Cryptozoölogie
Wat is cryptozoölogie?
The Great Sea-Serpent, het begin van het cryptozoölogisch onderzoek. Hoewel Oudemans' vakgenoten hem weghoonden, bleek dat er toch nog 'nieuwe' dieren te ontdekken vielen, bijvoorbeeld de Komodovaraan (1912) en de reuzenmuntjak (1997), een hertensoort in het regenwoud tussen Laos en Viëtnam. Geen van de dieren was echter cryptozoölogisch in die zin dat er al een montagetekening gemaakt en gepubliceerd was op grond van ooggetuigeverslagen. Als de bijbel van de cryptozoölogie geldt het boek On the Track of Unknown Animals uit 1958 van de Belgische natuuronderzoeker Bernard Heuvelmans. Heuvelmans voert de talrijke waarnemingen van Yeti's, Nessies, Bigfoots, dinosauriërs, enzovoort terug op nog niet ontdekte diersoorten of overlevende prehistorische wezens. Tot de Internationale Vereniging voor Cryptozoölogie in Tucson/VS behoren 800 wetenschappers, waaronder 20 Duitsers. Critici verwijten cryptozoölogen mythen en vage waarnemingen te overschatten als een betrouwbare weergave van de realiteit. Destijds stelde Heuvelmans een lijst op van ongeveer 150 zogenaamde cryptiden, waarvan het werkelijke bestaan nog bewezen moet worden.
Op een diepte van 1000 meter, in de zogenaamde abyssale zone, verbergt zich een van de laatste raadsels van het dierenrijk: de reuzeninktvis. Geen enkele onderzoeker heeft het vermeende zeemonster waarrond cryptozoölogen ijverig legenden spinnen, ooit levend gezien.
Zacht schommelt
het bootje van de vissers Theo Piccot en Daniël Squires op de golven
voor de kust van Newfoundland. De netten zijn binnengehaald. Vers
gevangen kabeljauw spartelt in grote kuipen. Plots ontwaren de mannen
in het water iets wat er als wrakhout uitziet. Ze roeien erheen.
Squires slaat een ijzeren haak in het vermeende wrakhout, om het naar
zich toe te kunnen halen. Op hetzelfde ogenblik siddert de boot onder
een geweldige, doffe slag. Vuistdikke vangarmen duiken op uit het
water en slingeren zich rond het vaartuig. Met een dapperheid die
zijn leeftijd ver te boven gaat grijpt de twaalfjarige zoon van Theo
Piccot een bijl. Hij slaat verschillende keren toe - en ziet met een
mengeling van walging en fascinatie hoe een afgehakte tentakel zich
rond het dek windt. Ziedend schuim bruist op als het mysterieuze
monster terugzinkt in de diepten van de Atlantische Oceaan. We
schrijven het jaar 1873.
De geschokte vissers brengen de zes meter
lange vangarm naar de Eerwaarde Moses Harvey, een
hobbyist-natuuronderzoeker in het kleine oord St. John. "Ik was
aangegrepen door ontzag", schrijft de dominee later in een
zoölogietijdschrift: "Ik was nu de eigenaar van een van de
zeldzaamste curiositeiten van het hele dierenrijk - een echte
tentakel van de geheimzinnige reuzenkraak, waarvan de zoölogie het
bestaan eeuwenlang in twijfel trok. " Slechts enkele jaren
daarvoor, in 1857, werd de reuzeninktvis voor het eerst door de Deen
Japetus Steenstrup omschreven als Architheutis monachus (vandaag:
dux), aan de hand van een bij Aalbaek aangespoeld exemplaar.
2001:
de Amerikaanse zoöloog en inktvisexpert Clyde Roper staat aan de
kust van Nieuw-Zeeland en wijst naar de open zee. "Slechts twee
kilometer verder, in het diepe water, leven deze dieren. Ze zouden
echter evengoed buitenaardse wezens op de maan kunnen zijn."
Meer dan 100 jaar zijn verstreken sinds een vermeend mythisch
schepsel een heel normale biologische soort werd, of in elk geval een
aanzet daartoe. Want op de aarde bestaat een plaats die, nagenoeg
zoals de maan, ontoegankelijk koud en duister is. Een gitzwarte
afgrond, waarin de eigenaardige lichten van bizarre wezens
opflakkeren als sterrebeelden. Een wereld die 62% van de
aardoppervlakte inneemt en toch moeilijker te onderzoeken is dan het
heelal: de abyssale zone, de wereld van de diepzee. Al op 800 meter
heerst totale duisternis. Hier verbergt zich een van de laatste grote
raadsels van de zeeën: een geheimzinnige reus, die wij mensen zo
goed als nooit levend te zien krijgen. "Waarschijnlijk weten we
meer over de dinosauriërs dan over de reuzeninktvis", betreurt
Clyde Roper. Sinds decennia zoekt de wetenschapper naar het grootste
ongewervelde roofdier ter wereld. In de lente van 1999 keerde Roper
van zijn derde grote expeditie naar het rijk van de eeuwige nacht
terug. Met het onderzoeksschip van het Nationaal Instituut van Water
en Atmosferisch Onderzoek, Kaharoa, en de eenmansduikboot Deep Rover
dobberde hij twee maanden lang voor de kust van Nieuw-Zeeland. De
zoektocht was echter vergeefs. "De reuzeninktvis blijft een
vluchtig en toch reëel geheim van de diepte", schreef hij de
laatste dag in zijn logboek.
We weten niet precies hoe lang ze
leven, noch hoe groot ze worden, hoe snel ze zwemmen of hoe ze met
soortgenoten communiceren. Veel gegevens moeten uit de anatomie en
het gedrag van kleinere soorten afgeleid worden. Toch onderschatte
zelfs de fantasierijke schrijver Jules Verne het wezen met de
wetenschappelijke naam Architheutis daarbij aanzienlijk: "Het
was een reuzenkraak van geweldige afmetingen, zo'n acht meter lang.
Zijn reusachtige blauwgroene ogen staarden ons aan", zo laat de
Franse schrijver het diepzeemonster in 20.000 mijlen onder zee op de
duikboot Nautilus los. In werkelijkheid kunnen inktvissen "een
maximale lengte van 45 meter bereiken", vermoedt Frederick A.
Aldrich van het Zeewetenschappelijk Laboratorium van de Memorial
University in Newfoundland. Het tot hiertoe grootste dier trof men in
1880 dood aan op het strand van de Bay of Islands voor Nieuw-Zeeland.
Het mat zo'n 17 meter en woog een ton. Ongeveer 200 aangespoelde
kadavers, enkele door vissers gevangen en door de netten zwaar
toegetakelde, oude en daardoor trage exemplaren, alsook een paar
bekken van reuzeninktvissen uit potvismagen - dat zijn de weinige
fragmenten van de verwarrende puzzel die Architheutis heet. Plus een
paar toevallige ontmoetingen.
J.D.Starky was een
sleepnetvisser die aan het begin van de vorige eeuw de Indische
Oceaan bevoer. Op een nacht staarde hij in gedachten verzonken in het
donkere water, toen een rond licht voor hem opgloeide. "Plots
werd ik mij ervan bewust dat ik van zeer nabij in de ogen van een
reusachtige inktvis staarde. Ik schrik niet zo vlug, maar dit koude,
boze en onverschrokken oog was direct op mij gericht. Ik heb noch
voordien, noch daarna ooit iets gezien dat zo hypnotiserend en zo
intelligent was."
Gedurende een kwartier fixeren de beide
ongelijkaardige zeebewoners zich op elkaar. Dan lijkt de inktvis op
te zwellen en zonder zichtbare inspanning verdwijnt hij terug in de
nacht. Het is niet moeilijk te begrijpen dat de Architheutis aan
cryptozoölogen die in monsters geloven, verschijnt als "de
essentie van het zeemonster, dat waarschijnlijk voor meer mythen,
fabels, fantasieën en ficties verantwoordelijk is dan alle andere
zeemonsters samen", beweert de Amerikaanse auteur Richard Ellis.
Daar bestaan echter geen voldoende aanwijzingen voor. De Franse
mythenonderzoeker Michel Meurger toonde bijvoorbeeld aan dat de vele
Scandinavische kraaksagen duidelijk niet door een gigantische inktvis
geïnspireerd werden, maar door reusachtig uitvergrote fictieve
kreeften of krabben - onvatbare monsters, zo groot als een eiland en
gedacht als een vreemde mengeling van oever, zandbank, vulkaan en
luchtspiegeling.
Ellis en het genootschap van de cryptologen
hebben het evenzeer bij het verkeerde eind als ze de fragiele riemvis
(Regalecus glesne) aanvoeren als "de oorzaak van de dramatische
verhalen over zeeslangen". Hij zinkt immers passief loodrecht in
zee en steekt geenszins zijn kop uit het water, omdat hij dan niet
meer kan ademhalen. Ook het vraatzuchtige monster Scylla in Homerus'
Odyssee ("Zie, het monster heeft twaalf afschuwelijke klauwen,
en zes ongelooflijk lange halzen") heeft veeleer op fabeldieren
uit het rijk van de fantasie betrekking.
In de herfst van 1998
verraste het tijdschrift mare zijn lezers met iets sensationeels. 480
meter onder de zeespiegel werpen twee journalisten van het blad
toevallig "een blik in het oog van de Architheuthis: de
reflectie van de schijnwerpers danst in de gitzwarte iris. De
beenderloze Leviathan van de diepzee staart ons aan. Iedereen beseft
het: de reuzenkraak daar buiten moet tegen de 20 meter lang zijn.
Niemand spreekt het uit. Nagenoeg onverdraaglijk is dit onderzoekende
oog, alsof een onbekende intelligentie de binnenkant van de kabine
leegzuigt."
De reportage had echter één probleem: ze
was uit de duim gezogen. Wel klopt het dat zeeonderzoekers zoals
Jean-Michel Cousteau en Clyde Roper ook dit jaar blijven streven naar
zo'n historische uitwisseling van blikken. Roper bracht al twee keer
via een zuignap een onderwatercamera aan bij een potvis. De machtige
tandwalvissen zijn de enige natuurlijke vijanden van de
reuzeninktvis. Vrijwel elke potvis die in handen van walvisvangers
valt, braakt in zijn doodstrijd reusachtige, met zuignappen bezette
tentakels uit. Het huzarenstukje slaagde echter in beide gevallen
slechts onvolledig. Toen de camera een tijd later weer aan het
wateroppervlak opdook, ontwikkelden de wetenschappers opnamen die
elke walvisonderzoeker in verrukking zou brengen. Alleen voor de fans
van de Architheutis was niets te zien. Bij de tweede ronde
registreerde het toestel toch op 700 meter diepte het gevecht tussen
een pijlinktvis en een haai. De dieren waren allebei slechts een
halve meter lang. Hun duel liet echter tenminste vermoeden hoe een
schermutseling tussen een potvis van 20 meter en een reuzeninktvis
zou kunnen aflopen.
"Op een dag", weet Roper
stellig, "zal zich iemand opnieuw oog in oog met een
reuzeninktvis bevinden". Tot dan houdt de Architheutis op 1000
meter diepte de uitkijk en wacht. Hij grijpt zijn slachtoffers in het
eeuwige duister en beweegt zich geruisloos naar zijn volgende
maaltijd. Twee van de tien vangarmen zijn langer en aan het uiteinde
voorzien van een soort knots. Als dikke gummikabels snellen ze de
prooi tegemoet om haar als met knijptangen te grijpen en naar de
papegaaiachtige bek te voeren. De zeer gespecialiseerde rover legt de
vissen stuk voor stuk neer en schuift ze via de met tanden versterkte
tong de slokdarm binnen. Gadeslaan kunnen we hem daarbij niet. De
ogen, zo groot als een bord, zien zo scherp dat hij alles in zijn
omgeving kan overschouwen en elk net en elke duikboot kan ontwijken.
Een opname van deze reus, mijmert de Amerikaanse auteur en vakman op
gebied van zeedieren Richard Ellis, "blijft het laatste nog
ongeschoten beeld". •
Vertaald door Griet
Vandermassen
---------------------------------
Opmerkingen
bij de vertaling (Nick Trachet)
1. Nog een voorbeeld van een
nieuw ontdekte diersoort is de okapi (Johnston, 1905).
2.
Cryptozooölogen halen de Latimeria chalumnae (de Coelacanth) als
voorbeeld aan, maar eigenlijk werd die door gewone biologen uit East
London en de Kaap ontdekt (Mrs Marjory Courtenay-Latimer & Prof.
J.L.B. Smith). Niemand verwachtte op dat moment nog ergens een
levende coelacanth aan te treffen.
3. Architheutis is geen
onbekende diersoort: er zijn tientallen specimens van bewaard in tal
van musea (meestal stukken en brokken). Ze zijn wel degelijk levend
beschreven. Hun fysiologie is gedeeltelijk bekend. Men weet zelfs dat
ze niet lekker te zijn (teveel amonia in de weefsels). Er zijn
andere diersoorten die veel banaler klinken maar minder goed
bestudeerd zijn dan de A. dux. Zo weet men bijvoorbeeld dat A. dux
licht geeft (hij draagt zogenaamde photoforen). Dat komt trouwens bij
heel wat soorten calamari en andere Œfruits de mer¹ voor.
Reuzeninktvissen zijn gewoon onweerstaanbaar fascinerend, net zoals
de grote witte haai (Carcharodon carchiaris) zelfs de meest droge
squaloloog in vervoering kan brengen.
4. De complete
duisternis onder water begint op zo¹n 80meter diepte en niet 800,
zoals vermeld in het artikel.
5. Cryptozoölogen zouden graag
diersoorten erkend zien zonder dat er een type van gedeponeerd werd
in een museum (met andere woorden: erkenning zonder harde feiten).
SKEPP vzw - 29-09-10

artikel van skepp
artikel van skepp uit wonder
bericht uit het forum
nieuws van zusterorganisatie
nieuws van skepp
nieuws uit de pers
recent bericht uit het forum





