigenlijk een verzamelnaam waar ook ‘genetisch gewijzigde gewassen’ toe behoren. Wetenschappelijk gezien zijn beide echter misleidende termen omdat elke nieuwe gewasvariëteit - dus ook deze bekomen via klassieke veredelingsmethoden - het resultaat is van wijzigingen op genetisch niveau. In de vakliteratuur gebruiken genetici dan ook eerder de term ‘transgene gewassen’, verwijzend naar transformatie, het biotechnologisch proces dat genen binnenbrengt in planten. ‘Biotech-gewassen’ is een eerder populariserende term, afgeleid van ‘biotech crops’, een benaming die in de internationale literatuur echter steeds meer ingang vindt. 

De vernielende actie van de ‘Field Liberation Movement’ aan het aardappelveld in Wetteren op 30 mei 2011 zit wellicht nog vers in het collectief geheugen. Minder bekend is dat de week ervoor ‘Les Faucheurs Volontaires’, eveneens van de partij in Wetteren, laboratoria bezet hielden van het INRA (Institut National de la Recherche Agronomique) in Angers (Frankrijk), waar experimenten met biotech-perenbomen van start zouden gaan. 

Begin juni 2011 blokkeerden aanhangers van Greenpeace de aanplanting van de biotech-aardappel Amflora, eigendom van de chemiereus BASF, in Nedre Vojakkala (Zweden). Een maand later was Greenpeace opnieuw verantwoordelijk voor de vernietiging van het eerste proefveld met biotech-tarwe in Canberra (Australië). Op 24 juli protesteerden een groep bioboeren dan weer tegen veldproeven met biotech-aardappelen in Norwich (Groot-Brittannië). Het signaal is duidelijk: waar de voorbije jaren de anti-ggo-kritiek in de publieke media enigszins was afgenomen, beleven we momenteel een revival en rijst, althans in Vlaanderen, de vraag tot een heropening van het maatschappelijk debat.

Nochtans wierp de biotech-industrie dit jaar ook een terugblik op precies vijftien jaar commercialisering van biotech-gewassen en op hun impact vanaf de start van die commercialisering in 1996. ZIE: http://argenbio.org/adc/uploads/isaaa_2010/ISAAA_Briefs_42-Executive_Summary_Feb_2011.pdf

Wereldwijd werden sindsdien één miljard hectare biotech-gewassen aangeplant, een oppervlakte vergelijkbaar met de totale landmassa van de VS of China of een kleine 1000 keer het teeltareaal van België. Op onze wereldbol is 10% van het globale teeltareaal bedekt met biotech-gewassen en dat aandeel neemt jaarlijks toe. Continentsgewijs ligt meer dan 80% van dit biotech-areaal op het Amerikaanse continent, een kleine 10% ligt in Zuidoost-Azie en een paar procent in Oceanië en Afrika samen. Europa bezit met een luttele 0,1% het kleinste biotech-areaal, waarvan de overgrote meerderheid op Spaanse bodem te vinden is. In België worden – behalve in enkele veldproeven – geen biotech-gewassen in open lucht geteeld. Wel kennen we de import van ggo-afgeleid veevoer en vlees van dieren die ermee werden gevoerd. Het zeer beperkte ggo-areaal in Europa en het compleet ontbreken ervan in Vlaanderen valt des te meer op aangezien Europa, en de Universiteit Gent in het bijzonder, mee aan de bakermat liggen van de plantenbiotechnologie --- Chilton M. (2001) Agrobacterium: A memoir. Plant Physiol. 125 (1), 9-14.---  en er tot op heden een internationaal gerenommeerde en sterk uitgebouwde onderzoekstraditie heerst. Deze situatie is paradoxaal te noemen. De belastingbetaler ondervindt immers nauwelijks return van deze investering in kennisontginning. Hoe het zover is kunnen komen, ligt zoals vaak aan een complexe samenloop van omstandigheden. Een factor waar we echter niet omheen kunnen, is de hardnekkige perceptie dat de Europese consument biotech-gewassen als een bedreiging ziet, eerder dan een opportuniteit. Volgens de grootste tegenstanders, die steeds een bepalende rol hebben gespeeld in dit verhaal, biedt Europa zelfs geen plaats voor de noodzakelijke veldproeven om nieuwe toepassingen uit te testen. 

De vraag die we hier behandelen, is wat de drijfveren zijn van de tegenstanders die de Europese consument – en onrechtstreeks de partijpolitiek – op sleeptouw nemen in hun strijd tegen de teelt van biotech-gewassen. In grote lijnen lijkt die strijd vooral een afwijzing in te houden van een industrieel-wetenschappelijk landbouwmodel dat aangedreven wordt door machtige multinationals. In de plaats hiervan zweren zij bij biologische of agro-ecologische landbouw. Maar er valt uit hun betoog ook af te leiden dat hun afwijzing van biotech-gewassen fundamentalistisch van aard is. Bovendien is hun ideologie ver kunnen doordringen tot in het machtscentrum van de Europese regelgeving onder de vorm van een doorgedreven voorzorgsprincipe dat een rationele en op wetenschappelijk denken gebaseerde logica negeert. Met andere woorden, het ggo-dossier wordt niet enkel gebruikt als symbool van de verhouding tussen groot- en kleinkapitaal, maar evenzeer om een visie op natuur en wetenschap door te drukken. 

Laat ons de argumenten van de tegenstanders eens nader bekijken. Hun kritiek draagt  doorgaans drie aspecten: (voedsel)veiligheid, milieu-impact en een socio-economisch aspect. Vanaf de eerste commercialisering van biotech-gewassen waren al deze aspecten reeds aanwezig. Opvallend is echter dat sindsdien het zwaartepunt van de anti-ggo-kritiek sterk is verschoven. Onder invloed van de voedselschandalen die plaatsvonden – herinnert u zich nog de BSE-epidemie in Groot-Brittannië en de dioxine-affaire hier in Vlaanderen? – werd aanvankelijk sterk ingezet op het zaaien van twijfel omtrent voedselveiligheid. Dit werd versterkt door de Pusztai-affaire --- Ewen S.W.B. & Pusztai A. (1999) Effect of diet containing genetically modified potatoes expressing Galanthus nivalis lectin on rat small intestine. Lancet 354, 1353-1354.--- in Groot-Brittannië in 1998, toen Dr. Pusztai van het Rowett instituut in Schotland in de publieke media verklaarde dat bij experimenten in zijn lab afwijkingen waren vastgesteld in het verteringskanaal van proefdieren die met ggo-aardappelen werden gevoerd. Volgens Pusztai konden bepaalde van deze afwijkingen niet verklaard worden door de aanwezigheid van het soortvreemde transgene genproduct --- in dit geval hadden de ggo-aardappelen een soortvreemd gen ontvangen uit sneeuwklokje, dat instaat voor de productie van een lectine. Lectines zijn suikerbindende eiwitten die ondermeer ingezet worden om planten beter bestand te maken tegen insecten ---  in de aardappelen, en moesten ze dus te wijten zijn aan het proces van genetische modificatie zelf. --- Smith J.M. (2003) Seeds of deception. Totnes: Green Books, p. 19. --- De conclusie die al snel volgde, luidde dat geen enkel ggo-afgeleid product – waarvan sommige tot dan toe een commercieel succes waren gebleken – nog betrouwbaar kon zijn. Kort daarna werden deze producten dan ook uit de Europese winkelrekken gebannen. Tot op de dag van vandaag heeft echter geen enkel wetenschappelijk onderzoek kunnen bevestigen dat het proces van genetische modificatie op zich gevaarlijker zou zijn dan andere veredelingsmethoden zoals kruisingsveredeling of mutagenese. 

De vijandige perceptie op ggo’s die de Pusztai-affaire in Groot-Brittanië had uitgelokt, sloeg over naar het Europese continent. Kort na de nefaste reactie van de consument en ook omdat de lidstaten niet overeenkwamen in hun risico-analyses en de wetgeving rond ggo’s, besloot Europa de import of teelt van nieuwe biotech-gewassen voor onbepaalde tijd te blokkeren. In 1998 werd dan ook een de facto moratorium afgekondigd. Sindsdien werd het wetgevend kader rond ggo’s in Europa en de lidstaten grondig herzien. --- Devos Y., Reheul D., De Waele, D., & Van Speybroeck L. (2006) The interplay between societal concerns and the regulatory frame on GM crops in the European Union. Environ. Biosafety Res. 5: 127-149. --- In 2002 werd in het Italiaanse Parma ook het Europees voedselagentschap EFSA opgericht, dat vandaag als onafhankelijk orgaan aanvragen voor het importeren of telen van biotech-gewassen onder de loep neemt en in niet-Europese landen gezien wordt als het strengste orgaan bij uitstek in de evaluatie van ggo-dossiers. EFSA publiceerde onlangs een omvangrijk wetenschappelijk rapport --- EFSA GMO Panel Working Group on Animal Feeding Trials (2008) Safety and nutritional assessment of GM plants and derived food and feed: The role of animal feeding trials. Food Chem Toxicol. 46 Suppl 1:S2-70.---, waarin het stelt dat alle huidige gecommercialiseerde biotech-producten bij uitgebreide voedseltesten veilig zijn bevonden voor de volksgezondheid. Dit bevestigt wat de veiligheidsinstanties al jaren terug in de VS hadden geconcludeerd. Ondertussen zijn in Europa proefdiertesten nagenoeg standaard geworden in de evaluatieprocedure van nieuwe ggo-variëteiten (www.gmo-compass.org/eng/safety/human_health/41.evaluation_safety_gm_food_major_undertaking.html) en beraadt de Europese Commissie zich momenteel over de verplichting ervan. Op zich zijn evaluatieregels geen probleem. Het valt echter langs geen kanten te begrijpen dat ze niet gelden voor andere veredelingstechnieken, zeker aangezien er geen wetenschappelijke basis is om aan te nemen dat veiligheidsgaranties daar hoger zouden liggen dan bij genetische modificatie. 

De ggo-aardappelen van de veldproef in Wetteren illustreren bovenstaande problematiek. Deze ggo-aardappelen zijn bestand tegen aardappelrot, wat veroorzaakt wordt door de schimmel Phyto-phthora infestans. De aardappelen verkregen hun resistentie doordat genen uit wilde aardappelvariëteiten via gentechnologie ingebracht werden, daar waar men vroeger genen uit dezelfde genfamilie inkruiste via klassieke veredeling. Enkele variëteiten van de klassiek veredelde aardappel worden nog steeds voor biologische teelt verkocht. Toch moeten dergelijke klassiek veredelde variëteiten helemaal niet de strenge EFSA procedure doorlopen die wel voor biotech-variëteiten geldt. Zijn er dan wetenschappelijke gronden om enkel en alleen de biotech-aardappel te testen? In het geheel niet. Integendeel zelfs, want van de biotech-aardappelen is immers exact geweten welke genen worden binnengebracht én op welke locatie in het genoom ze belanden. Bij kruisingsveredeling daarentegen gaat het eerste criterium niet op, en ook het tweede criterium geldt slechts in bepaalde gevallen. Tijdens het kruisen kan men immers niet verhinderen dat, samen met het gen dat men wil inbrengen, ongewild ook een reeks andere ‘wilde’ genen achterblijven. Bovendien is van deze ‘wilde’ genen vaak nog geen wetenschappelijke kennis voorhanden. Dit betekent niet dat wij pleiten tegen veiligheidstesten. We stellen wel dat niet zozeer de gebruikte technologie, maar de karakteristieken van de genen die men inbrengt of de aard van de eigenschap die men in een gewas wijzigt, dienen te bepalen welke veiligheidstesten worden uitgevoerd. Op het Amerikaanse continent is dit reeds het geval, daar waar Europa sukkelt met een extreem gecompliceerde regelgeving die ggo’s – vaak onnodig – binnenstebuiten draait, terwijl andere niet-ggo-gewassen nagenoeg een vrijgeleide naar de markt krijgen.       

Al is het moratorium sinds 2004 niet meer van kracht, het evaluatieproces van de meer dan 40 ggo-dossiers die nu in de pijplijn zitten, verloopt tergend traag. En dat is niet omdat het EFSA haar werk niet doet. Zoals wetenschappers recent in het tijdschrift Nature Biotechnology aangaven --- Sabalza M., Miralpeix B., Twyman R.M., Capell T., & Christou P. (2011) EU legitimizes GM crop exclusion zones. Nat Biotechnol. 29(4):315-7.---, ligt de oorzaak bij de EU-lidstaten die nog steeds een sterk verdeelde positie innemen in het ggo-debat, waardoor er bij stemming over wetenschappelijk goedgekeurde dossiers geen vereiste politieke meerderheid wordt gehaald. Mede onder invloed van de anti-ggo-lobby, die haar kritiek stelselmatig verschoof naar vermeende gevaren van biotech-gewassen voor de natuur, is er sinds de ophef van het moratorium een pro- en contra-kamp ontstaan. Oudere, maar beklijvende metaforen, zoals ‘ggo’s zijn Frankensteinvoedsel’, werden nieuw leven ingeblazen. Ze symboliseren de angst voor controleverlies tijdens de teelt van ggo’s in open natuur en de ecologische rampen die daarop zouden kunnen volgen. Ecologische rampen bleven weliswaar uit, maar de verwarring bij leek én regelgever waren een feit. Getuige daarvan de beslissing enkele jaren geleden van de lidstaten Duitsland en Frankrijk om het telen van de insectenresistente biotech-mais MON810 stop te zetten (www.truthistreason.net/germany-bans-genetically-modified-corn-dangerous-to-environment-and-human-health). Dit gebeurde onder het voorwendsel dat deze gewassen een gevaar betekenen voor de biodiversiteit. Dit voorwendsel was duidelijk niet wetenschappelijk gefundeerd: een indrukwekkende metastudie van niet minder dan 40 onafhankelijke en wereldwijd georganiseerde veldproefexperimenten toonde immers aan dat de biodiversiteit van insecten in de afgekeurde biotech-gewassen gemiddeld hoger is dan op conventionele akkers waar klassieke insecticiden gespoten worden --- Marvier M., McCreedy C., Regetz J., & Kareiva P. (2007) A meta-analysis of effects of Bt cotton and maize on nontarget invertebrates. Science 8:1475-1477.---. De resultaten van deze metastudie hoeven niet eens te verwonderen. De aanwezigheid van het zeer gerichte Bt-toxine in biotech-planten zorgde er immers voor dat er tot dusver wereldwijd 300 miljoen kilogram actief breedspectrum insecticiden bespaard werden, wat overeenkomt met een reductie van ongeveer 10% van het wereldwijde pesticidenverbruik, wat positief is voor de biodiversiteit. De metastudie werd in het prestigieuze tijdschrift Science gepubliceerd, een tijdschrift dat hoge eisen stelt aan zijn auteurs en een strenge graad van wetenschappelijk onderzoek hanteert. Dat dergelijke spectaculaire resultaten in een toch sterk op sensatie belust medialandschap het brede publiek quasi niet bereiken, spreekt trouwens boekdelen. 

Europa dreigt stilaan te verzanden in een regelgeving die lidstaten toelaat om hun landbouwers de toegang tot goedgekeurde biotech-gewassen te ontzeggen. Vandaag overtreden dergelijke lidstaten daarmee nog steeds de wet. Landen als Duitsland en Frankrijk, die de teelt van de goedgekeurde MON810-maïsvariëteit verbieden, zien zich dan ook bedreigd met rechtszaken, aangespannen vanuit de Amerikaanse zaadindustrie, die dit als broodroof ervaart. Een wijziging in de wetgeving die binnenkort ter stemming ligt bij het Europees Parlement wil dergelijke rechtszaken in de toekomst echter voorkomen door Europese lidstaten zelf te laten beslissen of zij biotech-gewassen accepteren. Deze wetgeving kan enerzijds het goedkeuren van nieuwe ggo-dossiers op het niveau van de Europese commissie bevorderen, omdat lidstaten op zichzelf nog een stok achter de deur zullen hebben. Maar het valt anderzijds te vrezen dat landbouwers in landen die tot het contra-kamp behoren, nauwelijks nog toegang zullen hebben tot de meest moderne ontwikkelingen in gewasveredeling. Wat dit aan verlies kan betekenen voor de Europese landbouwer, zien we geïllustreerd in Roemenië. Roemeense landbouwers waren kort voor de toetreding van hun land tot de EU overgeschakeld op de teelt van ggo-soja. Dit leverde hen een toename in inkomsten op van maar liefst 25% --- Brookes G. & Barfoot P. (2011) Global impact of biotech crops: Environmental effects 1996-2009. GM Crop. 2(1), 34-49.---. Ggo-soja staat echter nog altijd niet op de lijst van goedgekeurde gewassen voor teelt in de EU, waardoor de sojateelt na de toetreding tot de unie aan banden werd gelegd en in elkaar stortte. Als we kijken naar de teelt van herbicide-tolerante soja op het Amerikaanse continent, zien we dat dit een drastische toename van ‘non-tilling’ opleverde, wat betekent dat de landbouwer zijn veld niet meer hoeft te ploegen, met sterke vermindering van bodemerosie tot gevolg. Het is een niet onbelangrijke kanttekening dat, samen met de vermindering van zoetwaterbronnen, bodemerosie wereldwijd tot de zwaarste problemen van de huidige landbouw behoort en in sommige regio’s, zoals China, al een tikkende tijdbom vormt --- Brown L.R. (2011) World on the edge: How to prevent environmental and economic collapse. New York: W.W. Norton & Company, p. 38.---.   

Ondertussen, nu het potentieel van plantenbiotechnologie om de ecologische voetafdruk van de landbouw te verlichten ook daadwerkelijk op het veld wordt gemeten, verschuift de antibeweging haar kritiek in de richting van socio-economische bekommernissen. Dat is niet slecht gezien in moeilijke socio-economische tijden, waarin het grootkapitaal onder vuur ligt. De antibeweging linkt de ggo-technologie dan ook graag aan grootschalige firma’s zoals het Zwitserse Syngenta en het Duitse BASF. Finaal wordt vooral het Amerikaanse Monsanto geviseerd. Doordat dit momenteel niet enkel de grootste speler in de ggo-zaadindustrie is, maar tevens een verleden met zich meedraagt van groen protest tegen zijn ontwikkeling van het insectenbestrijdingsmiddel DDT in de jaren zestig, vormt Monsanto vandaag een ideaal doelwit voor een nieuwe anti-ggo-campagne. Die campagne is niet in de eerste plaats bedoeld om de zaadindustrie schade te berokkenen. De anti-ggo-lobby heeft haar pijlen immers nooit gericht op de teelt van door kruising voortgebrachte F1-hybriden, waarvan de zaden jaarlijks opnieuw bij de firma moeten aangekocht worden. Nochtans is het overgrote deel van ondermeer de maïs die overal in Vlaanderen en in de rest van de westerse wereld op uiterst grote schaal wordt geteeld, van dat kaliber. Het zijn ook diezelfde F1-hybriden die (lang voor er sprake was van biotech-gewassen) de macht van de grote zaadbedrijven in de landbouw definitief hebben gevestigd. Vóór de overname door de grootindustrie was klassieke veredeling een interessante investering voor kmo’s en de publieke sector. In minder ontwikkelde landen zoals China en India is dat trouwens nog altijd het geval. Ook gentechnologie hoeft in principe geen monopolie voor zaadbedrijven te zijn, getuige daarvan het redden van de papayateelt ruim tien jaar geleden in Hawaï. Ggo-papaya, bestand tegen het papaya ringspot virus, werd ontwikkeld aan de Cornell University in New York met een uiterst beperkt budget van 60.000 dollar en herstelde na zijn release in 1998 de papaya-oogst op Hawaï. --- Gonsalves D. (2006) Transgenic papaya: Development, release, impact and challenges. Adv Virus Res. 67:317-54.--- De laatste decennia is in het Westen de publieke financiering van landbouwkundig onderzoek echter stelselmatig gedaald. De uiterst strenge regelgeving omtrent ggo-gewassen brengt ook nog eens ontzaglijke kosten met zich mee. Het resultaat is dat enkel grote kapitaalkrachtige bedrijven, die hun aandacht normaliter richten op bulkgewassen zoals maïs, soja, koolzaad en katoen, dit nog aankunnen. Mocht de irrationele angst voor ggo-technologie minder spelen in het Westen, dan zou de regelgeving in Europa kunnen aangepast worden aan de socio-economische realiteit en aan de kennis die we de afgelopen vijftien jaar hebben opgebouwd. Dit is wellicht de grootste uitdaging voor het komende decennium, en niet in het minst in het belang van ontwikkelingslanden die sterk inzetten op biotech-gewassen en nu al meer dan 100 nieuwe variëteiten in de pijplijn hebben, vele daarvan bekomen op kracht van publieke financiering. Plantenbiotechnologie is vandaag niet langer een westerse aangelegenheid. Nu al is 90% van de boeren die biotech-gewassen telen, afkomstig uit ontwikkelingslanden7. Daar zitten miljoenen boeren bij uit India of Burkina Faso die de voordelen ervaren van Bt-katoen. Velen daarvan telen een klein aantal hectaren met spectaculaire opbrengstverhoging en minder onkosten voor pesticiden tot gevolg. Dat heeft een rechtstreekse impact op de welstand van hun familie, niet alleen financieel maar ook op vlak van levenskwaliteit. Alleen al minder tijd moeten investeren in het besproeien van velden, geeft deze mensen een ander leven. ---Qaim M. (2010) Benefits of genetically modified crops for the poor: Household income, nutrition, and health. N Biotechnol. 27(5):552-557. ---

Samenvattend: ondanks de aangetoonde veiligheid voor de volksgezondheid, ondanks het bewezen potentieel om de milieulasten van conventionele landbouw terug te dringen en ondanks het toenemend aantal voorbeelden waarbij de socio-economische toestand van (arme) landbouwers wordt verbeterd, blijven tegenstanders ongenuanceerd deze positieve en interessante ontwikkelingen in de plantenbiotechnologie afzweren en zoeken zij nieuwe invalshoeken om het gelijk (of in dit geval minstens het grote publiek) aan hun kant te krijgen. Dat suggereert een redenering die niet gebaseerd is op rationeel-wetenschappelijk denken, maar op een ideologisch denken dat zo goed als geen hoogtechnologische inmenging van de mens in de natuur wenst te tolereren en zeker niet in het genetisch materiaal dat als de essentie van een organisme wordt gezien. De echte drijfveer van deze antibeweging is dan ook de toepassing van gentechnologie in de landbouw ten stelligste te blokkeren. Dit is niet zomaar een onschuldig randverschijnsel. Het heeft zich via een sterke groene lobby een weg gebaand – zelfs ‘geïnstitutionaliseerd’ – in de Europese regelgeving. Op langere termijn dreigt het gevaar dat de Europese boer niet langer toegang zal hebben tot de meest recente ontwikkelingen in de landbouw en dat boeren uit ontwikkelingslanden niet ten volle zullen kunnen profiteren van hun producten omdat ze niet op de Europese markt geraken. Op die manier dreigt ons continent de mogelijkheden van technologie niet langer te erkennen of te verkennen en dreigt het verder geïsoleerd te geraken van de rest van een minder technofobe wereld.

Geert De Jaeger en Linda Van Speybrouck zijn respectievelijk verbonden als hoofddocent aan de Vakgroep Plantenbiotechnologie en Bio-informatica en als postdoctoraal onderzoeker aan de Vakgroep Moraalwetenschap en Filosofie van de Universiteit Gent.

Publicatiedatum
08-08-2011
Opgenomen in
Voeding & Dieet