06-07-2009 Geerdt Magiels en Gie van den Berghe, 2000

Twee aparte boekbesprekingen over één en hetzelfde boek: "De Weense kwakzalver" van Han Israëls. Beide auteurs hadden onafhankelijk van elkaar een bespreking gemaakt; een prima gelegenheid voor de lezer-skepticus om te vergelijken en zelf te oordelen.

FREUD OP DE PIJNBANK

De leugen ontmaskerd, door Geerdt Magiels.

Freud was een leugenaar. De weinige feiten die hij aandroeg om zijn pseudowetenschappelijke constructies te staven waren verzonnen of gemanipuleerd. Zijn beweringen zijn onbetrouwbaar. De manier waarop hij patiënten behandelde was onethisch. Kortom: Freud was een kwakzalver. Dat is de enige mogelijke conclusie na het lezen van Han Israëls’ De Weense kwakzalver.
Voor een figuur die door velen als een groot wetenschapper beschouwd wordt (in één rijtje met Newton, Darwin en Einstein) en wiens leer op de universiteiten nog steeds onderwezen wordt, lijkt dat een erg zwaar verdict. Maar als je Israëls’ argumenten en bewijzen doorneemt, besef je dat diens gedrevenheid om Freud te ontmaskeren alleen maar terecht kan genoemd worden. Bovendien, hij valt Freud niet aan. Hij bestudeert en analyseert het werk van de man uit Wenen. De conclusies moet je zelf trekken. En die zijn niet mals. Daarom worden psychoanalytici ook woest van Israëls’ werk.

Freud heeft meer dan eens, je zou soms gaan denken systematisch, de werkelijkheid geweld aangedaan.


Israëls is historicus en legt zich toe op de geschiedenis van de psychologie. Een van zijn specialiteiten is het minutieus uitpluizen van het werk van Sigmund Freud. Hij is in ons taalgebied een van de zeldzame onderzoekers die Freuds teksten kritisch analyseert en Freud op zijn plaats kan zetten op basis van zeer grondige literatuurstudie. Internationaal hoort hij thuis in het rijtje Crews en Webster. Israëls vertelt misschien niet veel nieuws voor Freud-critici, maar zijn toegankelijke verhaal verdient ruime aandacht, zeker ook bij mensen die in Freud een belangrijk denker of onderzoeker zien.
Want wat blijkt? Freud heeft meer dan eens, je zou soms gaan denken systematisch, de werkelijkheid geweld aangedaan. Hij heeft feiten verzwegen of verdraaid, hij heeft alleenstaande gevallen opgeblazen tot iets wat leek op een bewezen theorie, hij heeft gelogen en gemanipuleerd om vermeende feiten in zijn denkkader te doen passen. Op die manier had hij natuurlijk altijd gelijk. Als je de voorbeelden van dit Freudiaanse gedrag leest, denk je eerst dat het niet waar kan zijn. De feiten die Israëls op een rijtje zet zijn heel overtuigend, en ze tarten elke verbeelding. Het graafwerk dat hij levert is zo degelijk dat je echt wel tot de conclusie moet komen dat Freud een charlatan en een bedrieger is geweest.
Anna O. is een van Freuds beroemdste patiënten. Zij werd niet echt door hem behandeld, maar door zijn leermeester Breuer. Die had in 1880 al een praatkuur uitgedacht waarmee hij de vrouw behandelde. Freud was daar zo van onder de indruk dat hij er samen met Breuer een boek over schreef. Daarin vertellen ze hoe succesrijk de behandeling wel was geweest. Freud heeft steeds in zijn officiële geschriften beweerd dat ze genezen was en na de behandeling op vakantie was vertrokken. Freud beschouwt deze casus ook zowat als het startpunt van de psychoanalyse.

In werkelijkheid kwam aan de behandeling van Anna O. een einde omdat zij moest worden opgenomen in een gekkenhuis. De ware identiteit van Anna O. werd jaren later bekend. Zij heette Bertha Pappenheim, was een joodse activiste die streed tegen de vrouwenhandel en een tehuis voor gevallen meisjes leidde. Zo weten wij ook dat ze de psychoanalyse beschreef als een tweesnijdend zwaard en dat zij zich verzette tegen het gebruik ervan.
Freud zelf heeft haar behandeling echter altijd voorgesteld als een geweldig therapeutisch succes, terwijl hij goed genoeg wist dat het dat niet was. Wat uitvoerig blijkt uit zijn privé-correspondentie. Ook de Wolvenman  — een andere beroemde patiënt van Freud —  was op 80-jarige leeftijd nog steeds dezelfde dwangneuroticus die hij bij aanvang van de therapie was. Ook hij werd opgevoerd door Freud als een bewijs voor het succes van zijn methode. Freud gaat niet alleen uit van oncontroleerbare, alleenstaande en dus statistisch nietszeggende gevallen, zijn verslag van die vermeende feiten blijkt bovendien niet eens te kloppen met de werkelijkheid. Al die wonderbaarlijke genezingen blijken dus niet meer te zijn dan psychoanalytische sprookjes.
Op een bepaald moment ging Freud een samenwerking aan met de Berlijnse arts en chirurg Fliess. Zij geloofden dat masturbatie kan leiden tot blijvende schade aan de geslachtsorganen en voor het verhelpen van die schade beschikte Fliess over een revolutionaire methode: een operatie aan de neus.
De jonge Emma Eckstein was een patiënte van Freud en kwam op die manier op de operatietafel van Fliess terecht. Fliess vergat een halve rol verbandgaas in de wonde en dat leidde tot een onverkwikkelijke ontsteking en een wonde die maar niet genas. Bloedingen bleven regelmatig optreden; op een bepaald moment bloedde Eckstein zelfs bijna dood. In brieven schreef Freud dat die bloedingen het gevolg waren van een onbewust verlangen ("wensbloedingen") van deze patiënte. (En niet het gevolg van een kunstfout van de neuschirurg, die op die manier vrijgepleit was van schuld.) De correspondentie tussen Freud en Fliess werd gepubliceerd door Freuds dochter Anna in 1950. Daarin had zij echter grondig de schaar gezet zoals bleek toen de Freud-afvallige Jeffrey Masson ze in 1985 in ongekuiste versie publiceerde. Bezwarende of ongepaste opmerkingen van Freud waren er door zijn dochter netjes uit weggelaten.

Deze feiten zijn niet ruim bekend. Ook niet, en dat is verwonderlijk, bij mensen die de psychoanalyse bestuderen of bedrijven. Dat is ook niet toevallig. Dit soort feiten wordt stelselmatig door de psychoanalytici geheim gehouden. Soms denk je dat ze het gewoon niet willen weten. Om hun eigen terminologie te gebruiken: ze verdringen de waarheid over hun eigen leer.
Grote stukken van Freuds geschriften zitten trouwens opgeborgen in het Freudarchief waaruit de laatste stukken pas binnen honderd jaar beschikbaar komen (het laatste in 2102). Als er al eens iets uit vrij komt, blijkt het in tegenspraak te zijn met de mooie officiële verhalen van Freud zelf. Gelet op het vernietigend vermogen van wat uit de archieven wordt opgedolven, is het niet verwonderlijk dat de psychoanalytici dit alles liever geheim willen houden.

Het speurwerk van Israëls in Freuds geschriften toont aan dat allerhande compromitterende passages verwijderd werden.


Het speurwerk van Israëls in Freuds geschriften toont aan dat allerhande compromitterende passages verwijderd werden. Freuds verslaving aan cocaïne werd weggemoffeld. De zinnen verdwijnen  waarin hij (die niet veel klanten had en dus ook niet bemiddeld was) een nieuwe patiënte beschrijft als ‘een goudvis’ of waarin hij zegt ‘geld is lachgas voor mij’. Een hele brief werd weggelaten waarin hij schrijft: "Mevrouw M. is welkom; als zij geld en geduld meeneemt zullen wij een mooie analyse van haar maken. Als er daarbij nog een therapie voor haar overschiet, dan kan ook zij tevreden zijn." Freud moest als serieus arts worden voorgesteld, dus uit een andere brief verdween "ik slaap tijdens de middaganalyse." In weer een andere brief sneuvelt de zinsnede "ik heb juist een dame in hypnose voor mij liggen en kan daarom rustig verderschrijven". Freud deed aan multi-tasking door tegelijkertijd zijn briefwisseling en zijn patiënten te beheren.

Freud wordt dus door zijn volgelingen en archiefbeheerders de das omgedaan. In al deze gevallen gaat het echter om feiten die zich in de beslotenheid van de therapeutische situatie afgespeeld hebben en waar we verder geen objectief materiaal voorhanden hebben. De freudianen gebruiken dat als argument om de kritiek te neutraliseren. Maar dat nepargument gaat helemaal niet meer op als Freud zich baseert op publiek materiaal.
Zijn analyses van de gevallen Mozes, Dostojevski of Leonardo Da Vinci zijn nauwgezet bestudeerd, omdat daar Freuds uitgangsmateriaal wel voor iedereen beschikbaar is. En ook daar blijkt dat hij de feiten naar zijn hand zet. Het geval Da Vinci (latent homoseksueel volgens Freud) is tekenend. Freud baseert zijn analyse op een enkele spaarzame autobiografische passage van Da Vinci. Daarin komt een herinnering voor aan een wouw. Freud gebruikt een Duitse vertaling van het Italiaanse origineel waarin de wouw foutief als een gier vertaald is. De gier stond in het oude Egypte symbool voor de moeder. Dat is ‘gefundenes Fressen’ voor iemand die voortdurend in de weer is met moederbindingen. Freuds analyse van Da Vinci is dus gebaseerd op een foute vertaling. Voorstanders verdedigen Freud met de bewering dat Freud geen weet had van die verkeerde vertaling. Israëls heeft Freuds boekenkast ondersteboven gekeerd en heeft daarbij Duitse vertalingen van Da Vinci’s originele tekst gevonden waarin de wouw juist vertaald werd en waarin die passages bovendien door Freud eigenhandig waren aangestreept. Freud wist dus heel goed dat hij uitging van een foute vertaling en dat heel zijn verhaal niet meer was dan een vergezocht verzinsel. Toch kwam hij nooit op zijn beweringen terug.
Israëls speurtocht door de archieven van Freud is ontluisterend. Freud graaft zijn eigen graf, je staat er bij en je kijkt er naar. De freudianen doen er nog een schepje bovenop door heel sektarisch om te springen met de feiten en in het spoor van hun voorganger de waarheid geweld aan te doen. Dat is wat Israëls haarfijn analyseert. Daarbij bewaart hij een grote intellectuele distantie. Hij gaat nooit schelden of onder de gordel slaan. De feiten die hij op tafel legt zijn hallucinant genoeg, daar hoeft verder geen kwaadheid meer bij. Je begint begrip en waardering te krijgen voor de hardnekkigheid waarmee Israëls te werk gaat. Als je ziet wat hij aan het licht brengt is die vasthoudendheid niet verwonderlijk.

De stroom kritische geluiden over Freud en de psychoanalyse lijkt de laatste tijd niet te stoppen. Is Freud het zoveelste slachtoffer van de populaire trend om grote figuren met terugwerkende kracht van hun voetstuk te halen? Ook Gandhi, Churchill, Picasso, Mitterand of recent Kohl bleken toch niet zo goed en rechtschapen te zijn als de geschiedenislessen hadden doen geloven. Volgens psychoanalytici (en zij kunnen het weten) is het afvallen van Freud een afrekening met de vaderfiguur. Jammer genoeg is er meer aan de hand. Zolang het over politici of kunstenaars gaat hebben de kleine kantjes van de mens verder weinig belang. Iedereen mag wel eens liegen, straffe verhalen vertellen of onbeleefd zijn. We zijn geen heiligen.
Maar in het geval van Freud gaat het om beweringen en uitspraken die meer pretentie hebben. De psychoanalyse meent een theorie te zijn over het functioneren van de menselijke psyche en/of een therapievorm waarmee zieke mensen kunnen genezen worden. Deze pseudo-theorie wordt — ondermeer op basis van de feitenvervalsing van Freud en de zijnen —  nog steeds onder een mom van wetenschappelijkheid op de universiteiten onderwezen. En het verleent academisch gewicht aan een nog steeds groeiende hoeveelheid postmoderne prietpraat.
Boeken zoals die van Israëls maken echter duidelijk dat het om pseudowetenschappelijke kwakzalverij gaat. En daarover valt misschien veel interessants te zeggen, maar het blijft kwakzalverij. Freud was misschien historisch gezien een invloedrijk figuur, maar het blijft een kwakzalver. De feiten (die hij overigens zelf gecreëerd heeft) laten daarover geen twijfel bestaan.

Deze boekbespreking is verschenen in het Nulnummer van "Wonder en is gheen Wonder", november 2000.

Hier volgt de tweede bespreking:

FREUD OP DE SOFA

Door Gie van den Berghe.

Twee psychiaters komen elkaar 's avonds tegen. Zegt de een: "Oef! al die uren luisteren". "Hoezo", reageert de ander stomverbaasd, "luister jij daar dan naar?". Uit de briefwisseling van Sigmund Freud (1856-1939) en een Berlijns arts waarmee hij bevriend was, blijkt dat ook Freud niet altijd naar zijn patiënten luisterde, maar soms een dutje deed terwijl zij vrij associeerden of onder hypnose zaten. Dergelijke uitingen van kleinmenselijkheid werden zorgvuldig weggezuiverd toen Freuds volgelingen zijn correspondentie publiceerden. Freudcritici kwamen daar later achter en hechtten groot belang aan het gecensureerde. Dat de grondlegger van de psychoanalyse zich geringschattend uitliet over zijn cliënten (ik heb de goudvis gevangen schreef hij over een rijke patiënte) is ook niet niks. Maar men verliest een beetje uit het oog dat het om de privé-correspondentie tussen twee bevriende artsen gaat. Er zijn er wel meer die in dergelijke omstandigheden geen blad voor de mond nemen en ironiserend stoom afblazen. Wat ze dan over hun patiënten zeggen weerspiegelt niet noodzakelijk hun professionele houding. In de voorbije dertig jaar werden veel glorificerende mythes over Freud en de psychoanalyse doorgeprikt. Het staat nu wel vast dat de Professor, zoals zijn volgelingen hem noemden, het niet zo nauw nam met waarnemingen, feiten en waarheid. Freud bouwde vaak voort op één vaag feit of associatie. Het Oedipuscomplex bijvoorbeeld, hoeksteen van de psychoanalyse, gaat terug op een twijfelachtige observatie uit de tweede hand - een erectie bij het zoontje van een vriend - gekoppeld aan een onzekere kindsheidsherinnering van de Meester over mogelijk seksuele opwinding bij het begluren van zijn naakte moeder.

Met wetenschap heeft de psychoanalyse niets van doen. Ze stoelt noch op experiment noch op klinisch onderzoek en doet geen moeite om hypothesen op de proef te stellen. Kritiek wordt steevast afgedaan als een vorm van afweer, onbewuste vijandschap of angst voor de psychoanalyse.

De successen beschreven in de klassieke gevalstudies van de psychoanalyse zijn grotendeels verzonnen. Sommige wonderbaarlijk genezen patiënten zijn de rest van hun leven een neurotisch wrak gebleven. Freud wist dat. Neem het geval Dora (Ida Bauer), lange tijd voorgesteld als een model-analyse. Maar deze jonge vrouw verbrak na ternauwernood drie maand "behande-ling" elk contact met Freud omdat hij haar bleef bestoken met vergezochte verklaringen. Hij weet haar tics en zelfdodingsgedachten aan onderdrukte homoseksualiteit en fantasieën over orale seks en zwangerschap. In werkelijkheid werd Ida Bauer seksueel lastig gevallen door een vriend van haar vader, die op zijn beurt een verhouding had met diens echtgenote en daarom een oogje dichtkneep. Freud drong zijn doorgaans seksuele interpretaties meteen aan zijn patiënten op. Hun verontwaardigde afwijzing zag hij als ultiem bewijs van zijn gelijk. Ze wilden niet horen van traumatische gebeurtenissen in hun kinderjaren omdat ze die verdrongen hadden, hun onderbewuste verzette zich uit alle macht tegen bewustwording. De psychoanalyse is een elastische theorie waarmee je, mits enige vindingrijkheid, zowat alles kan bewijzen. Zo zouden dromen die in tegenspraak zijn met Freuds theorie dat elke droom een wensvervulling is, voortkomen uit de koppige wens die stelling te ontkrachten.

Israëls breidt de verdraaiingen die hij op het spoor is gekomen nogal onkritisch uit tot de héle psychoanalyse. Hij noemt Freud een fraudeur en kwakzalver, een bedrieger over de hele lijn, maar bewijst dat niet echt. Hij overdrijft de intentionaliteit en het boos opzet.

Met wetenschap heeft de psychoanalyse niets van doen. Ze stoelt noch op experiment noch op klinisch onderzoek en doet geen moeite om hypothesen op de proef te stellen. Kritiek wordt steevast afgedaan als een vorm van afweer, onbewuste vijandschap of angst voor de psychoanalyse. De rangen worden gesloten, de ivoren toren opgezocht. Veel kenmerken van de psychoanalytische beweging doen aan een sekte denken. Han Israëls, een van de eerste Freudcritici in onze contreien, toont in De Weense kwakzalver aan dat Freud en zijn volgelingen veel verdraaiden, verzonnen en... verdrongen. Het is een ongelijk boekje, van grondig wetenschappelijk artikel  tot geïnformeerde roddel. Maar altijd even scherpzinnig en uitstekend verteld. Een goed overzicht van de Freudkritiek dat gunstig afsteekt tegen de wegwerpkritiek van veel andere Freudcriticasters. Alleen jammer dat de eerder in krant of tijdschrift verschenen artikels gebundeld werden zonder serieuze redactie. De samenstellers hadden zich enige moeite mogen getroosten om de vele herhalingen weg tewerken. Israëls breidt de verdraaiingen die hij op het spoor is gekomen nogal onkritisch uit tot de héle psychoanalyse. Hij noemt Freud een fraudeur en kwakzalver, een bedrieger over de hele lijn, maar bewijst dat niet echt. Hij overdrijft de intentionaliteit en het boos opzet.

Freud was een autoritair en zelfverzekerd man, die zelden of nooit aan zijn gelijk twijfelde. Daarom achtte hij het gerechtvaardigd, misschien zelfs noodzakelijk, zijn theorieën aan feiten en patiënten op te dringen. Freud had een bijzonder groot ego.

Freud was een autoritair en zelfverzekerd man, die zelden of nooit aan zijn gelijk twijfelde. Daarom achtte hij het gerechtvaardigd, misschien zelfs noodzakelijk, zijn theorieën aan feiten en patiënten op te dringen. Freud had een bijzonder groot ego. Getuige daarvan een passus uit een tekst van 1917, Eine Schwierigkeit der Psychoanalyse. Freud heeft het daarin over de drie zware krenkingen die de wetenschap aan het menselijk narcisme heeft toegebracht. Copernicus beroofde de mens van zijn centrale positie in het heelal; Darwin toonde aan dat mensen niet anders of beter zijn dan dieren; de psychoanalyse - Freud dus - bewees dat het Ik geen baas is in eigen huis. Freud geloofde in alle oprechtheid een groot wetenschapper te zijn en velen vonden dat met hem. Hij was een kind van zijn tijd, er werd in de menswetenschap van die dagen nogal wat afgespeculeerd. De kritiek op Freud is meestal te totalitair, zonder nuance. Dat heb je wel meer met gevallen goden en idolen; kind en badwater worden dan weggegooid. Maar Freud was een fascinerend denker en auteur. Sommige van zijn werken, Die Traumdeutung, Der Witz und seine Beziehung zum Unbewußten en Die Zukunft einer Illusion bijvoorbeeld, zijn nog altijd meer dan het lezen waard. Men vergeet ook dat de psychologie en de psychiatrie rond 1900 beladen waren met sinistere theorieën over erfelijke degeneratie en raciale inferioriteit, en ook therapeutisch weinig voorstelden. Teruggeplaatst in haar tijd was de psychoanalyse een progressieve kracht die voor bepaalde gevallen een oplossing leek te bieden. De erkenning van het belang van de seksualiteit, heeft verreikende gevolgen gehad voor de psychologie en de pedagogie. Freud heeft een en ander bespreekbaar en duidelijk gemaakt, de rol van menselijke driften en hun botsing met maatschappelijke vereisten. Zijn ideeën over de menselijke verbeelding hebben talloze mensen geïnspireerd, zeker in de wereld van de kunst. De westerse cultuur en ons taalgebruik zijn niet voor niets doordrongen van psychoanalytische begrippen als sublimatie, verdringing, lapsus en libido...

Deze boekbespreking is verschenen in het Nulnummer van "Wonder en is gheen Wonder", november 2000.

 

- Copyleft, artikel uit het tijdschrift "Wonder en is gheen Wonder", SKEPP. Woordelijk kopiëren en distribueren van dit artikel is toegestaan in elke vorm, mits behoud van deze copyleft-noot - 06-07-09