Buitenaards of al te menselijk?

Von Däniken en de astronauten in de oudheid
Een van de vele rotstekeningen van de Val Carmonica in de Italiaanse Alpen
13-11-2012

-

door verscheen in :
13 minuten
Leestijd:
In 1968 verscheen Erinnerungen an die Zukunft (vertaald als Waren de goden kosmonauten?), van de Zwitserse hotelier Erich von Däniken. In het boek ontvouwde von Däniken zijn ‘astronauten-in-de-oudheid’-hypothese. De goden uit de verschillende religies en mythologieën waren, zo beweerde hij, in feite buitenaardse wezens. Deze ‘goden’ bezochten in het verleden onze planeet en grepen bovendien actief in onze biologische en culturele ontwikkeling in.[1]

De goden uit de ruimte legden von Däniken geen windeieren. Erinnerungen an die Zukunft werd verfilmd, zijn boeken werden bestsellers en in 2003 opende von Däniken zelfs een pretpark gewijd aan het onderwerp. 

In wat volgt zal ik von Dänikens hypothese voornamelijk bekritiseren aan de hand van een van zijn recentere boeken, Die Götter waren Astronauten (2001, vertaald als De goden wáren astronauten). Meer specifiek bekritiseer ik zijn misbruik van Indische en Tibetaanse tekstuele bronnen. 

Buitengewone beweringen

Waarom mogen we von Dänikens ‘astronauten in de oudheid’-hypothese met recht buitengewoon noemen? Eerst en vooral is ze strijdig met wat we al weten over de wereld. Alles wijst er bijvoorbeeld op dat het mensen waren die de door von Däniken aangehaalde gebouwen en artefacten maakten. Onder meer dankzij de zogenaamde ‘experimentele archeologie’ hebben we een aantal oude technieken kunnen reconstrueren voor het optrekken van bepaalde monumenten en monumentale bouwwerken, waaronder de moai-beelden op Paaseiland[2]. Ook van de Egyptische piramiden weten we hoe ze werden gebouwd. We weten welke werktuigen men ervoor gebruikte en we kunnen de evolutie ervan reconstrueren, van eenvoudige mastaba’s tot grootse piramiden. Aangezien we het bestaan van de meeste artefacten perfect kunnen verklaren door middel van menselijk handelen, is het zinloos de theorie uit te breiden met vergezochte entiteiten als ‘buitenaardse goden’. Dat we nog niet voor alle technologische hoogstandjes uit de oudheid een verklaring hebben, zegt minder over de waarschijnlijkheid van een buitenaardse ingreep dan over het vernuft van oude culturen.+


foto: von Däniken op 'onderzoek'

Von Dänikens verklaring roept bovendien meer problemen op dan dat ze oplossingen biedt. Waarom zouden de goden/astronauten een dergelijke afstand afleggen om de mens enkele bouwwerken te laten optrekken en vervolgens spoorloos te verdwijnen? Waarom lieten ze de gebouwen optrekken in steen en andere primitieve materialen, terwijl ze zelf beschikten over hoogtechnologische snufjes? In Egypte zijn vondsten gedaan die wijzen op mislukte bouwprojecten. Waren de goden dan toch niet zo’n goede werfopzichters?

Evenmin houdt von Däniken rekening met de chronologie of de historische context. Zowel de piramiden van Egypte als de Mayasteden en de beelden van het Paaseiland getuigen volgens hem van buitenaards bezoek, maar het hoogtepunt van de Mayasteden dateert van zowat de achtste eeuw van onze tijdrekening, 34 eeuwen na de bouw van de Grote Piramide. De meeste beelden van het Paaseiland zijn nog jonger. Hoe lang duurde dat buitenaards bezoek? Of zijn er meerdere geweest, en zo ja, hoeveel? Von Däniken stelt zich die vragen niet en situeert alles in een grijs verleden. 

Ook biologisch raken de uitspraken van von Däniken kant noch wal. Hij beweert dat zijn buitenaardse goden de mens niet alleen technologische kennis bijbrachten, maar ook genetisch manipuleerden. In De goden wáren astronauten klinkt dat als volgt: 

Alleen verliep de evolutie niet in een rechte lijn, maar met bokkensprongen in twee richtingen. Aan de ene kant werden er telkens nieuwe genetische berichten op het ‘systeem Aarde’ afgevuurd, die ons via kosmisch stof bereikten. Aan de andere kant hebben buitenaardse bezoekers gericht in het menselijk genoom ingegrepen. (p. 263)

Waaruit die ‘genetische berichten’ dan wel bestaan en hoe ze werken, blijft onverklaard. Evenmin legt von Däniken uit waarop hij zich baseert voor een dergelijke claim. Als buitenaardsen werkelijk met ons genetisch materiaal hebben geknutseld, zou dat sporen moeten nalaten, maar wetenschappelijk gezien ontbreekt elke aanwijzing voor plotse, onverklaarbare genetische veranderingen in onze recente evolutie. De goden in de door hem aangehaalde religies zijn bovendien meestal antropomorf, terwijl er geen enkele reden is om aan te nemen dat een intelligente buitenaardse soort ook maar enige gelijkenis zou vertonen met de mens.

Pseudowetenschappelijke strategieën

In De goden wáren astronauten borduurt von Däniken voort op de trend die hij inzette in Waren de goden kosmonauten?: hij veegt de voeten aan elke vorm van wetenschappelijkheid. Ondanks de uitgebreide weerlegging van de beweringen in zijn eerste boek, met onthulling van talloze fouten en halve en hele onwaarheden (zie o.a. Story 1976), is hij zijn these altijd blijven verdedigen. De goden wáren astronauten confronteert ons met theologische, geschiedkundige, filologische en archeologische argumenten. Ook de obligate verwijzingen naar de kwantumfysica ontbreken niet. 

Net als het merendeel van de complotdenkers beschikt von Däniken, als voormalig hotelier, over geen enkele expertise op het gebied van de claims die hij maakt. Uiteraard mag hij als leek bepaalde hypothesen naar voren schuiven, maar als daarop zware kritiek komt vanuit wetenschappelijke hoek en als er gewezen wordt op het ondermaatse niveau van zijn argumenten, is het misschien voorzichtig om in eigen boezem te kijken. Von Däniken grijpt echter naar drogredenen om zijn critici te lijf te gaan. We treffen een hele reeks ad hominem-argumenten aan, waarbij critici afgedaan worden als dogmatici of gewoon als dom. In sommige gevallen wordt dit naar de lezer gericht als een soort psychologisch overtuigingsmiddel: ‘U behoort toch niet tot die verzameling dogmatici en dommeriken?’ Een voorbeeld: 

Bezoekers uit de ruimte? Reëel bestaande goden, duizenden jaren geleden? Onmogelijk! Trek het boetekleed maar aan. En de deskundige die nog over een restje talent voor vrije associatie beschikt, zal zich er wel voor hoeden om vondsten die niet in het beeld passen met collega’s te bespreken, laat staan erover te schrijven. Dan zou hij zich belachelijk maken. Wat er niet mág zijn, kán er ook niet zijn. (p. 222)

Daarnaast bedient de auteur zich van immunisatiestrategieën. Zo oppert hij op pagina 130 dat de mensheid nog niet klaar is voor de waarheid en dat de goden/astronauten daarom eventuele bewijsstukken soms laten verdwijnen. Dat hij voor sommige boude beweringen geen bronnen kan geven, verklaart hij dan weer doordat die informatie zogenaamd van experts komt die anoniem willen blijven. 

Het Indische tekstmateriaal 

Mijn verdere kritiek op dit boek wil ik echter toespitsen op von Dänikens behandeling van Indische en Tibetaanse bronnen. Die bestaat erin bepaalde passages uit hun context te rukken en vervolgens te gebruiken in een warrig betoog, doorspekt met retorische vragen. Soms baseert hij zich op inauthentieke bronnen. Bovendien heeft hij de irritante gewoonte om bij zijn meest gewaagde claims niet te verwijzen naar de specifieke passages waarop hij zich baseert, maar gewoon vaagweg aan het werk te refereren. 

Een aantal van zijn bronnen is van zeer twijfelachtig allooi. Zo heeft hij het over ‘oeroude’ verhalen uit verschillende culturen die gewag zouden maken van oorlogen door goden/astronauten. Als voorbeeld vermeldt hij teksten uit Tibetaanse kloosters die dzyan worden genoemd, en hij citeert uit deze dzyan. Wanneer we echter de noot bij het citaat lezen, is dit blijkbaar niet ontleend aan een kritische uitgave van de dzyan-geschriften, maar aan het boek De geheime leer (1888) van Helena Petrovna Blavatsky, een van de oprichtsters van de Theosofische Vereniging. Blavatsky’s boek is allesbehalve een wetenschappelijke bron: het bevat een esoterische theorie over de oorsprong van de mens en de kosmos. Over de zogenaamde dzyan-geschriften schrijft Blavatsky in de inleiding het volgende: 

Het boek van Dzyan (of ‘Dzan’) is volslagen onbekend aan onze taalkundigen, of in ieder geval hadden zij er onder de tegenwoordige naam nooit van gehoord. Dit is natuurlijk een groot nadeel voor degenen, die de door de officiële wetenschap voorgeschreven onderzoekmethoden volgen, maar voor de onderzoekers van het occultisme en voor iedere echte occultist zal dit van weinig belang zijn.[3]

Het probleem is dat von Däniken net wel de pretentie heeft om aan wetenschap te doen.

Von Däniken verwijst verder naar een zogenaamde ‘Vymaanika-Shaastra’. Het betreft volgens hem, hoe kan het anders, een oeroude overlevering. Onderzoek van het Sanskriet in de tekst sluit echter een oude herkomst uit. De tekst is waarschijnlijk opgesteld in het begin van de twintigste eeuw en zou afkomstig zijn van een ‘wijze’ die geregeld door mystieke inspiratie Sanskrietverzen debiteerde.[4]

In verband met de tekstfragmenten die wel authentiek zijn, komen zijn redeneringen neer op het volgende:

  1. We vinden in de oude Indische teksten beschrijvingen van wapens en tuigen die we nu kunnen interpreteren als een beschrijving van hoogtechnologische wapens. 
  2. De mensen die deze teksten schreven, hadden niet de kennis die wij hebben van deze wapens, dus zij kunnen de beschreven gebeurtenissen onmogelijk verzonnen hebben.

Ergo: de beschreven gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden. 

Wat het eerste punt betreft, ligt het probleem eerder bij het feit dat von Däniken vanuit zijn hedendaags perspectief – en vooral vanuit zijn overtuigingen – interpretaties oplegt aan de tekst. Het is niet omdat we bepaalde passages kunnen interpreteren als een beschrijving van een atoomoorlog (een voorbeeld dat von Däniken aanhaalt) dat het effectief om zo’n beschrijving gaat. Hij haalt nooit passages aan die zijn hypothese ondubbelzinnig staven. Zo zou een beschrijving van een paddenstoelenwolk een sterke aanwijzing zijn. Hij voert ook nooit overtuigende redenen aan om te twijfelen aan de meer plausibele interpretatie van die passages. 

Het tweede punt in de redenering lijkt mij een grove onderschatting van de menselijke verbeelding. Bovendien is dit argument enkel geldig indien men er al van uitgaat dat er effectief zoiets beschreven wordt als moderne wapens en oorlogsvoering. Het is typisch voor mythen en legendes dat ze de zaken zeer groots voorstellen. Dat men de schaal van vernietiging die beschreven staat in de teksten nooit had kunnen verwezenlijken met toenmalige wapens, wil niet zeggen dat men zich zo’n schaal van vernietiging niet kon voorstellen. Het betreft hier verhalen waarin goden meespelen, en de kracht van de goden verdient het dan ook om in alle mogelijke superlatieven beschreven te worden.


Foto: Waarschijnlijk werd na het instorten van de piramide in Meidoum de hellingshoek van deze piramide in Dashur tijdens de bouwwerken herzien. Voorbeelden als deze wijzen erop dat de perfectie van de piramiden van Chefren en Cheops eerder het gevolg zijn van een 'menselijk en al te menselijk' proces van trial and error.

Om af te sluiten nog enkele faliekante fouten. Op pagina 189 betrappen we de auteur op een flagrante leugen: 

Als brandstof gebruikte de hemelwagen bepaalde vloeistoffen, ‘madhu’ en ‘anna’, waarvoor de sanskritisten geen goede vertaling konden vinden.

Een verwijzing naar specifieke verzen ontbreekt opnieuw, maar iedereen met ook maar enige kennis van de Vedische religie ziet, zelfs zonder context, waar von Däniken op aanstuurt en waar hij de mist in gaat. De hemelwagen waarvan sprake is die van de Aśvins. Aśva betekent ‘paard’ in het Sanskriet en het suffix ‘-in’ duidt bezit aan. Letterlijk betekent dit dus ‘de paard-hebbers’. De Aśvins zijn een goddelijke tweeling die men in allerlei situaties aanroept voor hulp. Ze staan bekend als zeer goede wagenmenners. Hun Europese tegenhangers zijn de zogenaamde Dioscuren: Castor en Pollux. De Vedische religie heeft namelijk dezelfde Indo-Europese oorsprong als die van de Grieken en de Romeinen. Dat deze goden sterk verbonden zijn met paarden en dus ook met door paarden getrokken strijdwagens (en geen ruimteschepen) pleit al in het nadeel van von Däniken. Uiteraard verwijst hij nergens naar deze feiten. 

In het Vedische wereldbeeld moet men geregeld offers brengen aan de goden. Deze offers houden de orde in de wereld in stand. In de Vedische hymnen worden de offergaven vaak beschreven als dingen die de goden in staat stellen hun goddelijke daden te verrichten. De ‘brandstof’ waarnaar von Däniken verwijst, betreft dus waarschijnlijk de offergaven. Bovendien heb ik nergens fragmenten kunnen vinden waarin er termen gebruikt worden die je zou kunnen vertalen als ‘brandstof’. De lezing van von Däniken lijkt dan ook meer gebaseerd op zijn vooroordelen dan op een kritische tekstexegese. 

De vertaling van ‘madhu-’ en ‘anna-’ is snel te vinden. ‘Madhu-’ betekent meestal ‘honing’ (denk aan het woord ‘mede’) en ‘anna-’ betekent gewoon ‘eten’ (meestal wordt hiermee gekookte rijst bedoeld). Het gaat hier dus gewoon om de offergaven die aan de goden worden aangeboden. 

Het is inderdaad zo dat het Vedisch Sanskriet moeilijker te vertalen en interpreteren is dan het zogenaamd klassieke Sanskriet. Van bepaalde woorden wordt de specifieke betekenis nog steeds bediscussieerd. Jammer genoeg voor von Däniken heeft hij net twee van de minst problematische woorden uitgekozen om zijn claims te ondersteunen.

Even verder verwijst hij naar verzen in de Rig Veda waarin sprake zou zijn van bevrijdingsoperaties vanuit de lucht, uitgevoerd met ‘vliegtuigen’. Toen ik die verzen erop nasloeg, vond ik geen beschrijving van reddingsoperaties met vliegtuigen, maar wel een zin die het meer dan waarschijnlijk maakt dat de wagen van de Aśvins tóch een strijdwagen getrokken door paarden was en geen ruimteschip. RV 01.46.3c: 

yad vām ratho vibhiş patāt[5]
- jullie beider strijdwagen dewelke getrokken door paarden voortbeweegt

Uiteraard wordt naar zo’n passages dan weer niet verwezen.

Von Dänikens behandeling van de Indische bronnen is een voorbeeld van slechte tekstkritiek. Zijn claims zijn gebaseerd op een bevooroordeelde en fragmentarische lezing van de teksten. Van zodra men de teksten in hun context plaatst, beseft men de absurditeit van zijn beweringen. 

Besluit 

Von Dänikens werkwijze geldt terecht als pseudowetenschappelijk. Zijn argumentatie is een extreem voorbeeld van kersenplukken: hij gaat in verschillende disciplines op zoek naar feiten die zijn stelling kunnen ondersteunen, maar negeert daarbij andere, meer waarschijnlijke interpretaties. Informatie die zijn beweringen tegenspreekt of weerlegt, wordt verzwegen. Tekstuele ‘bewijzen’ blijken uit de context gerukt, verkeerd geïnterpreteerd of zelfs compleet verzonnen. 

Om toch de vele vellen papier die in von Dänikens werk kropen enig nut te laten hebben, kunnen ze in vakken methodologie dienen als voorbeeld van hoe het niét moet. Wie thuis is in een van de vele vakgebieden waarop von Däniken zich waagt, kan bovendien gemakkelijk ontdekken waar zijn redeneringen de mist in gaan. Een leuk tijdverdrijf voor op een verloren zondagnamiddag? 

Pieter Present studeert wijsbegeerte aan de Universiteit Gent.

  1. Von Däniken ontwikkelt doorheen zijn oeuvre verschillende hypotheses over die biologische ingrepen. Een degelijke bespreking (en weerlegging) daarvan is te vinden in Ronald Story, The Space Gods Revealed: A Close Look at the Theories of Erich von Däniken. 2nd ed. New York: Barnes & Noble, 1976.
  2. Zie www.eisp.org/category/archaeology/transport. In 1997 werd er ook een dergelijk experiment uitgevoerd voor het NOVA-programma ‘Secrets of Lost Empires’. De website bevat veel beeldmateriaal: www.pbs.org/wgbh/nova/lostempires/easter.
  3. http://www.theosofie.net/onlineliteratuur/geheimeleer/index.html. Het boek is volledig te lezen op de website van het Theosofische Genootschap.
  4. M. Deshpande, H. R. Nagendra, A. Prabhu en S. P. Govindaraju. ‘A Critical Study of the Work ‘Vyamanika Shastra’. Scientific Opinion (1974): 5-12.› Het pleit niet voor von Däniken dat twee van zijn bronnen niet authentiek zijn.
  5. www.sanskritweb.net/rigveda/rvfinder.pdf

Literatuur

  • Braeckman, Johan, en Maarten Boudry, De ongelovige Thomas heeft een punt. Een handleiding voor kritisch denken. Antwerpen: Houtekiet, 2011.
  • Deshpande M., H. R. Nagendra, A. Prabhu en S. P. Govindaraju, ‘A Critical Study of the Work ‘Vyamanika Shastra’’ Scientific Opinion (1974): 5-12. 
  • Monier-Williams, Monier, A Sanskrit-English Dictionary. Delhi: Motilal Banarsidass, 2005.
  • Story, Ronald, The Space Gods Revealed: A Close Look at the Theories of Erich von Däniken, 2nd ed. New York: Barnes & Noble, 1976.
  • Von Däniken, Erich. De goden wáren astronauten. Het ware verhaal van de hemelse oorlog. Amsterdam: Uitgeverij Luitingh-Sijthoff, 2002.

Online bronnen

Authors
Pieter Present
Publicatiedatum
13-11-2012